tokio hotel sa

Startspot.nl

Als startpagina - Bij je favorieten - Eigen startpagina

Dating

» Meer dating!

Aanmelden

Bekijk of de naam nog vrij is en registreer de naam:

.startspot.nl

Overzicht

TH shirt !!

TH shirt !!

WIL JE OOK ZO'N LEUK T-SHIRT? OF MISSCHIEN OP EEN ANDER KLEDINGSTUK, OF EEN EIGEN PATROON? Alles kan. Ga snel naar: www.hotfix-winkel.nl , dan geef ik je zo snel mogelijk de kosten en levertijd door.

Poll

Wat is volgens jou het beste/leukste/etc.?

Bekijk de resultaten

Mededeling :D

Mededeling :D

--- 26 Maart ---
Hellooooooww =D
We're back xD Met een nieuwe sa =P
En meer heb ik eigenlijk niet te vertellen xD
Wist je trouwens dat dit alweer m'n 50ste is xD
lekker interressant ook xD Ga maar gewoon lezen (als je zin hebt...anders natuurlijk niet xD)
Byee ^^

--- 9 april ---
Hey,
Ok, het gaat misschien allemaal niet zo snel..Mr er is wel weer een nieuwe sa op de site =D
Hoewel ik er zelf niet helemaal tevreden over ben... maargoed.. dat is wel vaker zo xD Maar dat paniekstukkie vind ik wel leuk (ha.. als je wil weten wat ik bedoel zou je 'm toch echt lekker moeten lezen.. oh.. plagen is z leuk xD)...
Maargoed...
Ik ben wr met een andere bezig (sinds vanochtend bij Nederlands xD whahahaha).. und euhm.. dus.. dan weet je dat ook weer xD
En morena is wr met een sa bezig..maar dat heb ik al een paar keer geschreven..maar telkens zie ik niets verschijnen =O Dt is gemn...
Und .. euhmm... dat was het =P
xo

Wat hebben we al?

Wat hebben we al?

Even een klein overzichtje van welke SA's we al hebben. Dat is ook makkelijk te zien of je nog 'achter loopt' met bijlezen, of niet. :) Ze staan trouwens op volgorde van de site.

De songtekst..
Djvu (door de ogen van Tom)
Djvu (door de ogen van Bill)
Stich ins Glck
Ruzie
Spring nicht
Ich brech aus
Gegen meinen willen
Hot
Wel of niet?
Vergessene Kinder
Wenn nichts mehr geht
Take me away
You are not alone
I’m with you
Es ist vorbei
Some lives are to short
Vrijdag de 13e
Foutje, bedankt…
Slapeloze nachten
30 minutes
Doe niet onder voor bliksem en donder
Bliksem
What’s happend with Bill?
What’s happened with Bill? (vervolg)
Please, help me
Je kunt ervan genieten, je kunt eraan ten onder gaan
Zo ben ik nou eenmaal, accepteer het maar
En hoe verder?
Rette mich
Rette mich (songfanfic)
Een beginnende vriendschap? Of een beindigde vriendschap?
I needn’t you
Een ontsnapping aan de realiteit
Dat liefde verboden is...
Wat moet ik nou?
I want to be with you, whatever it takes!
1.000 Meere
Friend of the devil?
It's disgusting what dreams can do to you
Wir sterben niemals aus
Vergessene Kinder
Ich bin an deiner Seite
Liever geen antwoord
The Kill (songfanfic)
Kamer 6277
Het gevolg van n domme actie
Zijn wij broers?
Vrienden of vijanden?
Broederliefde, nooit van gehoord
Waar een ruzie op kan eindigen...
Was it a dream? Or was it not?
Fanfictions en meer...
Noem het geen handicap!
Je bent niet alleen
Vampire Hunter
Vermoord, of een ongelukje?
Plankenkoorts, nergens voor nodig
Voor altijd een herinnering
Eerst beste vrienden, nu gezworen vijanden?
Opa
Welcome to the Black Parade
30 Seconds to Mars?
Demotion Lovers
Teenagers
Wake me up when September ends
Felt in love with the Vampires

Officile TH sites

Officile TH sites

hier zijn een paar links naar andere officiele TH sites :P

TH forums

TH forums

De categorie naam zegt het al..
TH forums..

Tja, wie niet he? xD

Tja, wie niet he? xD

Hoooiiiii

Hoooiiiii

Op deze pagina zet ik allemaal Stand alones over TH.
Maar niet alleen van mezelf, maar ook van anderen. Dus heb jij nog een SA en wil je dat 'ie op deze pagina komt, laat het me dan ff weten.
Hoe meer je naar beneden scrolt, hoe nieuwer de Stand alones zijn, dus ik zou zeggen.. veel leesplezier :D
Byeeee

De songtekst..

De songtekst..

Ik lig hier, op bed. Nadenkend over wat er de laatste tijd gebeurd is.
Telkens als ik dat doe krijg ik er weer een rotgevoel bij.

Het begon een paar jaar geleden.
Onze ouders gingen scheiden. De stiefvader die in de plaats kwam van onze echte vader was erg aardig.
Hij leerde mij hoe ik gitaar moest spelen. Dat had ik altijd al gewild, om net zo goed te spelen als mijn stiefvader.
Bill daar in tegen had daar het geduld niet voor. Hij probeerde het wel, maar het lukte gewoon niet.
Dus begon Bill met liedjes te schrijven.
Soms ging dat over zijn eigen gevoel, en soms over die van anderen.
Ik mocht de teksten altijd als eerste lezen. Nog voordat Bill het aan onze moeder liet zien.
Waar de songteksten ook over gingen, het raakte me altijd diep van binnen.
Tot Bill op een dag nog een songtekst geschreven had.
Ik kwam zijn kamer binnen. Daar zag ik Bill zitten, zijn schouders schokten van het huilen.
‘Bill, wat is er?’ Vroeg ik zacht. ‘Niks.’Had hij kortaf geantwoord. Zo snel mogelijk zocht hij een plekje in zijn bureaulade en propte de songtekst erin.
Ik ging op zijn bed zitten. ‘Bill, kom eens naast me zitten.’ Schuifelend en niet al te enthousiast ging hij met een plof naast me zitten. ‘Zeg me nou wat er aan de hand is.’ Zei ik nog een keer. ‘Niks, dat zei ik net toch ook al.’ ‘Er is wel wat aan de hand. Dat zie ik aan je gedrag.’
Bill stopte zijn armen nog dieper weg onder zijn dekbed en zei toen: ‘Het is die tekst.’ ‘Mag ik hem lezen?’ Vroeg ik. Bill keek me een beetje bang aan. ‘Onder n voorwaarde. Alleen als je beloofd om het er met niemand over te hebben.’ Zei hij. ‘Ok, is goed.’ Antwoordde ik daarop. ‘Ook niet met mam.’ Bill keek me waarschuwend aan.
Als ik het er niet met mam over mag hebben dan zou dit erg zwaar kunnen vallen. ‘Ok, is goed. Je kunt me vertrouwen.’
Snel haalde Bill zijn armen onder het dekbed vandaan. Te snel om er wat op te zien. Hij Rommelde wat in zijn bureaulade en viste het opgekreukelde blaadje met de tekst eruit, en gaf het aan mij.
Ik las het door. Ik schrok toen het tot me doordrong waar het over ging.
Hij beschreef zijn leven, maar ook zijn dood. Het ging veel verder dan Spring nicht.
Toen ik klaar was trilde ik een beetje.
‘Laat je polsen eens zien.’ Zei ik.
Hij legde zijn handen op mijn schoot, met de wonden op zijn polsen omhoog. ‘Waarom doe je dit?’ Met grote ogen keek ik hem aan. Bill kreeg weer tranen in zijn ogen en haalde zijn schouders op. ‘Bill, stop hier asjeblieft mee.’Schuldig keek hij naar beneden. Toen knikte hij ja.
Hij verscheurde de songtekst en liep weg.
Daar zat ik dan. In de kamer van Bill.
Ik haalde de stukjes tekst uit de prullenbak en maakte ze met plakband aan elkaar. Voorzichtig vouwde ik het op en deed het in mijn broekzak.
In de dagen die er op volgden leek het goed te gaan. Maar daar zat ik mooi naast.
Een paar dagen later hoorde ik gebonk en een deur die dichtsloeg. Ik was op mijn kamer en wist dat het gebonk Bill was die van de trap liep. Ik besloot om hem te volgen.
Na een tijdje achter hem aangerend te hebben kwamen we bij een gebouw.
Bill leek diep in gedachten verzonken, want de hele weg heeft hij me niet op gemerkt. En hij had haast, want ik moest stevig doorlopen om hem bij te houden.
Bill liep naar boven. Ik ging achter hem aan. Ik had al een flauw vermoede wat hij zou gaan doen. Maar als ik nu zou ingrijpen, bracht ik hem misschien op ideen. Dus ik volgde alleen. Helemaal naar boven. Bill ging op de dakrand staan.
Ik wist het zeker! Hij ging het doen!
Ik pakte zijn hand en trok hem weg van de rand. ‘Broertje, wat doe je?’Bill stond te trillen van de kou, hij weigerde antwoord te geven. Bill stond met zijn rug maar me toe. ‘Bill, je gaat het niet doen.’ Waarschuwde ik. Plots draaide hij zich om. De zwarte tranen liepen over zijn wangen. ‘Jawel! Ik maak er een eind aan. Dan is iedereen blij, want ze zijn van me verlost.’ ‘Maar Bill, ik kan niet zonder je. Ik ben jou. Wat moet ik als jij er niet meer bent?’ ‘Weet ik veel, genieten? Eindelijk vrij zijn? Tom, ik hou ook van jou, maar als ik blijf leven komt het toch niet meer goed.’ Met een ruk draaide hij zich weer naar de rand, rende ernaartoe, en sprong eraf.
Ik was te laat.Een paar tellen later hoorde ik een klap. ‘Vaarwel broertje. Ik hield echt van je. En ik zal je missen.’
Tranen liepen over mijn wangen. Ik rende naar beneden. Daar lag hij, dood. Nu was ik alleen. Ik pakte mijn mobiel en belde naar huis. ‘Hoi mam. Ik kom naar huis. Er is slecht nieuws, maar ik weet zeker dat Bill van je hield.’ Zonder antwoord af te wachten hing ik op.
Ik tilde Bills lichaam op een nam het mee naar huis. Het voelde koud aan. En het idee dat ik geen broer meer had was ondragelijk Bij de deur belde ik aan, zodra mijn moeder me zag barstte ze in tranen uit. Ik legde uit wat er was gebeurd. Maar ik liet de songtekst en het snijden achterwegen. Ik hield me nog steeds aan mijn belofte, en was ook niet van plan om die te verbreken.
De dagen erop waren grijs en gingen veel te langzaam voorbei. De begrafenis volgde. Dat was misschien nog wel de ergste periode.

Ik haal de songtekst uit mijn bureaulade. De tekst die mijn leven omver heeft gegooid.
Mijn besluit staat vast.
Ik ga naar dezelfde plek als waar Bill er een eind aan heeft gemaakt.
‘Ik ga hetzelfde voelen als wat jij gevoeld hebt, een week geleden. Ik kan echt niet zonder je. Ik kom eraan broertje!’ En met die woorden spring ik van het gebouw.
Niemand die mij tegen heeft gehouden.
En als mijn moeder straks thuis komt is er ook geen Tom meer.
Alleen een songtekst van Bill en een afscheidsbrief die ik snel heb geschreven.

Djvu (door de ogen van Tom)

Djvu (door de ogen van Tom)

Ik loop hier. Ergens in een donkere steeg. Het miezert een beetje maar ik ben zo eigenwijs geweest om geen jas aan te trekken. Het schemert. Iets verderop staat een gebouw.Ik ken het, maar waarvan?
Als ik dichter bij het gebouw kom zie ik het. Het is de 15 verdieping tellende parkeergarage. Alexanderplaats in Berlijn. Die dag vergeet ik niet meer.
De dag dat we de clip Spring nicht opnamen.
Toen zag het er hier nog goed uit. Maar nu, een jaar later is het niet goed meer onderhouden. Het is vervallen. Er staan nog een paar met graffiti gespoten teksten op de muren geschreven. De meeste slaan op Spring nicht.
Maar ook de teksten zijn al verouderd. Niemand neemt de tijd om er iets nieuws bij te spuiten.
Maar dan zie ik twee mensen op het gebouw. Hoe ze het hebben gedaan weet ik niet, want er ligt een hoop puin. Maar ze staan er… Maar wat doen ze nou? Ze willen van het dak springen! Ik moet ze tegen houden!

“N!” Hijgend word ik wakker. Gelukkig, het was maar een droom.
Ik kijk naar het bed naast me. Naar mijn broertje. Mijn enige echte lieve, kleine broertje, aan wie ik alles kwijt kan.
Hij mompelt in zijn slaap. Al snel verandert het in angstige kreten. Zou hij dezelfde nachtmerrie hebben? “Bill?” Zeg ik zacht in zijn oor. “Er is niets aan de hand.” Bill wordt wakker. “Tom? Het was een nachtmerrie. En het leek zo echt.” Zegt hij zacht. “Weet ik. Ik had dezelfde droom. Ik denk dat het gewoon zenuwen zijn voor morgen.” Zo probeer ik hem gerust te stellen. Maar ik weet wel beter. Dit leek t echt om zomaar een droom te zijn.
Ik kijk op de klok. Half 3. “Zullen we maar weer gaan slapen?”Vraag ik eigenlijk onnodig. “Ja, is goed. Truste Tom.”Zegt Bill. Hij gaat zijn bed weer in. En ik ga het mijne weer in.
Na nog geen 5 minuten hoor ik gerommel naast me. Als ik me omdraai zie ik dat Bill naast mijn bed staat. Ik schuif opzij. “Kom maar.” Zeg ik. “Net zoals vroeger, maar dan iets krapper.”Zegt Bill lachend als hij naast me ligt. Dan kruipen we tegen elkaar aan en zo vallen we in slaap.

Ik ren achter Bill aan. Waarom weet ik niet. Dan roep ik iets naar hem, maar mijn woorden vallen weg.
Hij roept iets terug. Ook zijn woorden zijn onverstaanbaar.
Ik moet iets doen. Wat gebeurt er hier? Dan zie ik het gebouw weer. Weer de parkeergarage. Weer dezelfde graffiti. Alleen nemen we een andere weg.
Een weg die ons door allerlei puin leidt.
Dan word ik gewekt door onze persoonlijke wekker genaamd: Gustav.
“Kom op jongens. We gaan vandaag de clip opnemen dus een beetje opschieten mag best.” Gustav doet een lamp aan. “Gustav! Doe dat licht uit, ik ben nog maar net wakker.”Kreunt Bill naast me. “Ik ga niet weg voordat jullie uit bed zijn.” “Ok dan.”Zegt Bill. Hij wil rechtop gaan zitten. “Auw, Tom, je ligt op m’n haar.” Roept Bill. “En jij had niet door dat je met je elleboog in mijn ribben zat te prikken?” Zeg ik onder de dekens vandaan. “Wanneer?” Vraagt Bill verontwaardigd. “Toen Gustav ons wakker maakte kreeg ik een elleboog tussen mijn ribben.” Mompel ik. “Oh, sorry Tom.” Zegt Bill op een zielige toon. Ik schuif wat opzij. “Zo Bill. Je bent nu officieel bevrijd, dus ga je maar omkleden.” Zeg ik. “Dat is gemeen. Dat doe je alleen omdat je zelf nog wilt maffen.” Zegt Bill. “Dh, ga nou maar.” Bill kruipt het bed uit. Ik luister hoe de douchekraan open wordt gedraaid en een paar minuten later weer wordt dichtgedraaid. Dan doezel ik weer in slaap.
“Betrapt!” Roept Bill ineens. Ik schrik me kapot om vervolgens een berg kleren naar mijn hoofd geslingerd te krijgen. “Asje, ik heb alvast wat voor je uitgezocht, anders val je daarbij misschien in slaap.” Zegt Bill plagend. “Grappig hoor. Ben blij dat je het naar je zin hebt.” Zeg ik slaperig. “Dan ga ik me nu maar omkleden.” En met die woorden schuifel ik langs Bill en stap ik onder de douche.
Ik laat het warme water op mijn schouders uiteen spatten. Ineens wordt het water ijskoud. “Whaa! Zet die kraan uit!!” Is mijn eerste reactie. “Huh? O, sorry Tom. Ik wist niet dat je stond te douchen.” Roept Georg terug. Aan de andere kant van de deur hoor ik Gustav, Georg en Bill het uitschateren.
Na me nog even hebben opgewarmd onder de wrme douche kleed ik me aan. “Sorry hoor. Maar ben je wel lekker wakker geworden?” Vraagt Georg. “Ja hoor. Maar dat was anders ook prima gelukt met een warme douche.” Zeg ik.
We eten wat met zijn vieren, dan gaan we naar de set. En al snel staan we bij de scne waar Bill door het politielint heen rent. Je weet wel, waar alles mee wordt afgezet.
Het had iets weg van mijn tweede droom. Zou ik achter hem aan moeten? Nee, ik denk het niet. In de droom was het toch nog anders. Daar waren andere gevoelens bij. Hierbij was alles gespeelt, maar in mijn droom? Ik weet het niet.
Na twee dagen is alles opgenomen. Na het monteren mogen wij het resultaat bekijken. Alles staat er goed op.
De volgende dagen gaan heel snel. De premire, optredens, interviews, nog meer optredens, meet & greets. Maar alles zonder de nare dromen. Toch blijf ik er maar aan denken.
Dan komt er ruzie. Waarover is nu even onbelangrijk. Natuurlijk hebben we wel eens onenigheid, maar dit was echt ruzie. Georg en Gustav kiezen elkaars partij, en Bill en ik vormen ook een partij. De ruzie blijft maar doorgaan. Uiteindelijk wordt het zelfs zo erg dat heel Tokio Hotel uit elkaar valt.
Er is geen band meer. Geen interviews meer. Geen concerten meer. En ook geen geschreeuw van allerlei fans. Dit was een ware nachtmerrie waar ik niet uit kon komen. Dit had nooit mogen gebeuren, we zouden altijd muziek blijven maken. Daar waren we het allemaal over eens.
Maar het hele muziekwereldje is ingestort.
We gaan naar huis.
Ik sluit mezelf op in mijn slaapkamer. Ik zeg niks meer tegen Bill, en hij zegt niets meer tegen mij.
Het gaan steeds slechter met ons. We eten weinig en slapen slecht. We komen amper buiten. En als we buiten zijn worden we niet meer herkend. Dat komt doordat Tokio hotel er niet meer is.
Dagen kruipen voorbij. Ik ben hartstikke mager geworden. Uiteindelijk besluit ik om m’n bed maar weer eens uit te komen.
Als ik Bill tegenkom zie ik dat hij er ook niet meer al te best uitziet. Zijn kleren die een paar dagen geleden nog normaal zaten, hangen nu losjes om hem heen. Het is niet om aan te zien. Als twee zombies gaan we naar beneden.
Onze moeder is al weg naar haar werk, want ondanks dat ze zich heel veel zorgen maakt, moet er toch brood op de plank komen.
Als Bill en ik samen aan tafel zitten stelt hij voor om een eindje te gaan wandelen. “Is goed.” Stem ik in. Als Bill de deur open doet zeg ik: “Moet je geen jas aan?” Hij haalt zijn schouders op. “Neuh. Zo’n slecht weer is het ook weer niet.” “Dat is waar.” Zeg ik. Ik laat mijn jas ook hangen waar hij hangt en ga met hem mee.
“Waar wilde je eigenlijk naartoe?” Vraag ik nadat we een eindje hebben geslenterd. “Dat zie je vanzelf wel.” Zegt hij voor zich uitstarend.
Zwijgend lopen we. Het lijkt eindeloos, maar tegelijk gaat het ook heel snel.
Soms worden we nagekeken door mensen. Af en toe wordt er naar ons gewezen, maar we negeren het.
Dan begint het te miezeren, maar ik trek me er niets van aan. We lopen door een donker steegje. Het schemert. Verderop staat een gebouw. Ik ken het, maar waarvan?
Deze gedachten, deze hele gebeurtenis. Het is uit mijn droom! Dit is de vervallen versie van de parkeergarage van Spring nicht! We lopen door allerlei puin.
“Bill je bent toch niet van plan om hierin te gaan?’ Vraag ik zacht. Hij knikt. Hij zet het op een lopen. Ik volg hem. “Maar Bill, het is niet goed onderhouden, het staat op instorten!” Roep ik naar hem. “Nou en, dat maakt me geen barst meer uit! Deze hele wereld maakt me geen barst meer uit!” Op het dak stopt hij. “Niks kan me wat schelen. Behalve jou Tom.” Zegt hij zacht, en kijkt diep in mijn ogen. “Maar, we kunnen toch samen proberen om het tot iets goeds te brengen. Om weer muziek te maken?” Probeer ik hopeloos. Ik weet dat het toch niet zou lukken, maar ik zie het niet zitten om in mijn eentje verder te gaan. “Mijn plan staat vast Tom. Wat jij doet maakt me niet uit, maar ik ga.” Zegt hij, en hij draait zich om. “Wacht!” Roep ik. Ik kijk hem recht aan. “Of we gaan allebei, of we gaan allebei niet. Maar niet de een wel en de ander niet.”
Samen gaan we op de rand staan. Beneden zie ik iemand lopen. “Je moet wel weten dat jij echt alles voor me was.” Zeg ik tegen Bill. “We blijven voor altijd samen. En jij bent nog steeds alles voor mij.” Zegt hij.
Ik kijk weer voor me. De persoon die ik daarnet zag is weg. Ik kijk uit over de hele stad, de stad die straks niet meer voor me bestaat.
Samen tellen we tot drie en zetten ons af.
Ik voel hoe Bill voor de laatste keer mijn hand pakt. En ik pak de zijne.

Djvu (door de ogen van Bill)

Djvu (door de ogen van Bill)

Het is heerlijk weer, en ik loop samen met Scotty en Tom door het park. De zon schijnt, en Tom en ik hebben samen veel lol. We spelen wat met Scotty.
Dan slaat het weer om. We roepen Scotty dat hij terug moet komen, we willen naar huis. Maar Scotty komt niet. Hij is weg, ik roep hem nog een paar keer, maar hij komt niet terug.
Alles verandert. Ik heb nu heel ergens anders. Ergens in een donkere steeg. Het miezert een beetje en het schemert. Iets verderop staat een gebouw.Ik ken het, waarvan weet ik niet. Als ik dichter bij het gebouw kom zie ik het. Het is de 15 verdieping tellende parkeergarage. Alexanderplaats in Berlijn. Hier hebben we Spring nicht opgenomen.
Toen zag het er hier nog goed uit. Maar nu, een jaar later is het niet goed meer onderhouden. Het is vervallen.
Er staan nog een paar met graffiti gespoten teksten op de muren geschreven. Ze gaan vaak over Spring nicht.
Maar ook de teksten zijn al verouderd. Niemand neemt de tijd om er iets nieuws bij te spuiten.
Ineens sta ik op het gebouw, hoe weet ik niet. Daarnet was ik nog daar beneden. Het voelt hier kil, het is koud, en ik voel me onrustig. Behalve een ding. Zo vertrouwt.

“Bill? Bill, er is niets aan de hand.” Een vertrouwde stem, een stem die ik al mijn hele leven hoor. Al 18 jaar lang. Tom.
Ik word wakker en zie dat hij naast mijn bed zit. “Tom, het was een nachtmerrie. Maar het leek zo echt.” Zeg ik zacht. “Weet ik. Ik had dezelfde droom. Ik denk dat het gewoon zenuwen zijn voor morgen.” Zegt Tom. Hij probeert me gerust te stellen, maar aan zijn gezichtsuitdrukking zie ik dat er meer aan de hand is. Hij kijkt op de klok, het is half 3. “Ik denk dat we maar beter kunnen gaan slapen.” Zegt hij eigenlijk onnodig. Dat had ik namelijk zelf ook wel kunnen bedenken. Ik lach. “Ok, truste Tom. Ik ga m’n bed weer in en Tom gaat het zijne weer in.
Ik kom maar niet in slaap. Na nog geen 5 minuten sta ik naast Tom’s bed. Hij heeft me gehoord, en draait zich om. Hij schuift opzij. “Kom maar.” Zegt hij. Als ik naast hem lig zeg ik: “Net zoals vroeger, alleen liggen we nu wat krapper.” We kruipen tegen elkaar aan en zo vallen we in slaap.

Ik ren. Waarom weet ik niet. Als ik achterom kijk, zie ik dat Tom achter me aan komt. Dan roept hij iets naar me, maar zijn woorden kan ik niet verstaan.
Ik roep iets terug. Ook mijn woorden zijn onverstaanbaar.
Wat gebeurt er hier? Dan zie ik het gebouw weer. Het gebouw met de kilte. Weer de parkeergarage. Weer dezelfde graffiti. Deze keer nemen we een andere weg. Een weg die ons door allerlei puin leidt.

Dan word ik gewekt door onze persoonlijke wekker genaamd: Gustav. “Kom op jongens. We gaan vandaag de clip opnemen dus een beetje opschieten mag best.” Gustav doet een lamp aan. “Gustav! Doe dat licht uit, ik ben nog maar net wakker.” Kreun ik onder mijn kussen vandaan, waar ik m’n hoofd onder had verstopt tegen het felle licht van de lamp. “Nee, ik ga niet weg voordat jullie je bed uit zijn.” Zegt Gustav zelfverzekerd. “Ok, ok, ik kom al.” Zeg ik met een ochtendhumeur. Ik wil rechtop gaan zitten. “Auw, Tom, je ligt op m’n haar!” Roep ik. “En jij had niet door dat je met je elleboog in mijn ribben zat te prikken?” Zegt Tom onder de dekens vandaan. “Wanneer?” Vraag ik verontwaardigd. “Toen Gustav zo aardig was om ons wakker te maken kreeg ik een elleboog tussen mijn ribben.” Mompelt Tom. “Oh, sorry Tom.” Zeg ik zo zielig mogelijk. Tom schuift wat opzij. “Zo Bill. Je bent nu officieel bevrijd, dus ga je maar omkleden.” Zegt hij. “Tom! Dat is gemeen!” Roep ik tegen de dekens waar Tom onder ligt. “Weet ik.” Zegt hij. Ik hoor hem lachen. “Wacht maar, ik krijg je nog wel.” Zeg ik voor de laatste keer tegen de dekens, dan loop ik richting de badkamer.
Ik doe de douche aan. Een kwartier lang blijf ik eronder staan. De droom van vannacht blijft maar door mijn hoofd spoken. En waar dacht Tom aan?
Uiteindelijk zet ik de douche toch maar uit. Ik kleed me aan en style mijn haar. Dan zet ik het rechtop. Dat gaat niet zoals ik had gepland, want het zakt gelijk weer een heel stuk naar beneden.
Poging nummer 2 gaat beter. Dan doe ik mijn dagelijkse make-up op en ik ben klaar. Al mijn ringen enzo liggen namelijk nog in de slaapkamer.
Als ik de slaapkamer weer binnen kom zie ik dat Tom ligt te slapen. Hij heeft zichzelf helemaal in de dekens gewikkeld. Ik besluit om hem nog even door te laten slapen. Ik doe mijn ringen en ketting om. Dan zoek ik wat kleren voor Tom uit, ik heb toch nog niets te doen. Als ik klaar ben ligt Tom nog steeds te maffen.
“Betrapt!” Roep ik en gooi zijn kleren naar z’n hoofd. “Asje, ik heb alvast wat voor je uitgezocht, anders val je daarbij misschien in slaap.” Zeg ik plagend. “Grappig hoor. Ben blij dat je het naar je zin hebt.” Zegt Tom slaperig. “Dan ga ik me nu maar omkleden.” En met die woorden schuifelt Tom langs me en stapt onder de douche.
Ik ga naar de woonkamer. Daar zijn Gustav en Georg. “Schiet je broer al op?” Vraagt Gustav. “Mwah… Hij is nu aan het douchen, maar je hebt kans dat hij alweer in slaap is gesukkeld.” Zeg ik.
Georg heeft duidelijk niet op ons gesprek gelet want hij zet de warme kraan aan om een beker om te spoelen. “Whaa! Zet die kraan uit!!” Is Tom’s eerste reactie. “Huh? O, sorry Tom. Ik wist niet dat je stond te douchen.” Roept Georg terug. Gustav, Georg en ik schateren het uit.
Als Tom onder de douche vandaan komt zegt Georg: “Sorry hoor. Maar ben je wel lekker wakker geworden?” “Ja hoor. Maar dat was anders ook prima gelukt met een warme douche.” Zegt Tom.
We eten wat met zijn vieren, dan gaan we naar de set. En al snel staan we bij de scne waar ik door het politielint heen ren.
Het had iets weg van de tweede droom. Maar het was toch weer anders. Andere gevoelens. En wat keek Tom ineens bezorgd. Ik maak me er verder niet zo druk om, en doe wat er wordt gezegd.
Na twee dagen is alles opgenomen. Na het monteren mogen wij het resultaat bekijken. Alles staat er goed op.
De volgende dagen gaan heel snel.
De premire, optredens, interviews, nog meer optredens, meet & greets. Maar alles zonder de nare dromen. Toch blijf ik er maar aan denken. Net zoals Tom, hij zegt het alleen niet, maar ik weet zeker dat hij er ook nog aan denkt.
Dan komt er ruzie. Natuurlijk hebben we wel eens onenigheid, vaak genoeg zelfs, maar dit was echt ruzie. Georg en Gustav kiezen elkaars partij, en Tom en ik vormen ook een partij. De ruzie blijft maar doorgaan. Dag in, dag uit. Nieuwe dag, maar het komt maar niet goed.
Uiteindelijk wordt het zelfs zo erg dat heel Tokio Hotel uit elkaar valt.
Onze nachtmerrie komt uit, en de belofte word verbroken. Er is geen band meer. Geen interviews meer. Geen concerten meer. En ook geen geschreeuw van allerlei fans meer. Dit had nooit mogen gebeuren, we zouden altijd muziek blijven maken. Daar waren we het allemaal over eens. Maar nu, door zo’n stomme ruzie is het hele muziekwereldje ingestort.
Alle vier gaan we naar huis.
Eenmaal thuis sluit ik mezelf op in mijn slaapkamer. Ik zeg niks meer tegen Tom, en hij zegt niets meer tegen mij.
Het gaan steeds slechter met ons. Als onze moeder ’s ochtends naar boven roept of we komen eten krijgt ze van ons allebei hetzelfde antwoord: “Ik heb geen trek.” Dan zegt ze dat als we toch trek krijgen, we dan toch gewoon wat mogen pakken. Zo gaat het, dag in, dag uit. Af en toe komt ze wat naar boven brengen. Soms word er een beetje van gegeten, maar soms ook niet.
We komen ook amper buiten. En als we buiten zijn worden we niet meer herkend. Dat komt doordat Tokio hotel er niet meer is. Na een paar dagen volgt weer de maandag. Onze moeder is heel erg ongerust over haar zoons. Maar ze moet wel naar haar werk. Ze komt naar boven om gedag te zeggen. “Bill, eet asjeblieft iets. En zorg dat je broer dat ook doet. Jullie vergaan nog eens van de honger.” Drukt ze me op het hart. “Mam, maak je maar geen zorgen. We gaan zo wel wat eten.” Zeg ik. Ik geef haar een knuffel en een kus, dan gaat ze naar Tom om dezelfde boodschap mee te geven. Ik hoor de deur dichtvallen en weet dat alleen Tom en ik hier nog zijn.
Uiteindelijk besluit ik om m’n bed maar weer eens uit te komen. Ik ga achter mijn bureau zitten en schrijf een liedje. Ik weet toch dat het nooit bekend zal worden, maar de inspiratie komt gewoon in me op.
Als ik klaar ben lees ik het nog eens door. Ik noem het In die Nacht. En het gaat over Tom en mij.
Ik schuif het briefje onder Tom’s deur door met nog een briefje erbij om te vragen wat hij ervan vind. Dan ga ik weer naar mijn eigen kamer en ga op mijn bed zitten.
Niet veel later hoor ik gerommel in de kamer naast me. Tom heeft zijn gitaar gepakt en begint wat te spelen. Ik neurie de tekst mee. Nu weet ik dat hij het ook goed vond.
Ik sta op en besluit om naar zijn kamer te gaan. Ik klop op de deur. “Kom maar.” Hoor ik vanaf de andere kant. Ik ga Tom’s kamer binnen. “Ik vond je tekst goed. Het was mooi.” Zegt Tom. “Dank je. Maar wat jij speelde paste er precies onder. Jammer dat Tokio Hotel niet meer bestaat, anders hadden we dit op een cd kunnen uitbrengen.” Zeg ik. “Ja… was de band er nog maar.” Zegt Tom. Ik hoor een mengeling van verdriet en verlangen in zijn stem.
Even blijven we zo zitten. Dan begint Tom’s maag te rommelen. We schieten in de lach. “Zullen we maar wat gaan eten?” Vraag ik. “Ik denk dat m’n maag het daar wel mee eens is.” Zegt Tom lachend. Samen lopen we naar beneden.
Ik pak twee borden, Tom pakt het bestek, ik pak de boterhamen, Tom het beleg.
“Nou. Gezellig. Met z’n tween.” Zegt Tom. “Jup, maar ik vind wel dat we weer eens naar buiten moeten.” Zeg ik met volle mond.
Dan komen er bij mij kotsnijgingen op. “Zo terug.” Roep ik snel en verdwijn richting de wc. Ik was net op tijd want zo ongeveer mijn hele maaginhoud ligt nu in de wc pot. “Dat was mijn eten voor vandaag. “En ik had al zo weinig op.” Zeg ik tegen mezelf. Ik drink wat water, zodat de vieze smaak in ieder geval weg is. Als ik in de spiegel kijk zie ik pas hoe slecht ik er eigenlijk aan toe ben. Ik was al niet al te breed, maar nu ben ik zo ongeveer alleen nog maar bot met een velletje. Mijn kleren zitten losjes om me heen, en mijn gezicht is bleek en ingevallen.
Als ik de kamer in kom valt het me pas op dat Tom er eigenlijk net zo aan toe is. Alleen zijn kleren waren altijd al een aantal maten te groot.
“Gaat het?” Vraagt Tom als ik binnen kom. “Ja hoor. Alleen vind ik het eten voor de eerste keer lekkerder smaken dan wanneer ik het voor de tweede keer proef.” Zeg ik. “Wil je nog wat eten? Ik wacht wel op je.” Vraagt Tom. “Nee hoeft niet. Het blijft toch niet op zijn plek.” Zeg ik. “Ik moet nog even wat pakken.” Zeg ik snel en loop naar boven.
Ik wist wat me te doen stond. Alleen deed ik het niet. Ik wilde een afscheidsbrief schrijven, en op de post doen. Maar ik deed het niet. Op ntje na, al was dat geen echte afscheidsbrief.
Ik pak een medaillon met een foto van Tom en mij toen we nog klein waren. En ik pak een briefje en schrijf erop Liebe dich sehr viel. K Bill. En ik doe mijn geluksmedaillon om.
Die heb ik ooit van mijn moeder gekregen, en ik geloof dat ik sinds die tijd meer geluk heb gehad dan ooit. En geloof het of niet, maar op de dag van de ruzie was de enige dag dat ik hem niet om had. En uitgerekend toen kwam die ruzie.
Ik ga weer naar beneden en leg het medaillon en het briefje op tafel.
Dan doe ik de deur open. “Moet je geen jas aan?” Vraagt Tom. Ik haal mijn schouders op. “Neuh. Zo’n slecht weer is het ook weer niet."“Dat is waar.” Zegt Tom. Hij laat zijn jas ook hangen waar hij hangt en gaat met me mee.
“Waar wilde je eigenlijk naartoe?” Vraagt Tom nadat we een eindje hebben geslenterd. “Dat zie je vanzelf wel.” Zeg ik voor me uitstarend.
Zwijgend lopen we. Het lijkt eindeloos, maar tegelijk gaat het ook heel snel.
Soms worden we nagekeken door mensen of er wordt naar ons gewezen, maar we negeren het.
Dan begint het te miezeren, maar ik trek me er niets van aan. We lopen door een donker steegje. Het schemert. Verderop staat het gebouw. Dit komt me bekend voor, maar het kan me nog maar weinig schelen.
Zou Tom al doorhebben wat ik van plan ben?
We lopen door allerlei puin.
“Bill je bent toch niet van plan om hierin te gaan?’ Vraagt hij zacht. Ik knik. Dan zet ik het op een lopen. Het duurt me allemaal veel te lang. Tom volgt me. “Maar Bill, het is niet goed onderhouden, het staat op instorten!” Roept hij naar me. “Nou en, dat maakt me geen barst meer uit! Deze hele wereld maakt me geen barst meer uit!” Roep ik terug.
Op het dak stop ik. “Niks kan me wat schelen. Behalve jou Tom.” Zeg ik zacht, en ik kijk diep in zijn ogen. Weer die angst. “Maar, we kunnen toch samen proberen om het tot iets goeds te brengen. Om weer muziek te maken?” Probeert hij hopeloos.
Ik weet dat het toch niet zou lukken, en hij weet dat ook al te goed. Maar het is duidelijk dat hij niet in zijn eentje over wilt blijven. “Mijn plan staat vast Tom. Wat jij doet maakt me niet uit, maar ik ga.” Zeg ik, en ik draai me om. “Wacht!” Roept hij. Hij kijkt me recht aan. “Of we gaan allebei, of we gaan allebei niet. Maar niet de een wel en de ander niet.”
Hij gaat naast me op de rand staan. Ik weet al waar ik dit van ken, het is uit mijn droom. Of misschien wel onze droom.
Beneden zie ik iemand lopen.
“Je moet wel weten dat jij echt alles voor me was.” Zeg ik tegen Tom. “We blijven voor altijd samen. En jij bent nog steeds alles voor mij.” Zegt hij.
Hij kijkt weer voor zich. De persoon die ik daarnet zag is weg. Samen kijken we uit over de hele stad, de stad die straks niet meer voor ons bestaat.
Samen tellen we tot drie en zetten ons af.
Voor de laatste keer pak ik Tom’s hand. En hij pakt de mijne.
Dan word alles zwart.
Als ik wakker word zie ik Tom naast me. Hij wordt ook wakker. “Is het mislukt?” Vraag ik.
Ik kijk om me heen. De donkere steeg heeft plaats gemaakt voor iets heel lichts. Ik weet niet waar we zijn. Maar in ieder geval niet meer op of naast het gebouw.
“Geen idee. Waar zijn we eigenlijk?” Vraagt Tom. “Ik weet het niet. Laten we maar eens gaan rondkijken, misschien dat we het dan weten.” Zeg ik terwijl ik me langzaam weer herinner wat er is gebeurd.
We lopen wat rond. Dan horen we gehuil. We lopen richting het geluid.
We gaan door een of andere kamer en komen bij ons thuis uit. Daar zit onze moeder, huilend op de bank met het medaillon op haar schoot. “Oh, Bill en Tom. Waarom zijn jullie gesprongen.” Zegt ze huilend. Ik kijk Tom met grote ogen aan. Hij is ook verbaasd. Dus het is gelukt. Maar, waarom zitten we dan voor haar neus en ziet ze ons niet?
“Mam, we houden nog steeds van je.” Probeert Tom haar te troosten. “Ze hoort je niet Tom. Het is raar om toe te geven. Maar… we zijn dood.” “Wat! Scheie, en dat had ik niet eens door?” Roept hij.
We gaan weg uit de kamer, weg van de herinneringen die we achtergelaten hebben, en weg van onze moeder. We komen nog wel kijken, maar kunnen niets doen.
Voor altijd zullen we neerkijken op onze moeder, alleen weet zij het niet.
En zo leven wij tween voort, zonder dat iemand het weet.

Stich ins Glck

Stich ins Glck

Gisteren was de hele familie er, voor Bill en mij.
Eindelijk was het zover, eindelijk 18.
Maar vandaag is de dag hetzelfde als altijd.
Hoewel… Niet helemaal…

Draussen wird schon hell
Er ist noch da
Wo keiner strt
Ihr happy Birthday
Hat er gestern Nacht
Nicht mehr gehrt

Ik had het eerder moeten weten. We zouden elkaar toch alles vertellen?
Met nadruk op alles.
Maar Bill had zich daar niet aan gehouden.
Hij had een geheim voor mij, een groot geheim waar niemand behalve hij van wist.

Willst du dich fliegen sehen
Im Licht der Dunkelheit
ffne dein Geschenk
Und alles liegt bereit
Augen zu
Und durch

Ik kwam Bill’s kamer binnen om te vragen of hij kwam ontbijten.
“Bill, kom je e…” Ik onderbrak mijn eigen zin.
Mijn broertje zat daar maar.
Ik ging naar hem toe, en legde mijn hand op zijn schouder. Geschokt keek hij me aan. Hij had rode ogen van het huilen.
“W… Wat is er gebeurd?” Stamelde ik.
Hij draaide zijn handen om zodat ik zijn polsen kon zien. Lange rode strepen liepen over zijn onderarmen.
Hij had het dus nog niet aangedurfd om echt in zijn polsen te snijden. Gelukkig.

Ihr erster Stich ins Glck
Die Wunde bleibt fr immer
’N goldener Augenblick
und jedes Mal wirds schlimmer
Schatten un Licht
Nehmen ihr die Sicht
Er kommt nicht mehr
Zurck

“W…Waarom?” Vroeg ik zacht. Bill trok zijn knien op en mompelde iets onverstaanbaars wat leek op: “Sorry Tom, ik weet dat het dom was. En ik weet dat we normaal geen geheimen voor elkaar hebben. Maar hoe had ik het je dan moeten uitleggen?” Met betraande ogen keek hij me aan.

Draussen wirds schon hell
Doch ihre Nacht
Endet nicht
Irgendeine Hand
Streicht ber ihr
Gesicht

Ik zuchtte. Wat moest ik doen? “Beloof je me om dit niet meer te doen?” Vroeg ik aan hem.
Hij keek naar de grond en knikte.

Immer wenn es wehtut
Ist er ganz allein
Doch nach dem letzten Mal
Hat er nicht mehr geweint
Augen zu
Und durch

Bill ging zich opfrissen, terwijl ik op hem wachtte.
Wanneer hij weer uit de badkamer kwam zag hij er een stuk beter uit.
We gingen samen naar beneden, daar stonden onze moeder en stiefvader. Ze zongen voor ons, en gaven ons cadeaus. Maar hadden geen idee wat zich een paar minuten geleden boven had afgespeeld. Diezelfde dag kwam ook de visite.
Die avond ging Bill even naar boven om zijn mail te checken. Tenminste, dat zei hij.
Het duurde een tijdje, dus ging ik naar boven om te kijken waar hij bleef.
In de badkamer stond de kraan aan.
Je zou zeggen dat je daar geen mail checkt…
Ik deed de deur open. Daar stond hij een glas water weg te werken.
“Waarom ging je naar boven?” Vroeg ik. “Gewoon, mail checken.” Zei hij luchtig. “In de badkamer?” Zeg ik vragend. “Kom op Tom. Ik kreeg gewoon dorst. Niets ergs ofzo.” Zei Bill lichtelijk gerriteerd. Hij ging weer naar beneden.
Ik besloot om ook iets te drinken. Dus vulde ik een beker met water.
Toen viel mijn oog op een potje slaappillen. Ik keek erin. Er zaten er nog maar een paar in, maar ik weet zeker dat het potje vanochtend nog helemaal vol was.

Und noch ein Stich ins Glck
Die Wunde bleibt fr immer
’N goldener Augenblick
und jedes Mal wirds schlimmer
Schatten und Licht
Nehmen ihr die Sicht
Er kommt nicht mehr
Zurck

Hij had beloofd om op te houden. Waarom gaat hij nog door? Wat is de reden dat Bill dit doet?
De volgende ochtend wijs ik hem er nog op dat hij het had beloofd. “Jaja… Ik weet het Tom. Ik stop ook. Gisteren was het de aller laatste keer. Maar van die slaappillen wist ik niets.” Geeft hij me boos als antwoord. “En waarom zijn ze dan ineens op?” Vraag ik pissig. “Weet ik veel.” Zegt hij boos, en loopt mijn kamer uit.

Nach jedem letzten Mal
Braucht er
nochmal nochmal
Nach jedem letzten Mal
Braucht er nochmal nochmal
Ein letztes Mal

Dagen gaan voorbij. De slaappillen zijn op dus dat is geen uitweg meer voor hem. Maar het snijden gaat maar door.
Tegenover mij doet hij er ook niet meer geheimzinnig over. Ik moet het alleen zelf ontdekken.
Soms word ik ’s nachts wakker, dan zie ik dat er bij hem een lamp aan is.
En helaas weet ik ook waar hij dan mee bezig is…

Alle gucken zu
Es ist ihr scheissegal
Er brauchts nochmal

Wanneer ik op een nacht weer wakker word, besluit ik om er nog eens wat van te zeggen.
Als weet ik dat het niet veel zou helpen. Ik had hem al zo vaak gewaarschuwd. En telkens keek hij me boos aan om vervolgens niet te luisteren.
Ik stap zijn kamer binnen. Daar zit hij weer.
“Bill, houd nou eens op met dat snijden.” Zeg ik boos.
Geen antwoord.
Ik loop naar hem toe.
“Bill, kijk me aan.” Zeg ik boos. Tot mijn verbazing doet hij dat gelijk. Maar ik lees angst en verdriet in zijn ogen. Hij lijkt helemaal niet boos op me. En misschien was dat nog wel het ergste.
“Waarom stop je niet?” Vraag ik nog eens.
Ik zie de tranen in zijn ogen staan.
“Tom. Oh, Tom. Ik kan niet stoppen. Ik wil wel, maar het kan niet.” Huilt Bill.
Ik sla mijn armen om hem heen.
Waarom heb ik dit niet zien aankomen? Waarom heb ik hem niet tegen gehouden?
Wacht. Ik zag het aankomen, en ik had hem geprobeerd tegen te houden. Maar dat ging niet. Hij wilde niet luisteren.
“Ik ga even een glas water voor je halen.” Zei ik tegen hem. Ik moet even alles op een rijtje zetten en bedenken hoe ik mijn broertje kan helpen.
In de badkamer vul ik een glas voor Bill.
Wanneer ik terug kwam zat hij met zijn rug tegen de muur. Hij ziet spierwit.
“Sorry Tom.” Zegt Bill zacht.

Ihr letzten Stich ins Gluck
die Wunde bleibt fr immer
´N goldener Augenblick
der letzten in ihre Zimmer
Schatten und Licht
nehmen ihr die Sicht
Er kommt nicht mehr
zurck

Ik zet het glas water neer op het bureau naast me, en ga naar mijn broertje toe.
“Bill, Bill, blijf hier. Het kan goed komen Bill. We slaan ons er doorheen.” Zeg ik angstig.
“Nee Tom. Het komt niet meer goed. Niet met mij.” Zegt Bill zacht. “Bill, blijf hier.” Zeg ik huilend. “Het was te diep.” Zegt hij zwak, en sluit zijn ogen.
Mijn broertje was doodgegaan… Voor mijn eigen ogen…
Terwijl ik water aan het halen was, heeft hij zich gesneden. Te diep…
Deze keer durfde hij het wel…

Der Himmel
zieht sich zu
Ihr letzter Traum
blebt ungetrumt

Ruzie (made by Morena)

Ruzie (made by Morena)

Ik ben Karim, een meisje van 18 en ik woon in Duitsland. Ik woon daar al heel mijn leven. Ik heb een Duitse moeder en een Nederlands-Mexicaanse vader, waardoor ik ook Nederlands en Spaans kan, wel wat woorden tenminste. Ik woon in dezelfde straat als Bill en Tom van Tokio Hotel.. Ze zijn mijn overbuurjongens. Ik ben zelf geen MEEEEGGGAAA fan van hun, maar vind hun muziek wel erg goed. Zeker Sping Nicht, zo mooi. Ik ken de jongens van th al, sinds mijn 6e en sinds dien zijn we goede vrienden. Ik vind Bill een erg leuke jongen. Helaas kunnen we elkaar niet zo vaak zien, omdat Bill natuurlijk th heeft, en ik zit op wedstrijdzwemmen. Zelf ben ik nr. 8 van de beste zwemsters (van mijn leeftijd) van Duitsland, waar ik erg blij mee ben. Nu is het zomervakantie en de jongens hebben net een tour achter de rug. Ze zijn een paar weken thuis, maar Bill of Tom zijn nog niet buiten geweest of op msn.

Ik zit in mijn kamer te tekenen. Ik zit voor mijn raam, daar kan je lekker zitten. Ik kwam net terug van zwemmen dus had ik mijn pyjama alvast aangedaan. Het was een XXL trui. Daar kwam de hals net over mijn schouders dus moet ik het de heletijd over mijn schouders trekken. Als ik uit mijn raam kijk, zie ik Bill ook voor zijn raam zitten. Als hij ook naar mij kijkt, zwaait hij naar me. Ik zwaai ook en hij kreeg een liefe glimlach. Ik pakte mijn laptop, die naast me lag en zette het op mijn schoot. ‘Hooooi Bill ’ Typte ik op msn bij hem. ‘Hey. ^^’ Typte hij terug. ‘Hoest?’ Typte ik en deed daarna even mijn muziek aan. ‘Gaat wel, ben erg moe en voel me niet zo goed.. :/’ Antwoordde Bill en ik keek weer naar hem. Inderdaad, hij ziet er erg moe en bleek uit. Ook zijn gezicht is wat aan de dunnere kant. ‘Ik zie ‘t, ik ben ook niet zo de gezondste +o(‘ Typte ik. Ik leunde tegen de muur aan en sloot even mijn ogen. Ik luisterde naar mijn muziek. Ik zong niet. Als ik niet zing, is er wat met me.. Maar ik weet niet wat. ‘Mag ik even bij jou binnen komen?’ Vroeg Bill ineens. ‘Natuurlijk! Je bent altijd welkom! Ik kom alvast naar beneden.’ Typte ik terug en legde mijn laptop weg. Ik zag Bill ook zijn laptop weg doen en naar beneden lopen. Ik liep ook naar beneden, richting de deur. Ik deed de deur open en zag Bill voor me. Hij had geen jas of schoenen aan gedaan. Hij had alleen een t-shirt en een joggingbroek aan. Hij bibberde helemaal. Ik liet hem snel binnen en deed de fleecedeken, die ik zelf omhad, ook bij hem om. We liepen samen naar mijn kamer boven en gingen we op mijn kingsize bed zitten. ‘Gaat het wel een beetje? Je ziet er erger uit dan daarnet..’ Zei ik en schoof naar achter, zodat ik weer tegen de muur zat. Ik trok Bill zachtjes mee. Hij bibberde nog steeds. Ik trok hem dicht bij me en hij legde zijn hoofd boven mijn borst. ‘He, gaat het?’ Vroeg ik zacht. Bill begon te huilen. ‘Tom wilt niet meer met me praten.’Zei Bill stotterend en bibberde nog steeds. Zijn schouders begonnen te schokken. Ik had nog steeds de fleecedeken om hem heen, samen met mijn arm. Ik streelde met dezelfde hand Bill zijn wang.‘We hebben ruzie, trouwens ook met Georg en Gustav.’ Ik sloeg ook mijn andere arm om hem heen. Maar eerst had ik met die hand de dekens gepakt en ook om ons heengewikkelt. Steeds meer tranen vielen over Bill zijn wang af, op mijn blote schouder, doordat mijn t-shirt weer een stuk naar beneden was gezakt. ‘Rustig maar, alles komt goed. Hoop ik tenminste. Shhhhh. Rustig maar..’Zei ik zacht en versterkte mijn greep. ‘Nee, alles komt niet goed, Georg en Gustav zijn uit de band gestapt en mijn stem word maar steeds slechter en slechter. Dit allemaal is al een paar weken aan de gang.’ Zei Bill en sloeg zijn armen om mijn nek. ‘Sssssshhh. Rustig.. Je kan vanavond wel hier blijven als je wilt. Bill keek op en gaf me een zoen op mijn wang. Hij legde zijn hoofd op mijn schouder en huilde uit. Ik pakte de afstandsbediening en richte het richting mijn deur. Ik drukte op een knopje en ik hoorde dat de deur op slot ging. Ik drukte op een ander knopje en de tv ging aan. Ik zette het zacht. Bill was ondertussen gestopt met huilen en zijn linkerarm om mijn heup geslagen. Zijn andere arm lag gewoon voor hem. Ik gaf de afstandsbediening aan Bill en hij begon te zappen. ‘Keiner wei, wies dir geht. Keiner da, der dich versteht. Der Tag war dunkel, und allein. Du schreibst Hilfe, mit deinem Blut. Obwohl es immer wieder wehtut. Du machst die Augen auf und alles bleibt gleich. Ich will nicht strn und ich will auch nicht zu lange bleiben. Ich bin nur hier um Dir zu sagen, ich bin da, wenn du willst. Schau dich um, dann siehst du mich. Ganz egal. Wo du bist. Wenn du nach mir greifst, dann halt ich dich.’ Zong ik en Bill sloot zijn ogen. ‘Wat ben je toch een engel.’ Zei Bill en we keken elkaar aan. We gaven elkaar een zoen op de mond. ‘Jij bent dat ook hoor.’ Zei ik en gaf hem een knipoog. Ik ging wat rechter op zitten en draaide me naar Bill, die ook rechtop was gaan zitten. Ik veegde zijn tranen weg. Toen gaven we elkaar een knuffel. ‘Zullen we wat drinken halen?’ Vroeg Bill lief. Ik kreeg een glimlach en we stonden op. Ik keek naar de klok. “Half 11 al?” Dacht ik bij mezelf. Ik deed de deur open en we liepen mijn kamer uit naar beneden. Toen we in de keuken waren pakte we een blikje ice-tea uit de koelkast. ‘Zullen we delen?’ Vroeg ik en Bill knikte. Ik nam een paar slokkies en Bill mocht de rest. Ineens voelde ik me slap. Ik zakte een beetje door mijn benen maar kon me net rechtop houden door het aanrecht. ‘Gaat het wel?’ Vroeg hij. ‘Nee, ben zo moe, ben een beetje ziek en heb de laatste tijd erg hard getraint.’ Antwoordde ik. Bill sloeg gelijk zijn linkerarm om mijn heup en met zijn rechterarm sloeg hij mijn arm om zijn nek en hield hij het stevig vast. Zo liepen we rustig, trede na trede, naar boven. Bill zette me op mijn bed en legde me lief onder de dekens. Hij klom over me en ging daar onder de dekens liggen. Ik draaide me richting hem en zag zijn hemelse gezicht. ‘Ik hou van je.’ Zei Bill ineens in het Nederlands. Ik glimlachte. Ik wees naar mezelf en stak toen 2 vingers richting hem. We kropen dichter bij elkaar. ‘Waarom bibber je nog steeds.’ Vroeg ik zacht aan Bill. ‘Ik voel me nog steeds niet goed.’ Antwoordde hij en deed een pruillipje. Ik pakte zijn handen. Ik was kouder dan hem. Ik legde de rug van mijn hand tegen Bill zijn voorhoofd. Nog warmer dan normaal. ‘Je heb korts denk ik.’ Zei ik en Bill pakte mijn hand. Hij gaf er een kusje op en glimlachte weer. ‘Oh.. Jammer.’ Zei Bill. Ik keek naar zijn polsen. ‘Snij je jezelf?’ Vroeg ik. Bill keek teleurgesteld naar beneden en knikte. Toen viel er weer een traan van zijn gezicht. De traan kwam op mijn hand en spatte uit, in duizende waterspettertjes. Ik maakte van mijn hand een vuist. Ik nam hem in mijn armen en we sloten onze ogen. Toen vielen we in slaap. Bill is een week bij me gebleven en Tom had nog steeds niks van zich laten horen. Op een dag was het genoeg. Ik met met hem praten. Ik zei tegen Bill dat ik even naar buiten ging en liep naar het huis van hem. Ik belde aan. ‘Hoi Karim! Kom binnen!’ Zei Simone, hun moeder, toen ze open deed. Ik ging het huis in en deed de deur dicht. ‘Kunt U me vertellen waar Tom is?’ Vroeg ik en we keken elkaar aan. Toen ze zei dat Tom boven was, bedankte ik haar en liep ik naar boven. Ik hoorde dat iemand onder de douche stond. “Tom is dus onder de douche.” Dacht ik bij mezelf en klopte aan. ‘Wie is daar?’ Vroeg hij. ‘Karim.’ Zei ik en Tom deed de deur van het slot af. Ik liep naar binnen en zag dat de badkamer helemaal overhoop was gehaalt. Ik trok een wengbrauw omhoog en keek even rond. ‘Wat wil je?’ Vroeg Tom, terwijl hij nog verder aan het douchen was. ‘Hoe hebben jullie ruzie gekregen?’ Vroeg ik. Het werd gelijk stil. Tom deed de douche uit en kwam eronder uit met een handoek om zijn middel. Ik was gaan zitten op de grond. Tom liep richting mij en ging naast me zitten. ‘Weet ik eigenlijk niet. We waren gewoon aan het praten, verder niets. Ineens werden we boos en begonnen we elkaar te slaan. Tom liet zijn linkerhand zien en zijn knokkels waren helemaal rood en geschaaft. Ik pakte zijn hand en gaf er een kus op. Tom boog zijn hoofd een beetje naar voren en er viel een traan van zijn wang af. ‘Omg.’ Was het enige wat ik nog uit mijn mond kon krijgen. Ik nam Tom in mijn armen, die ondertussen aan het huilen was. ‘Rustig maar.’ Zei ik. Tom had zijn dreads nog niet in een handdoek gewikkelt, dus dat kwam tegen me aan en ik voelde hoe elke druppel, van elke dread, op mijn t-shirt viel. Ik gaf Tom een kus op zijn slaap en hij sloot zijn ogen. Zo bleven we zitten. Ik streek mijn hand over Tom zijn schouder. Tom keek me aan. ‘Bill wilt je zien. Hij mist jou.’ Zei ik en Tom stond op. ‘Kom op dan.. Gaan we naar jouw huis!’ Zei hij en zijn handdoek schoof een beetje naar beneden. Hij pakte de handdoek en deed het blozend weer goed. Ik lachte. ‘Mischien is het beter als je je eerst omkleed.’ Tom knikte, met zijn gezicht die nog rooier geworden was. We lachte. Tom ging de badkamer uit en ik stond lachend op. “Die Tom.” Dacht ik. Ik liep de badkamer uit en ik hoorde Tom rommelen in zijn kast. Na een minuutje kwam hij zijn kamer uit. Aangekleed en wel. ‘Zo, ben je klaar?’ Vroeg ik en hij knikte. We liepen samen naar beneden en liepen het huis uit. We liepen naar mijn huis en toen ik de sleutel in de slot deed en de deur opende, liepen we naar binnen. Ik sloot de deur en Tom rende gelijk de trap op. Met elke keer 2 teden klom hij de trap op. Ik liep ook naar boven en zag Tom bij de deur staan. Hij klopte op mijn deur. ‘Wie is daar?’ Vroeg Bill. Toen Tom zijn naam zei deed Bill de deur pas na een minuut open. Tom liep naar binnen en Bill sloot de deur weer. Ik ging op de laatste tree zitten en ik wachte, wachten totdat Bill of Tom de deur weer open zal doen. Ik bleef kijken naar de deur. Ik hoorde gepraat. Het werd steeds harder en het klonk steeds gerriteerder. Ineens hoorde ik allemaal dingen vallen. Ik stond op. Nog steeds hoorde ik dingen vallen en ik werd steeds banger. Ik liep snel naar de deur en begon te bonken. ‘Hallo?! Wat is hier nou aan de hand?!’ Vroeg ik. Ik hoorde geen antwoord.. Alleen meer dingen die vielen. Ik werd steeds banger en banger. Ik rende de trap af en rende snel naar de tuin. Ik klom via planten en een muurtje naar boven. Ik klom richting mijn kamer en toen ik er was. Zag ik mijn kamer helemaal overhoop gehaalt. Ik deed mijn raam open, trok mezelf naar boven en kwam ik mijn kamer. Ik zag niemand, alleen maar troep. Ik keek haastig rond mijn kamer en ineens hoor ik gesnif in mijn kast. Ik deed het open en zag Bill. Hij schrok en gilde. ‘Rustig maar, ik ben het?!’ Zei ik ook geschrokken. Bill zijn make-up was helemaal uitgelopen en Bill was witter dan ooit. ‘Wat is er ge..’ Zei ik en Bill pakte mijn handen. ‘Tom is helemaal gek geworden, hij zag mij met een mes bij mijn pols en flipte helemaal. Hij heeft alles overhoop gegooit en wou me slaan. Maar toen ik de heletijd me beweerde liep Tom richting het raam en klom naar boven.’ Zei Bill en wees naar het raam. Ik keek bezorgd richting het raam en toen weer naar Bill. Ik hielp hem omhoog en bracht hem naar mijn bed. Ik ging naast hem zitten en sloeg mijn linkerarm om hem heen. We gaven elkaar een zoen. ‘Rustig maar.’ Zei ik en Bill gaf me nog een zoen. Ik pakte de bezem uit mijn kast en veegde alles op een hoop. ‘Ik ga even kijken of Tom nog op het dak zit of wat dan ook.’Zei ik, zette de bezem weg en liep naar het raam. Het stond nog open dus ik klom gelijk omhoog. Toen ik op het dak stond, zag ik Tom aan de rand zitten. Hij wiebelde heen en weer met zijn benen en hij had iedere hand op een kant van zijn wangen gezet. Hij dacht na, dat zag ik direct. Ik liep naar hem toe en lag mijn hand op zijn linkerschouder. ‘Sorry voor je kamer Karim, ik was niet mezelf.’ Zei hij. Ik ging naast hem zitten en sloeg mijn rechterarm om hem heen. ‘Maak niks uit.’ Zei ik en trok Tom naar me toe. Tom legde weer zijn hoofd op mijn schouder en sloot zijn ogen. Ik keek voor me over de hele stad, want we hadden een zeer hoge huis. Ik keek over alle huizen. Ik sloot mijn ogen en begon een van mijn zelfgemaakte liedje te zingen. Ik hou van Spaanse liedjes, dus heb ik het ook in het spaans geschreven. Ik weet zelf niet of het wel goed is maar ok, het is tenminste leuk, toch?

Todos sus rasgones(Al jouw tranen)
Si todo usted est contra.(Als alles je tegenzit.)
Y usted no sintindose bien.(Als je je niet lekker voelt.)
Y usted piensa: un qu bullshit.(En je denkt: wat een Bullshit.)
Que usted nunca tiene usted mismo senta esta manera.(Dat je jezelf nooit zo, op deze manier hebt gevoelt.)
Entonces usted desea solamente una cosa.(Wil je vaak maar n ding.)

Si usted est solamente o con la gente.(Als je alleen of met andere mensen ben.)
Apenas djelo venir.(Laat het gewoon komen.)
Usted no tiene que guardar todo su parte posteriora ms.(Je moet niet alles meer op jouw rug houden.)
Apenas djelo fluir.(Laat het gewoon maar stromen.)
Solamente flujo.(Alleen maar stromen.)
Solamente flujo.(Alleen maar stromen.)
Todos sus rasgones.(Al jouw tranen.)

Verder kwam ik niet. Tranen vielen van mijn wangen af en ik had een brok in mijn keel. Bill en Tom zongen mee vanaf het begin, in het spaans. Ik had een copie gegeven omdat ze zo aan het zeuren waren. Ze vonden het zo mooi. Bill zat voor mijn raam en had alles gehoort. ‘Bill, wil je nooit meer een mes op je pols zetten?’Vroeg Tom. Hij keek naar beneden, richting Bill. Ik keek ook naar beneden. Bill knikte. ‘Vrienden?’ Vroeg Bill aan Tom. ‘De beste.’ Antwoordde Tom en we kregen alle 3 een glimlach. Bill klom naar boven en gaf Tom een knuffel. De jongens hebben na een week geen ruzie meer met Georg en Gustav, maar denken dat het niet meer gaat lukken als ze weer verder gaan met th. Ze gaan wel verder met muziek. Op precies dezelfde dag van de vrede tussen de 4 jongens had ik een ongeluk gekregen met Tom en Bill. Door het ongeluk mag ik niet meer op wedstrijdzwemmen van de dokter dus moest ik er wel af. Nu hebben we meer de tijd om samen leuke dingen te doen. Bill sneed zichzelf niet meer, zijn stem begint steeds beter te worden en hijzelf ook.

Spring nicht

Spring nicht

Hoi, ik ben Gustav, 19 jaar oud, en woon in Duitsland.
Ik zit samen met Georg, Tom en Bill in een band; Tokio Hotel. Helaas hebben we nog geen platencontract, maar daar hopen we natuurlijk nog wel op.
We repeteren altijd bij Bill en Tom in de garage.
Het is vrijdag middag en we zijn net vrij van school, eindelijk. Die 5 dagen leken wel een eeuwigheid te duren.
Met zijn vieren rijden we naar het huis van Bill en Tom. Daar dumpen we onze tassen, en gaan gelijk door naar de garage om te repeteren.
Ik ga achter het drumstel zitten en Tom en Georg sluiten hun gitaren aan op de versterkers. Ondertussen diept Bill zijn microfoon op. We spelen allemaal even in, behalve Bill, die zingt in. Dan spelen we wat nummers.
We beginnen met een hele oude, Durch den Monsun. Daarna doen we nog bers ende der Welt, en mijn favoriet; Ich brech aus.
Wanneer Ich brech aus is afgelopen onderbreekt Bill ons even. “Jongens, ik heb weer een nieuw nummer. Het is niet zo heel erg goed, maar ja. Het was om uit te proberen.”
Tom leest de tekst door. “Bill, dit is geweldig!” Roept hij enthousiast. Georg leest het ook. “Dit is echt een heel goede tekst. Hier moeten we echt iets van maken.” Zegt hij en begint wat samen met Tom uit te proberen. Terwijl die twee bezig zijn lees ik de tekst. “Dit is echt een mooi nummer. Als we bekend waren geweest zou dit zeker in de hitlijsten komen. Hoe heet het nummer eigenlijk?” Vraag ik. “Spring nicht.” Zegt Bill met een big smile op zijn gezicht. Hij was duidelijk verrast dat wij de tekst zo goed vonden.
Met zijn allen proberen we allerlei melodien uit. Uiteindelijk, na een paar uur, is het helemaal klaar. “Dat hebben we best vlot gedaan.” Zegt Tom. “Zullen we hem dan nog n keer doorspelen?” Stelt Georg voor. “Ok,en dan is het drinkpauze.”Zegt Bill.
We spelen het hele nummer nog eens.
Als we klaar zijn hoor ik achter me: “Mooi nummer. Dat hebben jullie goed in elkaar gezet. Maar dan willen jullie nu vast wel iets drinken.”Als ik me omdraai zie ik dat het de moeder van Bill en Tom is.
Allemaal drinken we een blikje Red-Bull en praten nog wat na over verschillende dingen. Daarna spelen we nog wat nummers, en als het half 6 is gaan Georg en ik naar huis.
Gelukkig is het vakantie en dat betekend: geen huiswerk! En natuurlijk genieten we daar volop van.
Een paar dagen later, als we weer ga repeteren is Bill erg vrolijk. “Nena tegen het lijf gelopen?” Vraagt Georg plagerig. “Nee, zo is hij al de hele dag.” Schatert Tom. Bill geeft hem een tikje op zijn pet.
We spelen weer een paar nummers, en Bil zingt ze allemaal vrolijk mee.
Totdat Spring nicht komt.
“Wow, Bill, waar is die enorme grijns van jou gebleven?” Vraagt Tom. “Hmmm..” Is het enige antwoord dat hij krijgt.
We spelen het nummer, en Bill leeft zich hl goed in. Ik twijfel een beetje of het niet iets t goed is.

Dagen gaan voorbij, en het valt me steeds vaker op. Telkens als we Spring nicht gedaan hebben is Bill een beetje down. Het is Tom ook al opgevallen, maar wanneer hij ernaar vraagt zegt Bill dat er niets aan de hand is.
Na de repetitie peren Tom en Georg hem. Want ze hebben een meisje langs zien lopen, die hun volle aandacht had getrokken. Zelf zo erg dat ze overdreven vaak verkeerde tonen aansloegen. In ieder geval komt het er op neer dat Bill en ik hier met zijn tween zijn.
“Bill, gaat het?” Vraag ik voorzichtig. Hij zucht. “Eigenlijk niet, nee.”Zegt hij. “Weet je, jullie denken vast dat ik me alleen in de tekst in leef. En dat ik alles speel. Maar dat is niet zo.” Zegt hij met een waterige stem. Ik knik, maar onderbreek hem niet. “Eigenlijk, had ik liever niet gewild dat Spring nicht er kwam. Nou ja, in het begin natuurlijk wel. Helemaal omdat jullie er zo enthousiast over waren. Maar nu merk ik, dat telkens als we het spelen, breek ik van binnen.” Zegt hij zachter dan normaal. Als ik merk dat hij uitgepraat is zeg ik: “Dan spelen we het toch even niet? Ik bedoel, als jij je er rot door gaat voelen, dan is het misschien beter om het even te laten voor wat het is.” Hij knikt. “Gustav?” Vraagt hij. “Ja?” Vraag ik. “Ik heb liever niet dat de anderen het weten.” “Ok, is goed.” Antwoord ik. “Maar wat nou als ze weer Spring nicht willen gaan spelen?” Vraagt Bill onzeker. “Dan zeggen we gewoon dat we dat even niet willen.” Bill lijkt gerust gesteld en we praten nog wat door over andere dingen.
Na een paar minuten komen Georg en Tom terug. Georg is duidelijk teleurgesteld en aan Tom kan je duidelijk merken dat hij zijn lach probeert in te houden.
“Wat is er met jou aan je hand?” Vraag ik aan Georg. “Ben gedumpt.” Zegt Georg sip. Tom houdt het niet meer en giert het uit van het lachen. “En dan nu graag het echte verhaal.” Zegt Bill. Tom houdt op met lachen, nu is het de beurt aan Georg om een lachbui te krijgen. “Nou, we zagen dus dat meisje lopen. Toen stapte ik op haar af, en zei haar wat ik van haar vond.” Zegt Tom. Georg is eindelijk bijgekomen van het lachen. “Toen heeft ze Tom afgewezen, en zei dat ze mij wel wat vond. Dus ik had zoiets van, Yes, eindelijk krijg ik het meisje, in plaats van Tom. Zegt ze erachter dat ze al een vriendje heeft, maar als ze die niet had gehad dan zou ze best met mij willen daten.” Zegt Georg, en weer begint hij te lachen.
We nemen weer afscheid van elkaar en spreken weer voor morgen af.
Als ik thuis ben moet ik steeds maar denken aan wat Bill me heeft verteld. Waarom zou hij het tegen mij zeggen, en niet tegen zijn broer?
Ik ga op mijn rug op bed liggen. Het blijft maar door mijn hoofd spoken, en uiteindelijk val ik in slaap.
De volgende ochtend ontbijt ik wat en hang wat voor de tv.
Eindelijk staat Georg voor de deur, zoals verwacht niet echt bepaalt op tijd. In tegendeel, een half uur te laat. Maar dat was zijn gewoonte, dus ik had met er al op voorbereid door voor de tv te hangen. Dan valt het namelijk niet zo op hoe laat het is.
We gaan weer naar Bill en Tom.
Als we daar zijn spelen we zoals gewoonlijk een aantal nummers. Helaas willen Tom en Georg Spring nicht spelen. Dat had ik eigenlijk al een beetje verwacht. “Sorry jongens. Maar ik heb even geen zin in Spring nicht.” Probeer ik. “Hoezo dan? Telkens vond je het goed, en nu niet?” Zegt Tom vragend. “Ja, we hebben hem nu al zo vaak gedaan. Zullen we gewoon even een ander nummer doen?” Zeg ik. “Ok dan. Wat gaan we dan doen.” Zegt Georg. “Schrei!” Zegt Bill gelijk. “Ok, Schrei dus.” Zeg ik, en begin af te tikken.
Nu hadden we geluk, maar ik snap ook wel dat Bill en ik dit niet eeuwig vol kunnen houden.
Telkens als Tom of Georg Spring nicht willen doen, moeten Bill en ik een smoesje verzinnen om eronder uit te komen.
Na een paar weken pikken Tom en Georg het niet meer. “Waarom willen jullie Spring nicht nou niet doen? We hebben het nummer al een paar weken niet gedaan, we moeten het toch oefenen?” Zegt Tom lichtelijk gerriteerd. Ik snapte dat we hier niet nog eens onderuit kwamen, en keek naar Bill. “Ok dan. Begin maar.” Zegt hij.
We beginnen, en na een tijdje krijgt Bill steeds meer moeite met zingen. Uiteindelijk stopt hij met zingen.
“Bill? Waarom stop je?” Vraagt Tom. Bill draait zich om en staart gebroken naar mij. Dit was de overlopende druppel, hij was kapot, en ik was de enige die het wist. Wat moet ik nu doen? “Bill wat is er?” Vraagt Tom. Bill schudt zijn hoofd als teken dat hij het niet wil zeggen. Hij loopt weg. We gaan hem achterna. Hij loopt steeds harder en we moeten rennen om hem bij te houden. Na een paar minuten staan we op het dak. Het waait best hard, en gezien het gebouw nogal hoog is staan we hier nogal gevaarlijk, aan de rand.
‘Bill.’ Zeg ik bang en hij kijkt om. Hij kijkt me verdrietig en moe aan. Zijn make-up is uitgelopen. ‘Niet doen wat ik denk dat je gaat doen.’ Zeg ik zacht, maar hard genoeg dat hij me kan horen. Hij zakt in elkaar en slaat zijn handen voor zijn ogen. Ik loop richting hem en kniel voor hem. Ik neem hem in mijn armen en wieg hem heen en weer. ‘Ik kan het niet meer aan.’ Zegt Bill schokkerig. ‘Ich schrei in die Nacht fr dich,lass' mich nicht im Stich..Spring nicht. Die Lichter fangen dich nicht, sie betrgen dich..Spring nicht. Erinner dich, an dich und mich. Die Welt da unten zhlt nicht.. Bitte spring nicht.’ Hoor ik ineens achter me. Ik kijk naar achteren en zie Tom staan. Hij zong het zo mooi. Bill is gestopt met huilen en kijkt Tom ongelovig aan. ‘Wat mooi.’ Zegt Bill zachtjes. Hij richt zijn armen richting Tom, staat op en neemt Tom stevig in zijn armen. Ik zie Tom allemaal tranen wegvegen, maar na 2 seconden verstopt hij zijn hoofd in Bill zijn nek, haar en vest. Het is mooi maar ook zielig om dit allemaal te zien. Ik veeg snel een vallende traan van mezelf met de rug van mijn rechterhand en loop naar de jongens. Ik sla mijn armen om hun beide en zij slaan ook een arm om mij. Ineens verstoppen ze hun hoofd in mijn nek. ‘Rustig maar jongens. Zullen we even naar mijn huis gaan en daar even rusten?’ Zeg ik zacht en voel de hoofden van Bill en Tom op en neer gaan. Ik leg mijn hand om hun schouders en loop rustig naar beneden waar we Georg tegenkomen. ‘We gaan even naar mijn huis.’ Zeg ik zacht tegen hem en loop rustig met Tom en Bill in mijn armen naar huis.
… Die avond… Ik ga al vroeg naar bed. Ik ben echt doodop. Wanneer ik in bed stap val ik al snel in slaap.

Het waait hier. Hee, dit heb ik vanmiddag mee gemaakt! Bill staat aan de dakrand. Er klopt iets niet.. Tom en Georg! Waar zijn Tom en Georg! Paniekerig zoek ik om mee heen, maar de twee vrienden zijn in geen velden of wegen te bekennen. Als ik zie dat Bill aanstalten maakt om te springen ren ik naar hem toe. “Bill, stop! Niet springen, je hebt nog een heel leven voor je!” Roep ik. Maar tevergeefs, hij luistert niet. Bill laat zich achterover in de diepte vallen…

Hijgend schrik ik wakker.
Gelukkig hebben we hem in het echt over kunnen halen om niet te springen. En gelukkig was dit maar een droom.
Als ik weer wil slapen blijven de beelden door mijn hoofd spoken. Hoe Bill het dak op stapt en hoe hij naar beneden valt.
Uiteindelijk val ik toch weer in slaap.

… De volgende ochtend…
Ik sta wat later op dan normaal. Ik ben wel vroeg wakker, maar heb geen zin om m’n bed uit te komen. Na een tijdje bestluit ik toch maar om me om te gaan kleden en te gaan ontbijten. Mijn zus zit ook beneden. “Slecht geslapen, Gustav?” Vraagt ze. “Jup.” Zeg ik, en neem een hap van mijn cornflakes.
Nadat ik heb ontbeten ga ik vast de deur uit om naar Georg te gaan.
Onderweg loop ik hem tegen het lijf. “Gustav? Wat doe jij nou hier? Ik kom altijd naar jou toe.” Zegt hij lachend. “Weet ik, maar ik had niets te doen, dus ik ging alvast naar jou toe.” Zeg ik.
Samen gaan we naar het huis van Bill en Tom, die zo te zien ook al wat eerder uit bed zijn gekropen.
“Hee jongens.” Zegt Georg. “Hey. Nooit gedacht dat jij op tijd zou komen Georg.” Zegt Tom lachend. “Gaan we nou al vervelend lopen doen?” Zegt Georg en prikt in Tom’s zij. Terwijl zij bezig zijn vraag ik aan Bill hoe het gaat. “Het gaat wel. Al heb ik vannacht niet echt dat je zegt lekker geslapen.” Zegt hij gapend. Ik moet lachen, als het aan Bill ligt dan zou hij zijn hele leven slapen.
Als we weer gaan repeteren stelt Bill zelf voor om Spring nicht te gaan doen. “Weet je het zeker?” Vraag ik hem onzeker. Hij lijkt vastbesloten. “Ja, het is gewoon een nummer, dat mag niet mijn leven benvloeden.” Zegt hij. En we beginnen.
Deze keer gaat het goed, en Bill stortte niet in. Als we klaar zijn straalt Bill, waarschijnlijk omdat er geen last meer op zijn schouders rust.
Tom kijkt even naar buiten. “Ehm, jongens? Vinden jullie het heel erg als ik even weg ben?” Vraagt hij. Bill begint te lachen. “Ga maar achter dat meisje aan.” Tom knikt en zet zijn gitaar weg. “En Georg, zorg jij dat mijn broertje een beetje lief doet voor dat meisje? Desnoods trek je hem aan zijn dreads weg.” Zegt Bill lachend. “Yes sir Kaulitz.” Zegt Georg zo serieus mogelijk, en gaat er lachend vandoor.
Bill en ik zitten weer met zijn tween. “Vandaag ging Spring nicht goed. “ Zeg ik als compliment tegen Bill. “Dank je. Maar jullie hebben me er goed vanaf gepraat.” Zegt Bill. Hij wist duidelijk waar ik op doelde. “Gelukkig maar. Want wie weet, krijgen we ooit nog eens een platencontract.” Zeg ik. Bill knikt.
Dan hoor ik gerinkel van een ijskar. “Bill, heb je trek in een ijsje?” Vraag ik. “Nou, lekker.” Zegt hij. En we halen 4 ijsjes. Voor iedereen een.
Helaas voor Georg en Tom viel het meisje niet op hun, maar ze hebben wel MSN adressen uitgewisseld. Dus het ijsje is voor hen een troost. Maar gelukkig kunnen ze erom lachen.

Ich brech aus (made by Morena)

Ich brech aus (made by Morena)

Ik zat in mijn kamer op mijn knien. Ik huilde hard. Ik kon niet geloven wat er juist zonet was gebeurt. Het is te laat. Ik kan nu niet meer terug. Ik heb dit alles nooit gewilt. Ik wou wegrennen, naar een gebouw rennen en me naar beneden willen laten storten. Ik veegde de zwarte strepen van mijn gezicht af en schreeuwde. Ik had een schorre stem van daarnet. Ik dacht na wat er was gebeurt.
‘Voor de zoveelste keer, het gaat je niets aan en nee, ik hoef je excuses niet meer! Je moet godveredomme van mijn spullen afblijven?!’ Schreeuwde ik richting Tom nadat hij een papiertje uit mijn hand had getrokken die ik vast had. Hij keek me boos maar bang aan. ‘Wat heb je vandaag? Je geeft van alles maar de schuld aan mij, je heb leugens van mij verteld aan mensen, ik wil dat gewoon niet?! Doe dat niet meer ja?!’ Zei Tom gerriteert en stond op. ‘Wat jij wilt is niet belangrijk?!’ Zei ik boos. Tom duwde de stoel waarop hij zat omver en ijsbeerde door mijn kamer. Ik werd nog bozer. Ik voelde mijn slaap nog harder kloppen. Ik kreeg pijn in mijn hoofd omdat ik mijn tanden erg hard op elkaar duwde. Ik voelde hoe mijn ringen knelde om mijn vingers die een vuist van mijn handen hadden gemaakt. Tom liep naar een muur, sloeg er zo hard tegenaan dat er een gat erin zat en zakte in elkaar. Ik liep nog bozer naar hem toe, draaide hem richting mij door hem hard om te draaien, pakte hem bij zijn kraag en duwde hem erg hard tegen de muur aan. Hij kreunde van de pijn maar ik gaf geen kick. Ik wou een uitweg zoeken, uitbreken. Het leek net alsof ik me claustrofobisch begon te voelen. Ik liep naar mijn deur en deed ‘m open. ‘Ik waarschuw je, ga me niet achterna.’ Zei ik en liep naar beneden. Als het goed was kon hij me nu horen schreeuwen. Ik liep naar de keuken en deed een lade open. Ik zag het bestek en van alles erin in groepjes, zo mooi was het gesorteert. Ik hefte een groot, scherp mes voor mijn neus en voelde zachtjes met mijn vingers de scherpe kant. ‘Je laat me geen keus Tom. Jij houdt me niet tegen. Niet meer.’ Zei ik zachtjes. Ik pakte de hoes van het mes en verstopte het in mijn zak. Ik sloot de lade en ging rustig op de grond, met mijn rug tegen de muur zitten. Tom kwam binnen en keek me aan. ‘Ik wil met je praten.’ Zei hij zachtjes en telleurgestelt. Ik stond op en liep naar boven. Ik smeet de deur van mijn kamer open en plofte op mijn bed. ‘Dat is nu de laatste keer.’ Zei ik zachtjes. Hij kwam binnen en ging voor me staan. ‘Ik vind het niet meer leuk,’zei hij en keek naar zijn handen,‘ik heb er genoeg van. Waarom ben je zo verdomt boos?’ Ik zuchte. ‘Weet je het nog steeds niet?!’zei ik boos en stond op,‘ten eerste heb je aan mijn spullen gezeten. Ten tweede allemaal stomme dingen gedaan. Ten derde zelf ook leugens verteld. Ten vierde mam weggepest zodat ze bij onze tante is en ten vierde Gustav en Georg bedreigt met weet ik veel wat. Ik vind dat vrezelijk! De wereld is gelukkig zonder jou hoor?!’ Tom keek me nu met vuurspuwende ogen aan. ‘Wat?! En nu moet je je bek houden ja!’ Zei Tom boos. Ik voelde weer mijn slaap erg hard kloppen en mijn hand bloedde doordat ik mijn nagels superhard in mijn vel zette. Dat was de laatste druppel. De emmer was al lang overgelopen en had een grote plas achtergelaten. ‘Ik ben dat wat nu aan de gang is ja!’zei ik boos en pakte de handvat van de mes stevig beet,‘Ik trek je stekker eruit!’ Dat laatste zei ik zachtjes. ‘Wat?’ Wou Tom vragen, maar ik had het mes al in zijn keel gestoken. Ik duwde hem op de grond. Tom smakte naar lucht. Hij keek me met grote ogen aan. Hij wou het mes uit zijn keel verwijderen, maar dat kon hij net niet. Hij liet zijn arm op de grond vallen en werd helemaal slap. ‘Gelijk is voor jou alles uit.’ Zei ik en keek naar mijn broer, waar bloed zijn longen liet vollopen en een ovale circel met vuurrood bloed om hem heen liet vloeien. Zijn kleding zoog zo veel bloed op dat het net leek alsof hij vandaag alleen maar rood aan had gedaan. Ik pakte het mes. Tom kreunde en liet zijn laatste adem zijn lichaam verlaten. Nog net kon hij de woorden “Waarom Bill?” en “Ik hou alsnog van je, In Die Nacht” uit zijn smak naar adem zeggen. Ik keek naar het levenloze lichaam van mijn broer. Nu pas drong het tot me door wat ik had gedaan. Ik schrok. ‘Jezus. Wat heb ik nu nou in hemelsnaam gedaan?’ Vroeg ik aan mezelf. Ik gilde zo hard ik kon en zakte door mijn knien. Ik begon erg hard te huilen. Ik schuivelde naar Tom en pakte zijn levenloze lichaam op en liet zijn rug rusten op mijn schoot en zijn hoofd liet ik verdwijnen in mijn nek, haren en handen. Ik voelde de koude zweet op zijn voorhoofd en de tranen in mijn nek. Ik bleef huilen. Wat ben ik toch een duivel, een kutkind en een kind zonder leven. Ik liet nog een trillende gil uit mijn mond ontsnappen. Ik legde Tom op de grond en zag al het bloed op mijn kleding en lichaam. Ik keek nog erger geschrokken naar mijn 10 minuten ouderen broer. Ik kroop naar de donkerste hoek van mijn kamer en liet mijn hardste gil mijn keel verpesten.

Gegen Meinen Willen (made by Inke)

Gegen Meinen Willen (made by Inke)

“Stomme klootzak!” schreeuwde zijn moeder door het hele huis. “Takke wijf!”schreeuwde zijn vader op zijn beurt terug. Tom voelde hoe Bill angstig steeds dichter bij hem kwam staan. “Hoe haal je het in je hoofd om zoiets uit te halen?!” schreeuwde hun moeder zo hard dat er tranen in haal ogen stonden en de glazen op tafel begonnen te trillen. Nu klampte Bill zich echt aan me vast. Ik kon aan zijn hartslag voelen dat hij bang was. “Wat zeik je nou stom wijf? Ik bepaal toch zelf wat ik wel en niet doe!” Riep hun vader terug en hij kwam dreigend op hun moeder af lopen. “Blijf bij me uit de buurt. Raak me niet aan!” schreeuwde ze maar hij lachte alleen maar en liep door. Ze bleef achteruit lopen tot ze tegen de muur stond. Toen hij maar dichterbij bleef komen sloeg ze in zijn gezicht in een poging om weg te komen. “Dat zet ik je betaald!” zei hij boos en hij greep haar bij haar keel. “ Kap daarmee! Laat haar los! Hou op met ruzie maken! Ik vind dit niet leuk meer.” Riep Tom in paniek. Hij kon het niet maar aan. hij pakte zijn broertje bij zijn hand en trok hem mee te trap op. Eenmaal boven gingen ze zo snel mogelijk de kamer van tom in en deden de deur op slot. Ze ploften naast elkaar op bed en begonnen allebei te huilen. Ze huilde zonder iets te zeggen en hoopte dat hun ouders nou eindelijk eens zouden stoppen met ruzin. “Zie je nou wat je doet?” horen ze hun vader schreeuwen. “Wat zeik je nou? Jij bent degene die ze bang maakt met dat agressieve gedrag van je!”
En de twee broertjes zaten daar maar, op bed, wachtend tot ze zouden stoppen en te bang om ook maar iets te doen.

Nog geen week later hoorde Tom opeens een heleboel gerommel op de trap en daarna een voordeur open gaan. Hij sprong op en rende ook van de trap af. Buiten op het tuinpad staat zijn vader met vier grote koffers. “Waar ga je heen?” vroeg Tom onzeker. “Ik ga weg.” Zei zijn vader en hij deed een stap achteruit. “Waarheen? Wanneer kom je terug?” Tom voelde het al aan komen en er kwamen al tranen in zijn ogen. “Ik weet niet waar ik heen ga maar ik weet wel dat ik niet meer terug kom.” Zei zijn vader en hij draaide zich al om. “En ik dan?” “Jij blijft maar bij je moeder jongen.” “Maar waarom ga je weg?” zijn vader zuchtte. Draaide zich om en keek Tom aan. “Je weet dat ik niet meer met je moeder in n huis kan wonen, dat hem je zelf ook gemerkt. En je zei zelf ook dat het moest stoppen. Nou dat gebeurt nu. Ik stop ermee.” Nu barst Tom echt in tranen uit. “Nee papa dat mag je niet doen! Dat is niet wat ik wil. Ik wil dat jullie stoppen met ruzin maar niet dat je helemaal weg gaat! Jij bent mijn papa en je hoort bij mama. Dit is tegen mijn wil!” “Sorry jongen ik kan niet anders.” En na dat gezegd te hebben deed hij zijn koffers in de auto en reed weg, zonder ook maar n keer om te kijken.

Wie soll es mir schon gehn
Ihr guckt euch nicht mehr an
Und ihr glaubt ich merk das nicht
Wo soll ich jetzt hin
Was habt ihr euch gedacht
Sagt es mir jetzt in mein Gesicht
Sagt wofr das alles hier zerbricht
Das macht mich fertig

es ist gegen meinen willen
es ist gegen jeden sinn
warum msst ihr euch jetzt trennen
eure namen umbenennen
unser ende ist schon hier
und ihr sagt es nicht vor mir
ich hasse euch dafr
es ist gegen meinen willen
dagegen - bin dagegen

habt ihr schon vergessen wie es einmal war
habt ihr unsere bilder schon verbrannt
ich hau bretter vor die fenster -
verriegel meine tr
ihr sollt nicht seh´n dass ich nicht mehr kann
eure welt tu´ ich mir nich´ mehr an
sie macht mich fertig

es ist gegen meinen willen
es ist gegen jeden sinn
warum msst ihr euch jetzt trennen
eure namen umbenennen
unser ende ist schon hier
und ihr sagt es nicht vor mir
ich hasse euch dafr
es ist gegen meinen willen
dagegen - bin dagegen

spart euch eure lgen -
ich will sie nich´ mehr hr´n
den letzten rest an liebe
braucht ihr mir nicht mehr zu schwr´n
ich will euch nicht mehr lnger str´n -
ihr macht mich fertig
gegen meinen willen..

EINDE!!

Hot (made by Inke)

Hot (made by Inke)

Het verhaal gaat over 2 meisjes, Sarah en Lara. Sarah en Lara zijn nichtjes en ze zitten samen met twee andere jongens, Tim en Thijs in een band, Fire. Op een dag is de band een beetje aan het spelen op straat als er opeens een man op ze af stapt. Hij verteld dat hij David heet en dat hij voor een platenmaatschappij werkt. Hij verteld dat de band als ze dat willen een keer auditie mogen komen doen en als het dan nog steeds zo goed is, dat hij ze dan misschien wel een platencontract wil aanbieden. Daar hoefde de band natuurlijk niet lang over na te denken en ze zeiden meteen ja.
Ze hebben het platencontract gekregen en ze waren helemaal blij. Toen kwamen ze erachter dat de man die nu hun manager was ook de manager was van een ander band, een band waar vooral beide meiden heel erg fan van waren. De man was namelijk ook de manager van Tokio Hotel. Doordat de beide bands dezelfde manager hadden leerde de bands elkaar al snel kennen en ze zijn een hechte vriendengroep geworden. En na een tijdje ook wel meer dan dat. De twee meisjes hebben namelijk verkering met Bill en Tom van Tokio Hotel.
Het gaat nu heel goed met beide bands. Ze zijn allebei veel aan het touren en staan heel hoog in de hit lijsten. De hele wereld weet dat Fire en Tokio Hotel bij elkaar horen, en de meeste mensen die fan zijn van Tokio Hotel zijn dat ook van Fire en andersom…

“Opschieten mensen nog vijf minuten voor we weg moeten.” Roept David al door het hele gebouw. Sarah kijkt Bill aan en zucht. Over vijf minuten gaat Tokio Hotel op een kleine tour en Fire niet. Dat heeft als gevolg dat de bands elkaar voor drie weken niet zien. “Waarom moeten we nou net nu op tour? Waarom nou net als wij twee jaar hebben? Wil hij nou pers dat we het niet kunnen vieren of hoe zit het?” zegt Bill met een zucht. “Ach, laat hem nou maar. We vieren het wel als je terug komt.” Zegt Sarah en ze geeft Bill een kus. “Nee niet jullie ook al.” Roept Georg ineens. “Wat nou?” Bill kijkt Georg vragend aan. “Die twee daar...” en hij wijst op Tom en Lara. “... Zijn ook al zo bezig. Dus ik dacht ik kijk wel de andere kant op maar dan gaan jullie daar ook eens een potje klef zitten doen. Ik ben niet van steen hoor ik heb ook gevoel.” “Billy laat hem maar even lekker zeuren. Hij moet vandaag ongesteld worden.” Roept Tom naar Bill en iedereen schiet in de lach, behalve Georg. “Niet zo gemeen zijn Tom. Meisjes die ongesteld moeten worden kan je het beste met rust laten. En ik spreek uit ervaring.” Zegt Tim nadat ze uitgelachen zijn waardoor iedereen weer in de lach schiet. “Nou ik ga maar alvast dan kunnen jullie nog even afscheid nemen.” Zegt Georg met een knipoog naar de stelletjes en hij loopt de kamer uit. Tim staat ook op en loopt achter hem aan. “Wat ga jij doen? Wil je ook mee op tour ofzo?” roept Tom hem na. “Ik ben gewoon beleefd. En ik help dat arme meisje met haar tasjes.” Zegt Tim met een grijns en hij doet de deur dicht. Meteen stort Sarah zich op Bill en aan het geluid te horen doet Lara hetzelfde met Tom. “Ik mis je nu al.” Fluistert Sarah in het oor van Bill en ze legt haar hoofd in zijn nek. “Ik jou ook.” Zegt Bill en hij slaat zijn armen om haar heen.

Een week later.

Lara staart met een zucht voor zich uit. “Ik mis Tom.” zegt ze dramatisch en ze bonkt met haar hoofd op tafel. Op dat moment gaat de telefoon. Sarah staat op om hem op te nemen. Na ongeveer drie minuten komt ze terug met een grote grijns op haar gezicht. “Ik heb een idee hoe we de jongens eens goed kunnen verrassen. Ik hoor net van David dat wij de avond dat de jongens thuis komen een concert hebben in een hal dicht bij het vliegveld. David zei dat de jongens om vijf uur aan komen op het vliegveld, wij hebben dan om zeven uur dat concert. Wat nou als wij op dat concert allemaal nieuwe nummers gaan spelen die zei nog niet kennen? Dat is ze nog nooit overkomen. Ze kennen altijd alle nummers die we spelen dus ik denk dat ze dit dan wel een verrassing vinden. En zeker als een groot deel van de nummers dan over hun gaat.” Zegt Sarah met een grijns die bij elk woord groter werd. “Hoe gaan we dat voor elkaar krijgen? Binnen twee weken een heel concert aan nieuwe nummers schrijven bedoel ik.” Vraagt Tim ongelovig. “Ja, en heb je het hier al met David over gehad? Weet hij dat je van plan bent om op het concert allemaal nieuwe nummer te spelen?” voegt Thijs er aan toe. Sarah zucht. “Ik vind het een top idee! Gaan we doen! Natuurlijk lukt ons dat wel, wij zijn toevallig we Fire hoor. Wij kunnen alles als we het maar willen.” Zegt Lara en ze begint al op haar stoel heen en weer te draaien. “Weet David hiervan?” vraagt Thijs weer. “Ja. En hij vond het een leuk idee.” Antwoord Sarah snel. “Nou dan kunnen wij er zeker niets meer tegenin brengen zeker?” snel schudden Sarah en Lara hun hoofd. “Nou aan de slag dan maar he.” Zucht Tim.
De week erna hebben ze alle nummers af en moeten ze het alleen nog maar allemaal oefenen. De meeste nummers zijn liefdes nummers die door Sarah of Lara zijn geschreven. Het oefenen gaat goed, eerst hadden de jongens niet zo veel zin in al die liefdes nummers maar ze beginnen er nu wel een beetje aan te wennen. De meiden worden steeds zenuwachtiger. Het duurt nu nog maar een week voor ze hun jongens weer mogen zien.
Elke dag belt David om te vragen hoe het gaat met de nummers. Elke keer als ze een nieuwe hadden moesten ze de teksten via de mail naar hem toe sturen en hij was elke keer heel enthousiast.
“Mijn vingers bloeden weer, stop even.” Zegt Tim opeens tijdens het oefenen. Hij legt even zijn gitaar weg en loopt naar de keuken om zijn handen te wassen en een pleister te zoeken. De andere maken daarvan gebruik om even wat te drinken en hun vingers te strekken. Ze oefenen nu al een week aan n stuk door en ze beginnen er nu wel aardig last van te krijgen. Bijna alle nummers kunnen ze nu al foutloos stelen. Nog maar n dag en dan is het concert al. “Oke jongens we moeten er nog even tegenaan. We kennen de nummers bijna en als we nu nog even door gaan kunnen we ze morgen foutloos spelen.” Zegt Lara die na een paar keek op en neer gesprongen te hebben weer achter haar drumstel kruipt. De rest drinkt snel zijn of haar glas leeg en gaat ook weer door. Een uur later kennen ze alles. Me een tevreden gevoel gaan ze naar bed.

De dag van het concert

“Ik zie ze!” zegt Lara die voor het raam van het concert gebouw naar buiten staat te staren. En inderdaad komt daar een zwart busje met zwarte ramen het terrein op rijden. Alle fans buiten beginnen te gillen als de jongens van Tokio Hotel uitstappen.
Meteen stormen Sarah en Lara van de trappen af naar beneden. Onderweg stoten ze een paar mensen omver maar dat kan ze even niet schelen. “Jonge dames, blijven jullie eens even binnen, ze komen zo naar jullie toe hoor. “ zegt David die net binnen komt. Maar de meiden rennen hem zo voorbij zonder hem ook maar aan te kijken en rennen meteen langs de beveiliging naar buiten. Buiten storten ze zich in de armen van hun vriendjes. Alle fans beginnen nu als gekken te klappen, gillen en te fluiten. “Ik heb je zo gemist.” Zegt Sarah en ze drukt haar lippen op die van Bill. Lara doet hetzelfde bij Tom. Na een tijdje zo gestaan te hebben lopen ze met z’n allen naar binnen.
“Waarom mogen wij niet bij de soundcheck zijn?” vraagt Tom als Fire weg loopt en Lara hem terug duwt. “Daar kom je vanzelf wel achter.” Zegt Lara en ze geeft hem een knipoog. Een half uur later komt David naar de jongens toe dat ze maar beter alvast in de zaal kunnen gaan staan. Als de jongens in de zaal komen is daar bij de voorste rij een klein vakje is gemaakt speciaal voor Tokio Hotel. Zo kunnen ze gewoon tussen de mensen staan zonder dat al die fans aan ze gaan staan plukken. Als de jongens daar staan gaan de deuren open en komen alle fans gillend naar binnen rennen. “Zo heb ik het nog nooit mee gemaakt.” Zegt Tom die verbijsterd naar het tafereel kijkt. “Normaal staan we nu backstage.” Als uiteindelijk alle mensen binnen zijn en de deuren dicht gaan, gaan de lichten uit. Je kunt de spanning voelen. Dan gaan plots de lichten aan die zie je hoe Tim het intro speelt. Stom verbaast kijken de jongens elkaar aan, dit nummer kennen ze niet. Tim ziet de gezichten en lacht naar ze. Op dat moment begint het concert echt. De rest van Fire wordt ook verlicht en ze spelen het dak eraf. “Lieve fans, jullie hebben misschien gemerkt dat deze nummers allemaal nieuw zijn. We hebben ze geschreven speciaal voor de jongens die hier voor staan…” zegt Sarah en ze wijst Tokio Hotel. “… niet alleen omdat het zulke goede vrienden zijn, maar ook omdat het heel lieve vriendjes zijn.” Gaat ze verder met een grote grijns. “Bill, Tom, dit nummer is voor jullie.”

Ah, ah ah
You're so good to me baby, baby

I wanna lock you up in my closet when no one's around
I wanna put your hand in my pocket because you're allowed
I wanna drive you into the corner and kiss you without a sound I wanna stay this way forever I'll say it loud

Sarah gaat op haar knien zitten waardoor ze vlak voor Bill zit. Langzaam doet ze haar benen open en buigt ze verleidelijk naar voren zodat Bill precies in haar topje kan kijken. Tom tikt Georg aan en samen schieten ze in de lach. Gustav kijkt een beetje naar beneden en Bill glimlacht verliefd naar Sarah.

Now you're in, and you can't get out

You make me so hot
Make me wanna drop
It's so ridiculous
I can barely stop
I can hardly breathe
You make me wanna scream
You're so fabulous
You're so good to me baby, baby
You're so good to me baby, baby

I can make you feel all better, just take it in
And I can show you all the places you've never been
And I can make you say everything that you've never said
And I will let you do anything again and again

Sarah staat weer op en loopt terug naar de rest. Ze gaat verleidelijk tegen Thijs aan staan die het spel natuurlijk helemaal mee speelt. Ze staan helemaal tegen elkaar en Sarah gaat met haar hand over de borst van Thijs helemaal naar beneden tot je haar hand door zijn gitaar niet meer kunt zien. Ondertussen kijken ze elkaar verliefd aan.

will let you do anything again and again
I can make you feel all better, just take it in
And I can show you all the places you've never been
And I can make you say everything that you've never said
And I
Now you're in, and you can't get out

You make me so hot
Make me wanna drop
It's so ridiculous
I can barely stop
I can hardly breathe
You make me wanna scream
You're so fabulous
You're so good to me baby, baby
You're so good to me baby, baby

Sarah loopt nu naar Tim en maakt hem ook gek. Terwijl Sarah met Tim bezig is kijkt ze voorzichtig naar Bill. Ze ziet dat hij er jaloers naar staat te kijken en hij bijt op zijn onderlip. Sarah lacht naar Tim om hem ook te laten weten dat hun plannetje werkt. Kiss me gently
Always I know
Hold me, love me
Don't ever go
Ooh, yeah yeah

Nu loopt ze weer terug naar voren en gaat weer op dezelfde manier voor Bill zitten als net.

You make me so hot
Make me wanna drop
It's so ridiculous
I can barely stop
I can hardly breathe
You make me wanna scream
You're so fabulous
You're so good to me baby, baby
You're so good to me baby, baby

You're so good

Even blijft ze zo zitten en geniet van het applaus dat ze krijgt. Dan doet ze haar microfoon weer voor haar mond en begint weer te praten.
“Bill ik ben totaal de jouwe en ik al ook altijd de jouwe blijven. “ Ze buigt nu zo ver naar voren dat ze hem een kus kan geven en dan gaan ze weer verder met het concert…..

EINDE

Wel of niet?

Wel of niet?

Lisa’s pov:
Ik kan het niet meer. Binnenkort wil ik er een einde aan maken. Ik pak mijn mes uit de la en zet een paar rode strepen over mijn armen.
Trouwens, dat snijden houd ik nu al zo’n half jaar vol, dus mijn armen zitten al aardig onder.
Dan hoor ik beneden de deur open gaan, mijn moeder is thuis. Shit, ze zou over een uur pas thuis komen!
Snel berg ik mijn mes op, en houd mijn armen onder de kraan. “Hoi Lisa, ik ben thuis!” Roept ze vrolijk naar boven. “Ik hoorde het!” Roep ik terug.
Ik doe snel mijn pyjama aan en doe zweetbandjes om. Nog even checken of er niets te zien is. Nope, helemaal geen spoor van wat er daarnet gebeurt is, behalve als ik de zweetbandjes af zou doen.
Dan ga ik naar beneden. “Hoi mam. Ik ga naar bed.” Zeg ik. “Zo vroeg? Het is pas half 9.” Zegt ze verbaast. “Ik heb gewoon slaap”Zeg ik, en ga naar boven.
Als ik in mijn bed lig voel ik mijn armen nog branden van daarnet, maar ik besteed er verder geen aandacht aan.
Dan val ik in slaap.
Als ik de volgende ochtend wakker word hoor ik mijn moeder beneden al rommelen.
Ik doe snel mijn kleren aan en ga naar beneden.
Daar zit mijn moeder al aan tafel. Ik ga tegenover haar zitten en werk snel mijn boterham naar binnen. Er volgt nog even een snelle kus en dan ga ik naar school.
Als ik op school kom staat mijn vriendin Stephanie al op me te wachten.
Ik dump al mijn boeken in mijn kluisje. Al snel komt Mona er ook aan. We lopen met haar mee naar haar kluisje. Wanneer zij met haar boeken bezig is loopt er een groepje meiden langs. “Hey Gothic, zet eens een glimlach op.” Zegt Manon spottend. Ik ken Manon al sinds de kleuterklas, en ze is altijd al het zelfde geweest; Een mode-freak die altijd een groepje achter haar aan heeft. Eigenlijk heb ik geen goede woorden voor haar over.
Sabrina, Mandy en Fransien beginnen te giechelen. Stelletje meelopers. “Wauw, alle huppelkutjes op een rij.” Zeg ik sarcastisch. “Nou, beter dat dan dat we helemaal zwart gekleed gaan.” Zegt Fransien. Weer beginnen ze te lachen. “Kom, we gaan. Hier hebben we toch niets meer te zoeken.” Zegt Mona, en trekt me mee.
We lopen vast naar het lokaal toe, niet dat we zo graag naar de les willen, maar alles is beter dan bij die meiden staan. Terwijl we naar het lokaal aan het lopen zijn gaat de bel. En al snel stromen de gangen vol met leerlingen die hun lokaal opzoeken. Na ongeveer 5 minuten geplet te zijn komt de docent eraan. We hebben het eerste uur engels, die docent is trouwens ook onze mentor. Niet iets om trots op te zijn trouwens.
Als iedereen eindelijk op een stoel zit en een beetje stil is, komt er een meisje binnen. “Dit is Joyce, ze is nieuw op deze school.” Zegt onze mentor. “Ga daar maar zitten Joyce.” Zegt ze, en wijst naar de plaats naast mij. Twijfelend komt ze naast me zitten en pakt een paar spullen uit. Ik leg mijn boek in het midden, en de saaie les kan beginnen.
In de pauze komt Joyce weer naar ons toe. “Ehm… Hoi, kan ik misschien bij jullie pauze houden. Ik… eh… Ik ken namelijk nog niemand.” Zegt ze een beetje zenuwachtig. Wij vinden het wel best dat ze erbij komt. Dan komt Manon haar groepje er weer aan. “Ojee, ik geloof dat Joyce een verkeerde beslissing heeft genomen, je gaat toch niet met die gothics om lieverd.” Zegt Manon. Ik word echt schijtziek van haar. “Oprotten nou! Ga lekker ergens anders je nagels staan vijlen Manon, en neem die hele zooi met huppels met je mee.” Zeg ik hard. “Nou, dat doe ik maar al te graag. Denk je nou echt dat ik nog langer bij jou in de buurt wil zijn?” Zegt ze, en draait zich met een ruk om en vertrekt.
“Daar zijn we voorlopig weer vanaf.” Zeg ik met een zucht. “Ben je echt gothic of zegt ze dat om je te pesten?” Vraagt Joyce. “Dat laatste.” Zeg ik nors. Het is echt heel erg irritant dat ik telkens voor gothic word aangezien. Ik draag vaak donkere kleding, nou en? Maar ik zet mezelf er wel overheen.
De uren gaan traag voorbei, maar uiteindelijk belanden we toch bij het 7e uur, en dat betekend; we zijn klaar!
Stephanie gaat met mij mee naar huis.
Eerst maken we ons huiswerk en dan gaan we een beetje lopen klooien op MSN. Na een tijdje gaat dat vervelen.
Ik pak mijn gitaar van beneden. Als ik weer boven kom ga ik voor de neus van Stephanie staan. “Ok, wie doe ik na?” Zeg ik. En begin heel raar te spelen en te zingen. “, Schrei! Nenenenene..Schrei… nogwat.. Schrei…” Verder kom ik niet, want ik barst in lachen uit. Helemaal omdat ik weet dat Stephanie heel erg fan is van Tokio Hotel.
“Nouhou! Kappen! Het is een hartstikke goed nummer. Geef toe, je vindt ze zelf ook goed.” Zegt ze. “Het gaat. Maar jij mag ze hebben. Hoewel die zanger best sexy is.” Zeg ik plagend tegen haar. Dit is echt zo grappig om te doen, haar plagen met haar gevoeligste plekjes. “Je blijft van Bill af… He’s mine.” Zegt ze zacht, maar dreigend.
Snel leg ik de gitaar weg. “Kietelgevecht!” Roep ik, en begin te kietelen. Dit is eigenlijk een hopeloze strijd, want ik weet dat Stephanie het van me gaat winnen. En ik heb gelijk, na een tijdje lig ik onder Stephanie te schateren van het lachen, terwijl zij me kietelt. Mijn mouw schuift een beetje omhoog, en daardoor is de pret voorbei. “Wat heb je daar?” Vraagt ze. “Oh, niets.” Zeg ik. Please, laat haar er niet verder op in gaan. Please, please, please. “Jawel. Vertel het nou. Dit is dus echt niet niks.” Zegt ze streng. Ik zucht. Nu moet ik het wel toegeven. “Best. Jij wilt het weten, dan zal ik het ook even uitleggen. Ik snij me al een half jaar en heb zelfmoordneigingen. Nou blij?” Zeg ik een beetje gerriteerd. Ze kijkt me met open mond aan. “Maar, waarom heb je nooit iets gezegd?” Vraagt ze. “Denk je nou echt dat ik een beetje ga rond roepen dat ik mezelf snijd?” Zeg ik. Er valt even een stilte. “Wil je me beloven om niet meer te snijden?” Zegt ze. Wat? Gaat ze nou echt verwachten dat ik meteen stop? “Nee. Ik beloof het niet.” Zeg ik. “Weten je ouders ervan?” Vraagt ze. “Nee, natuurlijk niet! Die geven toch niets om me.” Zeg ik boos. “Als jij doorgaat, dan weten je ouders er binnenkort er wel van.” Zegt ze. “Wat? Mooi dat je dat niet doet!” Roep ik. “Mooi van wel.” “Ga verdomme n mijn kamer uit!” Schreeuw ik. “Ok, maar je weet wat ik gezegd heb. Als jij je snijdt, dan vertel ik het aan je ouders.” Zegt ze. “Ga nu weg!” Schreeuw ik. “Ik heb gewaarschuwd.” Zegt ze voor de laatste keer, en verdwijnt mijn kamer uit.
Morgen zou Stephanie dit vast alweer vergeten zijn. Mooi dat m’n ouders dit niet te horen krijgen.
Mijn verlangens komen weer. En het enige wat ik nodig heb zit in de la van mijn bureau.
Ik pak mijn mes er weer uit, en zet een paar grote strepen. Ik bekijk het resultaat en doe er een paar zweetbandjes overheen. Ik ga naar beneden om wat voor de tv te hangen, maar al snel slaat de verveling toe.
Na een hele tijd vervelen zap ik langs een boeiende film, nouja, echt boeiend is ‘ie niet, maar het kan ermee door.
Halverwege de film, wanneer het voor de zoveelste keer reclame is, ga ik een pizza maken. Vanavond komt m’n moeder niet thuis, dus ik heb het rijk voor mij alleen.
Wanneer de pizza klaar is, is de film weer begonnen.
Dan maar eten voor de tv.
Rond half 11 ’s avonds val ik in slaap.
De volgende ochtend word ik door mijn moeder wakker gemaakt. “Lisa, je moet weer naar school.” Zegt ze. “Mwja, ik kom al.” Zeg ik, en verdwijn naar boven om me om te kleden. Ik prop m’n brood naar binnen en ga naar school.
Op school staat Stephanie al op me te wachten. Ze staat met haar armen over elkaar. “Wat?!” Vraag ik wanneer ze me aan blijft staren. “Heb je je gisteren gesneden?” Vraagt ze. Ik zucht. “Wat gaat jou dat aan?” Vraag ik. “Veel.” Zegt ze. Ze pakt mijn hand en haalt het zweetbandje een stukje van mijn pols. Als ze de nieuwe krassen ziet, vertrekt haar gezicht.
“Je dacht waarschijnlijk dat ik het niet meende dat ik het zou vertellen, maar nog n keer, en ik doe het wel.” Zegt ze streng. “Het zal wel.” Zeg ik en ga alvast naar het lokaal. Gelukkig vallen er vandaag een paar lessen uit.
Ik word echt gek van Stephanie haar gezeur en het groepje van Manon helpt ook niet lekker mee.
Helaas gaat Stephanie’s gezeur maar door. Dagen lang blijft ze me controleren.
Uiteindelijk ben ik alles helemaal zat!
Het is een regenachtige avond.
Vanmiddag heb ik voor de zoveelste keer gespijbeld. Maar nu is het zo ver.
Ik sta op het dak van een gebouw. Voor de laatste keer kijk ik nog op de klok; half 10.
Er komt een bus de parkeerplaats oprijden.
Eerst stappen er een paar mensen met een camera uit. Dan volgen er vier jongens.
De eerste is best gespierd, geloof ik. Dat kan ik niet zo goed zien. Hij heeft een pet op. De tweede heeft half lang, bruin haar. Ook hij is best gespierd. Dan komt er een jongen met dreads de bus uit, hij draagt wijde kleding en een pet. Hij komt me vaag bekend voor. En als laatste komt er een jongen met zwart, overeind staand haar. Hij is donker gekleed. Wacht eens… Die komt me ook al bekend voor.
Er volgen nog een paar mensen.
Na een tijdje hoor ik muziek afspelen binnen in het gebouw.
Maar, dit is een nummer van Tokio Hotel! Daarvan herkende ik die jongens dus. Shit! Dat kan ik dus echt niet gebruiken.
Als ik hoor dat er mensen naar boven komen raak ik een beetje in paniek. Waar moet ik nu heen?
Dan zie ik een hoekje waar ik me voorlopig kan verschuilen.
Een paar mensen zetten de lampen neer. Door het licht zit ik bijna in het zicht voor hun.
Snel kruip ik in een schaduw. Gelukkig het ik zwarte kleding aan, dus ik val niet zo op.
De opnames gaan verder, en ik kijk toe vanuit mijn hoekje. Er staat best veel wind en ik heb geen jas bij me. Stiekem ben ik wel een beetje jaloers op die… hoe heet ‘ie ook alweer? Bill? Hij heeft een warme jas aan en krijgt warm drinken. Ik zit hier in een t-shirt. Dan moet ik niezen. Bill kijkt om. “Shit. Laat hem niet hier komen, laat hem niet hier komen.” Denk ik in mezelf. Te laat, hij komt al. “Eh… Hoi.” Is het enige wat ik uit kan brengen. “Hoi.Wie ben je? En waarom ben je hier?” Vraagt hij, terwijl hij me overeind helpt. “Ehm… Ik ben Lisa, en waarom ik hier ben, daar heb ik het nu liever even niet over.” Zeg ik. “Kom maar uit dit hoekje, hoor. Je mag best kijken, als je daar tenminste zin in hebt.” Zegt hij vriendelijk. “Ok.” Zeg ik een beetje zenuwachtig. Ik ga aan de zijkant tegen de muur zitten. Hoe laat zouden ze stoppen met de opnames? De tijd begint te tikken en ik word ongeduldig. Het lijkt alsof ze mijn gedachtes kan lezen, want er wordt geroepen dat het erop staat. De camera mensen en de jongens van Tokio Hotel gaan naar beneden, behalve Bill. Hij blijft nog even boven. “Vertel nou eens eerlijk, waarom ben je hier.” Zegt hij. “Nou. Ik… eh… ik wilde gewoon even hier zitten, over de stad heen kijken, niets aan mijn hoofd hebben. Je weet wel.” Zeg ik snel. “Aha.” Zegt hij, en blijft me aankijken. “Ok, het is niet zo. Ik ben het leven gewoon zat, en wil er een einde aan maken, maar toen kwamen jullie, en kon ik niet springen.” Zeg ik. “Je moet ook niet springen. Je hebt nog een heel leven voor je. Het komt vast allemaal goed.” Zegt hij. “Nee. Het komt niet goed, en ik wil het ook niet meer. Ik wacht al lang genoeg op een oplossing, maar die is er gewoon niet.” Zeg ik, en ga op de rand staan. “Sorry Bill, maar ik spring wel.” Zeg ik, en laat me naar achteren vallen.

Bill’s pov:
Ze laat zich naar achteren vallen. Ik probeer haar hand nog vast te pakken om haar terug te treken, maar ik ben te laat. Ze valt van het gebouw.
Zo snel als ik kan ren ik naar beneden. “Bel een ambulance!” Roep ik tegen iedereen. Helemaal beneden aangekomen zie ik haar liggen. Tom komt achter me staan. “Bill, de ambulance komt eraan. Maar wat is er gebeurt?” Vraagt hij. “Ze zag het niet meer zitten. Ik... Ik probeerde haar... haar hand te pakken, maar ik was... te... te laat.” Zeg ik zacht.
Nog geen 5 minuten later komt er inderdaad een ambulance aan. Ik vraag aan een van de broeders of ik mee mag in de ambulance. Ze vinden het goed, en snel stap ik in. Tom, Gustav en Georg stappen in de bus die de ambulance naar het ziekenhuis volgt.
Eenmaal in het ziekenhuis wordt Lisa snel naar de operatiekamer gebracht. En wij moeten wachten. Vieren zitten we voor de deur van de operatiekamer. David is ondertussen aan het bellen naar het huis waar Lisa vandaan komt, maar niemand neemt op.
Uiteindelijk komt er een van de doctoren naar buiten met nieuws. “Jullie vriendin heeft geen ernstige schade,” Mijn gezicht klaart op. “, maar helaas is ze door de val in coma geraakt. Het ligt eraan hoe lang dit duurt, maar het kan wel betekenen dat haar hersenen beschadigd raken.” Zegt hij. Mijn opgeklaarde gezicht verdwijnt weer. Lisa wordt naar een kamer gebracht waar niemand anders ligt. Nu mogen wij er ook bij. Ik ga naast haar zitten. Het lijkt net alsof ze slaapt, maar helaas is de realiteit heel anders.
Het is al laat, en er wordt gevraagd of we hier willen overnachten of dat we naar huis gaan. Tom, Gustav en Georg besluiten om naar huis te gaan, maar ik wil hier blijven.
Er wordt een bed naast Lisa’s bed gezet. Nog heel lang blijf ik naast haar zitten. Wanneer ik haar hand omdraai zie ik allemaal krassen op haar armen staan, ze zijn al een tijdje aan het genezen, dus ze heeft gelukkig geprobeerd om te stoppen. Helaas lost ze dat op door van het dak te springen. Nog heel lang blijf ik zo zitten, maar uiteindelijk besluit ik toch maar om te gaan slapen. De volgende ochtend word ik al vroeg wakker. Dat is echt niets voor mij.
Als snel realiseer ik me waar ik ben en waarom. Snel kijk ik of Lisa al wakker is, maar helaas breekt mijn droom als ik zie dat ze nog steeds in coma ligt.
Er lopen allemaal slangetjes van Lisa naar een paar apparaten. Op eentje is haar hartslag te zien. Het gaat heel langzaam, maar het klopt nog.
’s Middags komt Tom ook langs om te kijken hoe het gaat, maar er is nog niets veranderd. Ook Gustav komt ook langs. “Bill, je weet toch dat dit heel erg lang kan duren?” Zegt hij. Ik knik. Het idee dat ze gehandicapt kan worden door de coma verdring ik. Na twee weken wordt ze eindelijk wakker.

Lisa’s pov:
Ik voel dat ik langzaam weer bijkom. Als ik mijn ogen open is alles wazig. Ik knipper een paar keer met mijn ogen, en dan is alles weer scherp. “Waar ben ik?” Zeg ik schor. Ik schrik een beetje van mijn eigen stem. Wat is er nou weer gebeurd. “Je ligt in het ziekenhuis.” Hoor ik iemand zeggen. Ik kijk opzij, daar zit die jongen met dat zwarte rechtopstaande haar. Alleen is het nu plat. Langzaam begint alles weer een beetje tot me door te dringen. Ik wilde van dat gebouw af springen. “Het is mislukt he?” Zeg ik tegen hem. “Ja, gelukkig wel.” Zegt hij vriendelijk. “Shit.” Zeg ik, terwijl ik tegen mijn hoofd wrijf. Ik heb een knallende koppijn.
Bill wil wat zeggen, maar hij denkt even na. Hij besluit het toch te vragen. “Waarom wilde je er nou een einde aan maken?” Vraagt hij. “Mijn leven is gewoon prut. Mijn ouders zijn bijna nooit thuis, en als ze thuis zijn dan maakt het ze geen ene f*ck uit wat er met me aan de hand is. Ik haal heel slechte cijfers, en word op school gepest omdat ik heel vaak zwarte kleding draag. Ze noemen me emo of gothic, maar dat ben ik helemaal niet. Het begon ongeveer een jaar geleden. Ik had een vriend, hij had ook veel problemen thuis en sneed zichzelf. Dit vertelde hij alleen tegen mij, en niemand anders wist ervan. Ik dacht toen nog; dat ga ik dus never nooit doen. Ondertussen had ik die vriend al een tijd niet meer gesproken, maar na zo’n half jaar vriendschap belde hij me met de mededeling ‘ik kan het niet meer aan, laat dit jou nooit gebeuren’, toen hoorde ik een telefoon vallen en wist dat hij er een einde aan had gemaakt. Uiteindelijk kreeg ik steeds meer problemen thuis en op school. En ik begon ook met snijden. Ik merkte dat het hielp. En ik spijbelde vaak. Omdat mijn ouders toch amper thuis waren kwam ik vaak bezopen thuis, en ging de volgende dag niet naar school. Het snijden werd alsmaar erger. Uiteindelijk is mijn vriendin erachter gekomen dat ik me snijd. Daarna is ze me constant gaan controleren. Ik kon er niet meer tegen, en wilde niet meer verder met het leven. En toen ik besloten had om te springen, uitgerekend toen kwamen jullie die clip opnemen.” Vertel ik.
Die vriend vergeet ik nooit meer. In die tijd had ik amper vrienden, en ik kon alles bij hem kwijt. Het voelde allemaal zo goed bij hem. Al zouden de meeste mensen hem liever ontwijken omdat hij alcohol, drugs en al dat soort dingen gebruikte om van zijn problemen af te komen. Maar ondanks dat was hij heel erg aardig voor me.
Terwijl ik vertelde had Bill begripvol geluisterd. Hij heeft me niet onderbroken, en net zoals bij die vriend waar ik het net over had kan ik alles bij Bill kwijt.
Even is het stil. Maar na een tijdje word de stilte onderbroken door een zuster die de mededeling heeft dat ik weer naar huis mag. Eigenlijk zit ik daar best tegenop. Dan moet ik weer naar mijn ouders, en naar school, met die irritante huppels. Weer terug in het dagelijkse gezeur.
Bill ziet mijn treurige gezicht. “Wat is er Lisa?” Vraagt hij. “Ik zit er gewoon tegenop dat ik weer naar huis moet. Ik wil niet naar mijn ouders.” Zeg ik zacht. Ik voel de tranen achter mijn ogen prikken, maar probeer ze tegen te houden. Jammer maar helaas lukt dat niet.
Bill denkt even na en zegt dan: “Heb je heel even? Ik moet even een telefoontje plegen.” “Ok.”
Bill loopt weg, en ik ben alleen in de kamer. Na een tijdje komt hij weer binnen met een mega grote big smile. “Wat heb jij nou?” Vraag ik lachend aan hem. “Ik heb…” Begint hij, maar wacht expres. “Zeg het nou.” Zeg ik nogal zeurderig. “Ok. Zou jij het leuk vinden om geadopteerd te worden?” Vraagt hij. “Ja, alles beter dan bij de ouders waar ik nu bij woon.” Zeg ik terwijl ik met mijn ogen rol. “Hoe zou je het vinden als mijn moeder jou gaat adopteren?” Vraagt hij. “Echt? Dat zou echt geweldig zijn!” Zeg ik blij. “Mooi zo, dan moet ik zo even nog eens bellen en dan gaat mijn ma de papieren aanvragen, als jouw ouders tenminste akkoord gaan.
Niet veel later sta ik voor mijn huis, waar ik binnenkort niet meer woon. De zenuwen gieren door mijn lijf, dat komt voornamelijk omdat ik helemaal happy ben dat ik eindelijk bij mijn ouders weg mag.
De deur gaat open, en mijn moeder staart me met een verwaande blik aan. “Wat moet je?” Snauwt ze. Waarschijnlijk is ze nog pissig door mijn zelfmoordpoging. “Mam, je moet even luisteren. Kunnen we even binnen komen?” Zeg ik. Ze kijkt Bill minachtend aan. “Moet hij ook mee?” “Ja.” Zeg ik kortaf. Ik pak zijn hand en neem hem mee naar binnen. Als mijn moeder de deur sluit, besluit ik om maar gelijk met de deur in huis te vallen. “Eigenlijk ben ik hier om je wat te vragen.” Zeg ik, wanneer ik merk dat ik de aandacht van mijn moeder niet helemaal heb. “Nou, vertel.” Zegt ze, en ze laat me praten. “Natuurlijk heb ik gemerkt dat ik hier niet gewenst ben, en dat heb je me er goed ingewreven. School werkte ook niet echt mee, maar dat ter zijde. Jullie hebben me nooit veel aandacht gegeven, en alles wat ik deed was in jullie ogen fout. Beide waren jullie vaak weg van huis, en zat ik hier dus in mijn uppie.” Even wacht ik. “In het ziekenhuis kwam Bill met het voorstel dat zijn moeder mij ging adopteren, maar dat kan alleen als jullie dat accepteren. Dus dat is mijn vraag; ga jij ermee akkoord als ik word geadopteerd?” Zeg ik. Even blijft het stil. “Best, doe maar, ben ik van je af. Stuur die papieren maar zo snel mogelijk, dan kan ik die tekenen, en dan zijn we klaar.” Zegt ze snel. “Ik heb de papieren hier, dus u kunt gelijk tekenen.” Zegt Bill. Mijn moeder tekent en dat betekend: ik ben van haar af!
Snel pak ik al mijn spullen in, en dan worden Bill en ik naar buiten gebonjourd. Als we een eindje weg zijn van mijn ‘oude’ huis zeg ik tegen Bill: “Zou ze ons nog kunnen horen?” Hij kijkt me vragend aan. “Ik denk het niet. Hoezo?” Ik glimlach. “Whaaaaaa… Ik ben zo blij! Ik ben verlost! Ik begin helemaal opnieuw met een nieuw leven! En deze keer pak ik het goed aan!” Ik spring om zijn nek, en spring dan allemaal rondjes. Bill moet lachen. Na een tijdje zijn we allebei melig. Met gevolg dat we nogal raar over straat lopen te dansen. We worden nagekeken door veel mensen, maar we trekken ons er niets van aan.
Als we voor mijn ‘nieuwe’ huis staan, en Simone open doet ziet ze aan onze uitdrukkingen wat het antwoord was. “Ik zie het al, het is gelukt.” Zegt ze. “Jaaaaa!” Roepen Bill en ik in koor. We omhelzen haar van blijdschap. --- Een maand later --- Ik pak mijn vest van de kapstok en vertrek naar buiten. Het is avond, maar door het warme weer is het nu nog warm. Eigenlijk is het te warm voor en jas, en te koud zonder jas. Ik ga naar buiten, naar een plekje waar Bill en ik wel eens zitten. Na zo’n 5 minuten gelopen te hebben kom ik bij het gebouw aan. Ik ga er naar binnen, en neem de trap helemaal naar boven. Boven op het dak ga ik zitten. Hier heb je een prachtig uitzicht over de hele stad. Ik kan hier gemakkelijk in gedachten wegzakken, niemand die me stoort. Even sluit ik mijn ogen, maar als ik gerommel hoor besluit ik om toch maar even te kijken wie het is. Eigenlijk wist ik het al, Bill komt ook naar boven, en gaat naast me zitten, en samen kijken we over de hele stad.

Vergessene Kinder (made by Morena)

Vergessene Kinder (made by Morena)

Zoals gewoonlijk een gewone, normale dag. Maar niet voor mij. Niemand die me ziet staan. Ik ben eenzaam en verloren. Uit de wereld verbannen. Lijk net onzichtbaar geboren, want iedereen negeerd me.

Ik loop mijn huis uit. Ik heb niets bij me. Ik kijk rond en het lijkt net alsof de straten kerkhoven worden. Ik kijk naar het papiertje in mijn hand. Ik heb daar al mijn verdriet opgeschreven. Ik zucht en begin te lopen. Nu voel ik pas hoe koud de nacht is. “Nou en, wie koud lijdt is zwak.” Denk ik bij mezelf. Ik laat het papiertje vallen op de sneeuw. Ik heb er zo veel achtergelaten maar niemand zal ze toch tellen. En om zoeken geeft men niet, helemaal niet. Alles moet anders zijn. Ik ging rechtop staan, ren de straat uit en laat me struikelen om opgevangen te worden door de sneeuw. Ik begin te huilen. Ik zie ineens al mijn dromen vervagen die ik altijd heb gedroomd. Alle dromen worden verstikt. Nooit zal ik begrijpen hoe de mensen die ik ken me zien, hoe ze zich voelen, hoe ze zien, hoe ze zullen leven, zonder mij. Ik sta op en veeg mijn tranen van mijn gezicht af. En ik begin weer te rennen. Eindeloos.

Ik zie aan een bord dat ik net Nederland in ben gegaan. Ben ik al zo ver? Vraag ik mezelf steeds af bij het volgende bord waar een straatnaam op staat. Ik zie een station en stap erop af. Ik leg wat geld op een balie en vraag een ticket voor een paar haltes. Ik krijg het kaartje bijna in mijn gezicht gedrukt en kijk dan vragend naar de mevrouw. Ze kijk me boos en verveeld aan. Ik loop maar snel weg, ik vind haar maar eng. Ik stap in bij de eerst volgende trein. Ik loop naar een goed comfortabele bank en ga daarop zitten.
Ik ben nu al 2 uur onderweg en heb nog niets gezegt tegen wie dan ook. Ik kijk de heletijd naar beneden en probeer een filmpje van geluk te zien in mijzelf, wat maar niet lukken wil. Op een gegeven moment loopt er een meisje langs die voor me blijf staan. Na een minuut begin ik een beetje gerriteerd te worden. “Ga weg, je kent me toch niet” Zeg ik in mijn hoofd om te hopen dat ze me niet zal herkennen. Ik kijk maar omhoog, en zie ineens een mega mooie meid. Haar donkerblonde haren los met een beetje slag van tot haar stuitje, een lang zwart-rode jurk dat een kleine sluier heeft en dan haar hemelse gezicht. Ze leek net een engel. Ze kijkt me maar aan met grote ogen. ‘Ik weet wie je ben, maar wat doe jij hier?’ Zegt ze en kijkt me met tranen gevulde ogen. ‘Eindelijk iemand die me kent.’ Zeg ik zachtjes en buig mijn gezicht naar beneden. Ik voel hoe tranen mijn zicht wazig maken en mijn schouders laten schokken. Ik wou mijn tranen inhouden, maar liet ze maar lopen. ‘Ogen zonder geluk.’ Zegt ze ineens en legt haar rechterhand op de linkerkant van mijn kin. Ik voel hoe rustig en voorzichtig ze mijn hoofd richting haar blik duwde, dat ze wil dat ik haar aankijk. Ik vermeid het en sluit mijn ogen. Mijn schouders beginnen erger te schokken en ik ruk me los. Ik draai me om en sla mijn handen voor mijn gezicht. Ik voel hoe ze voor me gaat zitten en me op haar schoot legt. Ze drukt me stevig tegen haar aan en wiegt rustig heen en weer. Ik werd snel rustig. Ik heb mijn ogen nog steeds gesloten, en voelt haar vingers van haar linkerhand mijn linkerhand strelen. Dan verstrengelt ze onze vingers met elkaar. ‘Rustig maar, alles komt hopelijk goed. Ik blijf bij je als je wilt.’ Fluistert ze in mijn oor en geef me een kus op mijn voorhoofd. Ik durf haar nog steeds niet aan te kijken. ‘Je laat me aan iemand denken, iemand van vroeger.’ Zeg ik ineens zonder controle in mijn lichaam. ‘Dat kan,’zegt ze zachtjes, legt haar hoofd op de mijne en er volgt een lange stilte,‘De sporen van je afwezigheid is gewist, niemand heeft ze gezien.’ Ik knikte en liet een trillerige zucht mijn lichaam verlaten. Ze voelt zo betrouwbaar, zo lief, zo aardig. Ik kijk haar na 10 minuten aan en geef haar een kusje op haar mond. Met een fijn gevoel val ik gelijk in slaap.

Het is alweer s’avonds en we zijn samen naar een plek gelopen. Het was eigenlijk niet zo lang lopen vanaf het station. We lopen een gebouw binnen en we gaan allemaal trappetjes naar beneden. Ineens stopt ze en pakt ze mijn hand. ‘Niet bang zijn.’ Zegt ze als ze merkt dat ik een beetje in paniek raak. Ze draait zich om richting mij en ze neemt me in haar armen. Ik loop daarna met haar door een deur en we komen in een ruimte waarin veel kinderen zitten. ‘Hier zijn kinderen die zijn weggelopen of het huis uit zijn gestuurd.’ Zegt ze zachtjes. Ik knik en we gaan op een oude bank zitten. Allemaal kinderen, namen onbekend, net als wij thuis, maar dan hier. Allemaal vergeten, maar ze lachen. Ik voel me raar. Ik heb paniek voor het licht, voor elk gezicht. Erge angst is wat ik heb. ‘Hoe heet je eigenlijk? Je ziet er zo bekend uit.’ Vraag ik weer met een trillende stem, na een minuut zwijgen. ‘Emily.’ Antwoord ze. Ik schik me dood. ‘Emily Marf?’ Vraag ik met grote ogen. Als ze knikt, weet ik dat ik gek aan het worden ben. ‘Je bent toch al sinds mijn 13e dood?!’ Vroeg ik doodsangstig. ‘Ja, maar ik zorg voor deze kinderen, diegene van wie ik hou, voor wie ik wil zorgen. Maar dat zal niet lang meer duren, tijd heelt niet, dus ben ik niet meer zo lang nog nodig. Ik heb je hier gebracht zodat je eten en onderdak heb, waar je geliefd kan worden en waar je met de andere kan praten. Gewoon waar je een 2e kans kan krijgen.’ Antwoordde ze en heeft een glimlach op haar gezicht. ‘Waarom lach je dan?’ Vraag ik. ‘Gewoon. Ik ben toch niet meer belangrijk, heb schuld die niemand raakt. Zoals mijn ma altijd zegt, bij de eerste schreeuw verkleumt. Nu snap ik pas wat ze bedoelt.’ Antwoord ze. Tranen vullen mijn ogen weer en ik word een beetje boos. ‘Je bent wel belangrijk.’ Zeg ik een klein beetje gerriteerd, maar ook weer bang. ‘Waarom?’ Vraagt ze en vol verbazing krijg ze een innerlijke kus van me. We scheiden onze lippen van elkaar en kijken elkaar aan. Ik leg mijn rechterhand op haar rechterwang en kust haar nog een keer. Ze kust terug. Ik let niet op de kinderen in de ruimte die ons allemaal aanstaren. Ik voel hoe een traan van Emily over haar wang glijdt en zich laat uitspatten op mijn rechterhand. We scheiden onze lippen weer van elkaar en ze kijkt een beetje naar beneden met rode wangen. ‘Omdat ik nog na al die jaren van je houdt,” zeg ik en veeg z snel elke traan dat van mijn wang afglijdt met de rug van mijn linkerhand weg dat alles eromheen een beetje rood word,‘Zelfs gisteren heb ik nog om je gehuild. Ik kon gewoon niet meer zonder jou. Nu nog steeds niet. Ik kan gewoon niet zeggen hoeveel ik van je houd.’ Ik krijg ook rode wangen en kijk haar aan. ‘Dat geldt ook voor mij. Ik voel gewoon erg veel voor jou, maar kon je niet meer vinden.’ Zegt ze terug en trekt haar benen naar zich toe. ‘Je kunt dan toch niet gewoon weg gaan? Ik heb je nodig. Wij hebben ju nodig?!’ ‘Ik heb geen keuze meer. Ik kan niet langer meer in deze wereld leven. Ik kon maar een kleine tijd hier zijn. Ik kan niet meer.’ Zegt ze bang en haar stem klinkt trillerig. Haar toestand verslechtert ineens. Ze zakt in elkaar en valt met haar rug op mijn schoot en ik vang haar hoofd zo snel mogelijk op, anders was ze met haar hoofd op een uitstekende scherpe stuk gekomen. Ze kijkt me aan met half dichtgeknepen ogen. ‘De tijd is gekomen voor mij om te gaan.’ Zegt Emily en sloot haar ogen. ‘Neee?! Je mag niet gaan!’ Roep ik bang. Ik til haar op en geef haar een zoen. Ze kust me gelukkig terug. “Ik wil niet dat je gaat, alsjeblieft”denk ik bij mezelf. Ineens voel ik haar tong mijn tong strelen. “Ik weet het schat. Maar alles komt goed” Hoor ik ineens in mezelf. Ineens valt haar hoofd naar achteren en word ze helemaal slap. Ze vervaagd langzaam en ineens is ze verdwenen. Ik schreeuw zo hard ik kan en sta op. ‘Waarom?!’ Roep ik door heel de ruimte. ‘Is ze weg?!’ Vroeg ineens een klein meisje. ‘Ja.’ Antwoord ik zachtjes en de ruimte vervult zich met huilende kinderen en bange stemmen. Ik stort in elkaar en het word zwart voor mijn ogen.
Ik ren de ruimte uit en ren alle trappen op. Ik kom buiten en rende zo ver ik kon naar een meer dat is bedekt met zacht maar erg koude sneeuw. Ik voel niets, geen kou, geen natheid. Maar pijn. Erge pijn.

Het is 5 dagen geleden nadat Emily weg is gegaan uit mijn leven. Na elke minuut werd de pijn erger, nu nog steeds. Ik heb de 5 dagen geslapen. Ik had slaappillen gevonden en elke keer dat ik wakker werd nam ik er weer een. Vanochtend ben ik erachter gekomen dat ze op zijn, net zoals mijn hart, mijn ziel, mijn lichaam. Ik voel me steeds moeier en dunner worden. Ik voel de sneeuw langzaam neerdalen op mijn lichaam. Ik heb een versleten broek en van mijn t-shirt is er niets meer over. Nog steeds voel ik pijn, maar is ondertussen hevig gestegen. Weer begin ik te huilen.
‘Kom me halen! Asjeblieft?!’ Roep ik zo hard ik kan richting de lucht in de hoop dat Emily me kan horen. Ik voel me slap worden en val in de sneeuw. ‘Al-sje-bliehieft?!’ Roep ik weer erg hard. Langzaam begin ik minder adem te halen zonder dat ik het merk. Ik voel hoe mijn benen niet meer reageren op wat ik wil. ‘Ik kan het niet meer aan. Ik kan niet zonder jou?! Ik kan niet meer, net zoals jou! Kom me halen, IK HOU VAN JE!?!?’roep ik zo hard dat mijn stem schor begint te worden en het lijk net alsof iemand me vast houdt, terwijl ik niemand zie. ‘Niemand houd toch van me, ik ben niets meer. Ik hoef niet meer te leven, want niemand vind dat erg. Ik ben onzichtbaar genoeg. Het is nu nog zwaarder sinds jij weg ben?! Haal me op, want dan is mijn hart en ziel weer gevuld met liefde. De liefde voor jou. Mij maakt het niets meer uit wat er met me gebeurt, als ik maar bij jou ben. Ik wil je weer zien, ik mis je. Er gaat helemaal niets meer boven jou. Hoewel je me beneden niet meer vind, zoek me... Alsjeblieft. De zon komt niet meer op hier. Boven wel. Alsjeblieft, kom.’ De rest van mijn lichaam begint nu ook steeds zwaarder te worden en het reageert gewoon niet meer. Ik begin steeds minder adem te halen. Ik adem niet meer. Ik probeer het niet eens meer. Ik kreeg een glimlach en mijn pijn verminderde. Het werd rustig wat warmer om me heen. Ineens voel ik niets meer, alleen Emily. Ik kan mijn ogen niet meer openen. Ik blaas mijn laatste adem uit en alles werd slap. Ik ben dood, niets kan het meer veranderen, niemand. Ik ben bij Emily. Ze heeft me gehoord en meegenomen. Mijn geest verlaat mijn lichaam zodat ik bij mijn liefde ben. Verder heb ik niet meer nodig. Ik ben gelukkig nu.
Ik ben weggerend. Eindeloos weggerend.

Wenn nichts mehr geht

Wenn nichts mehr geht

Het is een gewone zonnige dag. Ik ben wat boodschappen aan het doen voor mijn moeder, en Tom is naar de muziekwinkel om nieuwe snaren te kopen voor zijn gitaar.
Die had hij laatst namelijk gebroken.
Ik ben nu onderweg naar huis.
Wanneer ik wil oversteken zie ik dat Tom aan komt rijden in zijn auto.
Hij rijdt door, want zijn stoplicht zit mee.
Dan rijdt er een dronken man met 120 km/u frontaal op Tom in.
Daar sta ik. Verstijft van de schrik. Mijn broer was zojuist vlak voor mijn neus aangereden.
Het eerste wat ik doe is naar hem toe rennen en hem uit zijn auto halen.
Uiteindelijk heb ik hem gevonden, en eronder uit getrokken. “Tom, blijf hier. Nog even volhouden.” Fluisterde ik in zijn oor. Hij kneep zacht in mijn hand als teken dat hij nog bij bewustzijn is.
“Kan er iemand een ambulance bellen?” Schreeuw ik. Al snel belt er iemand een ambulance.
Wanneer die aan komt wordt Tom op de brancard gelegd. Ik vraag of ik mee kan in de ambulance, waarop een van de broeders zegt dat het goed is.
De hele weg houd ik Tom’s hand vast. Af en toe knijp ik zacht als vraag of hij er nog is, en telkens knijpt hij terug.
Na een tijdje knijp ik weer, maar ik krijg geen antwoord terug. Ik raak in paniek. Ik vraag aan n van de broeders of hij kan controleren of Tom nog bij bewust zijn is. “Sorry, maar dat kan in het ziekenhuis pas weer.”Zegt hij.
Nu brak de paniek pas echt uit. Wat als hij me had verlaten? Hoe moest ik verder?
De ambulance stopt, wat betekend dat we bij het ziekenhuis zijn. Snel wordt Tom weggereden naar de operatiekamer. Ik blijf voor de deur van de operatie kamer zitten.
Uren lang blijf ik wachten.
Uiteindelijk ga ik maar op zoek naar tijdverdrijf. Na een tijdje zoeken heb ik een papiertje en een pen bij elkaar gesprokkeld.
Ik ga weer terug naar het plekje waar ik daarnet zat.
Ik begin te schrijven. Na zo’n half uurtje is het af.
Ik lees het nog eens door. Ik noem het nummer Wenn nichts mehr geht.
Ik begin het te neurin. Nog even verbeter ik een paar zinnen, en dan is het klaar.
Dan komt er een dokter aangelopen. Zal het goed gaan met Tom? Heeft hij het gered? Er spookt van alles door mijn hoofd.
Als ik zijn gezichtsuitdrukking zie hoop ik vurig dat het geen nieuws voor mij is. Want me trouwens nogal sterk lijkt, want ik ben de enige die in de gang staat.
“Meneer Kaulitz?” “Ja?” Zeg ik twijfelend. “Ik moet u helaas mee delen dat hij het niet heeft gered.” Zegt de dokter. Ik sta hem met open mond aan te gapen. Dan laat ik me op de stoel zakken. Dit mocht niet, dit kn niet.
Dan zie ik een bed langsrijden die door een andere dokter wordt voortgeduwd. Snel spring ik van mijn stoel af. Ik trek het witte laken een stuk van zijn gezicht af. Daar ligt hij, hij die altijd bij me was. Hij waar ik nooit zonder zou kunnen, nu dus ook niet. In een klap was hij van me weggenomen.
Een vlaag van verdriet en woede verspreid zich door mijn lichaam. Waarom is die verdomde man dan ook achter het stuur gaan zitten? Waarom moest het pers mijn broer zijn? Ik barst in huilen uit.
Op dat moment komt mijn moeder aangelopen. Wanneer ze mij zo ziet slaat ze haar handen voor haar mond. Ze wist al wat haar zoon was overkomen, dat heb ik haar aan de telefoon verteld. Toen had ze nog gezegd dat het goed zou komen met Tom, maar dat plan is nu in het water gevallen.
Mijn moeder begint ook te snikken. Ik sla mijn armen om haar heen.
Ze neemt me mee naar huis. Ik ga naar mijn kamer en sluit me daar op. Ik barst in huilen uit.
Dan bel ik Gustav op, die heeft namelijk –net zoals Georg- het recht om te weten wat er aan de hand is. “Hee Bill.” Zegt hij vrolijk. “Gustav, Tom is.”Ik moet even slikken. “Hij is… Hij is niet meer hier. Hij is dood. “ Zeg ik, en laat weer een paar tranen rollen. Aan de andere kant van de lijn blijft het even stil. “Hoe kan dat?” Vraagt hij voorzichtig. “Hij is met de auto aangereden. De man was dronken en reed frontaal op hem in.” Zeg ik snikkend. “Oh… Nou succes ermee dan. Ik kom wel snel langs.” Zegt Gustav. Hij weet duidelijk niet zo goed hoe hij moet reageren. “ Dank je, ik ga Georg bellen om het nieuws te vertellen. “ Zeg ik, en hang op. Het telefoontje naar Georg verloopt op dezelfde manier.
Ik hoopte dat Tom weer terug zou komen, maar hij komt niet meer. Nooit meer.
Ik denk heel veel aan Tom, en telkens als ik om hem moet huilen, stel ik me voor hoe Tom terug komt om me te troosten. Maar hij komt niet terug.
Na een paar dagen ga ik weer naar beneden.
In de woonkamer zit mijn moeder op de bank. Ze staart wezenloos voor zich uit. “Mam?” Zeg ik zacht. Ze begint weer te huilen. “Bill, waarom heb je niets gedaan? Had Tom gezegd dat hij moest stoppen. Waarom deed je niets?” Huilt ze. Ik ga voor haar zitten. “Mam, dat weet ik niet. Het gebeurde, en ik stond daar. Maar ik kon niets doen. Het enige waar ik aan kon denken was om mijn broer uit die auto te halen.” Nu begin ik ook weer te huilen. Mijn moeder trekt me naar haar toe en geeft me een knuffel. Ze kijkt me aan. “Je lijkt ook zo veel op je broer. Telkens als ik je dan zie, zie ik ook een deel van Tom.” Zegt ze.
Tja, dat we veel op elkaar lijken is natuurlijk niet zo raar.
We blijven nog even zitten. Het enige geluid dat er is, is het geluid van langsrijdende auto’s.
“Mam, ik heb in het ziekenhuis een tekst geschreven, voor Tom.” Begin ik. “Ok, vertel maar.” Zegt ze genteresseerd. “Nou, ik weet het niet uit mijn hoofd. Maar ik heb hier de tekst.”Zeg ik en haal het papiertje uit mijn broekzak, en geef het aan mijn moeder. Ze leest het aandachtig door. “Wat mooi.” Zegt ze als ze klaar is.
Dan ga ik weer naar boven en leg mijn hoofd op het matras. “Tom, kom nou terug. Ik mis je zo. Het is zo stil zonder jou. Ik mis je onophoudelijke gepraat over de meisjes die je bij elk concert ziet. Kom nou teruhug.” Snik ik. Als ik omhoog kijk zie ik Tom zitten. “Niet om me huilen Bill. Je weet dat ik altijd bij je ben.” Zegt hij.”Maar je was zo lang weg. Waar was je?” Vraag ik met tranen in mijn ogen. “Ik was al die tijd bij jou.” Zegt hij troostend. “Blijf je nu hier, ik wil je echt niet nog eens kwijt raken.” Zeg ik. “Natuurlijk blijf ik hier. Ga maar even wat te drinken halen voor jezelf.” Zegt hij. Ik knik. Dan vertrek ik naar de badkamer om wat te drinken.
Als ik later mijn kamer weer binnen stap, staat Tom bij het raam. Ik loop naar hem toe, maar hij vaagt weg.”Tom, nee. Niet weggaan! Je zou hier blijven.” Roep ik. “Ik ben altijd bij je.” Zegt hij, en weg is Tom.
Weer barst ik in tranen uit. “Tom, je had het beloofd, je zou hier blijven!” Schreeuw ik tegen het stukje lucht waar ik Tom zojuist gezien had.

*Een week later*

Ondertussen is Tom begraven. Het was heel mooi, en Gustav en Georg waren er ook bij.
Na de begrafenis ben ik niet meer naar Tom’s graf gegaan. Bang om in te storten, en terug te vallen in het verleden.
We gaan niet meer verder met Tokio Hotel. We zijn het er allemaal mee eens dat het niet zou kunnen dat we een nieuwe gitarist gingen zoeken.
Voor de zoveelste keer zit ik alleen in mijn kamer.
Het is een warme avond.
Ik sta op en ga naar beneden.
Mijn moeder is niet thuis. Ze moest ergens naartoe, maar toen ze vertelde waar ze heen ging luisterde ik maar half.
Beneden leg ik op de tafel de tekst van Wenn nichts mehr geht. Ondertussen heb ik die als zovaak gelezen, dat ik hem uit mijn hoofd ken.
Vanavond zal ik het ijs breken, ik ga naar Tom’s graf. Ik ga gewoon lopend, het is toch maar 5 minuten lopen. Wanneer ik er ben is het heel rustig. Er is niemand te bekennen. Ik ga naar Tom’s graf. Al snel heb ik die gevonden, en ga ervoor zitten.
“Tom, kom me halen. Ik wil niet meer, ik kn niet meer. Ik mis je zo.” Ik ga liggen, en sluit mijn ogen.
Een warme wind waait om me heen, niet zomaar warm. Het is hetzelfde warm als wat Tom altijd bij zich had. Ik weet zeker dat hij me gehoord heeft.
Voor de laatste keer zing ik Wen nichts mehr geht, en zink in een diepe slaap. Een slaap waar ik nooit meer uit zal komen. Dan zie ik Tom en ga snel naar hem toe. En samen lopen we naar het licht.

Take me away (made by Morena)

Take me away (made by Morena)

Ik kan geen manier vinden om het te beschrijven. Het is daar binnenin. Ik blijf het verstoppen, zou willen dat het gewoon weg gaat. Maar dat ding gaat niet weg.
Ik kijk naar mijn kast. Daarin zit dat achterlijke ding wat veel problemen heeft veroorzaakt. Ik kan deze verwarring niet in bedwang houden. Ik heb altijd gedacht dat ik ongeschikt was in het leven, dat ik alles moest laten gaan, maar iets hield me tegen. Hij.
Ik voel me alsof ik helemaal alleen ben, in mijn eentje op de been moet komen, maar ik blijf hier.
Ik probeer het leven te ontcijferen. Ik dacht dat ik het wist. Hoe ik moest leven, hoe ik door ging met leven terwijl ik wist dat ik niemand heb en dat het nooit wat zal worden met hem, de jongen van wie ik mijn hele leven al van hou.
Maar wat zou hij doen, als hij het zou weten. Al de pijn wat ik heb.
Wat zou hij doen, als ik het uitlegt.Dan denk ik dat hij het niet zal begrijpen,want niemand begrijpt het.
Ik wil niet dat ze hem ook pijn doen.
Als mijn gedachtes leiden terug naar hem, terug naar alles wat ooit gezegd is, terug en voort in mijn hoofd, verleid het ding in mijn kast me. Kom en haal me weg, voordat ik door ga met wat ik bezig ben.
Mijn woorden zijn koud, net zoals mijn leven.
Oh, waarom is alles zo verwarrend. Mischien ben ik gewoon in de war.
Ik sta op en loop richting de kast. Ik kan het niet weerstaan. Ik moet het in mijn handen hebben. Ik open de bovenste lade en kijk erin. Het is een rotzooi daarin.
Ineens zie ik het. Het ding wat ik begin te haten, maar ook weer van begint te houden. Ik hou het in mijn hand. Ik heb het zo vaak gebruikt. Ik weet niet eens meer wanneer ik het niet heb gebruikt. Ik heb het stevig in mijn hand. Ik sluit de lade en gaat weer op het bed zitten. Ik leg het ding naast me en leg mijn armen op mijn schoot. Ik kijk ernaar en krijg tranen in mijn ogen. Ik zie al de littekens op mijn armen. Ik begin te verlangen naar het ding dat het heeft veroorzaakt. Het ding wat naast me ligt. Het ding wat me leven nu al heeft vergalt. Het scherpe ding wat mijn leven nu al heeft vergalt.
Ik pak het op en gooit het achter mijn kast, zonder enig schuldgevoel.

Ik wacht in het donker terwijl ik sta op een brug. Ik dacht dat hij nu hier zou zijn, want hij is hier altijd rond deze tijd.
Ik ben weggelopen, want ik kon het niet meer aan. Voor de zoveelste keer kwamen die jongens uit de 4e .Ze wouden me slaan,naar een huis brengen en vrezelijke dingen met me doen,zoals ze altijd deden.
Ik kijk om me heen. Ik zoek een plek. Zoek een gezicht. Is er iemand die ik ken?
Probeert niemand me te vinden?
Nee..
Er is niets, behalve de regen. Geen voetstappen op de grond. Ik luister naar de dingen om me heen, maar er is geen geluid.
Wil niemand me naar huis brengen? Me naar een nieuwe plek brengen. Wil niemand komen om me mee naar huis te nemen, omdat niets goed gaat?
Het is een verdomd koude nacht. Zo koud, dat ik rillingen voel over mijn hele lichaam.
Niemand vindt het leuk om alleen te zijn. Zelfs ik niet. Ik wil alleen zijn, met hem. De jongen van wie ik hou.
Ik voel ineens een hand op mijn schouder. Ik zeg diegene iets, wat ik eingelijk niet wou zeggen, maar het moest wel. “Ik weet niet wie je bent”. Ik ken namelijk bijna iedereen in mijn buurt.
De persoon die z’n hand op mijn schouder had gelegt, omhelste me.
Niemand heeft me ooit eens omhelst.. Niemand.
De persoon achter me zei dat het me wel kende.
Ik kende hem ook wel, direct nadat ik zijn stem hoorde. De stem die me altijd ontroerd. De stem die ik al heel mijn leven hoor. De stem die ik aanbid.
Tranen beginnen mijn ogen te prikken. Ook voel ik de tranen mijn wangen strelen.
Ik schrok toen diegene iets zei,wat ik al mijn hele leven nog nooit heb gehoort, en wel zal willen horen.
“Ik hou van je. Je bent alles voor me. Laat me je omhelsen. Neem me bij de hand. Laat me je gezicht strelen. Laat me nooit alleen. Ik zal dat ook nooit doen. Ik wil voor altijd bij je zijn.”
Mijn hart werd eindelijk, na al die jaren in hel, gevuld met vreugde.
Ik ben weer gelukkig. Blij met het leven. Maar ook weer niet.
Toen ik zei dat alles een troep is, versterkte hij zijn greep en gaf me een kus in mijn nek, waardoor ik de rilling kreeg over mijn rug van zaligheid.
“Maar...Ik ben bij je.”
Ten was ik pas ontroerd. Ik draaide me om en sloeg ook mijn armen om hem heen.
Ik streelde zijn lange zwarte haren, die net zo zacht waren als zijn gezicht. Ik voelde zijn handen met de ringen die hij om zijn vingers had, op mijn rug. Ik kuste hem op zijn wengbrauw, waar zijn piercing zat. Hij kuste me innig terug. Ik voelde zijn tong, met zijn tongpiercing, mijn tong strelen.
Ik ben ook bij jou.

Your are not alone (made by Morena)

Your are not alone (made by Morena)

Een andere dag is voorbij, een dag zonder jou.
Ik ben nog steeds alleen en denk over hoe dit allemaal kon gebeuren.
Hoe je uit mijn leven ben gegaan.
Hoe wreed je uit mijn leven ben gegaan.
Je bent niet hier bij me.
Je hebt nooit vaarwel gezegd, ik zelf ook niet.
Ik heb het nooit gedurft, nu nog steeds niet.
Iemand, vertel me waarom moest je gaan en mijn wereld zo koud achterlaten.
Elke dag zit ik daar en vraag me af hoe.
Ik dacht dat je ver weg was, omdat ik hier moest blijven.
Dacht dat we ver uit elkaar waren.
Omdat ik hier alleen moest blijven.
Helemaal alleen.
Waarom alleen?
Het antwoord wist ik niet, maar was er wel snel achtergekomen.
Gewoon de andere nacht.
Ik dacht dat ik je hoorde huilen met de vraag om te komen.
Ik kon je beden horen.
Ze klonken niet normaal meer.
Dus ik kwam binnen en zag je zitten, in de donkerste hoek van je kamer.
Ik rende naar je toe, hurkte voor je neer en vroeg wat er was.
Je wou niet antwoorden.
“Je bent niet alleen” dat voelde ik.
Toen ik keek naar je raam, zag ik die persoon net weg gaan.
Met iets in zijn handen.
Ik wist wat er gebeurt was.
Ht was gebeurt.
En ik hield je in mijn armen.
Nu zit ik hier, zonder doel, zonder een echt leven.
Je fluistert in mijn oor en zeg dat ik niet alleen ben.
Dat je mijn spanning zal verdragen.
Maar eerst had je mijn hand nodig.
Dan kon altijd beginnen.
Ik wist wie het was, maar wou het niet geloven.
Het was jij, die me mee zal brengen naar een leven.
Een leven met jou.
“Fluister drie woorden en ik kom eraan rennen” zei je.
Dat had ik ook gedaan en we gingen.
Gingen naar een nieuw leven.
Ik ben nu hier bij jou.
En jonge, je weet dat ik er zal zijn.
Je bent voor altijd in mijn hart

Ik ben aan het huilen, want het raakt me zo erg. Ik zet mijn cdspeler uit met de afstandsbediening en leg het op mijn nachtkastje. Ik sta op en loop richting mijn raam. Ik leg mijn hand op mijn borst, de plek waar de man het mes in me had gestoken. Het doet nog steeds erge pijn. Ik kijk naar buiten en zie de tuin, dat mooi verlicht is door de lampjes die daar ergens staan. Het maakt me rustiger. Ik word nog rustiger nu ik zie wie er in de tuin zit. Mijn tranen beginnen mijn ogen harder te prikken en ze strelen mijn wangen. Ik loop naar beneden en zie mijn broer op de bank zitten. Hij kijkt rustig naar de televisie. Als hij me opmerkt, slaat hij zijn rechterarm richting mij. Ik loop naar hem en kijk naar zijn gezicht. Zijn glimlach troost me al voordat ik het merk. Ik ga naast hem zitten en word meteen tegen hem aan gedrukt. Hij slaat ook zijn andere arm om me heen en wiegt me zachtjes heen en weer. ‘Rustig maar. Heb je het liedje al gehoort van Avril?’ Vraag hij zachtjes en versterkt zijn greep. Ik knikt en word op zijn schoot geschoven. ‘Wat vond je ervan?’ Verluistert hij in mijn oor. ‘Mooi. Echt supermooi Tom. Heb jij het al gehoort?’ Vraag ik zachtjes en kijk hem weer aan. ‘Nee.’ Antwoord hij. Ik sla mijn armen ook om hem heen en geef hem een dikke knuffel.
Ik sta op en loop richting de tuindeur. Als ik naar buiten kijk, zie ik Avril zitten bij de vijver. Ze heeft haar voeten, tot haar enkels, in het water gedaan en ze kijkt naar de lucht. Naar de sterren. Ik open zachtjes de deur en als ik buiten sta, sluit ik het rustig. Ik doe een paar stappen naar voren en zie haar ogen. Ze glinsteren mooi door het licht van de sterren, de lichtjes en de maan. Ze ziet er zo mooi uit. Zo lief, dat ik weer begin te huilen. Ik loop een paar stappen naar voren en begin te zingen. ‘Ik wist wat er gebeurt was.Ht was gebeurt.
En je hield me in je armen. Ik ben nu hier bij jou. En meisje, je weet dat ik er zal zijn. Je bent voor altijd in mijn hart.’ Ze schrok en draaide zich richting mij tijdens het zingen. Ze was opgestaan en had haar natte voeten op het gras gezet. Ze staat op en loopt richting mij. Ik zie dat de tranen in haar ogen staan. Ze ging voor me staan en kijkt naar mijn ketting, die ze me pas had gegeven. ‘Dus je heb het geluistert.’ Zegt ze zachtjes en pakt het amulet wat eraan zat. ‘Ja, en het was mooi.’ zeg ik terug. Ik zet mijn rechterhand onder haar kin en duw haar hoofd zachtjes omhoog, zodat ze naar me kijk. ‘Net zo mooi als jij.’ Haar ogen glinsteren en ze krijg een glimlach. ‘Echt?’ Vraagt ze zachtjes. ‘Ik vond het zo mooi, dat ik ervan zat te huilen.’ Antwoord ik en geef haar een zoen. Ze legt haar gezicht in mijn nek en haar schouders beginnen te schokken. Ik sla mijn armen om haar heen en voel kort daarna haar armen om mijn heupen. ‘Je bent echt zo lief,’Zegt ze zachtjes in mijn oor en trekt me nog wat dichterbij,‘Ich liebe dich.’
‘Ich liebe dich auch. Sehr, sehr viel. Du bist nicht allein.’

I'm with you

I'm with you

Vanavond zou het gezellig moeten zijn.
Ik was met mijn vriendinnen naar een feest gegaan. Je mocht erin vanaf je 18e. Jammer maar helaas was ik nog maar 17, maar ze hebben me toch binnen weten te smokkelen.
De reden waarom je 18 moest zijn ben ik nu achter.
Er werd alcohol verkocht en al snel waren mijn vriendinnen aangeschoten. Ik moest niets van alcohol hebben. Ranzig vond ik het.
Ik ging even rond kijken. Misschien waren hier wel andere mensen waar ik een praatje mee kon maken zonder dat ze dronken waren.
Na een tijdje zag ik twee mensen in een hoekje staan, ik ging naar ze toe. Toen ik doorhad dat ze drugs aan het handelen waren, ging ik maar snel ergens anders heen.
Steeds meer jongeren werden aangeschoten.
Er ontstond een duwpartij, die uiteindelijk tot een vechtpartij uitliep. Na een tijdje veranderde het zelfs in een steekpartij.
Snel maakte ik dat ik wegkwam.
En nu ben ik hier, op de brug, naar mijn spiegelbeeld aan het staren.

I’m standing on a bridge
I’m waiting in the dark
I thought that you’d be here by now
There’s nothing but the rain
No footsteps on the ground
I’m listening but there’s no sound

Ik wil naar huis, maar het is al laat in de avond, en ik kan niet met de auto, want ik heb geen rijbewijs. Je zou nu denken, hoe is ze dan gekomen? Heel simpel, met m’n vriendinnen meerijden. Ik ben benieuwd hoe ze naar huis willen, want ondertussen zijn ze vast al dronken.
‘Please, laat er iemand komen die me naar huis kan brengen.’ Zeg ik in mezelf. Ik heb maar een dun jasje aan, en het is hartstikke koud hier. Ik sta te trillen van de kou. Waarom was ik dan ook zo dom geweest om mee te gaan. Eigen schuld, ik had het kunnen weten.
Maar het enige wat ik nu wil is weg van hier.

Isn`t anyone trying to find me?
Won`t somebody come take me home
It`s a damn cold night
Trying to figure out this life
Wont you take me by the hand
take me somewhere new
I dont know who you are
but I... I`m with you

Na een tijdje sta ik nog naar het water te kijken. Dan verschijnt er een andere persoon naast me. Ik kijk opzij. ‘Hoi, waarom sta je hier in je eentje?’ Vraagt hij vriendelijk. ‘Mijn vriendinnen zijn daar binnen, maar ik heb geen zin om neergestoken te worden.’ Zeg ik terwijl ik naar het gebouw wijs waar ik net uit kom. ‘Aha. Hoe heet je eigenlijk?’ Vraagt hij. ‘Avril. En jij bent?’ Vraag ik. ‘Ik ben Bill.’ Zegt hij. Ik bekijk hem van top tot teen. Gympen, spijkerbroek, zwart shirt, zwarte make-up. Make-up? Bij een jongen? ‘Waarom draag je eigenlijk make-up?’ Vraag ik. ‘Hahaha… Dat kan ik ook aan jou vragen.’ Zegt Bill lachend. Hij heeft wel gelijk. Hij heeft zwarte make-up op, maar ik ook. ‘Sorry, ik ben het gewoon niet zo gewend van jongens.’ Zeg ik, en kijk naar de neuzen van mijn schoenen. ‘Maakt niet uit, veel mensen moeten er aan wennen.’ Zegt hij. Ik kijk hem weer aan. ‘Eigenlijk… Vind ik het best cool staan. Sexy.’ Zeg ik. Hij moet lachen. ‘Ik ga even binnen kijken of mijn vriendinnen al klaar zijn voor vertrek.’ Zeg ik. Hij knikt. Ik ga naar binnen en zoek mijn vriendinnen. Wanneer ik zie wat ze aan het doen zijn ren ik weer naar buiten. Hier wil ik dus niets mee te maken hebben. Die twee zijn met drugs bezig.

I'm looking for a place
searching for a face
is anybody here I know
cause nothing's going right
and everything's a mess
and no one likes to be alone

Daar staat Bill. ‘Nu al terug?’ Vraagt hij. ‘Ja, mijn vriendinnen staan daar een beetje drugs te snuiven. Ik wil verdomme naar huis.’ Zeg ik boos. ‘Weet je wat. Ik ga gewoon lopen.’ Bill pakt me bij m’n arm. ‘Het is al laat. Wie weet wat voor gasten hier rondhangen.’ Zegt hij bezorgd. ‘Dikke schijt, ik ga.’ Zeg ik. ‘Als je even wacht haal ik de autosleutels van mijn broer. Dan breng ik je wel naar je huis.’ Zegt hij. ‘Vooruit.’ Zeg ik. Bill en ik gaan naar binnen. Dan zie ik een jongen staan. Hij heeft wijde kleding aan en dreads. ‘Tom, kan ik even je autosleutels krijgen. Ik wil Avril graag naar huis brengen.’ Zegt Bill. ‘Ik ga wel mee, het bevalt me hier totaal niet.’ Zegt Tom, en hij gaat dus met ons mee.

Isn`t anyone tryin to find me?
Won`t somebody come take me home
It`s a damn cold night
Trying to figure out this life
Wont you take me by the hand
take me somewhere new
I dont know who you are
but I... I`m with you

In de auto zit ik achterin, en wijs de weg naar huis. Tom rijdt flink door, maar rijd netjes genoeg om geen wetten ofzo te overtreden. Als we er zijn bedank ik de jongens. ‘Maakt niet uit joh. Het was een kleine moeite.’ Zegt Bill. ‘En zo’n aardige meid wil ik wel vaker naar huis rijden.’ Voegt Tom eraan toe. ‘Typisch weer zo’n opmerking voor Tom.’ Zegt Bill zacht, en rolt met zijn ogen. Ik moet lachen. ‘Jullie wil ik wel vaker tegenkomen. Hee, zullen we wat afspreken, zwemmen ofzo. Maakt niet uit wat.’ Stel ik voor. ‘Is goed, als we nou telefoonnummers uitwissellen kunnnen we dat nog even rustig bespreken, anders moet het allemaal zo gehaast enzo.’ Zegt Bill. Ik knik. We schrijven de telefoonnummers en msn-adressen op een briefje. ‘Tot ziens h.’ Zeg ik. En ga naar binnen. Nog even zwaai ik. Dan ga ik naar mijn kamer en laat me op bed vallen.
Waarom is het allemaal zo verwarrend?
Ik denk gezellig met mijn vriendinnen mee te kunnen gaan, kom ik op zo’n soort feest. En dan loop ik twee van die aardige jongens tegen het lijf. Wat hadden die daar dan te zoeken?
Nouja, het zal wel.
Ik kleed me om en ga slapen.
De volgende ochtend word ik al vroeg wakker. Ik kleed me om en ga naar beneden, wat voor de tv hangen.

oh why is everything so confusing
maybe I`m just out of my mind
yea yea yea

It`s a damn cold night
Trying to figure out this life
Wont you take me by the hand
take me somewhere new
I dont know who you are
but I... I`m with you

Dan word ik gebeld door een van mijn vriendinnen. ‘Hoi.’ Zeg ik een beetje verveeld. ‘Hee Avril. Waar hang je uit?’ Vraagt ze.
‘Wat dacht je van thuis? Op de bank om precies te zijn.’ Zeg ik.
‘Oh, maar, jij was gisteren toch ook op het feest.’
‘Ja, maar vooral naast het feest.’ Zeg ik.
‘Oh, ok. Hoe vond je het?’ Vraagt ze.
‘Saai.’ Zeg ik.
‘Hoezo? Het was het ruigste feest wat er ooit was, en jij vond het saai?’
‘Ja. En nu wil je zeker ook weten waarom ik het saai vond.’
‘Ja.’ Zegt ze.
‘Het was vooral drank, drugs en steken. En dat hoef ik niet. Geef mij maar een bus graffiti of zoiets, maar dit hoef ik niet.’
‘Aha… Maar hoe ben je naar huis gekomen dan? Toch niet lopend he?’
‘Nee, ik ben met iemand meegereden. Maar hoe zijn jullie naar huis gegaan?’
‘Met de auto.’
‘De auto? Jullie hadden te veel op! Je kon een ongeluk veroorzaken! Denk je daar dan echt nooit aan?’
‘Nee, ik had drugs gesnoven weet je nog? Dan denk je daar niet aan, nee.’ Zegt ze droog.
‘Ach, what ever. Ga jij lekker naar je drugs toe als je dat zo belangrijk vind.’ Zeg ik boos en hang op.
Dan komt mijn moeder naar beneden. ‘Hoe was het gisteravond?’ Vraagt ze. ‘Stom.’ Zeg ik. Mijn moeder kijkt me verbaast aan. ‘Hoezo?’ ‘Omdat er drugs gehandeld werd enzo, en voordat je het gaat vragen, nee, ik heb daar niet aan meegedaan.’ Zeg ik. Ze kijkt mee aan. ‘Er is meer.’ Zegt ze. ‘Ja, ik weet nu wie mijn vrienden zijn.’ Zeg ik. ‘Ik ben trots op je dat je niet hebt meegedaan.’ Zegt mijn moeder. ‘Ik ga ok.’ Zeg ik. ‘Ok, veel plezier, je weet hoe laat je thuis moet zijn, en als je langer blijft, even bellen.’ Zegt ze. ‘I know.’ Zeg ik en ga naar buiten. Op de gang pak ik nog snel mijn tas. Daar zitten al mijn spuitbussen in.
Ik ga naar een stuk waar je legaal kan spuiten, daar doe ik het overdag. Maar als ik ’s avonds zin heb, dan is er meestal wel een mooie plaats te vinden bij het spoor van de trein ofzo.
Ik begin. Ik heb al een idee hoe het word.
Na zo’n twee uur ben ik bijna klaar. Dan word ik gebeld. Als ik op het display kijk zie ik dat het Bill is. ‘Hey.’ Zeg ik.
‘Hoi Avril. Zin om wat te doen vandaag?’
‘Jup, wat wilde je doen?’
‘Maakt niet uit. Bowlen ofzo?’ Vraagt hij. ‘Eh, nu? En maakt niet uit waar.’ Zegt Bill.
‘Nou, nu ben ik nog even bezig. Maar als je hierheen kunt komen zou dat goed uitkomen.’ Zeg ik.
‘Als jij mij verteld waar hier is, dan kom ik eraan.’ Zegt hij.
Ik vertel hem waar hij moet wezen, en we praten nog even door.
Nadat ik heb opgehangen ga ik weer verder waar ik mee bezig was. Ik zing in mezelf een nummer dat ik zelf geschreven heb; I’m with you.
Dan komt Bill, maar ik heb niets door dus ga gewoon verder met zingen.
‘Hoi.’ Zegt hij. Ik schrik een beetje en houd gelijk op met zingen.
‘Hoi.’ Zeg ik. Dan zie ik Tom staan.
‘Wow, ik wist niet dat jij ook graffiti spoot. Hoelang doe je dat al?’
‘Hmm… Sinds mijn 14e ofzo.’ Zeg ik lachend om zijn reactie. ‘Wil jij ook?’ Vraag ik.
Hij glimlacht. ‘Even kan geen kwaad.’ Zegt hij.
‘Alles zit in die tas. Bill, jij ook?’ Vraag ik.
‘Nee, dank je. Ik vind graffiti mooi om te zien, maar zelf spuiten doe ik niet.’ Zegt hij.
Ik haal mijn schouders op. ‘Ok, maar je mist wel wat.’ Zeg ik, en ga weer verder met mijn doodshoofd.
Na zo’n 10 minuten ben ik klaar en bekijk trots het resultaat. Bill kijkt op. ‘Zo, die is mooi.’ Zegt hij. Tom kijkt ook. ‘Wow… die is echt gaaf!’ Zegt hij.
Tom maakt zijn tekening af, en dan gaan we bowlen.
Tom wint met een klein voorsprongetje op Bill.
We worden beste vrienden.
En de vriendinnen van dat feest? Die eindigen niet al te best. Om het daar maar even op te houden.
Pff… en zij over mij klagen omdat ik graffiti spuit en skate. Die twee mogen wat mij betreft niet meer zeuren.
Maar voorlopig heb ik genoeg lol met Bill en Tom.

Take me by the hand
take me somewhere new
I dont know who you are
but I... I`m with you
I`m with you
Take me by the hand
take me somewhere new
I dont know who you are
but I... I`m with you
I`m with you
I`m with you...

Es ist vorbei

Es ist vorbei

Tom,

Wanneer je deze brief leest is het waarschijnlijk al te laat.
Ik weet dat je me dit niet snel zult vergeven, maar ik kan echt niet meer.
Probeer me niet tegen te houden.
Er rust te veel druk op mijn schouders.
En nee, het ligt niet alleen aan de band, er zijn meer dingen.
Ik weet dat ik altijd alles bij je kwijt kan, maar dit was iets wat ik zelf moest oplossen.
Helaas kan ik het niet.
Onthoud dat ik veel van je houd.

Bill.

Ik lees het briefje nog eens door.
Het is misschien niet zo goed, maar ik weet hoe ik het dan moet opschrijven.
Ik heb het al zo vaak opnieuw geprobeerd. Mijn hele prullenbak zit vol met mislukte en doorgekraste brieven.
De laatste tijd heb ik het veel te druk gehad, en ik kan het echt niet meer aan.
In plaats van dat de druk minder wordt, neemt het juist toe.
Voorzichtig schuif ik de brief in de envelop en trillend schrijf ik Tom’s naam erop.
Stil loop ik naar zijn kamer en leg de envelop op zijn bureau. Nu is hij beneden tv aan het kijken. Zou hij niets door gehad hebben?

Tom’s pov:
Ik zap een beetje langs alle zenders. Op de meeste kanalen is er reclame, en als er geen reclame is, dan is het wel zo’n stomme teleshop.
Ik denk terug aan gisteren avond.
Ik hoorde Bill zachtjes huilen. Ik besloot om hem te vragen wat er aan de hand was maar hij had gezegd dat er niets was, en dat hij gewoon een zielig boek aan het lezen was. Ik had hem nog op het hart gedrukt dat hij alles aan me kwijt kon. ‘Ik weet het, maar er is echt niets.’ Had hij gezegd. Ik haalde mijn schouders op en ging weer terug naar mijn kamer.
Gisteren had ik er nog niets achter gezocht, maar nu bedenk ik me, dat hij al een tijdje zo is. Soms hoor ik hem zachtjes huilen, soms is hij heel erg stil.
Ik hoor dat Bill naar beneden komt. ‘Hey Bill.’ Zeg ik vrolijk. Maar als ik zijn gezichtsuitdrukking zie verdwijnt het vrolijke zo snel als het er was. ‘Wat is er broertje?’ Vraag ik. Zachtjes trek ik hem naast me op de bank. ‘Niets hoor. Maar ik ga even naar buiten, ik voel me niet zo goed.’ Zegt Bill. ‘Niet ziek worden hoor. Anders moet ik weer zuster gaan spelen.’ Zeg ik lachend. Er verschijnt een klein lachje op Bill’s gezicht. ‘Ik ga weer. Doei.’ Zegt hij en loopt weg.

Bill’s pov:
Tom kan me altijd weer aan het lachen maken. Al zijn het de meest stomme dingen.
Helaas ben ik nu niet in de stemming om samen met hem in een deuk te liggen.
Snel verzin ik de smoes dat ik me niet zo lekker voel en ga naar buiten.
Ik stop mijn handen in mijn zakken en staar naar de grond terwijl ik naar mijn eindbestemming loop.
Hierna zal het voorbei zijn. Hierna zal ik verlost zijn. Hierna zal mijn broertje het me nooit vergeven, dat weet ik, maar ik moet het doen van mezelf.
Vastbesloten loop ik de trappen op. Het staal maakt flink kabaal wanneer ik mijn voeten erop zet.

Tom’s pov:
Ik zet de tv uit. Er is niet een programma dat leuk is.
Ik ga naar de keuken en pak een blikje cola. Die neem ik mee naar boven.
In mijn kamer ga ik op mijn bed zitten peinzen. Wat was er nou mis met Bill?
Ik neem nog een slok cola en kijk een beetje wezenloos mijn kamer rond. Dan valt mijn oog op een envelop op mijn bureau. Die had ik daar toch niet neergelegd?
Ik pak de envelop en ga weer op mijn bed zitten. Het lege blikje cola mik ik in de prullenbak.
Ik open de envelop en lees het briefje wat erin zit. Ik moet het wel 5 keer lezen voordat het tot me doordringt wat er nou aan de hand is.
Dit kan niet! Maar waar is Bill dan heen. Ik denk na… Waar is hij de laatste tijd veel geweest.
Hmmm… In zijn kamer. Misschien is daar wat te vinden.
Ik ga er naartoe. Ik doorzoek zijn hele kamer, maar vind niets.
Dan herinner ik me een plekje waar wij vroeger wel eens waren. Als we even wilden ontsnappen aan alles gingen we samen naar een gebouw toe. Helemaal bovenin kon je prachtig uitkijken over de hele stad.
Maar…Als Bill daar nu is, en hij haalt het in zijn hoofd…
Hier wil ik niet verder over nadenken, en ren meteen naar buiten toe. Zo snel mogelijk ga ik naar het gebouw.
Als ik daar aankom zie ik al een kleine schim boven op het gebouw staan, dat is Bill!
Ik ren nog harder door. Deuren door, trappen op, nog een deur, een paar trappen, en zo gaat het maar door. Het lijkt eeuwen te duren. Ik kan me niet herinneren dat het zo lang duurde voor je boven was, maar eindelijk ben ik er.
Snel ren ik naar Bill toe. ‘Bill! Bill, niet doen!’ Roep ik. ‘Het is het niet waard.’ Zeg ik als ik voor zijn neus sta. ‘Je hebt gelijk, het is het niet waard. Vaarwel Tom, tot over heel veel jaren.’ Zegt hij met tranen in zijn ogen, en laat zich naar beneden vallen.
Wanneer hij net valt spring ik op de rand en pak zijn hand vast. Maar ik verlies mijn evenwicht en val ook.
Wir sterben zusammen.
En dat is uitgekomen, hand in hand liggen we daar, en we zullen nooit meer terug komen.

Some lives are to short (made by morena)

Some lives are to short (made by morena)

Ik neem de baby die de verloskundige in haar handen had over en kijk de baby van top tot teen aan.
Mijn baby, mijn meisje. Wat is ze toch mooi.
Ik kijk naar mijn verloofde die in het ziekenhuisbed ligt. Ze ziet er moe uit. Maar toch zo trots op wat ze daarnet heeft gedaan, wat ze daarnet heeft meegemaakt. Ik loop naar haar toe en geef de baby aan haar. ‘Wat is ze mooi.’Zegt ze zachtjes en kijk met tranen in haar ogen naar mij.‘Ze lijkt op jou.’ We geven elkaar een zoen en kijken samen naar onze dochter. Ineens komt de vers-van-de-perse-oom Tom naar binnen en begint gelijk met feliciteren. ‘Wat is ze mooi.... En lief!’ Zegt hij als hij de kleine in zijn armen krijg. Tranen van blijdschap staan in zijn ogen, alsof het zjn dochter was. De vrouw van Tom komt achter hem aan en feliciteert ons ook.
Nadat we hebben gehoort dat alles goed was konden we naar huis. We hadden al een kamertje gemaakt voor de baby en legde haar gelijk in haar bedje omdat ze zo moe was.

‘Blaas je kaarsjes maar uit Destiny.’ Zegt mijn verloofde, Elize en legt haar handen op Destiny der schoudertjes. Ze blaast ze braaf uit en klapt voor haarzelf. We klappen mee. Ik pak haar bij haar zij, til haar op, zet haar op mijn nek en doen samen een vreugdedansje. ‘Hoe oud ben je? Je bent namelijk al een grote meid.’ Vraag ik en zet haar weer in haar stoel. ‘Zes!’ Antwoord ze blij. Elize legt voor haar een heel groot cadeau wat we hadden gekocht een paar weken geleden. Ze opent het gelijk en kijkt met grote ogen naar haar gloednieuwe microfoon. Ze zit met open mond daarnaar te staren en geeft ons gelijk een dikke knuffel. Ook bedankt ze ons. We beginnen daarna met opzetten en gelijk wanneer het klaar is, gaan we naar de studio, want ze wilt het gelijk uitproberen. Ik denk ineens over de geboorte van haar. Het leek net alsof het gisteren was. De tijd gaat toch zo snel. Ze zingt zo goed. Zo mooi. ‘Ze heeft het van jou.’ Zegt Elize ineens. ‘Van ons beiden schat. Jij kan ook ontzettend goed zingen.’ Zeg ik daarop. Ik kijk weer naar Destiny, die Spring Nicht foutloos zingt.
‘Destiny? Waar ben je?’ Roep ik door het huis. ‘Bill, is ze niet bij jou dan?’ Vraagt Elize angstig en nerveus. ‘Nee, en ik dacht dat je buiten was.’ Antwoord ik daarop en we kijken bang naar de voordeur. ‘Ze is buiten.’ Zeg ik zacht en ren naar de deur. Ik gooi het zowat open en kijk naar buiten, wat alleen verlicht werd door de latarenpalen. Ik roep haar naam best wel hard door de buurt en stap naar buiten. Ik begin te lopen richting haar liefelingsboom, waar ze altijd is als ze buiten is. Tot mijn grote verbazing zie ik iets langs de weg. Auto’s staan stil en een grote groep mensen staan eromheen. Ik ren naar het groepje mensen en als ze me zien, kijken ze me bedroefd aan. ‘Nee.’ Zei ik zachtjes en duwde een paar mensen opzij. Het was haar. Mijn meisje.
Mijn dochter.

Image hosted by servimg.com

Vrijdag de 13e

Vrijdag de 13e

Vrijdag 13 juni 2008
Vandaag gaan Tom en Georg uit. Gewoon, disco, waarschijnlijk weer bij wat meiden hangen.
Ik heb geen zin om mee te gaan. Ik voel me trouwens ook niet goed.
‘Zeker weten dat je niet mee gaat?’ Vraagt Georg. ‘Ja, dat weet ik zeker.’ Zeg ik nog eens.
‘En honderd procent zeker dat het gaat zolang wij weg zijn?’ Zegt Tom bezorgt. ‘Ja, als het echt niet goed gaat, en ik kan jullie niet bereiken kan ik Gustav bellen. Ga nou maar, anders zijn alle meiden bezet.’ Zeg ik lachend. ‘Ok dan, we zijn waarschijnlijk laat terug -’ ‘Jaahaaa, dat weet ik nou wel, ga nou maar.’ Zeg ik.
Het is best grappig als ze zich zo’n zorgen maken, maar iedereen heeft wel eens dat hij of zij zich niet goed voelt. Waarschijnlijk is het morgen weer weg.
Uiteindelijk gaan Tom en Georg weg.
Nu ben ik alleen thuis.
Ik neem mijn laptop op schoot en ga wat internetten. Maar na een tijdje gaat dat vervelen.
‘Eigenlijk maak ik me best druk om Tom en Georg, ik bedoel, ik ben redelijk bijgelovig, en het is vandaag vrijdag de 13e, stel je voor dat er iets gebeurt? Nee Bill, er gebeurt niets, houd jezelf niet voor de gek.’ Zeg ik in mezelf.
Ik zet mijn laptop uit, en zet de tv aan. Misschien is dat boeiend. Ik zap een beetje heen en weer. Na een tijdje kom ik langs “Funny home video’s”, dat ga ik maar kijken. Beter dat dan reclame. Het is echt stompzinnig wat sommige mensen uithalen, maar andere zijn wel leuk. Maar niet echt dat ik hier plat op de bank lig van het lachen. Maar het was weer even tijdverdrijf.
Dan ga ik weer zappen.
Ik kom langs het journaal.
Wanneer ik mijn broertje zie blijf ik kijken.
‘Vanavond om 23.54 uur is Tokio Hotel bassist Georg Listing met spoed naar het ziekenhuis gebracht. Hij had te veel alcoholische dranken op. Zijn mede bandlid Tom Kaulitz is in zijn auto achter de ambulance aangereden, maar toen hij doorreed bij een stoplicht heeft hij een kettingbotsing veroorzaakt. Hij is terplekken overleden. De oorzaak dat hij de botsing veroorzaakte is nog niet bekend, maar er wordt vermoed dat ook de gitarist te veel alcoholische dranken op had.Wacht… We krijgen zojuist bericht dat ook Georg Listing het ongeval niet overleefd heeft. Hij is in het ziekenhuis overleden.’
Met open mond staar ik naar het beeldscherm. Dit kan niet… Dit mag niet.
Ik bel Gustav op.
‘Hoi, met Gustav.’ Zegt hij zacht. Hij heeft waarschijnlijk het nieuws ook gezien.
‘Gustav… Het…Het nieuws… Tom en Georg… Ze…Ze zijn dood.’ Zeg ik snikkend.
‘Ik weet het, ik… Ik heb het ook gezien.’ Ik hoor dat Gustav nu ook breekt.
‘Wil je asjeblieft hierheen komen?’ Vraag ik.
‘Ok, ik kom eraan.’ Zegt hij.
‘Doe je asjeblieft voorzichtig.’ Zeg ik voor de zekerheid.
‘Natuurlijk. Tot zo.’
‘Tot zo.’ Zeg ik, en hang op.
Ik wacht. En wacht.
‘Het duurt veel te lang.’ Spookt er door mijn hoofd. ‘Dit kan niet goed zijn.’
Zelfs als je er heel langzaam over loopt doe je er geen anderhalf uur over.
Ik bel Gustav nog eens op.
‘Dit nummer is buiten bereik.’ Zegt een automatische stem.
‘Shit. Dit kan niet… Ik ga hem zoeken.’
Het plenst buiten keihard, dus ik trek een lange jas aan.
In mijn jas verscholen loop ik richting Gustav’s huis.
Maar als ik bij een kruispunt aankom zie ik daar een ambulance staan. Mijn ogen worden groot als ik dichter bij kom. Daar ligt Gustav, zonder enig teken van leven.
Zo snel als ik kan maak ik dat ik thuis kom. Hoe kan dit? Dit is een complot.
Hoe kunnen mijn drie beste vrienden zo snel achter elkaar overlijden.
Ik bedenk dat mijn ouders thuis zijn, in hun huis dan. Een hele tijd geleden hebben Tom en ik besloten om samen in Berlijn te gaan wonen, en pap en mam wonen nog in Loitsche.
‘Zal ik ze opbellen? Nee! Straks gebeurt er ook nog iets met hun, dat kan ik echt niet hebben.’
Ik ga in mijn bed liggen, en val in een onrustige slaap.

Vrijdag 13 februari 2009
Ondertussen zijn Tom, Gustav en Georg begraven. Het was wel mooi, maar het was moeilijk om afscheid te nemen. Dat is het altijd natuurlijk, maar toch.
Nu ben ik nog banger voor wat deze vrijdag met zich mee gaat brengen.
Ik zit op de bank een film te kijken. Het is nu 23.58 uur.
Dan word ik gebeld. ‘Wie belt er nou weer rond dit tijdstip?’ Denk ik in mezelf.
‘Hallo, met Bill Kaulitz.’ Zeg ik twijfelend.
‘Goede avond. Ik ben Peter, en ik bel namens de brandweer.’
Ik schrik even maar laat hem verder praten.
‘Ik moet u helaas mededelen dat het huis van uw ouders is afgebrand. Beide lagen ze te slapen en waren dus te laat om uit het huis te vluchten.’
Ik liet de telefoon bijna uit mijn handen vallen.
‘Maar, hebben ze het overleefd? Liggen ze in het zieken huis? Hoe gaat het met ze?’ Barstte ik los.
‘Het spijt me, beide zijn ze overleden. De vrouw hebben we uit het huis gekregen, maar die overleed in de ambulance aan ernstige verwondingen. Haar man is helaas het huis niet eens uit gekomen.’
'Hoe... Hoe laat gebeurde het?' Vraag ik. Eigenlijk was ik bang om het antwoord te horen.
'Om 23.54 uur.' Zegt hij.
Ik schrik me kapot. Om die tijd zijn de andere ongelukken ook gebeurd. Op de minuut precies.
Ik barst in tranen uit. Ik heb niets meer te vragen aan die Peter.
‘Ok…B…Bedankt.’ Breng ik er trillerig uit.
‘Sterkte ermee jongen.’ Zegt hij, en hangt op.
Ik was gebroken. Mijn leven was zojuist in duizenden kleine stukjes geslagen die niet meer aan elkaar gelijmd kunnen worden.

Vrijdag 13 maart 2009
Nog steeds heb ik de dood van mijn vrienden, mijn ouders, en mijn broer niet kunnen verwerken.
In plaats dat ik er met iemand over praatte, verstopte ik mijn gevoelens voor iedereen. Ik propte alle zorgen in een hoekje, maar het werd te veel.
Ik ga een eindje lopen.
Veel goeds doet het me niet, maar zo zit ik tenminste niet alleen thuis.
Dan bedenk ik me ineens de datum, dat zal niet veel goeds betekenen.
Dan hoor ik getoeter en piepende remmen.
Daarna is het helemaal stil. Het wordt licht rondom me, en ik zie mijn ouders, Georg, Gustav en Tom staan.
Ik ren gelijk naar Tom toe, hem heb ik misschien nog wel het meeste gemist.
Gelijk slaat hij zijn armen om me heen.
‘Ik blijf altijd bij je, en zal je nooit meer alleen laten.’ Belooft hij.
Ik kan nu alleen maar huilen, huilen van blijdschap dat ik weer bij diegenen ben waar ik het meeste om geef.

Foutje, bedankt...

Foutje, bedankt...

Hoi, ik ben Marije. Ik ben 14 jaar, en woon in Duitsland.
Mijn moeder is nog maar kort overleden, en mijn vader rouwt elke dag om haar.
Ik heb wel eens gehoord dat sommige kinderen door hun ouders worden mishandeld in deze periode. Gelukkig heb ik daar geen last van. Nee, ik heb weer een ander probleem.

Het is ochtend, en ik maak me klaar voor school.
Als ik klaar ben in de badkamer vraag ik aan mijn vader of hij zo komt eten. ‘Nee, ik eet wel wat later. Veel plezier straks op school.’ Zegt hij.
Ik zie hem alleen ’s ochtends, want meestal zit hij alleen in zijn kamertje.
Wat hij niet weet is dat ik het op school totaal niet naar mijn zin heb. Vooral na school.
Ik kijk op de klok en zie dat ik moet opschieten.
Snel eet ik een boterham, en pak mijn fiets om naar school te vertrekken.
Eenmaal op school ben ik bijna te laat, maar net voor de bel, ben ik in de klas.
Na twee saaie lesuren is het pauze.
Zoals gewoonlijk komt Michael naar me toe. ‘Geef je lunchgeld.’ Zegt hij gelijk. ‘Ook een goeie morgen. En ik heb geen geld bij me. Dat heb jij al afgepakt.’ Zeg ik.
Michael moet mij altijd hebben als het om pesten gaat. ‘Zorg maar dat je in de grote pauze wat geld hebt, anders kan je klappen verwachten.’ Zegt hij dreigend. De bel gaat, en god, wat ben ik daar blij mee.
Op naar de volgende les.
Ook in de grote pauze komt Michael weer. ‘Heb je nu wel geld?!’ Zegt hij een beetje aangebrand. ‘Nee, nog steeds niet.’ Zeg ik. Hij pakt me bij mijn kraag en duwt me tegen de kluisjes aan. ‘Morgen zorg jij dat je geld hebt, anders staat er na school een verrassing voor je te wachten.’ Zegt hij pissig.
Die verrassing heb ik al eerder meegemaakt. Toen kwam ik er enkel met blauwe plekken vanaf.
Michael geeft me een stomp in mijn buik. Ik een reflex klap ik naar voren, om vervolgens een harde trap tegen mijn rug te krijgen. Ik maak dat ik snel op de wc kom, want ik voel dat ik moet kotsen.
Ik hoor dat Michael lachend weg loopt.
Na een paar minuten gaat de bel weer.
De rest van de uren kruipen traag voorbij.
Als ik die middag thuis kom is mijn vader weg.
Snel maak ik mijn huiswerk en ga wat lopen door het park.
En ja hoor, je raad het nooit. In het parkje kom ik mijn grote vriend Michael tegen. ‘Weet je, ik bedacht me net. Ik wil het geld niet morgen, maar nu meteen.’ Zegt hij. ‘Maar ik heb het niet.’ Zeg ik nog eens. Ik krijg als dank een harde klap tegen mijn wang. ‘Dan had je moeten zorgen dat je het had.’ Zegt hij. Hardhandig duwt hij me tegen een boom.
Hij geeft een trap in mijn maag, waar door ik me weer oprol.
Hij schopt me overal waar hij kan. En na een tijdje schopt hij me een bloedneus. Er volgen nog een paar trappen, en dan weer tegen mijn hoofd.
Dan wordt alles zwart.
Als ik wakker word ben ik ergens anders. In een zacht bed.
Dan komt er een jongen binnenlopen.
‘Hey, hoe is het met je?’ Vraagt hij.
Ik krijg flinke kooppijn. ‘Het gaat, maar… Hoe kom ik ineens hier? En wie ben jij?’ Vraag ik. Ik merk dat ik nog niet helder kan denken.
‘Je was bewusteloos geraakt en bloedde nogal veel. Mijn broer en ik hebben je daarom hierheen gebracht en op je gelet. Ik ben Bill.’ Zegt hij. Dan komt er nog een jongen binnengelopen. ‘En dat is Tom, mijn tweelingbroer.’ Zegt hij. En aan zijn stem te horen is hij daar nogal trots op.
Ik bestudeer de twee eens goed.
‘Op het eerste gezicht lijken jullie niet zo veel op elkaar, maar nu jullie zo naast elkaar zitten zijn er wel veel overeenkomsten.’’ Zeg ik. ‘Dat horen we wel vaker.’ Zegt Tom lachend.
‘Sorry jongens, maar ik moet weer naar huis.’ Zeg ik nadat we even hebben gepraat.
‘Ok, je kunt altijd langskomen als je wilt.’ Zegt Bill. ‘Jup, zo’n mooie meid wil ik wel vaker op visite.’ Zegt Tom met een knipoog. Ik moet lachen, en ga dan op weg naar huis.
Wanneer ik thuis kom is mijn vader er nog steeds niet. Er ligt wel een briefje op tafel. Hij is naar een of andere vriend, en weet niet hoe laat hij thuis is. Hij schrijft ook dat ik wat avondeten mag bestellen, omdat hij waarschijnlijk laat thuis is.
Dat doe ik dank maar. En na een paar minuten zit ik aan de pizza.

Een paar weken later.
Mijn pa is steeds minder thuis.
En Michael kan het ook niet laten om me dagelijks na school in elkaar te slaan.
Ik ga vaak naar Bill en Tom toe. Soms voor de gezelligheid, en andere keren om even mijn hart te luchten.
Ze weten nu ook wat Michael doet, en steunen me wanneer het nodig is. Als ik klaar ben met huiswerk ga ik ook vaak naar ze toe. Eigenlijk altijd wel.

Het is vandaag een regenachtige dag. Het plenst kei hard, en ik moet daar straks doorheen fietsen.
Ik probeer te begrijpen wat onze docent allemaal zegt maar ik snap er geen bal van.
Snel schrijf ik het huiswerk op. Dan gaat de bel met de mededeling dat het uur voorbij is. Dus, ik mag weer naar huis.
Ik ga naar mijn kluisje. Daar dump ik boeken in, en haal er weer een paar uit voor morgen.
Snel loop ik door naar de fietsenstalling. Na een tijdje heb ik m’n fiets gevonden. ‘Shit, lekke band.’ Zeg ik tegen mezelf. En ik weet zeker dat hij lek geprikt is.
Lopend ga ik naar huis.
Ineens komt Michael op me af met een paar van zijn “vrienden”. Nu ben ik echt de lul.
Een paar van die vrienden sleuren mijn fiets uit mijn handen. Dan begint het slaan weer. Een paar keer op mijn oog en neus. Dan gaan ze weer schoppen, maar harder dan normaal.
Ineens houden ze op. Ik vraag me af waarom.
Als ik opzij kijk zie ik dat Michael op me af komt met een mes.
Wil hij me laten doodbloeden ofzo?
Hij pakt me vast bij mijn haren. ‘Dit is geen spelletje, Marije. Dit is serieus. Niemand die jou nog kan helpen. Maar ja, wie wilt jou nou helpen?’ Lacht hij. ‘Bekijk je nieuwe vriend maar goed.’Zegt hij terwijl hij het mes tegen mijn wang zet. Hij zet een paar diepe rode strepen.
Dan zet hij het mes tegen mijn keel, met de bedoeling om een slagader te raken. Ook mijn nek en polsen ondergaan hetzelfde als mijn wang.
Het bloed vermengt zich met de regen die nog steeds met bakken uit de hemel valt.
‘Genoeg jongens, wegwezen!’ Roept Michael. Hij laat me op de straatstenen vallen en gaat er vandoor.
‘Ik moet iemand bereiken.’ Schiet er door mijn hoofd. ‘Iemand die me kan helpen… Bill en Tom!’ Ik haal voorzichtig mijn mobiel uit mijn broekzak en toets het mobiele nummer van Bill in.

Bill’s pov:
Ik zit op de bank tv te kijken. Tom zit naast me, zo te zien verveelt hij zich ook.
Normaal was Marije hier al lang, maar nu niet.
Misschien is haar vader nu wel thuis. Ik zoek er verder niets achter.
Dan gaat mijn mobiel af. Op het display zie ik dat het Marije is.
‘Hoi Marije!’ Zeg ik vrolijk. Tom kijkt op.
‘Bill, kom asjeblieft hierheen.’ Zegt ze zacht.
‘Waar ben je? Wat is er gebeurt?’ Zeg ik angstig. Nu trekt ook de kleur uit Tom’s gezicht weg.
‘Kun je het fietspad vinden die langs de stad loopt? Daar ben ik nu. Ik ben weer in elkaar geslagen.’ Huilt ze zachtjes.
‘We komen eraan.’ Zeg ik, en hang op.
‘Wat is er gebeurt?’ Vraagt Tom gelijk.
‘Marije is in elkaar geslagen. We moeten nu naar haar toe.’ Zeg ik snel.

Na een paar minuten zijn we bij Marije.
Tom belt een ambulance, en houd in de gaten of Marije nog bij bewustzijn is.
‘Ze komen er zo aan.’ Fluister ik tegen haar. Ze knikt, en tranen lopen over haar wangen.
Al snel is de ambulance er en worden we naar heat ziekenhuis gereden.
Marije wordt naar de operatiekamer gebracht, en wij moeten wachten.
Na een half uurtje komt er een dokter.
Tom knijpt zacht in mijn hand. Ik weet zeker dat bij hem ook de zenuwen door zijn lijf gieren.
‘Ik moet u mededelen dat Marije het niet gehaald heeft.’ Zegt hij. Tranen stromen over mijn wangen.
‘Ze was te zwak, en er waren een paar belangrijke aders doorgesneden. En haar schedel was op een paar plaatsen gebroken. Ze heeft het nog lang uitgehouden met deze verwondingen.’ Legt de dokter uit.
Ik kon mij oren niet geloven. Ik geloofde het pas toen haar bed voorbij reed.

Marije’s pov:
Ik ben naar de operatiekamer gereden.
Ik word onder narcose gebracht. Op de achtergrond hoor ik het gepiep van mijn hartslag.
Alles wordt zwart voor mijn ogen. Op de achtergrond, waar ik eerst het gepiep van mijn hartslag hoorde, is nu een lange piep te horen.
Ik zie een wit licht, en mijn moeder staat op me te wachten.
Ik weet het zeker, mijn einde is gekomen.
Michael heeft een grote fout gemaakt, maar die maakt hij geen tweede keer. In ieder geval niet bij mij.

Slapeloze nachten

Slapeloze nachten

Slapeloze nachten volgen elkaar op. Vanavond ook.
Bill is doodmoe, maar kan de slaap niet vatten.
De manager van de band dacht dat het beter voor hun was om even vakantie te nemen. Bill was de laatste tijd nogal druk bezig voor het nieuwe album.
Hij heeft zich voorgenomen om er deze vakantie veel aan te doen, ook al is dat tegen de wil van hun manager.
Hij ligt op bed. Ideen spoken rond in zijn hoofd, maar telkens als hij ze wilt opschrijven, zijn ze weg.
Uiteindelijk, om 3 uur in de ochtend valt hij in slaap. Om 7 uur wordt hij weer wakker. Dit is niet normaal voor zijn doen, maar het gebeurt.
Hij kleedt zich om. Snel schuift hij een briefje onder Tom’s slaapkamerdeur door met de mededeling dat hij niet ongerust hoeft te worden en dat Bill zo weer thuis is.
Hij vindt het zonde om Tom wakker te maken, wanneer hij slaapt. Ok, af en toe eens voor de grap, maar nu niet.
Bill gaat naar buiten. Naar het strand om precies te zijn.
Daar wordt hij altijd rustig van.
Bill gaat op een heuveltje zitten. Hij trekt zijn knien op en slaat zijn armen eromheen.
Even sluit hij zijn ogen om enkel het geruis van de zee te horen.
De laatste tijd heeft hij veel te veel aan zijn hoofd.
Hij kijkt naar de opkomende zon. Die laat een rode glans over het water lopen.
Hij zucht diep. Dan voelt hij een hand op zijn schouder.
Zonder te kijken weet hij al wie het is.
Tom komt naast hem zitten en slaat een arm om zijn schouder.
Samen kijken ze hoe de zon opkomt.
Ze zeggen niets.
Tom weet precies hoe hij Bill moet troosten. En in dit geval is dat door te zwijgen.
En wanneer het nodig is weet Bill ook hoe hij Tom moet troosten.
Zo helpen ze elkaar om er weer bovenop te komen.

Image hosted by servimg.com

30 Minutes (made by Morena)

30 Minutes (made by Morena)

21:35
Ik zit achter mijn bureau, te denken wat er de laatste tijd gebeurt was. Op dit moment is het nodig om plannen te maken. Of fouten.
Ik ben uit het zicht, helemaal gek.
Om even te ontspannen loop ik naar de tuin en ga ik in het gras liggen. Ik kijk naar de lucht. Het is mooi donker. Draaimolen staan in de lucht, die ik vorm met mijn ogen. Ik sluit mijn ogen en zie mijn leven opnieuw. Vanaf de eerste dag op school tot de dingen van de laatste tijd. Het begint te regenen, maar ik blijf liggen. Allemaal regendruppels vallen op mijn lichaam. Meer regendruppels komen. De regen huilt voor me. Ik zie treinen ontsporen, silhouetten onder de schaduw. Gevormde schaduwen. Mijn kansen die mislukken of veranderen.

21:45
Ik sta op en loop met doorweekte kleding de tuin uit en zet het op een lopen. Geen tijd meer om dingen te besluiten. Zal ik rennen? Zou ik me moeten verstoppen voor de rest van mijn leven? Kan ik naar de hemel vliegen of moet ik blijven? Ik kom in een smalle steeg terecht. Het plenst nog steeds hard. Ik ga zitten in een donker hoekje.
Ik zal kunnen verliezen, het zou kunnen mislukken. Allebei wel.
Ik kijk naast me en zie ineens een gebroken stuk glas naast me liggen. Ik pak het en bestudeer het goed. Ik sta op, schuif het stuk glas in mijn broekzak en loop naar het plekje waar ik altijd zit als het even niet meer meezit. Mijn broer weet ook wel waar, dus kan hij me daar ontdekken.

22:00
Ik zit op de grond met het stuk glas in mijn hand. ‘Geen tijd meer om dingen te besluiten.’ Zeg ik zacht en versterk de greep. De regen spatte zich nog steeds op mij uit. Ik doe al mijn armbanden af en kijk naar mijn polsen. De zaligheid van de pijn giert door mijn lichaam en het bloed vermengd zich met alle regendruppels dat op mijn armen vielen. Ik leg het stuk glas weg en pak mijn mobiel. Ik bel naar mijn huis. Voicemail, kut. Nadat ik de piep heb gehoord haal ik diep adem. ‘Mamma, Pappa, Tom.. Het spijt me.’ Zeg ik duidelijk en verbreek snel de lijn. Ik word helemaal slap. Ademhalen word steeds moeilijker, maar dat maak niets uit. Ik kijk naar de klok, die ik door van alles zie. “22:05” Zie ik. Met een glimlach schuif ik meer onderuit en word alles zwart voor mijn ogen.
Een half uur, om na te denken
Een half uur, om uiteindelijk te beslissen
Een half uur, om je naar te fluisteren
Een half uur, om de schuld te dragen
Een half uur, van geluk, dertig leugens
Een half uur, om eindelijk te beslissen

Doe niet onder voor bliksem en donder

Doe niet onder voor bliksem en donder

1994
Het is avond, en de kleine tweeling ligt in bed. Ze delen hun kamer. De 5-jarige Bill ligt opgerold in zijn dekentje. De kleine Tom heeft zijn deken half van zich afgeschopt.
Dan komt er een flits, die opgevolgd wordt door een knal. Bill schrikt wakker. Angstig kijkt hij om zich heen wat er was gebeurt. Nog een flits en een knal. Van schrik kruipt hij in een hoekje. ‘Wat gebeurt er?’ Dacht hij. Hij kijkt naar zijn broer Tom, die ondanks de harde knallen, nog steeds slaapt. Maar wanneer de 3e knal volgt schrikt hij ook wakker.
Hij kijkt naar zijn broertje.
Bill gaat naast hem zitten en slaat zijn kleine armpjes om zijn broer. ‘Tom, ik ben bang.’ Zegt Bill zacht. Weer een flits. Tom schrikt nu ook. ‘Zullen we naar mamma gaan?’ Vraagt hij. Bill knikt.
Samen lopen ze hand in hand naar beneden. Daar zit hun moeder. Als ze de angstige gezichtjes van de jongens ziet geeft ze hen een knuffel.
‘Jullie hoeven niet bang te zijn. Het is maar bliksem en donder.’ Zegt ze troostend. ‘Maar mamma, hij knalt zo hard.’ Zegt Tom. ‘ Ja, Wil je vragen of hij wilt ophouden?’ Vraagt Bill. ‘Weet je wat? Als jullie weer gaan slapen, dan zal ik vragen of hij wil ophouden.’ Zegt ze. De jongens knikken instemmend.
Als ze even later weer in bed liggen komt er weer een flits. Bill trekt zijn deken over zijn hoofd. Wanneer de knal komt besluit hij om naar Tom te gaan. ‘Tom, slaap je al?’ Vraagt hij zacht. ‘Nee, ik kan niet slapen. Donder en bliksem hebben niet geluisterd.’ Zegt hij teleurgesteld. ‘Mag ik bij jou in bed komen liggen?’ Vraagt Bill. ‘Ja, kom maar.’ Zegt Tom, en hij schuift opzij. Bill gaat naast hem liggen. Zo vindt hij het veel fijner.
Hij kruipt tegen zijn broer aan, en zo vallen ze in slaap.

1999
Ondertussen zijn Bill en Tom al 10 jaar.
Samen zitten ze op de bank. Hun moeder kijkt naar het journaal. De broers hebben niets te doen, dus kijken ze maar mee.
Er is een heel verhaal over een of andere oorlog.
Maar daarna zijn er beelden te zien van een huis dat is getroffen door de bliksem. Iemand die voorbij kwam heeft kunnen filmen hoe het gebeurde. Bill schrikt een beetje van de beelden. ‘Stel nou dat ons dat overkomt.’ Zegt hij. ‘Dat gebeurt niet. We hebben toch al vaker onweer gehad, en het huis staat er nog.’ Zegt Tom vastbesloten. ‘Nou, het hoeft niet pers in te slaan bij een huis. Als je bijvoorbeeld over een open veld loopt, en jij bent het hoogste punt, dan kan je geraakt worden.’ Zegt hun moeder. ‘Pakt hij altijd het hoogste punt?’ Vraagt Tom. ‘In de meeste gevallen wel, ja. Maar als je op zo’n open veld bent, moetje gelijk op de grond gaan liggen. Zo heb je minder kans dat je geraakt wordt.’ Zegt hun moeder. ‘Dus als ik hier door de straat loop, en het gaat onweren, dan ben ik zo goed als veilig.’ Zegt Bill. Hun moeder knikt.

2004
Bill zit voor het raam. Tom staat achter hem. ‘Wat doe je?’ Vraagt hij. ‘Kijken.’ Zegt Bill. ‘Dat snap ik ook wel, maar waarnaar?’ Vraagt Tom. ‘Naar de bliksemflitsen.’ Zegt Bill. ‘Ben je zelf niet geraakt door zo’n flits.’ Zegt Tom lachend. ‘Waar slaat dat nou weer op?’ Vraagt Bill beledigd. ‘Omdat dat haar van je altijd overeind staat.’ Lacht Tom. Hij gaat Bill’s kamer uit. Bill rolt met zijn ogen. Soms kan hij niet geloven dat Tom ouder is…

2008
Het regent kei hard buiten. Bill en Tom rennen naar huis. ‘Even… Even wachten.’ Hij gt Tom. Hijgend van het harde rennen leunen ze tegen een boom aan. ‘Wiens idee was het ook alweer om naar de supermarkt te gaan met dit weer? En dan nog wel zonder auto.’ Zegt Bill. ‘Jaja, ik weet het nou wel, ik dacht gewoon dat het niet zo ver zou zijn, maar op deze manier is het wel even lopen.’ Zegt Tom. Het begint weer te flitsen. Bill kijkt omhoog naar de lucht. ‘Kom op Tom. We moeten opschieten.’ Zegt hij. Samen rennen ze verder.
Uiteindelijk komen ze uit bij een open veldje. Tom wil eroverheen rennen.
‘Wacht!’ Roept Bill. Tom blijft staan. ‘Wat is er?’ Vraagt hij. ‘Als we over dit veldje gaan, is er grote kans dat we geraakt worden.’ Zegt Bill. ‘Maar anders moeten we omlopen, en dan gaan we onder de bomen door. Je wilt me toch niet wijsmaken dat dat veilig is?’ Zegt Tom. Bill kijkt opzij naar de rand van het bos waar ze dan doorheen zouden moeten. Een enorme bliksemflits slaat in bij een van de bomen, die in de brand vliegt. ‘Nu ga ik dus niet meer door het bos.’ Zegt Bill. Hij veegt zijn lange zwarte haren uit zijn gezicht.
Als een gek rennen Tom en Bill over het veldje. ‘Bukken!’ Roept Bill, en trekt Tom naar beneden zodat ze voorover vallen. Een felle lichtflits volgt. ‘Hoe wist je dat?’ Vraagt Tom. ‘Ik heb opgelet hoe ver de bliksem van ons vandaan is.’ Zegt Bill.
Ze krabbelen overeind, en rennen verder.
Nog een flits. Maar deze keer wordt Bill geraakt.
Snel neemt Tom Bill op zijn rug.
‘We zijn bijna thuis.’ Zegt hij tegen Bill, maar hij krijgt geen antwoord terug.
Na 5 minuten is hij thuis. Hij legt Bill voorzichtig op de bank, en legt een deken over hem heen. Als Bill goed ligt belt hij 112. Aan de telefoon moet hij zich sterk houden, want hij staat op het punt om in huilen uit te barsten. Maar dan zou het alleen maar langer duren.

*Een paar weken later.*
Na de klap was Bill in coma geraakt. Tom zit elke dag bij hem, in de hoop dat hij wakker wordt.
Ook vandaag gaat Tom weer naar het ziekenhuis.
Als hij naast Bill’s bed zit breekt hij weer. ‘Bill, wordt nou wakker. Ik weet dat het dom was om over het veldje heen te gaan. Maar ik kan niet zo lang zonder jou.’ Snikt Tom. Hij kijkt naar Bill, in de hoop dat hij antwoord geeft, maar dat doet hij niet.
Tom gaat weer verder: ‘Bill, ik mis je echt heel erg. Je ochtendhumeur, je vrolijke gepraat over van alles en nog wat, het feit dat je zo ongeduldig bent als wat, dat je bij interviews altijd aan het woord bent, je onophoudelijke gezang als je een keer niet praat. Maar het meeste mis ik mijn broertje.’ Tom verstopt snikkend zijn gezicht in het dekbed.
Dan voelt hij een hand op zijn schouder. Er is toch niemand binnengekomen?
Hij kijkt op, en ziet dat de hand van Bill is.
Meteen omhelst Tom hem. ‘Tom, broertje hier beneden wordt bijna gekild. Mag ik weer even adem halen. Asjeblieft?’ Vraagt Bill. ‘Natuurlijk.’ Zegt Tom blij.
Na een tijdje vraagt Bill: ‘Meende je echt wat je daarnet zei?’ Tom knikt van ja. Dan komt er een zuster binnengelopen.
‘Zo ik zie dat je alweer wakker bent.’ Zegt ze lachend, en kijkt naar Tom. ‘En jij bent daar geloof ik erg blij mee.’ Zegt ze. Tom krijgt een big smile op zijn gezicht. ‘Dan kan ik jullie nu nog blijer maken, want Bill mag vanmiddag naar huis. Maar, eerst zorgen dat je kunt lopen, anders kom je niet weg.’ Zegt ze lachend.
‘Ok Bill, ren je even het hele ziekenhuis door om te laten zien dat je naar huis wilt.’ Zegt Tom. ‘Nou, als het zou kunnen.’ Zegt Bill. Hij trekt zijn normale kleding aan en dan gaan de jongens samen op wandeltocht.
In het begin gaat het nog een beetje moeilijk en moet Bill zich af en toe ergens aan vasthouden. Tom plaagt hem dan een beetje door te zeggen dat ‘ie zo net een opaatje lijkt.
Maar onlangs het plagen gaat het steeds beter, en op het einde is het weer zoals normaal. ‘En kan je die rare danspasjes die je op het podium doet ook nog?’ Vraagt Tom lacherig. ‘Lijkt me van wel h als je nagaat dat ik ze ter plekken verzin.’ Zegt Bill, en geeft Tom’s pet een tik.
Nadat ze naar huis zijn gegaan, hebben ze gelijk iedereen gebeld dat het goed gaat.
En al snel staat Tokio Hotel weer op het podium om hun fans blij te maken met een gloednieuw concert.

Bliksem (made by Morena)

Bliksem (made by Morena)

Bill’s pov:
Ik zat in mijn kamer achter de computer aan het msnen met Gustav. Het was best wel een regenachtige dag. We hadden een week vrij gekregen van de tour, omdat veel concerten waren afgelast of verschoven. De zon scheen een klein beetje achter de wolken en het regende heel even niet meer. ‘Ik verveel me.’ Typte Gustav en ik zag hem op zijn stoel via de webcam. ‘Ik zie het XD.’
Na een paar minuten msnen begon ik me ook te vervelen en ga ik een paar sites af. Ineens werd het wel erg donker. Ik keek naar buiten en zag donkergrijze wolken. Het begon hard te regenen. Er kwam zelfs onweer. Ik zag dat de flitsen wel erg dichtbij waren. Ik keek weer naar de computer en zei tegen iedereen dat ik even op mijn bed ging liggen. Ik drukte de computer uit en ging in mijn bed liggen. Ik sloot mijn ogen en hoorde het gerommel en de schoten in de lucht. Ik haalde diep in en rustig uit en viel uiteindelijk even in slaap.
De droom die ik had was anders dan normaal. Bliksem was ingeslagen en het huis stond in brand. Het voelde net alsof ik de hitte voelde over mijn hele lichaam. Ik schrok wakker en gilde het uit. De droom was geen nachtmerrie, maar gewoon de waarheid. Het huis was wel ingeslagen door bliksem en het huis stond wel in brand. Snel schoot ik mijn bed uit en liep snel naar het raam. Ik zag dat Tom, mijn ouders en Scotty al buiten stonden. Ik liep richting de deur en opende het. De deur werd vergrendelt door het vuur dus ik kon er niet meer uit. ‘Shit.’ Zei ik boos en sluit de deur. Ik draai me om en ziet dat ik niet uit het raam kan springen, omdat vuur de weg blokkeert. Ik werd bang en zakte inelkaar met mijn ogen dicht. Ik voelde hoe het vuur steeds meer naderde. Ik voelde hoe het vuur mijn huid dodelijk streelde en gilde het uit. Ik zakte meer inelkaar en het werd zwart voor mijn ogen.

Tom’s pov:
Ik was veilig naar buiten gebracht door een meneer. Ik zag Scot en mijn ouders al zitten met een deken over hun heen. ‘Oh Tom.’ Zei mijn moeder en wierp me op haar schoot. Ze knuffelde me haast dood en ik lachte. De regenbui was gestopt en had plaats gemaakt voor de nacht. ‘Is Bill er ook?’ Vroeg ik blij en mijn moeder der gezicht vertrok. Nee dus. Ik zweeg en mijn glimlach veranderde in een sip gezicht. Bill, kom alsjeblieft. De vlammen werden steeds groter. Ineens hoorde ik een gil. ‘Bill!’ Gilde ik zo hard ik kon. Huilend van angst kromp in inelkaar en gilde nog een keer. Ik voelde zijn pijn, verder niets. Ik voelde zelfs nauwelijks mijn moeder der hand die over mijn rug ging. De ambulance en de brandweer kwam. Het blussen begon. Ik voelde nog steeds de pijn van Bill door mijn lichaam razen. Ik zag ineens dat er een meisje naar binnen ging. Ik rende het huis ook in. Ik zal hetzelfde lot als mijn broer ondergaan. Ik sprong over alle vlammen heen en ineens stond mijn broek in de hens. ‘Shit.’ Riep ik en doofde het. Ik keek naar de trap, waar bijna niets meer van over was en zag het meisje bovenaan de trap. ‘Tom, help me!’ Riep ze bang. Ik ken haar, maar weet even niet waarvan. Ik liep de trap op en zag haar zitten. Haar broek stond ook in brand. We probeerde het samen te doven. Het lukte gelukkig en ik hielp haar omhoog. Samen liepen we richting Bill zijn kamer. Ik opende zijn deur en zag hem liggen. ‘Omg, Bill!’ Riep ik zo hard mogelijk. Ik liep naar hem toe en doofde het vuur dat op zijn lichaam brandde. ‘Bill open je ogen. Laat me zien dat het goed met je gaat.’ Zei ik met de tranen die over mijn wangen liepen.

Bill’s pov:
Ik opende moeizaam mijn ogen toen ik de bange stem van Tom hoorde. Ik wou wat zeggen, maar ik kreeg haast niets meer uit mijn mond. Tom tilde me op en ik kreunde van de pijn. ‘Rustig maar Bill, alles komt goed.’ Zei iemand en ik schrok. Ik keek op en keek naar diegene en zag mijn vriendin. ‘Lena.’ Zei ik zachtjes en ze keek me met betraande ogen aan. Ik toverde een kleine glimlach en zij glimlachte ook. Ze tilde me op bij mijn benen en zo liepen we met zijn drien uit mijn kamer.

Lena’s pov:
Ik liep achteruit met Bill zijn benen vast. De plekken waar mijn broek waren verbrand brandde op mijn lichaam. Daardoor ging het lopen veel moeilijker. Volgens mij had Tom hetzelfde probleem, want hij liep langsaam en keek erg moeilijk. ‘Kom op.’ Hoorde ik hem zachtjes mopperen. Bill werd steeds slapper en zijn hoofd viel omlaag. Tom tilde Bill helemaal op en liet Bill rusten op zijn rug. Ik ging achter Tom staan en we liepen voorzichtig maar zo snel mogelijk van de trap af.

Tom’s pov:
‘Shit, de deur is geforceerd!’ Zei ik en stopte met lopen. Brokken van het plafond vielen naar beneden en veel kwamen op ons terecht. De deur stond nog open en ik zag iedereen buiten. ‘We moeten er doorheen springen.’ Hoorde ik ineens Bill op mijn rug zeggen. ‘Maar dat overleven we niet.’ Zei Lena en legde haar rechterhand op Bill zijn rug. Ze trok haar hand snel naar haarzelf toe toen ze Bill hoorde kreunen. ‘We overleven het hier ook niet.’ Zei ik bang en draaide me naar Lena.

Bill’s pov:
Ik wurmde me van Tom zijn rug af en stond zo recht als ik kon. ‘Ik ga er doorheen springen hoor.’ Zei ik en keek Tom en Lena aan. Lena barste in huilen uit, liep naar me toe, legde haar handen op mijn wangen en kuste me. ‘Ich liebe dich.’ Zei ze zachtjes en sloeg haar armen zachtjes en slapjes om me heen. Meer tranen vielen over mijn wangen en we sloegen samen ook een arm om Tom heen. Lena gaf Tom een kus op zijn wang. We versterkte onze grepen en pakte elkaars handen vast. ‘We gaan samen, tegelijkertijd en blijven bij elkaar, wat er ook gebeurt.’ Zei Lena, die rechts van me stond. Ik keek links van me en zag Tom knikken. We telde van 3 tot 0 en sprongen tegelijkertijd door het vuur. We krompen inelkaar en gingen zo dicht mogelijk bij elkaar liggen. We hielden elkaars handen nog steeds vast. Het vuur brandde op onze lichamen. Ik keek rond me en zag dat er mensen water op ons gooide. Ik voelde niets meer. Ik sloot mijn ogen en het werd zwart voor mijn ogen. We lieten onze laatste adem onze lichaam verlaten.
Ik opende mijn ogen en zag Lena en Tom staan. Ze keken blij en gelukkig samen. ‘Leven we nog?’ Vroeg ik verbaasd en stond op. ‘Alles is beter nu, alles is voorbij.’ Antwoordde Lena en we liepen richting het licht aan het eind van de tunnel.
Alles is inderdaad beter nu.

What's happent with Bill?

What's happent with Bill?

2004
Het is de dag na halloween, en Bill zit op de bank een boek te lezen. Vandaag zouden wij met de hele klas naar een vleermuizengrot gaan. Hij vindt het best spannend.
Dit doen we omdat het gisteren halloween was. Hij was als vampier. Eigenlijk vond hij dat er best stoer uitzien… Daarom heeft hij besloten om zijn stijl zo te houden, een beetje veranderen, maar wel ongeveer zo zei hij gisteren tegen me.
Ik ga even bij Bill kijken. ‘Hey Bill, wat lees je?’ Vraag ik. ‘Een boek over vampiers.’ Zegt Bill die er helemaal in is verdiept. ‘Aha… door dat uitstapje voor vanmiddag? Of gewoon omdat je het leuk vind?’ Vraag ik ‘Allebei een beetje.’ Zegt Bill. ‘Ok.’
‘Spannend?’ Vraag ik na een tijdje. Hij is zit echt de hele tijd met zijn neus in dat boek, zo ken ik hem niet. ‘Wat is er nou weer?’ Vraagt Bill. ‘Geloof jij er dan in? Ik niet.’ Lach ik ‘Ik ook niet, maar ik vind het gewoon spannend om een beetje te bedenken hoe het zou zijn als het wel zo was.’ Zegt Bill. ‘Het zal wel weer broertje, droom maar weer lekker verder.’ Zeg ik dan maar. Bill haalt zijn schouders op en gaat verder.
Die middag zijn we dus met de hele klas naar de vleermuizengrot.
Het is er aardedonker, en je ziet er geen hand voor ogen.
‘Whaaa! Pas op Bill! Ik ben een vampier!’ Zeg ik lachend als ik mijn broertje gevonden heb. ‘Ha-ha-ha… Grappig hoor.’ Zegt Bill droog.
Na een tijdje blijft iedereen staan en verteld de gids iets over de vleermuizen. Bill kijkt een beetje in het rond, in de hoop dat hij wat ziet.
Ik ben een heel eind verder en luister naar de gids. Ineens hoor ik mijn broertje: ‘Aaah!’
Ik ren naar achteren. In minder dan een minuutje heb ik mijn broertje gevonden. ‘Bill, gaat het?’ Vraag ik. ‘Ja, ja… Ik schrok even.’ Zegt hij. We gaan samen even naar buiten. Het verbaast me dat Bill de weg zo goed weet…Zeker een goed geheugen. ‘Bill, je ziet een beetje bleek, weet je zeker dat het goed gaat?’ Vraag ik voor de zekerheid. ‘Ja, nu wel.’ Zegt hij.
De dagen erop merk ik niet zo heel veel raars aan zijn broertje. Hij is alleen wel druk bezig met zijn uiterlijk te veranderen, maar dat maakt me niets uit, ik vindt het wel goed zo.

2008
Naar mate dat de tijd verstrekt merk ik steeds meer veranderingen in Bill. Maar ik weet niet zeker of ik er iets achter moet zoeken…
Het enige wat ik een beetje raar vind is dat Bill er normaal nogal ervan houd om in het zonnetje te zitten, maar dat doet hij niet meer. En hij wil ook liever niet op foto’s enzo. Soms vind ik mijn broertje een beetje raar.
En hij draagt veel zwart, maar dat zal wel bij zijn nieuwe stijl horen.
Op een avond wil ik Bill’s kamer binnenkomen. Als ik de deur een stukje open doe is het helemaal donker. Ik doe het licht aan en zie Bill op zijn bed zitten met zijn rug tegen de muur. Hij staart een beetje wezenloos voor zich uit.
Ik haal mijn hand voor zijn ogen langs, dan schrikt Bill op. Huh? Had Bill daarnet nou rode ogen? Maar het is alweer verdwenen. ‘Bill, wakker blijven joh.’ Lach ik. ‘Ik was gewoon een beetje diep in gedachten verzonken.’ Zegt Bill met een glimlach op zijn gezicht. Maar het was anders… die lach… die is gemeen… In ieder geval niet op de Bill-manier. ‘Jaja… je was gewoon in slaap gevallen, maar wilt het niet toegeven.’ Zeg ik plagend. Bill haalt zijn schouders op.
Bill gaat naar beneden en ik blijf achter zonder verdere woorden te wisselen. Maar er valt me nog wat op. Toen Bill langs zijn spiegel liep, bleef het hetzelfde als toen hij er nog niet voor stond. Raar, heel raar.
Ik ga voor Bill’s spiegel staan, ik zie mezelf staan. Hoe kan het dat ik Bill dan niet zag? Dan valt mijn oog op het boekje die ik 4 jaar geleden ook had gezien. Het ligt nog steeds op Bill’s bureau. Het boekje over Vampiers en Vleermuizen.
Ik neem het mee naar mijn kamer en blader er een beetje in.

Kenmerken
Vampieren beschikken grofweg over de volgende eigenschappen. De vampier…

Is een overleden persoon die periodiek verrijst uit het graf.
Hahaha… Grapje zeker. Bill leeft al 18 jaar, en daar gaat hij ook vrolijk mee door.
Slaapt overdag in een doodskist.
Bill slaapt wel overdag, maar zeker niet in een doodskist. Maar meestal tegen de avond hoor ik dat hij weer wakker is. Maar Bill in een doodskist, echt niet.
Heeft bloed nodig om te kunnen blijven leven/vitaal te blijven (van mens of dier)
Getver! Gelukkig doet hij dat niet. Ik krijg er al de kriebels van als ik eraan denk.
Heeft altijd trek in bloed, maar kan in hoge nood een tijdje vasten.
Nu maken ze me nieuwsgierig hoe lang een tijdje is, maar of hij er trek in heeft, dat kan ik niet controleren.
Verouderd niet
Hij is wel gegroeid? Telt dat ook? Gott, weet ik veel.
Stamt uit een adellijk, Oost-Europees geslacht.
Hoe bedoel je teveel ‘Van Helsing’ gelezen.
Is seksueel verleidelijk
Oeh… zal ik ook vampier zijn? Hahahahaha…
Gaat in het zwart gekleed
Ja, ok, doet hij wel, maar dat hoort gewoon bij zijn stijl.
Heeft een bleke tint.
Dat klopt, maar als hij in het zonnetje gaat zitten dan is die hele bleke tint weg.
Heeft geen spiegelbeeld en kan niet gefotografeerd of gefilmd worden.
Zou dit de reden zijn dat hij niet op foto’s wilt? En van dat spiegelbeeld; zou ik het dan toch goed gezien hebben?
Beschikt over uitzonderlijke lichaamskracht.
Pfff…Geen idee, daar heb ik niets van gemerkt.
Kan hypnotiseren.
Hij krijgt wel veel voor elkaar, maar hypnotiseren? Er word vaak genoeg nee gezegd. Of misschien doet hij dat om het te verdoezelen?
Kan in een vleermuis veranderen.
Daar heb ik anders weinig van gemerkt.
Kan, mits hij is uitgenodigd, (op wonderlijke wijze) huizen betreden.
Wat bedoelen ze daar nou mee? Als ik ergens aanbel en ik word binnengelaten kan ik toch ook uitgenodigd een huis betreden? Zo wonderlijk vind ik dat niet.
Heeft een weerzin tegen knoflook.
Hahaha… dat is niet zo gek ook. Het stinkt vreselijk, en de smaak is ook niet al te aangenaam. We hebben dat allebei altijd al gehad.
Is bang voor christelijke symbolen, bijvoorbeeld kruisbeelden.
Hij droeg eerst wel van die kettingen met kruizen eraan, maar die draagt hij nu niet meer. Nu is het eerder met doodshoofden enzo. Maar het kan ook zo zijn dat hij die kruizen niet meer leuk vind.
Kan niet zelf stromend water oversteken. Hij heeft hier altijd de hulp van anderen bij nodig.
Geen idee, heb ik nooit zo op gelet.
Zijn uitzonderlijk sterk of snel, ze hebben dus bovenmenselijke krachten.
In hoeverre moet ik dit geloven? Hij mag van mij denken dat hij superman is, maar dat is hij niet.

Nou, dat was dus weer gezellige, hapklare onzin.

Hoewel sommige dingen me wel aan het denken zetten.
Vanavond ga ik het er nog met hem over hebben. Ik leg het boekje weer terug waar het lag, en ga terug naar mijn kamer.
De volgende avond gaan mam en Gordon even weg, dus Bill en ik zijn alleen thuis.
Nu heb ik de kans om Bill uit te horen.
Hij zit op zijn kamer, en ik ga naar hem toe. Ik klop op zijn deur. ‘Bill? Kan ik binnenkomen?’ Vraag ik. ‘Kom maar.’ Zegt Bill. Ik doe de deur open. Bill zit op een stoel achter zijn bureau. Het enige licht dat aan is, is die van zijn bureaulampje. Die verlicht zwakjes de kamer.
Ik ga op zijn bed zitten. ‘Bill, ik wil even met je praten.’ Begin ik voorzichtig. ‘Ik weet al waar je het over wil hebben, maar ik heb geen idee hoe het komt.’ Begint Bill. ‘Ik beschuldig je toch nergens van?’ Zeg ik een beetje geschrokken van zijn plotselinge actie. ‘Weet ik, maar… zo voelt het wel. Tom, wil je het asjeblieft niet tegen mam en Gordon zeggen?’ Vraagt hij met tranen in zijn ogen. Ik knik. ‘Belooft. Maar wat is er dan gebeurt dat het zo is gekomen?’ Vraag ik. ‘Ik weet het niet. Echt niet.’ Zegt hij. Tranen rollen over zijn wangen. Ik trek hem naast me op bed en probeer hem te troosten. Hij verstopt zijn gezicht in mijn nek. Het idee dat mijn broertje misschien een vampier is die je bloed drinkt laat rillingen over mijn rug lopen. Helemaal nu hij zo zit, want hij heeft dan vrij spel. ‘Tom, ik weet wat je nu denkt, maar dat doe ik niet.’ Zegt Bill ineens. Ik schrik op. ‘Hoe kun jij weten wat ik denk?’ Zeg ik. ‘Dat is gewoon zo. Ik weet het niet.’ Zegt hij. ‘Ok. Weet je wat, laten we beginnen bij de dag dat dit begon. Wanneer was dat?’ Vraag ik. ‘In die vleermuizengrot. Ik voelde iets langs vliegen, en ik schrok. Toen riep ik, en jij kwam gelijk aangelopen. En we gingen naar buiten.’ Vertelt Bill. ‘Ok, maar… De weg naar buiten, hoe wist je die? Ik bedoel, ik liep tegen alles aan, en jij botste nergens tegenop, en kon het zo vinden. Alsof het er licht was.’ Zeg ik. ‘Weet ik. Maar, ik kon alles ook gewoon zien…Nadat die vleermuis langs was gevlogen.’ Zegt hij met grote ogen. ‘En verder?’ Vraag ik. ‘Nou, ik ontdekte steeds weer nieuwe dingen, en ging ze ook uitproberen. Nouja, sommige. Jij hebt bijvoorbeeld ook dat boekje gelezen, dus je weet waar ik het over heb. Ik merkte dat ik beter niet in de zon kon zitten, en foto’s enzo zouden verraden wat er was gebeurt. Vandaar dat het hier meestal donker is.’ Zegt Bill terwijl hij naar de neuzen van zijn schoenen staart.
Dus het was toch wel een beetje waar wat er in dat boekje stond. ‘En… Van dat bloed drinken?’ Vraag ik voorzichtig. Bill verschiet meteen van kleur. ‘Daar denken we beide hetzelfde over. Getver, ik moet er niet aan denken.’ Gelukkig, dat doet hij dus niet… Zolang het nog niet nodig is…
Het is even stil.
‘Tom, ik wil helemaal niet zo zijn. Ik was er misschien in genteresseerd, maar zo wil ik niet zijn. Ik wil weer normaal zijn, Tom.’ Zegt Bill zacht. Ik snap wel wat hij bedoelt, het is natuurlijk hartstikke moeilijk, helemaal omdat hij zichzelf niet wilt verraden. ‘Ik wil je wel helpen, tenminste, voor zover dat kan.’ Zeg ik. ‘Echt?’ Vraagt Bill. ‘Natuurlijk, je zult altijd mijn broertje zijn.’ Zeg ik.

Een paar weken later wonen Bill en ik op onszelf, we hebben een groot huis in Berlijn gekocht.
Ik heb mijn hele ritme van slapen en opstaan omgegooid.
Speciaal voor Bill heb ik gezorgd dat we beiden overdag slapen, en ’s avonds weer wakker worden. ’s Avonds begint voor ons de ochtend.
Wanneer het nacht is gaan we naar het parkje. ‘Hoe vind je het hier?’ Vraag ik. ‘Geweldig! Ik vind het echt tof dat je, je wilde aanpassen voor mij.’ Zegt Bill. Hij straalt helemaal. Er verschijnt weer een big smile op zijn gezicht. Daardoor zie ik zijn lange hoektanden. Ik weet at hij me nooit zou bijten, dus ik kan rustig alles doen.
We klimmen in een boom en praten een beetje.
Dan verliest Bill zijn evenwicht en valt naar beneden, in de struiken.
Ik moet een beetje lachen. ‘Gaat het?’ Vraag ik. ‘Behalve dat jij me daar zit uit te lachen, ja.’ Zegt hij. Razendsnel is hij weer boven en zit hij weer naast me.
‘Bill, je hand bloedt. Hij ligt helemaal open.’ Zeg ik geschrokken. Hij kijkt haar zijn hand. ‘Mwah… maakt niet uit. Het is zo weer genezen.’ Zegt hij. Ik kijk hem vragend aan. ‘Over een paar minuutjes zie je er niets meer van.’ Zegt hij. ‘Ok.’
En inderdaad, nog geen 5 minuten later is zijn hand weer helemaal genezen.
We gaan weer naar huis.
‘Dus… Wanneer doe je een Dracula cape om?’ Vraag ik lachend. Bill steekt zijn tong uit. ‘Je weet best dat ik onlangs alles zo normaal mogelijk wil leven.’ Zegt hij. ‘En daarom slapen we overdag, en zijn we ’s nachts wakker.’ Zeg ik plagend. ‘Toevallig wel ja. En waag het niet om me overdag wakker te maken.’ Zegt hij nep-dreigend.
Ondertussen wen ik trouwens steeds meer aan onze manier van leven. Ik heb trouwens wel wat van Bill geleerd. Nouja, geleerd is niet het goede woord…opgevangen?
Veel mensen geloven dat vampiers bloed nodig hebben om te overleven. Maar dat is niet zo. Het is gewoon de lust. Maar Bill heeft daar gelukkig geen last van.
Bill is weer helemaal gelukkig. En ik ben blij om dat zo te zien.
Niemand weet van het hele vampier gedoe af, zelfs onze ouders niet. Hoewel ze ons wel raar hebben aangekeken toen we zeiden dat we overdag niet gestoord willen worden.
Ook Gustav en Georg keken ons raar aan, maar die vonden het best. Zij komen s’avonds soms langs.
Misschien dat we het hun nog ooit vertellen… Ooit…
Ik kijk nog eens in het boekje van Bill.

Kenmerken
Vampieren beschikken grofweg over de volgende eigenschappen. De vampier…

Is een overleden persoon die periodiek verrijst uit het graf.
Bill is geen overleden persoon.
Slaapt overdag in een doodskist.
Ook dit is fake. Bill zei tegen me dat het enige wanneer hij in een doodskist wilt slapen, is wanneer hij echt dood is.
Heeft bloed nodig om te kunnen blijven leven/vitaal te blijven (van mens of dier)
Dit is alleen de lust.
Heeft altijd trek in bloed, maar kan in hoge nood een tijdje vasten.
Bullshit.
Verouderd niet
Dit klopt ook al niet.
Stamt uit een adellijk, Oost-Europees geslacht.
Nope.
Is seksueel verleidelijk
Ligt eraan hoe de persoon zelf is.
Gaat in het zwart gekleed
Dit klopt wel.
Heeft een bleke tint.
Jup, maar dat komt omdat hij niet tegen de zon kan.
Heeft geen spiegelbeeld en kan niet gefotografeerd of gefilmd worden.
Ook deze klopt, en ik vind het nog steeds een beetje creepy.
Beschikt over uitzonderlijke lichaamskracht.
Wat bedoelen ze daar precies mee?
Kan hypnotiseren.
Klopt, maar dat doet hij niet. Of zou ik het niet door hebben?
Kan in een vleermuis veranderen.
Kan, doet hij alleen niet.
Kan, mits hij is uitgenodigd, (op wonderlijke wijze) huizen betreden.
Ook deze snap ik niet.
Heeft een weerzin tegen knoflook.
Dat kan ik niet controleren, altijd al gehad…hahaha…
Is bang voor christelijke symbolen, bijvoorbeeld kruisbeelden.
Bang niet, maar hij draagt ze niet meer.
Kan niet zelf stromend water oversteken. Hij heeft hier altijd de hulp van anderen bij nodig.
Hij kan gewoon het water in zonder te verzuipen.
Zijn uitzonderlijk sterk of snel, ze hebben dus bovenmenselijke krachten.
Hij is inderdaad wel snel enzo. Best handig als mijn auto het niet doet, mag hij hem lekker aanduwen. Tja, wel van de zonnige kant bekijken. Oeps… Hij mag niet in de zon. Doe dan maar vanaf de goede kant bekijken.

What's happend with Bill (vervolg op de vorige SA)

What's happend with Bill (vervolg op de vorige SA)

Bill’s pov:
Het is nu al een tijdje geleden dat ik vampier ben geworden. De meeste dingen heb ik wel onder controle.
Gustav en Georg weten er nog steeds niets vanaf, maar ik denk dat het beter is als ze het wel weten. Ze zullen waarschijnlijk wel even schrikken, maar ik doe geen vlieg kwaad. Nouja, vliegen wel, want die zijn gewoon irritant, maar je weet wat ik bedoel.
Ik ga naar Tom’s kamer, waarschijnlijk is hij daar. En inderdaad daar is hij. ‘Tom?’ Vraag ik. ‘Ja, wat is er?’ Zegt hij. ‘Nou, ik zat eens te denken -’ ‘Ojee, Bill die denkt. Dat kan nooit goed zijn.’ Plaagt hij. Ik zucht. ‘Laat me nou uitpraten.’ Zeg ik. ‘Ja, ja…vertel. Je zat te denken, en toen?’ Zegt hij. ‘Nou, ik dacht dat het misschien wel beter is als Georg en Gustav het ook weten. Je weet wel. Waarschijnlijk gaan ze toch wel iets vermoeden, dus het is misschien beter als we het gewoon zeggen.’ Zeg ik. ‘Ok, als je er zelf achter staat vind ik het goed. En wanneer wilde je het ze dan gaan vertellen?’ Vraagt hij. ‘Maakt niet uit. Zo snel mogelijk. Vanavond?’ Vragend kijk ik hem aan. ‘Ok. Bel jij Gustav, dan bel ik Georg.’ Zegt Tom. ‘Ok.’ Zeg ik, en verdwijn zijn kamer weer uit.
Niet veel later wacht ik totdat Gustav zijn telefoon opneemt. ‘Hoi met Gustav.’ Klinkt het een beetje slaperig. Oeps, even vergeten dat de meeste mensen ’s nachts slapen.
‘Hoi, Bill hier. Heb je misschien zin om vanavond langs te komen? Ik moet jou en Georg namelijk iets vertellen.’ Zeg ik.
‘Eh… Ok, hoe laat?’ Vraagt hij.
‘Maakt niet uit. Zo snel mogelijk?’ Stel ik voor.
‘Is goed. En moet ik Georg nog bellen of doe jij dat zo?’ Vraagt hij.
‘Dat doet Tom nu. Dus dat is al geregeld.’
‘Ok, dan kom ik er zo aan.’
‘Ok, doei.’
‘Bye.’
We hangen op.
Nu is er nog n vraag; Hoe moet ik ze dit gaan vertellen?
Daar kom ik vast wel uit, en anders kan Tom me altijd nog helpen. Die weet ook hoe het allemaal is gegaan.
Tom komt mijn kamer binnen en ploft naast me neer op het bed. ‘Georg komt er ook zo aan.’ Zegt hij. ‘Mooi zo.’ Zeg ik terwijl ik voor me uitstaar.
Na een half uurtje staan Gustav en Georg op de stoep. ‘Hee jongens.’ Zeg ik blij. ‘Hoooooi.’ Zegt Georg gapend. ‘Sorry, ik was al in slaap gevallen, kon je niet een wat vroeger tijdstip uitkiezen?’ Vraagt hij. ‘Je hebt toch zelf gezegd dat je het goed vond om deze tijd?’ Zeg ik. ‘Shit, dat is waar ook.’ Zegt hij, terwijl hij in zijn ogen wrijft. We laten Gustav en Georg binnen. We praten even over wat we de laatste tijd hebben meegemaakt.
‘Maar waar wilde je het over hebben Bill? Want je zei dat je ons iets wilde vertellen.’ Zegt Gustav. Nu kan ik er niet meer onderuit. Even slik ik en dan begin ik met mijn verhaal. ‘Nou, eigenlijk wil ik het hebben over de reden waarom we hier zo laat zitten.’ Ik kijk Tom aan en hij knikt als teken dat ik door moet gaan. Ik vertel ze het hele verhaal, van het begin, tot het einde.
Ze kijken ons met open mond aan. ‘Dus, laten we dit even heel kort samenvatten. Jij bent door zo’n vleermuis gebeten, en nu ben je vampier?’ Vraagt Georg. Ik knik voorzichtig. ‘Aaai.. En daarom zitten wij hier ’s nachts. En dat was dus vanaf vier jaar geleden.’ Zegt Gustav. Weer knik ik.
‘Maar waarom heb je het ons niet eerder verteld?’ Vraagt Gustav. ‘Ik dacht dat… nou… ik weet het eigenlijk niet. Ik was bang om mijn beste vrienden kwijt te raken.’ Zeg ik. Het liefste zou ik nu stilletjes in een hoekje kruipen. Natuurlijk kon ik ze alles vertellen, het zijn mijn vrienden.
‘Je weet toch dat je alles bij ons kwijt kan, net zoals bij Tom. Ik bedoel, jullie band is dan misschien wel sterker, maar toch.’ Zegt Georg. Ik haal mijn schouders op. ‘Je hebt gelijk. Sorry dat ik het jullie niet gelijk heb verteld. Maar ik was gewoon bang voor jullie reactie. En dat had ik bij Tom ook, alleen begon hij er zelf over dus toen moest ik het wel vertellen.’ Zeg ik. De hele tijd heb ik naar beneden gekeken, maar eindelijk kijk ik Gustav en Georg weer aan. Ik zie dat ze even tijd nodig hebben om na te denken over wat ze gaan zeggen.
Ik zak weer in elkaar. ‘Jullie snappen het denk ik niet. Ik begrijp het best als je me niet vertrouwd. Ik bedoel… Wie wil me nou vertrouwen?’ Zeg ik met tranen in mijn ogen en ik ga naar boven. Naar mijn kamer. Daar kan ik even helemaal alleen zijn en weer tot rust komen.
Beneden hoor ik ze nog even praten. Dan hoor ik voetstappen op de trap. Alle drie komen ze mijn kamer in. Tom gaat op de grond zitten en gebaart dat ik naast hem moet komen zitten. Dat doe ik ook. Troostend wrijft hij over mijn rug en knuffelt me. Hij snapt in ieder geval hoe ik me voel. Gustav en Georg staan nog in de deuropening. Dat maakt me eigenlijk niet zo veel uit, ik laat mijn tranen de vrije loop en laat me troosten door Tom.
‘Bill, sorry als we raar reageerden. Maar ik wist ook niet zo goed wat ik moest zeggen.’ Zegt Gustav. Hij komt naast ons op zijn hurken zitten en kijkt me aan. ‘Maakt niet uit.’ Zeg ik met een trillerige stem. Georg volgt Gustav’s voorbeeld. ‘Natuurlijk vertrouwen we je. Tom heeft het toch ook de hele tijd met je uitgehouden.’ Zegt hij lachend. Tom prikt in zijn zij. Ik moet er om lachen. Even zie ik weer schrik in Gustav zijn ogen, maar al snel is het verdwenen.
Die dag blijven Gustav en Georg bij ons slapen. Hoewel dat wel raar voor hen is, want normaal slapen ze ’s nachts.
We hebben de matrassen naar beneden gesleept en in de woonkamer neergelegd. Ik heb ze allebei beloofd om niets te doen. Maar om hun te overtuigen moest dat een paar keer. Uiteindelijk is het me toch gelukt en liggen we allemaal naast elkaar. Tom ligt in het hoekje, daarnaast lig ik, dan Gustav en dan Georg.

Gustav’s pov:
Ik ben best geschrokken over wat Bill ons die avond heeft verteld. Maar hij was tenminste eerlijk, en dat vind ik belangrijk. We hebben de matrassen beneden in de huiskamer gelegd en nu liggen we allemaal naast elkaar. Bill heeft Georg en mij een paar keer moeten beloven dat hij niets zou uitvreten. Het idee vind ik best griezelig. Maar hij is onze vriend, en zal ons dus niets kwaad doen. Ik ben, net zoals Georg trouwens, heel erg moe, en val al snel in slaap.
Als ik ’s avonds weer wakker word schrik ik even. Bill heeft zich naar me toe gedraaid en ligt met zijn mond half open. Best eng als je net wakker word. En dan bedoel ik niet zozeer Bill die naast me ligt, maar die hoektanden van hem zien er nogal scherp uit. Brrr…
‘Ga nou geen rare dingen in je hoofd halen Gustav. Hij heeft beloofd niets te doen, dus hij zal ook niets doen.’ Zeg ik in mezelf. Bill mompelt wat in zijn slaap en draait zich naar Tom. Even vraag ik me af of hij zich niet kapot zou schrikken als hij wakker word, maar dat zal vast niet. Ik draai me om en probeer te slapen, maar dat lukt niet. Georg daar in tegen heeft daar helemaal geen last van, die snurkt echt overal doorheen. Ik besluit om even een glaasje water in te schenken, nu ben ik toch al wakker. In de keuken vul ik een glas en ga op een stoel zitten. Dan hoor ik voetstappen. Zou ik iemand hebben wakker gemaakt?
Al snel zie ik dat Bill binnen komt. Hij wrijft in zijn ogen en gaapt even. ‘Hoi Guus. Lekker geslapen?’ Vraagt hij. ‘Ja hoor.’ Zeg ik en drink het water op. ‘Je schrok h?’ Vraagt Bill. Verbaast kijk ik op. ‘Wat bedoel je?’ Vraag ik. ‘Dat weet je best. Toen je wakker werd schrok je.’ Zegt Bill. Hoe kon hij dat nou weer weten? Oja… vergeten, dat kan hij nou eenmaal… pff.. lekker handig. ‘Oh…Ja, ik schrok wel ja. Maar het maakt niet uit. Ik denk dat het erger was als ik wakker was geworden met mijn hoofd richting Georg.’ Zeg ik lachend. ‘Dat hoorde ik.’ Horen we gedempt uit de kamer komen. Bill moet lachen. ‘Nouja, sorry dat ik je liet schrikken. Daar kan ik ook weinig aan doen als ik lig te pitten.’ Zegt hij. ‘Geeft niet… Je bent altijd al eng.’ Plaag ik. ‘Grappig hoor. Maar ik ga me even omkleden.’ Zegt hij en gaat naar boven.
Ik merk wel dat ik me iets onzekerder voel nu ik dit van Bill weet. Maar dat trekt later denk ik wel weer bij.
Tom komt ook de keuken in gelopen. ‘Is het gezellig hier?’ Vraagt hij. ‘Echt wel. Jammer dat je net de gezelligheid hebt gemist.’ Zeg ik. Hij glimlacht. ‘Ik ga me omkleden.’ Zegt Tom. ‘Dat gaat niet, want Bill is zich al aan het omkleden.’ Zeg ik snel. ‘Ook goed, dan ga ik me straks wel omkleden. Maar eer dat hij de badkamer uit is, is het alweer kerst.’ Zegt Tom. Bill komt net naar beneden gelopen. ‘En jij denkt zeker dat ik doof ben.’ Zegt hij. ‘Niks gebeurt, ik ga me omkleden.’ Zegt Tom, en gaat naar boven.

Bill’s pov:
Even is er een stilte tussen Gustav en mij. Ik weet niet zo goed wat ik moet zeggen, maar dit is echt vervelend. Ik ga maar alvast de tafel dekken voor het ontbijt. Dit zal wel een beetje raar zijn voor Gustav en Georg, om te ontbijten in de avond. Maar als je het vaak genoeg doet, dan went het vanzelf.
Als iedereen omgekleed is gaan we eten. Gustav eet bijna niets. ‘Wat is er Gustav?’ Vraag ik. ‘Niets.’ Zegt hij een beetje afwezig. Ik weet zeker dat er wel wat met hem aan de hand is, maar als hij het niet wil zeggen dan zal ik er ook niet over beginnen. En eigenlijk had ik het al aan zien komen. Na het eten gaan Gustav en Georg weer naar huis. Tom en ik zitten naast elkaar op de bank. Even verzink ik weer in diepe gedachten, wat is er mis met Gustav? Hij doet ineens zo anders tegen me terwijl hij weet dat ik gewoon nog de oude Bill ben.
Ik zit zo erg in gedachten dat ik niet door heb dat Tom tegen me zit te praten. ‘Hallo? Luister je wel? Aarde aan Bill!’ Zegt hij. ‘Huh, wat?’ Vraag ik. ‘Ach laat maar. Je was weer aan het nadenken.’ Zegt hij. Ik kijk naar de grond. ‘Bill wat is er?’ Vraagt hij. ‘Niets.’ Zeg ik, maar het klinkt niet erg geloofwaardig. ‘Jawel, er is wel iets, dat zie ik toch aan die ogen van je.’ Zegt hij. Tom heeft gelijk. We zijn erachter gekomen dat als ik bloot sta aan veel emotie krijg ik die rode ogen. ‘Ik weet het niet. Gustav doet zo anders tegen me. Ook al weet hij dat ik nog gewoon de oude ben. Misschien hadden we het beter niet kunnen vertellen.’ Zeg ik met een waterig stemmetje. ‘Je zit ernaast, Bill. Het was juist beter om het te vertellen. Nu snappen ze wat er aan de hand is. En waarom jij je zo gedraagt. Het is alleen even wennen voor ze, en het is duidelijk dat Gustav het er wat moeilijker mee heeft dan Georg.’ Zegt Tom. Het enige wat ik nu kan doen is hem gelijk geven. ‘Maar hij kon het toch gewoon zeggen?’ Vraag ik. ‘Ja, daar ben ik het mee eens. Maar Gustav denkt er duidelijk anders over.’ Zegt Tom. Dan gaat mijn mobiel af.
‘Met Bill.’ Zeg ik.
‘Hoi Bill, met Gustav. Sorry dat ik daarnet niets zei. Ik begrijp dat het niet aardig was.’
Ik weet even niets te zeggen, maar hij ziet in ieder geval in dat ik me ook niet lekker op mijn gemak voel als hij zo doet.
‘Ben je er nog?’ Vraagt hij.
‘Ja.’
‘Ok, maar zullen we dan wat afspreken om te doen?’
‘Wat wilde je dan doen?’ Vraag ik.
‘Tja, dat is wel een goede vraag. Op het uur dat jullie wakker zijn is de bios dicht h?’ Vraagt hij. ‘Jup.’ ‘Oh, en…Het zwembad?’ Stelt hij voor. ‘Ook dicht.’
‘Dat schiet lekker op. Maar we verzinnen wel wat.’ Zegt hij.
‘Ik vind het al heel wat dat je nog even hebt gebeld.’ Zeg ik.
‘Ok, weet je wat, ik ga even bedenken wat we kunnen doen. Dan…Ga jij lekker verder met weet ik veel wat.’ Zegt hij lachend.
‘Is goed.’
‘Dan ga ik nu ophangen en met Georg overleggen. Doei.’
‘Doei.’ Zeg ik. Ik druk mijn telefoon uit. Tom heeft mijn deel van het gesprek meegeluisterd. ‘En?’ Vraagt hij. ‘Gustav heeft zijn excuses aangeboden.’ Zeg ik. ‘Zo komt het toch nog goed.’ Zegt Tom. Ik knik. De rode kleur van mijn ogen zal vast wel weer weg zijn. ‘En hij wilde ook nog iets met zijn allen gaan doen. Alleen het is een beetje moeilijk om te verzinnen wat, want alles is natuurlijk gesloten.’ Tom lacht. ‘Dat is waar. Maar misschien kunnen we een dvd’tje kijken ofzo.’ Stelt hij voor. ‘Slim, ik zal hem wel even bellen om te vragen wat hij ervan vindt.

Tom’s pov:
Arme Bill. Hij heeft het er wel moeilijk mee. Gelukkig vatte Georg het goed op. Gustav is alleen wat geschrokken, maar dat gaat ook wel goed komen. Bill is nu aan het bellen met Gustav. Als het maar geen horrorfilm wordt met vampiers, daar zitten we momenteel niet op te wachten. Ondertussen zit ik weer op mijn kamer, maar niet voor lang.‘Tom!’ Roept Bill naar boven. ‘Ja? Wat is er?’ Vraag ik. ‘Is hier ergens een videotheek in de buurt die ’s nachts open is?’ Vraagt hij. ‘Ja, ik geloof van wel.’ ‘Is het goed als wij vanavond dan een dvd gaan uitzoeken?’ Vraagt hij. ‘Ja hoor, is goed.’ Roep ik. Ik hoor Bill weer verder praten aan de telefoon.
Niet veel later staan we in de videotheek. We hebben een spannende actiefilm uitgezocht. Als we de videotheek uitlopen zien we een oude klasgenoot van ons staan; Jefferey. Hij heeft ons heel lang gepest, en we waren blij dat we klaar waren met school, en dus van hem af waren. Als hij nu een opmerking maakt kan Bill dat echt even niet hebben. ‘Heey Bill! Emo geworden ofzo?’ Roept hij. Oh shit, te laat. We hebben allebei niets tegen emo’s, dat moet je niet verkeert opvatten. Maar op de manier hoe Jefferey het zegt, daar kunnen we allebei niet tegen. Bill balt zijn vuisten. Ik zie zijn ogen rood opgloeien. Dit gaat fout…
‘Bill, rustig.’ Probeer ik nog. ‘Hij is het niet waard.’
Maar Bill is over de rooie. Boos stapt hij op Jefferey af, en pakt hem bij zijn kraag. ‘Maak nog een keer zo’n opmerking, en je kunt naar het ziekenhuis.’ Sist hij. ‘En hoe wil je dat doen? Ga je je andere homo vriendjes erbij halen?’ Zegt Jefferey spottend. Nu liep de druppel over.
Bill deelt een harde klap uit en geeft hem een knietje. Maar Jefferey weet van geen ophouden, hij geniet ervan om Bill boos te zien en maakt de ene na de andere opmerking.
Uiteindelijk raakt Bill hem echt hard op zijn slaap en rent weg. Jefferey duizelt een beetje, en moet zich aan een boom staande houden.
Ik volg Bill, maar hij is echt snel. Maar ik vind hem toch. Onder een grote boom zit hij zacht te snikken, met zijn gezicht in zijn handen. Ik ga naast hem zitten en troost hem. ‘Tom, het was bijna gebeurt.’ Snikt hij. Ik wieg hem zacht heen en weer. ‘Wat was er bijna gebeurt?’ Vraag ik zacht. ‘Ik had… Ik had bijna gebeten Tom. Bijna.’ Snikt hij. ‘Ik wil dat niet. Zelfs bij Jefferey wil dat niet.’ Zegt hij zacht. Ik aai door zijn haren heen. ‘Maakt niet uit Bill, je hebt het niet gedaan. En dat vind ik goed.’ Zeg ik. Hij knikt. Als Bill rustig is gaan we weer naar huis.
De volgende avond komen Georg en Gustav weer langs. Bill zit nog even op zijn kamer. Hij heeft gezegd dat ik ze mag vertellen wat er gisteren gebeurt is als ik dat wil, maar hij wil het er liever niet over hebben.
‘Hoi Tom.’ Zegt Georg als ze binnenkomen. Ik glimlach flauwtjes. ‘Hoi.’ Zeg ik. We gaan de woonkamer in. ‘Waar is Bill?’ Vraagt Gustav. ‘Nou, die is een beetje geschrokken gisteren.’ Zeg ik twijfelend. ‘Hoezo? Wat is er gebeurt? Jullie gingen toch alleen die dvd halen?’ Zegt Gustav. ‘Ja, dat klopt. Maar toen we de videotheek uitliepen kwamen we Jefferey tegen. En die maakte allemaal opmerkingen tegen Bill, waar hij niet tegen kan. Dus toen ging Bill helemaal uit zijn dak en Jefferey genoot er gewoon van. Bill heeft toen een paar flinke klappen uitgedeeld, en toen is hij snel weggelopen. Toen ik hem vond vertelde hij me dat hij de drang had om hem te bijten. Hij was echt ziedend. Maar hij is heel erg geschrokken van wat er gebeurt is, en hij wil het er liever niet over hebben.’ Zeg ik. ‘Hij wil zich er echt niet aan over geven h.’ Zegt Gustav. ‘Hoe bedoel je precies?’ Vraag ik. ‘Nou, hij wil zich er niet bij neerleggen dat het nou eenmaal zo is dat hij is hoe hij nu is.’ Zegt Gustav. ‘Dat is inderdaad wel zo.’ Zeg ik. Gustav had helemaal gelijk. Bill is er echt kapot van dat wanneer mensen het zouden weten van hem, ze hem dan raar aankijken. ‘Maar wanneer zou hij zich er dan wel aan toegeven?’ Vraag ik. ‘Geen idee. Misschien als hij weet dat hij niet de enige is, die zo is.’ Zegt Gustav. Ik knik. ‘Ik ga even kijken hoe het met Bill is.’ Zeg ik en ik ga naar boven. Als ik zijn kamer binnenkom zie ik hem niet. Zijn raam staat wel open. Ik ga ervoor zitten. ‘Oh, Bill, kon ik je nou maar helpen.’ Zeg ik zacht. ‘Dat doe je ook. Heel goed zelfs.’ Hoor ik zijn stem achter me zeggen. Ik kijk om en daar staat hij. ‘Je laat me schrikken joh, ik zag je daarnet niet.’ Zeg ik. ‘Dat was ook de bedoeling dat je me niet zag.’ Zegt Bill. ‘Wil je de film nog komen kijken?’ Vraag ik. Hij knikt.
Met zijn allen zitten we geboeid naar de film te kijken. Ik vind dat we een goede dvd hebben uitgekozen. Na de film gaan Gustav en Georg weer weg. Ze brengen gelijk de dvd terug naar de videotheek.
Ik blijf alleen achter met Bill. Het is een gespannen stilte tussen ons.
‘Bill, voel je je wel goed?’ Vraag ik voor de zekerheid. Hij schudt nee. ‘Wil je praten?’ Vraag ik. Weer een nee. Ik knuffel hem. Ik wil hem troosten, ik heb echt zo veel medelijden met die jongen. Maar wat kan ik er tegen doen?
Na een paar minuutjes ligt Bill met zijn hoofd op mijn schoot en slaapt hij. Ik strijk met mijn vingers door zijn haar. Af en toe veeg ik wat plukken voor zijn gezicht weg naar achteren. Dan valt mijn oog op de kleine wondjes in zijn nek. Die zullen vast voor dit hele gebeuren gezorgd hebben. Ik ben te moe om erover na te denken, en val ook in slaap.
De volgende avond word ik laat wakker. Bill wordt na een tijdje ook wakker. ‘Hoi.’ Zeg ik tegen het slaperige hoofd van mijn broertje. Hij zet een nep lachje op.
‘Bill, ik heb eens nagedacht.’ Begin ik. ‘Misschien is het voor jou beter, als je … nou, als je zegmaar niet de enige bent.’ Zeg ik een beetje onhandig. ‘Bedoel je dat ik…’Begint Bill. Ik knik. ‘Geloof me Tom, dat wil je niet.’ Zegt hij. ‘Bill, ik stel het zelf voor. Ik wil je helpen.’ Zeg ik vastbesloten. ‘Maar je helpt me al. Je spreekt moed in, troost me.’ Begint hij. ‘Begrijp me niet verkeerd, maar ik wil het. Zowel voor jou, als voor mij.’ Zeg ik.
Even blijft hij me aankijken. Het lijkt net alsof hij door me heen kijkt. ‘Je weet het echt 100% zeker? Vraagt hij. Ik knik.

Bill’s pov:
Ongelofelijk dat hij dat voor me over heeft. Hij wil net zoals ik worden. Zo denkt hij me te kunnen helpen. En misschien is dat ook wel zo.
Voorzichtig buigt hij zich naar me toe. Hij wil dat ik het nu meteen doe?! Hij weet het echt zeker.
Ik pak zijn handen vast en buig me naar hem toe.
Dan zijn we dichtbij genoeg. Weer voel ik de drang, maar deze keer voelt het anders. Deze keer sta ik er ook achter. En deze keer krijgt die innerlijke drang voldoening.
Ik bijt. Ik zet mijn tanden in zijn nek. Langzaam voel ik het bloed mijn mond binnenstromen. Er vallen kleine druppeltjes naar beneden op onze handen. Ik moet toegeven; het is heerlijk, ik geniet ervan. Maar het is wel een raar idee dat ik het bij mijn eigen broer doe.
Ik ga recht op zitten en kijk Tom in zijn ogen. ‘Goed gedaan Bill.’ Fluistert hij. ‘Goed gedaan.’
Ik krijg een glimlachje op mijn gezicht. Even omhelzen we elkaar weer. Als ik weer rechtop zit zie ik dat het al aan het werken is. ‘Tom?’ Vraag ik. Hij kijkt me aan. ‘Hoe voel je je?’ Vraag ik voor de zekerheid. ‘Anders. Maar wel goed.’ Zegt hij. Ik wacht even. ‘Tom, jij mag ook.’ Zeg ik. Even weet hij niet wat hij moet zeggen. Ik begin dan maar. Ik maak met mijn tanden een snee in mijn pols. ‘Doe maar, het is toch zo weer genezen.’ Zeg ik, en houd mijn pols voor hem. Hij is een beetje zenuwachtig omdat ik hem nu zo overval. Toch zet hij zijn mond tegen de wonden en begint te drinken. Ik zie dat hij ervan geniet.
Na een tijdje is hij klaar. ‘En?’ Vraag ik. Hij krijgt een grijns over zijn gezicht. ‘Beter dan zo’n one-night stand.’ Zegt hij lachend.
We hebben ons er allebei aan overgegeven. Maar we doen geen andere mensen of dieren kwaad. We doen het enkel bij elkaar.
De volgende avond gaan we naar Gustav toe. We weten zeker dat Georg daar ook is. En nee, we gaan niet door de voordeur. We vliegen er naartoe en gaan op het dak zitten.
Gustav’s kamer is namelijk helemaal bovenaan.
Ik klop op het raam en hij doet open. ‘Hoi Guus, mogen we binnenkomen.’ Vraag ik. ‘Kom maar binnen.’ Zegt hij. We klimmen naar binnen, en op dat moment komt Georg de kamer binnen gelopen. ‘Zo kun je dus ook binnenvallen. Kun je mij dat ook leren?’ Vraagt hij lachend. Tom gaat voor zijn neus staan. ‘Dat hoef je niet te leren. Ik kan het zo voor je regelen.’ Zegt Tom geheimzinnig. ‘Ach, laat die jongen.’ Zeg ik lachend. ‘Maar als hij nou wilt?’ Zegt Tom alsof hij betrapt is. Bij Gustav en Georg begint er nu wat te dagen. ‘Bill? Jij hebt het bij Tom gedaan? Maar dat zou je toch nooit doen?’ Zegt Gustav met een piepstemmetje. ‘Begrijp het niet verkeert, maar ik wilde het zelf. En het is heerlijk.’ Zegt Tom. Ik kijk hem boos aan. ‘Tom! Zo maak je ze bang! Ze zijn net van de schrik bekomen, ga jij zo vaag lopen doen.’ Zeg ik. Er begint een kleine discussie tussen ons maar Georg onderbreekt ons. ‘Jullie zijn in ieder geval jezelf nog.’ Zegt hij. ‘Dat zijn we altijd al geweest.’ Roep ik. ‘Kalm aan jongens.’ Zegt Gustav. Hij weet ook niet zo goed wat hij moet doen.
‘Ok, laten we eens rustig opnieuw beginnen. Als ik het goed begrijp, is Tom nu gebeten door jou.’ Zegt Gustav tegen me. Ik knik. ‘Maar hij wilde het zelf.’ Ik knik weer. ‘Hebben jullie de rollen ook al omgedraaid?’ Vraagt hij. Allebei knikken we ja. ‘En, het beviel jullie wel.’ Tom en ik kijken elkaar aan en krijgen een glimlach op onze gezichten. ‘Ja dus. En nu denken jullie dat wij ook de klos willen zijn.’ Zegt hij een beetje paniekerig. Deze keer schud ik nee. ‘Dan ben ik het kwijt. Zegt Gustav. ‘We wilden gewoon langs gaan.’ Zeg ik. ‘Ok, dan loop ik jullie dus gewoon vals te beschuldigen. Sorry, sorry, sorry.’ Zegt hij zacht. ‘Maakt niet uit, we zijn toch nog vrienden?’ Zeg ik terwijl ik mijn arm om zijn schouder sla. ‘Ja, natuurlijk.’ Zegt hij. Ik wil best geloven dat hij dat vindt. Maar de angst loopt door zijn hele lichaam. Ik stel maar voor om weer naar huis te gaan. Tom vindt het goed.
Binnen mum van tijd zijn we weer thuis. Zuchtend zak ik op de bank. ‘Wat is er broertje?’ Vraagt Tom. Ik kijk hem even aan. Hij weet het best. ‘Het is nog steeds zo dat Gustav zich niet op zijn gemak voelt.’ Zeg ik. ‘Maak je niet druk, hij draait wel bij.’ Zegt Tom. Ik hoop maar dat hij bijdraait.
We zetten een film op. Het wordt expres geen film met veel bloed, anders zitten we ons de hele tijd erop te verlekkeren.
De film is laat afgelopen, en ik ga naar bed. Tom probeert nog om me even te laten blijven, maar dat doet hij op zijn eigen onsubtiele manier. ‘Ah, blijf nou. Heel eventjes maar. Een klein beetje. Please Bill.’ Zeurt hij. Ik weet wat hij wil, maar daar heb ik geen zin in. ‘Ik ben geen one-night stand. Ga nou maar slapen, het wordt zo licht.’ Zeg ik lachend.
Misschien dat het morgen komt.
De volgende ochtend word ik laat wakker. Tom is beneden aan het rommelen. Ik ga me omkleden.
Niet veel later plof ik weer op mijn bed om tv te kijken.
Als Tom dat hoort komt hij gelijk naar boven. En ja hoor, ik had gelijk. Hij komt naast me zitten. Hij maakt het moeilijk voor me. Even kijk ik opzij en kijk recht in de ogen van Tom. Die blik van hem heeft verraden dat hij wel wilt. We gaan rechtop zitten. ‘Jij hebt trek zeker?’ Zeg ik lachend. ‘Jaahaa… Niet zo er omheen draaien. Kom op.’ Zegt hij. ‘Ik dacht dat je het nooit zou zeggen.’ We maken een snee in elkaars polsen en drinken. Weer geniet ik ervan. En Tom zo te voelen ook. Maar man, wat was dit lekker.
Dan gaat mijn telefoon. ‘Even geduld Tommie. We gaan zo verder.’ Zeg ik. Dan neem ik mijn mobiel op. ‘Hoi.’ Zeg ik. ‘Hey, met Georg. Storen we jullie?’ Vraagt hij. ‘Eigenlijk wel ja, maar dan moet Tom maar even wachten.’ Zeg ik lachend. Even is het stil aan de andere kant. Hij had het duidelijk niet zien aankomen. ‘Maar waar ik eigenlijk voor belde, kunnen we zo langs komen?’ ‘Natuurlijk kan dat.’ Ik zie dat Tom ongeduldig wordt. ‘Ok, wel elkaar een beetje heel houden h.’ ‘Ja ja, maar als ik nog langer blijf telefoneren dan laat Tom niets meer van me over.’ Zeg ik. ‘Ok. Veel plezier dan. We komen zo. Doei.’ ‘Doei.’ Zeg ik en hang op.
‘Je laat me wel wachten.’ Zegt Tom. ‘Ach, houd je mond waar waren we ook alweer gebleven.’ Zeg ik en we gaan weer verder.
Een uurtje later staan Gustav en Georg voor de deur. ‘Was het lekker jongens.’ Vraagt Georg lachend. ‘Zeker wel.’ Zegt Tom. Gustav is ook wat rustiger. Dat vind ik wel prettig.
Wanneer ze allebei binnen zijn gaat Tom uitgebreid gapen. Ik geef hem een por. ‘Tom, mond dicht jij.’ Fluister ik in zijn oor. ‘Kan ik er wat aan doen dat jij zo slaapverwekkend bent.’ Zegt hij lachend. Ik prik hem in zijn zij. Ja, het is zeker, we gaan gewoon nog met elkaar om zoals vroeger. We doen een spel op de playstation. Het is een vechtspelletje waar Tom en Georg helemaal weg van zijn. Ze spelen het tegen elkaar. Tom heeft zijn tong een beetje uit zijn mond. ‘Tom! Doe die tong naar binnen!’ Roep ik tegen hem. Daardoor schiet Georg in de lach, en heeft Tom de kans om het spel te winnen. ‘Dat deed je expres!’ Zegt Georg beledigd. ‘Goed h.’ Lacht Tom.
Ik ben echt opgelucht dat Gustav niet meer bang is voor ons. Ik bedoel, we doen toch niets? Ik kan er ook weinig aan doen dat sommige mensen van die rare dingen verzinnen. Maar als we op straat ’s nachts iemand tegen komen worden we af en toe wel raar aangekeken. Tom en ik worden niet ouder, maar we blijven wel eeuwig leven. Dat vind ik wel raar. Georg en Gustav worden wel ouder, want zij willen geen vampier worden. Ik vind het best, het is hun keuze en niet de mijne. En ik denk dat wanneer ik in hun schoenen had gestaan, ik het ook niet had gedaan.

Please, help me.

Please, help me.

September 1989
Het is vroeg in de ochtend. Simone Kaulitz wordt wakker van de buikpijn die ze heeft. Ze maakt snel haar man wakker. ‘Wakker worden, ik moet bevallen.’ Zegt ze in paniek. Op slag is hij wakker en belt naar het ziekenhuis.
Al snel zitten ze in de ambulance.
De ween worden erger en erger. Doktoren rennen heen en weer. Uiteindelijk, na 2 uur persen is het kind eruit. Ze is helemaal blij en weet al precies hoe hij heet; Tom.
Dan komt er een dokter naar haar toe die zegt dat er nog een baby is. Na 10 minuten persen is ook de 2e jongen eruit; Bill.
Ze is dolgelukkig. Maar dan hoort ze dat het hartje van Bill te langzaam klopt. Hij moet in de couveuse.
Ze is een beetje bang dat deze tweeling uit elkaar getrokken wordt.
Gelukkig gaat het al snel weer goed met Bill.

1993
Bill’s pov:
Vandaag zijn Tom en ik voor de eerste keer naar school gegaan. Het ging erg goed.
Maar om een of andere reden voel ik me anders bij die kinderen.
Ben ik anders? Of denk ik dat alleen?
Ik ga naar mijn moeder en vraag het haar hoe het kan. Ze zegt dat iedereen anders is, en dat ik me nergens druk om hoef te maken.

2002
We zitten op de middelbare school.
Al heel lang achtervolgt het gevoel me dat ik anders ben.
Veel kinderen zien me aan voor gothic, maar dat ben ik niet. Ik heb wel meestal zwart aan, maar dat maakt me niet gelijk gothic.
Tom en ik hebben allebei een andere stijl dan de meeste kinderen bij ons op school. Tom heeft dreads en wijde kleren. Ik verf mijn haar en draag voornamelijk zwarte, strakke kleding.
Ik ben er trouwens achter gekomen dat ik alles in het donker kan zien, terwijl Tom dan bijvoorbeeld geen hand voor ogen ziet.

2008
Het is nacht, en ik lig wakker.
Tom en ik wonen samen in huis.
Ik heb hem verteld wat ik voel.
Op internet hebben we gezocht of we iets konden wat me kan helpen. Het enige wat ik vond was iets over vampiers. Sommige dingen herkende ik wel, maar dat kan toch niet?
Tom had een forum gevonden voor mensen met hetzelfde probleem als ik.
Na een paar dagen vroeg een meisje of we eens konden afspreken. Ik antwoordde dat het goed is.
Vanmiddag hebben we afgesproken, maar ze heeft me gewaarschuwd dat ik niet in de zon mag lopen. Tom gaat ook mee.
Na een tijdje wachten in het parkje zien we haar. ‘Hoi, ik ben Jasmine.’ Zegt ze. ‘Ik ben Bill, en dit is Tom.’ Zeg ik terwijl ik haar een hand geef. ‘Bill, ik wil met je praten over het gevoel van je. Dat je je anders voelt dan anderen.’ Zegt ze. Ik knik. ‘Ik heb vannacht een droom gehad. Jij kwam erin voor. Ik zag wat er met je gebeurde en moest dit aan jou vertellen. Dit klinkt als onzin, maar je moet me geloven.’ Zegt ze smekend. Ik kijk Tom aan. ‘Ik luister’ Zeg ik. ‘Ben je de laatste tijd veranderd? Vaak zwart aan, goed zien in het donker, niet tegen de zon kunnen, sterker of sneller zijn dan je wist.’ Ik knik. Ze wacht even, en praat weer verder. ‘Het kan zo zijn dat je vampier bent.’ Zegt ze. Ik schrik me kapot, en Tom zo te zien ook. ‘ Doe je mond eens open. ‘ Zegt ze. Ik doe wat ze zegt. ‘Precies wat ik dacht, voel maar een s aan je hoektanden. ‘ Zegt ze. Ik voel. Ze zijn langer dan normaal. ‘Hoe kan dat?’ Vraag ik. ‘Dat zijn een paar kenmerken van een vampier. Maak je geen zorgen, er zijn meer mensen die dit hebben.’ Stelt ze me gerust. Ik ben heel erg geschrokken. Dat ziet ze ook en zegt dat ik beter naar huis kan gaan.
Eenmaal thuis zak ik neer op de bank.
Hoe kan dit?
Tom gaat naast me zitten en wrijft troostend over mijn rug. ‘Het maakt niet uit Bill, het komt wel goed.’ Zegt hij. Ik schud mijn hoofd. ‘Tom, kom uit die droom. Het komt niet meer goed.’ Zeg ik. Ik ga naar boven.
Wanneer ik langs de spiegel loop zie ik geen spiegelbeeld.
Misschien had Jasmine toch gelijk.
Ik ga naar mijn kamer en ga in bed liggen. Mijn deken trek ik ver over mijn hoofd. Na een tijdje val ik in slaap.

Tom’s pov:
Bil is naar zijn kamer. Hoe kan het dat hij zo is?
Ik ga naar boven. Als ik zijn kamer binnenstap ligt hij te slapen. Hij heeft zijn deken van zich afgegooid, en hijzelf ligt half van zijn bed af.
Voorzichtig til ik hem op en neem hem mee naar mijn kamer. Daar leg ik hem op mijn tweepersoons bed.
Hij slaapt rustig verder en ik kijk toe. Ineens begint hij te praten in zijn slaap. ‘Laat me met rust! Ik wil niet! Laat me!’ Schreeuwt hij. ‘Rustig Bill, ik ben er, er is niets aan de hand.’ Zeg ik rustig. Hij gaat weer rustig slapen. Ik aan door zijn haar heen. Ik ga naast hem onder de dekens liggen en sla mijn arm om hem heen. Na een tijdje val ik ook in slaap.
Tegen de avond word ik weer wakker.
Als ik slaperig mijn ogen open doe ligt Bill half bovenop me.
Ik pluk aan zijn haar. ‘Bill wakker worden.’ Zeg ik zacht. Slaperig doet hij zijn ogen open. ‘Wat? Wat is er?’ Zegt hij slaperig. ‘Nou, dat je boven op me ligt.’ Zeg ik lachend. ‘Huh… Oh, sorry.’ Zegt hij en gaat van me af.
‘Zo beter?’ Vraagt hij en kijkt me lachend aan. ‘Pff… Veel beter. Ik kan weer adem halen.’ Zeg ik. ‘Zo zwaar ben ik niet.’ Zegt Bill. ‘Wel als j e ligt te slapen. Maargoed, zullen we gaan eten?’ Stel ik voor. Hij knikt.

Bill’s pov:
Tom stelt voor om te gaan eten. Ik rammel. We bestellen pizza. Terwijl we eten staart hij me aan. Ik voel me er een beetje ongemakkelijk bij. ‘Wat is er?’ Vraag ik. ‘Niets.’ Zegt hij. ‘Jawel, vertel het nou.’ Zeg ik. ‘Het is gewoon allemaal zo verwarrend.’ Zegt hij. Ik zucht. Wat kan ik eraan doe?
Als ik mijn pizza op heb zeg ik: ‘Ik ga even een eindje lopen.’ En ik ga weg. ‘Bill, wacht nou. Wat is er met je?’ Vraagt hij. ‘Dat weet je best, en je bent niet de enige die het er moeilijk mee heeft.’ Zeg ik overstuur en ga naar het parkje. Ik ga op een bankje zitten en begin te snikken.
Na een paar minuten komt Tom samen met Gustav en Georg.
Fijn, nu weten zij er ook van.
‘Bill, gaat het? Wat is er gebeurt?’ Vraagt Gustav. Nors haal ik mijn schouders op. Hij gaat voor me zitten. ‘Bill, vertel asjeblieft wat er aan de hand is. We willen je helpen.’ Zegt hij. Trillend zucht ik. ‘Laat Tom het maar vertellen, ik kan het niet.’ Zeg ik zacht. Gustav vraagt het aan Tom en hij legt het uit.
‘Waar droomde je vanmiddag over toen je in je slaap praatte?’ Vraagt Gustav.
Er lopen rillingen over mijn rug. ‘Er waren allemaal mensen met bleke ingevallen gezichten. Ze zeiden dat ik bloed moest drinken. Maar ik wilde niet. Ze gaven niet op en dwongen me. Ze duwde me naar iemand toe, die persoon leek op Tom, maar hij stond met zijn rug naar me toe. Toen zei Tom dat ik rustig moest worden. En al die rare mensen verdwenen. Maar ze zeiden dat ze terug zouden komen.’ Vertel ik. Gustav heeft goed geluisterd. Tom gaat naast me zitten en troost me. ‘Je moet er denk ik gewoon aan wennen dat het zo is.’ Zegt Georg.
Met zijn allen gaan we naar huis. En na een uurtje gaan we naar bed. Snel, val ik in slaap. Weer is het heel erg onrustig.
Na een paar uur word ik wakker. Ik voel iets vloeibaars langs mijn arm lopen. Snel loop ik naar de badkamer.
Als ik het licht aandoe zie ik dat ik mijn arm open heb gehaald. Waarschijnlijk ben ik in mijn slaap omgedraaid, en heb mijn arm langs mijn gezicht gehaald.
Als ik in de spiegel kijk zie ik dat ik rode ogen heb. En niet doordat het ontstoken is, maar waar ik normaal bruine ogen heb is het nu felrood.
Als ik eens goed kijk zie ik dat mijn spiegelbeeld langzaam weg vaagt.
Alles zie je nog, alleen ik word van het plaatje gewist. ‘Wat gebeurt er?’ Zeg ik in paniek. Ik sta tegen de muur gedrukt. Tom komt binnen. ‘Bill, wat is er?’ Zegt hij. Ik kan niets zeggen en sta als versteent naar de spiegel te staren. Hij komt naar me toe en volgt mijn blik. ‘Wat is er hier aan de hand.’ Zegt hij verslagen. Nog steeds sta ik met open mond te staren. Hij legt zijn hand op mijn schouder, en het lijkt alsof ik ontdooi. Meteen zak ik in elkaar. Hij kan me net opvangen voordat ik op de grond terecht kom. Hij hijst me op zijn rug. ‘Bill, gaat het?’ Vraagt hij weer. ‘Een beetje.’ Zeg ik. ‘Houd je maar vast, dan gaan we naar beneden.’ Zegt hij. Ik houd zijn shirt stevig vast en verstop mijn gezicht in zijn nek.
Ik hoor de stemmen in mijn hoofd praten. ‘Bijt hem! Dit is je kans! Doe het!’ Roepen ze. Ik pak zijn shirt steviger vast. Ze gaan maar door.
Als we onder aan de trap zijn laat ik me van Tom’s rug af glijden en ga in een donker hoekje van de kamer zitten. ‘Ik wil Tom niet bijten.’ Zeg ik zacht. ‘Hij komt eraan. Grijp deze kans! Je kunt het best.’ Zeggen ze. ‘Ik wil niet!’ Schreeuw ik. Tom komt voor me staan. ‘Bill? Wat is er?’ Vraagt hij op een lieve toon. ‘Bijt hem! Nu is er niemand. Dit is de ideale plek!’ Zeggen ze streng. ‘Tom, alsjeblieft. Ga weg. Het is te gevaarlijk bij mij.’ Zeg ik bang. ‘Wat klets je nou?’ Vraagt hij. ‘Ze willen dat ik je bijt. Ik verzet me, maar ik houd het niet lang meer vol.’ Zeg ik. Langzaam gaat Tom achteruit.
Het voelt alsof mijn lichaam wordt overgenomen. Ik ben mezelf niet meer, en heb geen controle meer over mijn lichaam.

Tom’s pov:
Bill zegt dat ik weg moet gaan.
Wat is er mis met hem? En hoe kan het dat hij ineens felrode ogen heeft?
Ineens komt hij op me af. ‘Bill, wat doe je?’ Vraag ik als hij mijn polsen tegen de muur duwt. Hij probeert te bijten, maar ik weet me net op tijd los te wurmen. Dit is Bill niet, dat weet ik zeker.
Al snel heeft hij me weer klem gezet.
Even lijkt het alsof hij weer normaal word. Zijn greep verslapt en de normale kleur van zijn ogen komt terug. ‘Tom, sorry. Dit doe ik niet. Iets neemt mijn lichaam over. Het spijt me Tom.’ Zegt hij. Even had ik medelijden met hem.
De rode kleur in zijn ogen komt terug en zijn greep versterkt weer. ‘Gustav! Georg! Help!’ Roep ik zo hard als ik kan. Bill doet zijn mond open om weer te bijten. Ik zie zijn lange hoektanden. Als Gustav en Georg er niet snel aankomen ben ik er geweest.
Dan komen ze de kamer binnen. Ze schrikken als ze zien wat er gebeurt. Snel haalt Georg me uit de houtgreep van Bill. Samen duwen we hem op een stoel. Gustav moet hem vastbinden, anders lopen wij gevaar. ‘Wat was er gebeurt?’ Vraagt Gustav. ‘Geen idee. Maar het is niet goed.’ Zeg ik. Bill wordt al rustiger. Langzaam wordt hij weer zichzelf.
Vermoeit kijkt hij naar ons. Dan ziet hij dat ik allemaal schrammen op mijn armen heb. ‘Wat…Wat heb ik gedaan?’ Zegt hij. Ik wrijf over zijn knie. ‘Jij kunt er niets aan doen.’ Zeg ik.
Ik kijk in zijn ogen. Nog steeds zijn ze rood, maar daarnet was het anders. Daarnet las ik woede in zijn ogen, nu is het vooral angst.
We maken Bill weer los, en meteen onhelst hij me.
De volgende ochtend mail ik meteen naar Jasmine. Ik leg haar uit wat er gebeurd is en vraag of zij weet hoe het kan en hoe het voorbij gaat. Al snel heb ik antwoord terug. ‘En? Wat zegt ze?’ Vraagt Georg. ‘Ze vraagt of e een tweeling zijn. In dat geval zou het niet over gaan voordat de ander gebeten is.’ Zeg ik. ‘Maar hij probeert dat juist tegen te gaan.’ Zegt Georg. Ik knik. ‘Zouden we het hem moeten vertellen?’ Vraagt hij. ‘Hij heeft nu wel genoeg dingen aan zijn hoofd. Ik vertel het nog wel.’ Zeg ik.

Bill’s pov:
Wat bezielde me vannacht? Ik kan deze vraag niet uit mijn hoofd krijgen.
Ik ga naar Gustav. ‘Wat is er vannacht gebeurt?’ Vraag ik. ‘Dat weet ik niet. Maar je vloog Tom ineens aan.’ Zegt hij. Gustav kan duidelijk geen antwoord geven op mijn vraag.
Die avond ga ik al vroeg slapen.
Als ik wakker word hoor ik dat er naast me gerommeld wordt. Het is Tom, die gaat nu ook slapen, net zoals Gustav en Georg. Die zouden ook nog een nachtje blijven.
Ik sluit mijn ogen en val in slaap. Ik droom over wat er vannacht was gebeurt. Ik wil wakker worden, maar het gaat niet. Mijn droom verandert. Ik krijg Tom te pakken. Ik bijt hem en drink zijn bloed. ‘Nee!’ Schreeuw ik. Hijgend word ik wakker. Ik zie de bezorgde gezichten van Gustav en Georg. Ik kijk naast me, naar Tom. Hij ligt met zijn ogen gesloten en er ligt bloed naast hem.
‘Heb ik hem gebeten?’ Vraag ik angstig. Gustav slaat zijn hand voor zijn mond. Georg knikt.
Tranen vullen mijn ogen. Ik pak Tom bij zijn schouders. ‘Tom, wordt wakker. Laat me zien dat je er nog bent.’ Huil ik. Ik leg zijn armen over mijn schouders. Mijn gezicht stop ik in zijn shirt. Dan voel ik dat Tom over mijn Rug wrijft. Hij leeft nog!
Ik laat hem weer op zichzelf zitten. Ik kijk naar hem.
Doordat ik hem heb gebeten is hij nu ook vampier geworden. Nu heeft hij ook rode ogen en lange hoektanden. ‘Tom, het spijt me zo.’ Zeg ik. ‘Jij kon er niets aan doen. Dit zou net zo lang doorgaan totdat je gebeten had.’ Zegt Tom.
Na die avond heb ik niets meer gehoord van de stemmen in mijn hoofd.

Je kunt ervan genieten, je kunt eraan ten onder gaan

Je kunt ervan genieten, je kunt eraan ten onder gaan

In de namiddag wil ik nog naar de stad. Ik kijk Tom, Gustav en Georg heel lief aan of ze mee willen. ‘Vooruit dan maar.’ Zegt Georg. ‘Yeee! Eindelijk gaan jullie weer mee!’ Zeg ik vrolijk. ‘Vind je het gek, bij jou duurt het altijd een eeuwigheid.’ Zegt Tom. Ik negeer het.
Even later zitten we in de bus. Georg en Tom zitten aan de andere kant van het gangpad over “lekkere meiden” te praten. Ik zit naast Gustav. Ik zucht. Wat duurt het lang, ik verveel me.
We rijden langs de rand van het water.
Ik hoor een hoop getoeter en we slingeren heen en weer. Voor ik het weet vallen we met bus en al in het water.
‘ Wat moeten we doen?’ Zeg ik paniekerig tegen Tom. ‘We kunnen proberen om een zijkant open te maken en dan wegvluchten.’ Zegt Tom.
We proberen het, we trekken aan alle deuren maar het gaat niet. ‘Hier hebben we meer mensen voor nodig.’ Zegt Tom. ‘Niet meer mensen, meer vampiers. Die zijn sterker.’ Zeg ik. ‘Leuk bedacht, maar wie willen er nou weer vrijwillig gebeten worden?’ Zegt Tom. We kijken naar Gustav en Georg. Zij snappen de hint ook al. ‘Ok, omdat we anders sowieso geen overlevingskans hebben.’ Zegt Gustav. ‘Inderdaad. Kom maar op.’ Zegt Georg. Hij is wel een beetje bang voor wat er komen gaat.
Daar gaan we. ‘Niet schrikken.’ Zeg ik tegen Gustav. Ik bijt in zijn nek. Het bloed loopt mijn mond in, heerlijk. Langzaam voel ik Gustav onder me wegzakken. ‘Wel blijven staan joh.’ Zeg ik lachend.
Ik kijk naar Georg die een beetje met afschuw naar het tafereel stond te kijken. ‘Komt er nog wat van of moet ik het doen.’ Zeg ik lachend. ‘Laat Tom het maar doen, jij drinkt me vast helemaal leeg.’ Zegt Georg. Tom bijt Georg, ik zie hem genieten, het kan ook niet anders in ons geval.
‘Kom op jongens, we moeten die deur eruit krijgen.’ Zeg ik. Met zijn vieren duwen we tegen de deur aan. En na een tijdje is er resultaat, de deur gaat open. We klimmen naar buiten. ‘We moeten verder vliegen.’ Zeg ik. ‘Hoe?’ Zegt Gustav in paniek.
Shit, even vergeten dat hij dat soort dingen moet leren beheersen. Hetzelfde geldt voor Georg. Ik pak Gustav onder zijn armen langs vast en til hem de lucht in. Tom volgt mijn voorbeeld. ‘Zullen we nog naar de stad gaan?’ Zeg ik sarcastisch. Geen van allen hebben we daar nog zin in. We vliegen gelijk door naar huis.
Als ik naar Gustav kijk merk ik op dat hij nu een makkelijke prooi is. Langzaam open ik mijn mond. ‘Afblijven Bill.’ Hoor ik Tom zeggen. Shit, gesnapt. ‘Bill! Wilde je me wr bijten! Een keer vind ik al meer dan genoeg.’ Zegt Gustav. We vliegen weer verder.
Eenmaal thuis gaan we gelijk voor de tv zitten, ik ga wat zappen.
Dan komt onze bus van vanmiddag langs. Ik laat de zender staan. ‘Vanmiddag is er een bus door de vangrail het water in gereden. De chauffeur verloor de macht over het stuur.’ Vertelt de vrouw. ‘Twee jongens zochten naar een uitgang. Ze probeerden om de deuren open te krijgen, maar dat was tevergeefs. In plaats daarvan bedachten ze dit.’ Zegt de vrouw. Ze laten een filmpje zien waarop je Tom en mij aan de deuren zag trekken en duwen. We overlegden even met elkaar. Vervolgens zie je uitgebreid hoe ik Gustav bijt. ‘Ik hoef het niet nog een keer te beleven.’ Zegt Gustav. ‘Ik vond het anders heel erg lekker.’ Zeg ik. ‘Smeerlap!’ Zegt Gustav weer. Dan worden we onderbroken door de vrouwenstem. ‘Let u vooral op de lange hoektanden en de rode oogkleur. We vermoeden dat het vampiers zijn. Als u deze jongens ziet, neem dan gelijk contact met ons op.’ Zegt ze. ‘Shit, nu kunnen we niet meer over straat.’ Zegt Georg. ‘Het beeld was wazig. Met een beetje geluk worden jullie niet herkend, zo lang waren jullie niet in beeld. En het is gefilmd met een mobieltje, de camera is veel bewogen, dus het is slechte kwaliteit.’ Zeg ik. ‘Maar jij bent lang en dichtbij gefilmd. Dus ze kunnen je herkennen.’ Zegt Tom.
Die nacht gaan we stil naar buiten. Bij een boom blijft Tom staan. ‘Bill, we kunnen beter naar huis gaan.’ Zegt hij. ‘Hoezo?’ Vraag ik nieuwsgierig en ga naar hem toe. Daar is een brief met een foto opgehangen. Met grote letters staat er boven: Gezocht. De foto die eronder staat is wel scherp, maar alleen van mij. ‘Tom, we gaan.’ Zeg ik.
Als we thuis zijn zit ik op de bank. ‘Wat moet ik nou? Ik kan niet meer naar buiten.Moet ik nu voor altijd binnen zitten.’ Zeg ik tegen Tom. ‘Die zoektocht zal toch wel ooit stoppen?’ Zegt hij. Nu zit ik echt in de prut. Ik doe niemand kwaad, en toch word ik gestraft.
Dan wordt er aan de deur gebeld. Tom trekt zijn pet wat lager en doet open. ‘Goede avond. Sorry dat ik u stoor, maar heeft u deze jongen gezien?’ Vraagt een agent. Tom schudt van nee. ‘Ok, bedankt.’ Zegt de agent en gaat weg. Tom sluit de deur. ‘Wat zei je toch weer lekker veel.’ Zeg ik voor de grap. ‘Doe jij de volgende keer dan maar open, eens kijken wat er dan gebeurt.’ Zegt Tom. Hij is duidelijk gerriteerd.
Ik ga naar mijn kamer. Daar ben ik tenminste alleen. Ik zak op mijn bed neer.
Ik hoor Tom praten met Gustav en Georg. Ze gaan naar huis. Niet veel later komt Tom naar boven. ‘Sorry dat ik zo uitviel Bill.’Zegt hij. Ik antwoord niet. ‘Ik was ook gestresst. Ineens komt er zo’n agent die vraagt of ik mijn broertje heb gezien.’ Zegt Tom. ‘Maar jij kunt nog over straat.’ Zeg ik bijna huilend. ‘Ja, maar als ik mijn mond open doe om iets te zeggen ben ik al verraden. ‘Zelfs als mensen goed kijken hebben ze me door. Alleen die agent van daarnet lette daar niet op.’ Zegt hij. Hij heeft gelijk, door n zo’n actie krijgen ze ons allemaal snel door.
Ik zucht diep. ‘Het enige wat ik kan dien is hopen dat het morgen over is.’ Zeg ik. Allebei gaan we slapen.
De volgende ochtend word ik door Tom wakker gemaakt. ‘Bill, wakker worden. We moeten weg hier.’ Zegt hij. Langzaam krijg ik door dat hij haast heeft. Als ik naar buiten kijk zie ik wat hij bdoelt. Ik kan hem nog niets vragen of we zijn al weg. Tom geeft een heel korte uitleg. ‘Die agent van gisteren heeft beter opgelet dan ik dacht.’ Zegt hij. Ik ren achter hem aan het huis uit. We moeten door de menigte. Allemaal handen pakken me vast. ‘Tom! Help!’ Roep ik. Fotografen willen een foto maken, maar ze krijgen me er niet op. Ik ben niet te zien op foto’s, video’s en ik heb ook geen spiegelbeeld. Maar hoe de persoon van het mobieltje ons erop kreeg is mij een raadsel.
Veel mensen trekken aan mijn armen. ‘Laat me los!’ Schreeuw ik. Ik probeer me los te trekken maar het gaat niet. Ze binden mijn polsen op mijn rug. Ik stribbel tegen en doe alsof ik ze ga bijten. Maar dat doe ik niet, dat zijn ze niet waard. Maar dat weten zij niet.

Tom’s pov:
Ze hebben Bill te pakken! Ik hoor hem schreeuwen.
Maar als ik nu in actie kom dan heeft hij daar niets aan, want ze zouden mij waarschijnlijk ook pakken.
Ik zie een soort busje staan met dezelfde naam erop als de naam op de jasjes van de mannen die hem meenemen.
Snel glip ik erin, en niet veel later is Bill er ook. De deuren worden gesloten en de mannen staan buiten te praten. ‘Bill, ik ben hier.’ Fluister ik. Hij kijkt mijn kant op. ‘Tom! Wat ben ik blij om je te zien.’ Zegt hij. De deuren worden weer open gedaan, snel ga ik weer in het donkere hoekje zitten. ‘Eens kijken wat we hier hebben.’ Zegt een man. Hij doet allerlei testjes, en kijkt ook naar Bill’s hartslag. ‘Wat raar. Jouw hartslag gaat trager dan die van de meeste mensen.’ Zegt hij. ‘Dat kon ik je ook wel vertellen.’ Zegt Bill droog. Ik moet moeite doen om mijn lach in te houden. ‘En waarom zei je het dan niet?’ Vraagt de man. ‘Je vroeg er toch niet naar?’En trouwens, zou je mij geloven?’ Zegt Bill. Ik lig plat. Bill met zijn rare opmerkingen. ‘Nou moet jij niet gaan lachen.’ Zegt Bill verontwaardigd. ‘Sorry, ik kon het echt niet meer inhouden.’ Zeg ik. De man staat verbijstert te kijken. ‘Mag ik u even wat uitleggen.’ Zeg ik tegen de man, terwijl ik Bill losmaak.’ Wij doen echt helemaal niets. We willen gewoon leven, net zoals alle andere mensen.’ Leg ik uit. Nu is Bill los. ‘Maar… Op dat filmpje, in de bus –‘ Zegt hij. ‘Als we niets hadden gedaan, dan waren we sowieso verzopen.’ Zegt Bill. ‘En diegenen die wij beten, dat waren onze vrienden. Zo konden we uit de bus ontsnappen.’ Vertel ik. ‘Dus jullie wilden niemand kwaad doen.’ Zegt hij. ‘Bingo. Je hebt het door.’ Zeg ik.

Bill’s pov:
Tom speelt nu een heel slim spelletje. Hij maakt de man ook duidelijk dat we normaal niemand bijten, en dat we er ook niet van genoten hebben. Hij moest eens weten, het was heerlijk!
De man gelooft alles en zet ons thuis af, en hij biedt ook nog zijn excuses aan. We zeggen hem vriendelijk gedag.
Als de deur dicht is, en we weten zeker dat er niemand luistert zeg ik: ‘Tom, ik heb trek.’ ‘En waarin dan wel? Cola, chips, pizza?’ Vraagt hij. Ach… Hij houdt zich weer dom. ‘In jou.’ Zeg ik. ‘Oeh, goed idee, als ik wat van jou mag.’ Zegt hij wenkbrouwwiebelend. ‘Maar je vond het toch helemaal niet lekker, of heb je die arme man de waarheid niet verteld?’ Zeg ik. Terwijl ik praat drijf ik hem steeds meer in een hoekje van de kamer. Nu staat hij met zijn rug tegen de muur aan. ‘Slim spelletje Bill.’ Zegt hij. Ik bijt een snee in Tom’s pols en begin te drinken. Tom doet hetzelfde met mijn pols. We genieten ervan. We zouden wel eeuwig door kunnen gaan.
Er wordt aan de deur gerommeld. De enige die dat kunnen zijn, zijn Gustav en Georg. Zij hebben ook een sleutel van het huis. En inderdaad, zij zijn het. Tom en ik gaan ongestoord verder.
‘Gaat het lekker jongens?’ Zegt Georg lachend. We houden op. Ik lik de laatste restjes van Tom’s pols af. Hij krijgt er kippenvel van. Lachend kijk ik naar hem. ‘Daar kan je niet tegen h.’ Zeg ik lachend. Ik laat zijn pols los. Ondertussen heb ik die van mij ook al terug. ‘En om maar even antwoord te geven op je vraag: Ja, het was hartstikke lekker.’ Zeg ik tegen Georg. Ik zag dat ze allebei een beetje verlekkert hadden staan kijken. ‘Als jullie ook zo graag willen, waarom doen jullie het dan niet?’ Vraagt Tom. Daar moeten ze even over nadenken. ‘Geen idee.’ Geeft Gustav uiteindelijk toe. ‘Eens moet de eerste keer zijn.’ Zeg ik. ‘Je hebt gelijk. ‘ Zegt Georg. ‘Doe dan.’ Moedig ik aan. ‘Mar hoe?’ Vraagt Gustav. ‘Ga gewoon op je instinct af. Dan komt het goed.’ Zegt Tom. Gustav en Georg kijken elkaar even aan, maar na een minuutje zijn ze niet ;meer van elkaar af te houden..
Ik sta naar ze te staren. ‘Kom op kwijlebal, ik heb geen zin om enkel toe te kijken.’ Zegt Tom. Ik krijg een grijns op mijn gezicht, en ook wij genieten weer met volle teugen. Ik sluit mijn ogen om er helemaal van te genieten.

Zo ben ik nou eenmaal, accepteer het maar

Zo ben ik nou eenmaal, accepteer het maar

Van kinds af aan weet ik het al. Het kwam alleen niet allemaal tegelijk. In het begin dachten ze in het ziekenhuis dat mijn hart niet goed klopte. Het ging te traag. Maar ze hebben me alsnog laten gaan, en het gaat prima met me. Later, toen ik eenmaal kon praten en lopen kwam ik erachter dat ik alles gewoon kon zien in het donker. Ik had altijd zwart aan. Waarom wist ik niet, maar nu wel. Wanneer ik me had bezeert was het in no time alweer over.
Het begon met kleine onschuldige dingetjes, maar dat veranderde na een tijdje. Ik had donkerbruine ogen, nu rood. Ik kreeg veel voor elkaar door hypnose. En meer dingen.
Ga je al wat vermoeden? Hierna wel. Laatst kwam er weer wat bij, iets wat ik liever niet gehad had, maar het hoort helaas bij mijn soort. Ik droomde ervan iemand te bijten, bloed te drinken, en daar genoot ik van. Ik schrok wakker en toen had ik dus van die lange hoektanden. Deze wilde ik nooit gaan gebruiken.
Samen met Gustav, Georg en Tom woon ik nu hier in dit huis. Zij hebben gelukkig geaccepteerd hoe ik ben. Tom moest wel, hij is zelf ook zo.

Ik zit in de woonkamer. Gustav komt binnen. ‘Hey Bill. Wat doe je?’ Vraagt hij. ‘Nou, adem halen, bedenken wat ik ga doen, vervelen, voor me uit staren.’ Zeg ik. ‘Ok, heb je zin mom zo mee te gaan naar de muziekwinkel?’ Vraagt hij. ‘Is goed, dan doe ik nog wat nuttigs.’ Zeg ik. Ik doe mijn gympen aan en we gaan weg.
Gustav heeft nieuwe drumstokken nodig, en een nieuw vel voor de snair.
In de winkel kijk ik een beetje rond. Er staan ook wat muziekboekjes. ‘Kun jij noten lezen?’ Vraag ik aan hem. ‘Nee.’ Zegt hij lachend. Terwijl Gustav verder zoekt kijk ik in het rond. Er komt een meisje van ongeveer 12 jaar naar me toe. ‘Coole kleurlenzen. Waar koop je die?’ Vraagt ze. Ik glimlach flauwtjes. ‘Ik heb ze niet gekocht.’ Zeg ik. Ze haalt haar schouders op. ‘Ok.’ Zegt ze, en ze loopt weer weg. Dan komt Gustav naar me toe. ‘Wil jij nog iets kijken?’ Vraagt hij. Ik zeg nee.
Als we thuis zijn ga ik naar het parkje. Daar staat een heel hoge boom, en daar kan ik zo heerlijk in zitten.
Ik klim totdat ik redelijk hoog op een dikke tak zit. Met mijn rug zit ik tegen de stam en mijn benen bungelen naar beneden.
Het zonnetje schijnt, maar ik zit veilig in de schaduw. In zink weg in gedachten.
‘Hallo! Bill, joehoe! Je zit bijna in de zon.’ Zegt Tom ineens. Ik schrik en val bijna naar beneden. Dan zie ik dat mijn broer ondersteboven aan een tak hangt. ‘Als jij zo naar beneden dondert ga ik je niet helpen.’ Zeg ik. ‘Dat doe ik ook niet.’ Zegt hij. ‘Je bent geen vleermuis. Het bloed stijgt naar je hoofd, en dat is niet goed.’ Zeg ik gemeen lachend. ‘Ojee, ik hoor het al. Bill heeft het moeilijk met een nieuw trucje dat hij geleerd Heeft.’Plaagt Tom. Hij lacht zijn tanden bloot, ook zijn lange hoektanden. ‘Je gaat me toch niet vertellen dat jij mensen en dieren gaat doden, alleen om dat uit te proberen?’ Zeg ik. Tom gaat voor me zitten. ‘Natuurlijk niet broertje. Maar ik heb gehoord dat vampiers het ook bij elkaar kunnen doen, en je gaat er niet dood aan.’ Zegt hij. Ik zit met mijn armen over elkaar en geef geen antwoord. ‘Het schijnt erg lekker te zijn.’ Zegt hij. ‘Droom maar lekker verder.’ Zeg ik en geef hem een duwtje. Nu hangt hij ondersteboven aan de tak waar ik op zit. Hij pakt mijn enkels vast en trekt me mee. ‘Oh, fijn, nu hang ik ook ondersteboven. Ben ik even blij dat ik geen vleermuis ben.’ Zeg ik. Tom houdt me goed vast. Ik word een beetje omhoog gehesen. Als ik kijk wat Tom doet zie ik dat hij doet alsof hij in mijn enkel gaat bijten. ‘Laat dat, monkeyboy.’ Zeg ik. ‘Waarom?’ Vraagt hij. ‘Omdat ik mijn voet terug wil.’ Zeg ik. ‘Als ik hem terug geef vals je naar beneden. ‘Zegt Tom. ‘Dat is altijd nog beter dan opgegeten worden door jou.’ Zeg ik. ‘Ok, wat jij wilt.’ Zegt hij, en laat me los. Ik val op de grond. Een stekende pijn gaat door mijn hand. Als ik kijk wat er gebeurd is zie ik dat er een stuk glas in zit. Ondertussen zit Tom naast me. ‘Pijnlijk. Kom eens hier met je hand.’ Zegt hij. Hij haalt voorzichtig het glas eruit en mikt het in de prullenbak. Mijn hand bloedt heel erg. ‘Je moet je hand even schoon maken.’ Zegt hij. ‘Ik heb geen zakdoekjes bij me.’ Zeg ik. ‘Met speeksel kan het ook.’ Zegt hij. Gatver, dat vind ik helemaal vies. Dat ziet hij ook aan mijn gezicht. ‘Ok, ik doe het wel.’ Zegt hij. Voorzichtig likt hij het bloed weg. ‘Tom, je kietelt me.’ Lach ik. Hij heeft een grijns op zijn gezicht en gaat verder. Na een tijdje is de wond helemaal schoon. ‘Tadaa, gefikst.’ Zegt hij. ‘Dat deed je expres h. Omdat ik niet wilde dat je ging bijten.’ Zeg ik. ‘Nee, maar het kwam wel mooi uit.’ Zegt hij glunderend. Ik moet een stukje naar Tom toe schuiven anders zit ik in de zon. ‘Geef toe, jij wilt ook, maar je durft het niet toe te geven.’ Zegt Tom. Terwijl ik nog wat dichter bij ga zitten zeg ik: ‘Aan de ene kant wil ik wel. Zo is ons instinct nou eenmaal. Maar aan de andere kant wil ik niet omdat ik geen mensen of dieren wil doden.’ Zeg ik. Ik schuif nog een stukje naar Tom toe. Nog even en ik zit boven op hem. ‘Aha, je geeft toe dat je wilt. En trouwens, jij en ik leven toch ook allebei nog. Ik bedoel, iemands bloed drinken is niet meer dan even een snee maken, dan genieten en klaar. Alleen er zijn inderdaad van die inhalen die gelijk zo veel willen dat er iemand aan overlijdt. Maar als je niet te veel doet kan het geen kwaad.’ Zegt hij. Nog een keer schuiven, deze keer een groot stuk omdat de zon gevaarlijk dichtbij kwam. Ik zucht. ‘Ik moet je gelijk geven.’ Zeg ik. ‘Dus, doen we het?’ Vraagt hij. ‘Nu? Hier?’ Vraag ik geschrokken. Hij knikt en lacht. Weer schuiven, nu zit ik echt bij Tom op schoot. ‘Alleen als we wat meer in de schaduw zitten.’ Zeg ik. Ik zie een schittering in zijn rode ogen. En ik weet wat hij denkt; Zie je wel dat ik je kan overhalen.
We gaan allebei wat meer in de schaduw zitten. Dan begint Tom Hij bijt in mijn pols. Ik heb geen zin om te wachten en doe hetzelfde bij hem. Het bloed vloeit mijn mond binnen, ik drink het op. Bij mijn pols voel ik hoe Tom zacht met zijn tanden er telkens tegenaan stoot. Hij vindt het heerlijk en ik ook, ik sluit mijn ogen om er extra van te genieten. Voor ons beiden is dit de eerste keer, maar het lijkt alsof we het al heel vaak hebben gedaan.
Als we klaar zijn met de polsen duw ik Tom omver, nu ligt hij op zin rug. We rollen weer een beetje uit de zon. Dan krijg ik zijn nek te pakken. ‘Ik win.’ Fluister ik in zijn oor. Ook in zijn nek bijt ik hem. Hij kan geen kant op, want hij ligt op zin rug en ik zit boven op hem. Ik duw zijn handen in het gras. Voor mensen die niet weten wat wij dan ziet dit er waarschijnlijk heel raar uit. Nog even lik ik het bloed weg. Dan duwt hij me van zich af. Weer rollen we een paar keer om. Nu is het zijn beurt om in mijn nek te bijten. Zijn dreads kriebelen in mijn gezicht. ‘Tom, hou die dreads bij je.’ Zeg ik. Ik voel hoe hij een lach op zin gezicht krijgt. Nog even gaat hij verder, hij likt het schoon en fluistert: ‘Binnenkort wil ik een vervolg.’ ‘Maak je geen zorgen, die krijg je ook.’ Zeg ik. Ik ga rechtop zitten. ‘Wat ga jij zo doen?’ Vraag ik. Tom haalt zijn schouders op. ‘Weet ik niet. Jij?’ Vraagt hij. ‘Ik ga zo nog even een rondje lopen en dan naar huis.’ Zeg ik. ‘Ok, zal ik dan met je mee gaan?’ Vraagt hij. ‘Is goed.’Ik sta op en zeg een zonnebril op. Tom doet hetzelfde.Na een eindje lopen zie ik een meisje. Ze zit helemaal alleen en huilt. ‘Wat is er aan de hand?’ Vraag ik aan haar. Ze veegt haar ogen af en kijkt me aan. Als ik zie dat ze net zoals Tom en ik rode ogen heeft, krijg ik al een vermoede. ‘Je zult me toch niet geloven.’ Snikt ze. ‘Jawel, ze g het maar. Misschien kan ik helpen.’ Zeg ik troostend. ‘Ik…Ik ben vampier. Dat zegt… Zegt mijn moeder.’ Snikt ze. ‘Maar dat is niet erg. Je bent niet de enige.’ Zeg ik. ‘Wie dan nog meer?’ Ze is al wat rustiger geworden. Ik zet min zonnebril af. ‘Ik ook, en mijn broer ook. En er zijn vast nog meer mensen die het zijn.’ Zeg ik. ‘Dank je.’ Zegt ze. ‘Graag gedaan.’ Zeg ik. Ik zet mijn zonnebril weer op, en we lopen verder.
Eenmaal thuis zien we dat Gustav en Georg tv zitten te kijken. ‘Hoi jongens, was het gezellig in het park?’ Vraagt Gustav. Tom en ik krijgen weer een grijns. ‘Heel erg gezellig.’ Zegt Tom. ‘Maar we gaan even naar boven, ik heb Tom wat beloofd.’ Zeg ik. ‘Ok.’ Zegt Gustav. ‘Gen gelieve ons niet te storen.’ Zegt Tom. Georg kijkt ons raar aan. ‘Doei.’ Zeg ik, en we gaan naar boven. ‘Jouw kamer of mijn kamer?’ Vraag ik. ‘Jouw kamer, jij hebt het grootste bed.’ Zegt Tom. Ik moet lachen.
We gaan mijn kamer binnen. Ik doe net de deur dicht en Tom duwt me al tegen de muur aan. Daardoor hoor je een bonk. ‘Gaat het?’ Roept Georg naar boven. ‘Ja hoor.’ Roepen we in koor. Tom gaat weer verder war hij was. Hij bijt in mijn nek. Ik voel zijn tanden weer zacht langs mijn vel gaan. Voorzichtig duwt hij me richting mijn bed. Ik laat me samen met hem op bed vallen. Hij likt zacht het bloed weg. Oh, dit kietelt, daar kan ik niet tegen. Ik maak rare bewegingen met mijn benen. ‘Wat doe je allemaal?’ Vraagt Tom. ‘Je kietelt zo.’ Zeg ik. ‘Je schopte bijna raak.’ Zegt hij. Ik lach. Nu is het mijn beurt. Ik duw Tom opzij en ga op hem zitten. Ik bijt in zijn nek en voor de tweede keer vandaag drink ik zijn bloed. De heerlijkheid vult mijn hele lijf. Ik lik het overige bloed weg. Ik voel dat Tom zachtjes zijn nagels in mijn vel zet. Dan komt Georg binnen. ‘Sorry, ik kom zo wel weer terug.’ Zegt hij als hij ziet dat we nog bezig zijn. ‘We gaan zo weer verder.’ Fluister ik tegen Tom. Ik zie dat hij zich er nu al op verheugt. ‘Kom maar Georg, wat is er?’ Vraag ik. ‘Nee, laat maar, jullie zijn bezig met je eigen dingen.’ Zegt hij. ‘Maar we gaan anders straks wel verder.’ Zeg ik. ‘Ehm, Bill.’ Zegt Tom. ‘Ja?’ Vraag ik. ‘Je zit nog op me, mag ik even rechtop gaan zitten?’ Vraagt hij. Ik voel een rode kleur over mijn wangen lopen, en ga van hem af. ‘Gustav en ik wilden een spel gaan doen op de playstation.’ Zegt Georg. ‘oh, daar heb ik wel zin in.’ Zeg ik. ‘Ik ook wel.’ Zegt Tom. ‘Mooi zo, dan sluiten we hem vast aan. Komen jullie dan ook zo naar beneden?’ Zegt Georg. We knikken. Georg gaat weer naar beneden. ‘Sorry Tom, het wordt nog even uitgesteld.’ Zeg ik. ‘Vanavond dan?’ Vraagt hij. ‘Hmm… Ok.’ Zeg ik.
Nepdreigend duwt hij me tegen de muur. ‘En deze keer houd je je eraan.’ Zegt hij. ‘Ja meester.’ Zeg ik braaf. Zachtjes bijt hij in min oor. ‘Waar was dat nou weer voor nodig?’ Vraag ik. ‘Zodat je gaat luisteren.’ Zegt hij lachend.
Rare jongen, die Tom.
‘Dat duurde wel even.’ Zegt Gustav als we beneden komen. ‘Sorry, maar ik moest Tom beloven dat er vanavond een vervolg komt.’ Zeg ik schijnheilig. ‘Ik vind het best, zolang je ons er maar buiten houdt.’ Zegt Gustav. ‘Wat jij wilt, maar je mist wel wat.’ Zegt Tom. ‘Hou maar op.’ Zegt Georg, en we gaan een spel doen.
Na een tijdje speel ik het spelletje tegen Gustav. Op de achtergrond hoor ik Tom trots vertellen wat er in het parkje gebeurt is. En dat ik eindelijk overgehaald ben. Wanneer mijn beurt voorbij is zie ik dat Georg een beetje wit is weggetrokken door Tom’s verhaal. ‘Tom, het is jouw beurt.’ Zeg ik om Georg te verlossen. ‘Dank je.’ Zegt Georg. ‘Graag gedaan.’ Zeg ik lachend.
Die avond geef ik Tom zijn zin, en we spelen weer het spelletje wie er bovenop mag. Ik bijt in zijn pols. Expres ga ik erlangs met mijn tongpiercing. Eens kijken hoe lang hij dat volhoudt.
Ondertussen ligt hij enkel toe te kijken. ‘Waarom doe je niets?’ Vraag ik. ‘Extra genieten van wat jij doet. En straks wisselen we het om.’ Zegt hij. Ik grijns. Dan ga ik weer verder. Hij houdt het best lang vol, maar na een tijdje geeft hij het op. Nu is Tom aan de beurt. Hij bijt in mijn pols. Ik voel hoe het bloed langzaam over mijn pols sijpelt. Hij likt het weg. Ik krijg er kippenvel van. Hij gaat door. Langzaam gaat hij een stukje over mijn Freiheit tatoeage heen. Schuin kijkt hij me aan, waardoor zijn lippiercing over mijn arm gaat. Hij krijgt zo’n typisch Tom-lachje.
Nog even geniet hij van mijn bloed. Dan stopt hij. Ik a op mijn zij liggen. ‘Dat was het?’ Vraag ik sip. ‘Nee, nog even doorgaan.’ Zegt hij. ‘En wat voor spelletje wordt het deze keer?’ Vraag ik. ‘Wie bovenop ligt, mag bijten.’ Zegt Tom met een grijns. Ik vind het best. Gelijk ga ik bovenop hem zitten en duw zijn polsen in het bed. ‘Leuk spel.’ Zeg ik. Ik bijt in zijn nek. Allebei genieten we ervan. Dan duwt Tom mij omver. Maar waar ik neer hoor te komen, is geen bed meer, en ik val op de grond met Tom bovenop me. Met een slaperig hoofd komt Gustav binnen. ‘Wij willen graag slapen, dus kan het wat zachter?’ Vraagt hij. ‘Ja meneer.’ Zeggen we tegelijk. Als Gustav de deur sluit zegt Tom: ‘En nu is het mijnt beurt.’ Eerst bijt hij zachtjes in mijn nek, steeds iets harder. Uiteindelijk is het hard genoeg om door mijn vel heen te komen. Hij sluit zijn ogen. Even laat ik hem nog genieten. Dan kruip ik onder hem vandaan. ‘Hee, waarom doe je dat nou?’ Zegt hij. ‘Om jou te plagen.’ Zeg ik. ‘Heb jij ook zo’n slaap?’ Vraagt hij uiteindelijk. Ik knik. ‘Ik ga slapen.’ Zeg ik. Snel doe ik mijn kleren uit en ga in mijn boxer in bed liggen. ‘Ik ga ook slapen.’ Zegt Tom. Ook zij staat al snel in zijn boxer. Waarom doet hij dat nou weer hier?
‘Kan ik bij jou komen liggen?’ Vraagt hij slijmerig. ‘En waarom dan wel?’ Vraag ik. ‘Omdat ik er zeker van wil zijn dat er geen andere vampiers langskomen die jou helemaal leegdrinken.’ Zegt hij zo lief mogelijk. ‘Vooruit dan maar, als je me maar niet helemaal lek bijt.’ Zeg ik lachend. ‘I promise.’ Zegt Tom.
De volgende ochtend ben ik al snel wakker. Natuurlijk is Gustav eerder uit bed, maar dat maakt me niet uit.
Tom is nog in dromenland. Hij ligt op zijn rug, zijn mond half open. Ik grijns. Zo kan ik hem toch niet laten liggen? Ik vind dat het tijd voor hem word om wakker te worden. Zacht bijt ik op zijn schouder. Het enige wat hij doet is zich op zijn zij draaien. Weer bijt ik zacht p zijn schouder. Hij wordt wakker, dat werd tijd zeg. Iets harder bijt ik op zijn schouder. ‘Biiill! Ik lach nog te slapen.’ Murmelt hij. Ik pak een van zijn dreads en ga ermee op zijn neus kietelen. Hij keert zich naar me toe. Zijn ene hand links van me, de andere rechts. ‘Jij je zin, ik ben wakker.’ Zegt hij. Ik glimlach breed. Hij weet al wat ik bedoel. ‘Beetje trek Bill?’ Plaagt hij. Ik knik. Ik duw tegen zijn ellebogen waardoor hij bovenop me valt. Ik keer ons om zodat hij onderop ligt. Hij lacht. ‘Slim hoor.’ Zegt hij. Ik bijt op zijn schouder, maar deze keer bijt ik door. Ik drink zijn bloed weer en lik het af. Ik ga met mijn oor op zijn borst liggen. Zijn hart klopt sneller dan normaal. Ik kijk naar boven. ‘Wat lijk je zo klein.’ Zegt Tom. ‘Ik blijf wel 3 centimeter groter dan jou hoor.’ Zeg ik met een piepstemmetje. Tom schiet in de lach, daardoor beweegt zijn borst op en neer. ‘Niet zo wiebelen, ik word zeeziek.’ Zeg ik. ‘Je weet toch dat wanneer ik ons omdraai dat ik jouw hoofd plet.’ Zegt hij. Snel ga ik wat meer omhoog, en Tom draait ons om. Hij volgt mijn voorbeeld, en bijt in mijn schouder. Ik pak zijn handen en zet mijn nagels in zijn vel. Nog even likt hij het bloed weg, en ik knijp in zijn handen. Dan gaat hij van me af. ‘Ik ga me omkleden.’ Zegt hij. ‘Is goed.’ Als hij weg is besluit ik om alvast wat kleren bij elkaar te rapen. Na een tijdje roept Tom dat hij klaar is. Dan ga ik me omkleden. Ik stijl mijn haar en doe mijn armbanden en ketting om.
Als ik beneden kom zegt Tom: ‘Hallo bloedzuigertje.’ Ik steek mijn tong naar hem uit. ‘Moet jij zeggen. En wie van ons tween hangt er ondersteboven in bomen.’ Zeg ik. ‘Nou, jij kon er anders ook wat van.’ Plaagt Tom. ‘Ojee, zijn jullie vanmorgen weer bezig geweest?’ Vraagt Gustav. ‘Jup, Bill kon het weer niet laten.’ Zegt Tom. ‘Jij anders ook niet.’ Zeg ik. ‘Maar jij maakt me wakker door in mijn schouder te bijten.’ Zegt hij, maar in zijn ogen zie ik dat hij het helemaal niet erg vond. ‘Jij houd me wakker met die bijtspelletjes van je.’ Zeg ik. ‘Ik hoor het al, Kaulitz en Kaulitz hebben het naar hun zin gehad.’ Zegt Georg. We knikken. ‘Vanmiddag weer?’ Vraagt Tom. ‘Is goed.’ Zeg ik.
En na vanmiddag volgen nog vele keren.

En hoe verder?

En hoe verder?

Het is ochtend, gapend word ik wakker. In de kamer naast me hoor ik Bill praten in zijn slaap. Onze ouders zijn beneden druk bezig met van alles en nog wat. Ik snap het niet, het is wekend, en toch hebben ze haast.
Gisteren hebben Bill en ik besloten om vandaag ons geheim aan onze ouders te vertellen. We vinden dat zij het recht hebben om het te weten.
Ik ga me alvast omkleden. Als ik de badkamer weer uitkom is Bill ook wakker. Ik wacht even totdat hij zich ook heeft ongekleed. ‘Gaan we het nu vertellen?’ Vraag ik. Hij knikt. Beide zijn we zenuwachtig voor hun reactie.
Samen lopen we naar beneden. ‘Mam, Gordon, we willen jullie iets vertellen.’ Begin ik. ‘Vertel maar lieverd.’ Zegt mijn moeder, terwijl ze nog druk heen en weer loopt. ‘Het is belangrijk, en we willen dat jullie even goed luisteren.’ Zegt Bill.
Ze gaan op de bank zitten, en wij zitten tegenover ze. ‘Willen jullie ons asjeblieft beloven dat je ons hierna niet anders gaat behandelen?’ Vraag ik van tevoren. Beide knikken ze. ‘Ok. Het zit zo. Tom en ik zijn erachter gekomen dat we vampier zijn.’ Begint Bill. ‘Het is al een tijdje zo, maar we vonden dat jullie het ook moesten weten.’ Maak ik het verhaal af. Gordon weet even niets te zeggen. ‘Hoe kan dat?’ Zegt mijn moeder verslagen. ‘Geen idee.’ Zeggen Bill en ik tegelijk. ‘Zeg eens eerlijk. Drinken jullie ook bloed van andere mensen?’ Vraagt Gordon. Even is het stil. We knikken. Mijn moeder slaat haar hand voor haar mond. ‘Maar het is alleen van elkaar, niet van andere mensen.’ Probeer ik. Het is duidelijk dat ze allebei geschrokken zijn.
Bill en ik gaan weg. Ik denk dat het beter is om ze alleen te laten. Ik loop met mijn handen in mijn broekzakken. ‘Het ging niet zo goed als ik gehoopt had.’ Zegt Bill. Hij haalt me de woorden uit mijn mond. ‘Misschien was het toch niet zo handig.’ Zeg ik.
Na een tijdje zijn we het blokje rond gelopen. Als ik de deur open doe staan er vier koffers in de gang. ‘Wat heeft dit te betekenen?’ Zeg ik. Dan komt onze moeder eraan. ‘Sorry jongens, maar het is beter als jullie op jezelf gaan wonen. Gordon en ik hebben jullie koffers ingepakt.’ Zegt ze. Met open mond staar ik haar aan. Ik weet dat het niet zo soepel ging en dat ze waren geschrokken. Maar ik wist niet dat het zo erg is. ‘Wat! Je zet ons gewoon het huis uit! Als oud vuil?’ Roept Bill boos. Mijn moeder knikt, een traan glijdt over haar wang. ‘Maar mam, we doen toch niets.’ Zeg ik zacht en veeg haar traan weg. ‘Ga. Nu.’ Zegt ze, en keert ons haar rug toe. Verslagen pak ik mijn twee koffers op en ga weg, Bill volgt mijn voorbeeld. In het parkje gaan we even zitten. ‘Hoe moet het verder?’ Vraagt Bill. ‘We zullen een huis moeten kopen, dan hebben we in ieder geval onderdak.’ Zeg ik. ‘Maar dan zijn we gelijk blut.’ Zegt Bill. ‘Wat wil je dan doen?’ Vraag ik. Hij haalt zijn schouders op.
Een paar weken later wonen Bill en ik in een huis. We konden tot die tijd bij Gustav en Georg logeren. Ook zij vonden het niet kunnen wat mam en Gordon geflikt hebben. We hebben een hele tijd moeten bezuinigen op van alles en nog wat, maar nu gaat het weer goed.
Ik zit in twijfel, zal ik naar huis bellen om te vragen hoe het gaat? Of zal ik niets van me laten horen? Ik vraag het aan Bill. ‘We hebben de huissleutel nog, dus we kunnen zo langs gaan.’ Zegt hij. Die middag gaan we dus naar ons “oude” huis. Als ik de deur van het slot draai komt onze moeder de gang in gelopen. ‘Wat willen jullie.’ Zegt ze overstuur. ‘Niets, we komen gewoon even langs.’ Zegt Bill. Ze probeert de deur dicht te doen, maar ik ben haar voor en zet mijn voet er tussen. ‘Waarom doe je dit?’ Vraag ik aan haar. Ze geeft geen antwoord. Langzaam duw ik de deur weer open en kijk in haar ogen. ‘Mam, we blijven je kinderen. Je kunt er niet van uitgaan dat we je niet meer willen zien.’ Zeg ik. ‘Maar jullie zijn -’ Begint ze. ‘Ja, al heel lang. Al voordat we het jullie vertelden. Toe n hebben we toch ook niets uitgespookt.’ Zegt Bill. ‘Ik hoop dat je begrijpt dat wij het niet eens zijn met jullie keuze.’ Zeg ik. Ondertussen ben ik het zat aan het worden om enkel mijn excuses te moeten aanbieden voor iets wat ik niet heb gedaan. Ik ga weg, nu heb ik er totaal geen zin meer in. Nog even kijk ik om, maar ik besef dat het zo toch niet gaat werken.
Eenmaal thuis ga ik boos op de bank zitten. Bill blijft staan, ik heb geen idee waarom. ‘Het heeft allemaal geen zin meer.’ Zeg ik zacht. ‘Om alles opnieuw te beginnen niet nee. Gelukkig snappen Gustav en Georg het.’ Zegt Bill. Hij ploft naast me op de bank. Ik ga tegen hem aan zitten en leg mijn hoofd op zijn schouder. ‘Wij kunnen er ook niets aan doen.’ Zegt hij zacht. Ik ga iets dichter bij zitten. Zacht bijt ik in zijn nek. Hij krijgt een glimlachje en kijkt me aan. Onschuldig kijk ik naar boven. ‘Stiekemerd.’ Zegt hij. Ik bijt zacht in zijn oor, die is nu makkelijker te bereiken. ‘Daarnet vond ik het toch lekkerder.’ Zegt hij. ‘Ik ook.’ Zeg ik lachend. Ik ga weer over op zijn nek. Ik bijt eerst zacht, en daarna bijt ik door. Het bloed sijpelt mijn mond in. Ik lik het af. Als ik nog eens wil bijten duwt Bill me zacht van zich af. ‘Niet voor je beurt gaan Toms.’ Zegt hij. Hij duwt me op de bank en bijt in mijn nek. Hij drinkt. Ik knijp mijn T-shirt fijn, niet omdat het pijn doet, maar ook voor mij is het een heerlijk gevoel waar ik van kan genieten. Zijn tanden stoten zacht in mijn nek, en zijn haar kriebelt in mijn gezicht. Uitdagend likt hij het overige bloed weg. Als hij weer rechtop gaat zitten, blijf ik nog even nagenieten. ‘Je bent toch niet in slaap gevallen Tommie.’ Zegt hij. Expres geef ik geen reactie, eens kijken wat hij doet.

Bill’s pov:
Ik weet zeker dat Tom doet alsof hij slaapt. Ik speel het spelletje mee. Ik hijs hem op mijn rug. Zijn armen hangen slap over mijn schouders, zijn hoofd steunt op mijn schouder tegen mijn hoofd aan. Zijn benend bungelen slap naar beneden, en stoten bijna de glazen om die nog op tafel staan. Ik neem hem mee naar boven en leg hem op zijn bed. Nog steeds geeft hij geen reactie. Dan stop ik hem maar in. Eerst zijn pet af. De hoofdband volgt, hoewel ik wel even loop te klooien met zijn dreads. Geen reactie. Dus zo wil hij het gaan spelen? Langzaam trek ik zijn T-shirt uit. Weer die irritante dreads. Hup, broek weg, sokken uit. ‘Shit, nu krijgen we die irritante muts.’ Zeg ik zacht. Ik vis hem uit zijn la. Hoe deed hij dat ding ook alweer op? Ik houd al zijn dreads een beetje omhoog en doe de muts erover heen. Ik trek hem een beetje naar beneden zodat hij wat meer over Tom’s hoofd zit. Het zit nog best goed. ‘Charmant hoor, in je boxer, met je muts op.’ Zeg ik lachend. Ik stop hem onder de dekens. Ik plof bovenop hem. ‘Tijd om wakker te worden.’ Zeg ik. ‘Pff… Bill, kon je dat niet wat zachter doen.’ Vraagt Tom. ‘Oeh, het leeft.’ Zeg ik. Hij moet ook lachen, hoewel dat moeilijk gaat nu ik bovenop hem zit. ‘Bill, wil je van me af gaan?’ Vraagt hij. ‘Waarom?’ Zeg ik uitdagend. ‘Omdat ik anders zorg dat jij van me af gaat, en geloof me, dat wil je niet.’ Zegt hij. ‘En waarom wil ik dat niet?’ Vraag ik. ‘Omdat ik weet waar jij niet tegen kunt.’ Zegt hij. Dan begint hij me vreselijk te kietelen. Ik kronkel van het bed af, en Tom achtervolgt me. In zijn boxer wel te verstaan. Al snel heeft hij me klem gezet in een hoekje van zijn kamer. Hij zit bovenop me. Zijn benen klemmen zich om de mijne, hij houdt mijn polsen stevig tegen de grond gedrukt. ‘Ojee, zit Bill nu in de val?’ Zegt hij lachend. ‘Ja, maar je kunt me niet kietelen, want je hebt geen 3 armen.’ Zeg ik lachend. ‘Dat is mijn plannetje ook helemaal niet.’ Zegt hij zacht. Ik doe nog een poging om me te bewegen, maar dat gaat echt niet. Hij buigt zich over me heen. Zacht bijt hij. Dan iets harder. Maar hij bijt nog niet helemaal door. Ik verpest zijn feestje door mijn gezicht naar hem toe te draaien. ‘Waarom doe je dat nou?’ Zegt hij. ‘Om jou te plagen.’ Ik lach. Tom is even afgeleid en ik duw hem van me af. ‘Daar gaat mijn lekkere hapje.’ Zegt hij met een pruillip. ‘Jij hebt al genoeg gehad. Zorg eerst maar dat je weer bent aangekleed.’ Plaag ik. Tom was even rechtop gaan zitten, maar laat zich weer naar achteren vallen. ‘Wat heb ik een gemeen broertje.’ Zegt hij. ‘Goed h.’ Zeg ik.
Hij let niet op en ik neem zijn pet mee. Dit is zijn favoriet, dus hij zal me niet snel laten gaan. Ik ga naar beneden. Na een tijdje hoor ik dat het plannetje heeft gewerkt. BILL KAULITZ! WAAR HEB JE MIJN PET GELATEN!’ Hoor ik van boven komen. Ik zet mijn ipod op en zet zijn pet op. Wat een groot ding! Hij zakt gelijk over mijn neus heen. Dan komt Tom binnenstormen. ‘Daar heb je hem dus gelaten.’ Zegt hij. Ik doe alsof ik van niets weet en trek de oordopjes uit mijn oren. ‘Wat is er?’ Vraag ik. ‘Niets, mijn petje is terug.’ Zegt Tom, en pikt hem van mijn hoofd. ‘Miste je hem al?’ Vraag ik. ‘Ja.’ Zegt hij met een engelengezichtje. ‘Ik ook. Nu kan ik dit weer doen.’ En ik sla op zijn pet. Snel ren ik naar buiten. Op naar Georg’s huis.
De hele weg lang zit Tom me op de hielen. Ik bel snel aan bij Georg. Als hij open doet schiet ik snel naar binnen en doe de deur dicht. We horen een bonk en vervolgens ‘Auw, Bill’. Ik doe de deur open. ‘Je kunt ook gewoon aanbellen. Dat is veel handiger.’ Zeg ik. Tom wrijft over zijn neus. Georg schiet in de lach van Tom’s domme actie. Met zijn drien gaan we naar binnen. ‘Dus, wat brengt jullie hier.’ Vraagt Georg. ‘Nou, dat Tom achter me aanzat.’ Zeg ik. ‘Aha. Handig.’ Zegt hij. Hij pakt 3 glazen en vult ze met cola. ‘En hoe gaat het bij jullie thuis?’ Vraagt hij terwijl hij de glazen neerzet. ‘Goed hoor. Bill heeft de rare gewoonte gekregen dat hij niet meer van me af kan blijven.’ Zegt Tom. Ik geef hem een por. Georg moet lachen. ‘Dus het gaat wel goed met jullie.’ Zegt hij. ‘Ja hoor, het is alleen wel jammer dat Tom in slaap valt als ik net bezig ben met genieten.’ Zeg ik. ‘Kan ik er wat aan doen dat jij zo slaapverwekkend bent.’ ‘Ik stopte je ten minste wel in. Da’s toch aardig?’ ‘Ja, maar wel eerst zorgen dat ik in mijn boxer lig.’ ‘Zo slaap je toch altijd.’ Plaag ik terug. ‘Ja, nou.’ Tom weet niets meer te zeggen.

Tom’s pov:
Ik houd mijn mond maar. Toen ik deed alsof ik sliep had ik stiekem gehoopt dat Bill zou bijten. De eerstvolgende keer dat dat kan, hap ik toe. Ik heb echt vreselijke trek, niet normaal. Normaal gesproken is het niet zo erg. Ik wil mijn glas cola leegdrinken. Ik zeg het glas tegen mijn mond. ‘Auw.’ Zeg ik ineens. ‘Wat doe je?’ Vraagt Bill. ‘Ik stoot dat glas tegen mijn tanden.’ Zeg ik met een hand voor mijn mond. ‘Achossie, moet ik je troosten.’ Zegt Bill gemeen. Ik steek mijn tong uit en drink mijn cola op. Bill en Georg drinken hun glas ook leeg. Dan wordt Georg gebeld. ‘ Even de telefoon opnemen. Breken jullie de tent niet af hier?’ Zegt hij. ‘Nee hoor. Doen wij nooit.’ Zeg ik overdrijvend. Georg loopt de kamer uit. Even kijk ik naar Bill. ‘Aanvallen!’ Roep ik. Hij schrikt op uit zijn gedachten, en voor hij het weet zit ik bovenop hem. ‘Nu heb ik je te pakken.’ Zeg ik. Hij glimlacht. Ik bijt in zijn nek. Het bloed sijpelt langzaam uit de wond. Ik drink het op. Ik voel dat Bill onder me vandaan wilt kruipen maar ik pak zijn armen vast. Even lik ik de wond schoon. ‘Wil mijn prooitje ontsnappen?’ Zeg ik. ‘Nee, jouw prooitje wil ook genieten.’ Zegt Bill. We draaien de rollen om. Nu ligt Bill bovenop, en kan ik niet onder hem vandaan. Hij bijt in mijn nek en geniet weer. Ik laat me helemaal slap worden. Hij likt het bloed weg. Dan komt Georg binnen. ‘Jullie kunnen echt niet van elkaar afblijven h.’ Zegt hij. ‘Sorry, dat hoort er nou eenmaal bij.’ Zegt Bill. Jammer dat hij nu bovenop me zit, want ik had best Georg’s reactie willen zien. ‘Gustav was daarnet diegene die jullie de mogelijkheid gaf om toe te happen, hij zei dat hij zo hierheen komt.’ Zegt Georg. ‘Nou Bill, dan moeten we hem zo maar gaan bedanken.’ Zeg ik. Dan wordt er aan de deur gebeld, en Georg doet open. ‘Ojee, zijn we nou weer alleen.’ Zeg ik. Bill weet wat ik bedoel. Hij bijt in mijn pols en drinkt weer. Ook al is het nu niet mijn beurt, ik geniet er echt van. ‘Houd je nog wat voor me over, ik moet nog even blijven leven.’ Zeg ik. Bill likt de laatste resten weg. ‘Natuurlijk Tom, ik drink Toch geen 6 liter in ene keer?’ Zegt hij. ‘Dat zou je wel willen.’ Zeg ik. Ik keer hem op zijn rug en begin aan zijn pols. Ik drink zijn bloed, en aan zijn gezicht te zien heeft hij er ook nog steeds plezier in. Dan komen Gustav en Georg binnen. ‘Niet weer h.’ Zegt Georg lachend. Mij maakt het niets uit wat hij zegt, ik ga nog door. ‘We willen geen pottekijkers.’ Zegt Bill. ‘Hee! Het is wel mijn huis.’ Zegt Georg. ‘Weet ik. Maar het is hier mijn arm die leeggezogen wordt.’ Zegt Bill. Er kruipt een grijns over mijn gezicht. Nog even lik ik de laatste restjes weg. ‘Hier heb je je arm terug.’ Zeg ik. ‘Je genoot er wel van h.’ Zegt Gustav. ‘Jazeker, totdat jullie onze pret kwamen verstoren.’ Zeg ik lachend. Bill moet lachen. ‘Niet doen! Je hobbelt zo veel!’ Zeg ik als een klein kind. Daardoor moet Bill nog meer lachen. ‘Pff… Ben blij dat je het naar je zin hebt.’ Zeg ik. ‘Zullen we even weggaan?’ Vraagt Georg. ‘Is goed.’ Zeg ik, en laat me van Bill af glijden.
Als we buiten lopen moeten Bill en ik af en toe moeite doen om niet in de zon te lopen. Sommige mensen kijken ons raar aan als ze 2 jongens van 18 zo moeilijk ziet doen. Maar we negeren het.
Na een tijdje komt er een mevrouw op ons af die zegt dat ze een waarzegster is. Ze heeft een ketting om met een groot kruis eraan. Bill en ik schieten een beetje in de stress. ‘Maak je geen zorgen. De Heer is bij u.’ Zegt ze. ‘Ja, ja. Het zal wel weer.’ Zeg ik snel. Ik wil van dat mens af. ‘Wil je je toekomst niet weten?’ Vraagt ze terwijl ze ons achtervolgt. ‘Nee, nee. Dat hoeft echt niet mevrouw. Ik denk dat het beter is als dat een geheim blijft.’ Zegt Bill. We houden de vrouw achter ons zo erg in de gaten dat we tegen een man opbotsen. Als ik voor me kijk zie ik dat de man ook een groot kruis op zijn borst heeft hangen. We raken een beetje in paniek en rennen een donker zijstraatje in. Na een tijdje horen we de stemmen van Gustav en Georg. ‘Bill! Tom! Waar zitten jullie?’ Roepen ze. Dan zien we ze voor het steegje staan.’ Hier in.’ Roep ik. Ze lopen het steegje in. ‘Ik zie niets.’ Hoor ik Gustav zeggen. ‘Wij komen wel naar jullie toe.’ Zegt Bill. ‘Wij zien tenminste iets.’ Zeg ik lachend. We gaan naar ze toe. ‘Daar komen de rode oogjes.’ Zegt Georg. ‘Daar kan ik ook niets aan doen.’ Zeg ik. ‘Ik vind het er wel grappig uit zien, wij zien helemaal niets, en ineens verschijnen er twee paar rode ogen.’ Zegt Gustav lachend. Bill en ik kijken elkaar aan. Ik haal mijn schouders op. Bill moet lachen. ‘Wat is er nou?’ Vraagt Gustav. ‘Niets.’ Zeggen we tegelijk. ‘Zullen we dan weer gaan?’ Vraagt Georg. ‘Is de kust veilig? Is die man weg? En die vrouw?’ Vraag ik snel. ‘Ja, die zijn weg. Waar waren jullie nou zo bang voor?’ Vraagt Georg. ‘Ze hadden zo’n kruis om.’ Zeg ik. ‘Dus?’ Vraagt Georg. ‘Nou, daar zijn vampiers nou een maal bang voor.’ Legt Bill uit. ‘Nou, toevallig hebben mijn ouders zo’n ding nog thuis liggen.’ Begint Georg. ‘Geo! Kappen!’ Zeggen we. ‘Ok, ok. Als jullie ons helppen om hier weer uit te komen.’ Zegt hij. Niet veel later zijn we uit het steegje. ‘Dat is beter.’ Zegt Gustav. ‘Ik vond het steegje prettiger. Daar hoefde ik niet op te letten voor de zon.’ Zeg ik lachend. ‘Ik vond het steegje ook beter.’ Zegt Bill.
We lopen weer door. Na een tijdje komt er ene oud vrouwtje naar ons toe met een beeldje van Jezus aan het kruis. Ik verschiet van kleur. Gelukkig schiet Gustav me te hulp. ‘Sorry, mevrouw maar we hebben geen interesse.’ Zegt hij, en trekt mij en Bill mee. Ik zucht. ‘Dank je.’ Zeg ik. We lopen verder over het marktje. Veel mensen proberen ons wat aan te smeren, maar we slaan alles af. ‘Zullen we zo wat gaan drinken?’ Stelt Georg voor. ‘Goed idee, hoeveel zou Bill kosten?’ Vraag ik. Ik krijg een por in mijn zij. ‘Meer dan jij je kunt voorstellen.’ Zegt Bill. Ik lach.
Als Bill en ik laat in de middag weer thuis zijn kunnen we het niet laten om een verwenbeurtje af te slaan. Maar dan natuurlijk op onze manier.

Rette mich

Rette mich

Bill’s pov:
Het is een warme dag. Ik zit lekker in de zon. Ineens wordt mijn zonnebril van mijn neus gepakt. Ik zie Tom ermee wegrennen. Ik zet de achtervolging in. ‘Tom, geef mijn zonnebril terug!’ Roep ik lachend naar hem. Ineens begin ik heel erg te piepen wanneer ik inadem. Dit klinkt niet goed. Ik krijg het benauwd en zak neer op de grond. Tom komt naar me toe gerent. ‘Bill, gaat het een beetje?’ Vraagt hij bezorgd. Ik zit nog steeds te hijgen, en mijn adem piept nog steeds. Ik schud van nee. Tom helpt me overeind en samen gaan we naar de huisarts. Daar blijkt dat ik astma heb. ‘Maar ik heb er nooit last van gehad.’ Zeg ik. ‘Sommige mensen hebben er al last van vanaf de geboorte, anderen merken het later pas.’ Zegt de huisarts. Ik krijg een inhaler mee. Die moet ik gebruiken wanneer ik weer een aanval heb. Tom en ik gaan weer naar huis. ‘En nu?’ Vraagt hij. ‘Ik wil nog wel alles gewoon blijven doen. Je weet wel, concerten geven enzo.’ Zeg ik. ‘Als je maar aangeeft wanneer het niet meer gaat, dan vind ik het best. En je moet je niet groot houden voor de anderen.’ Zegt Tom. Hij heeft gelijk. En ik weet ook best dat wanneer het niet gaat, dat het dan erger kan uitlopen dan daarnet. ‘Zullen we een spelletje gaan doen?’ Vraag ik. ‘Wat dan? Het is zo warm.’ Zegt Tom. ‘Ik weet wat. Ik ga jou natspuiten met de tuinslang.’ Zeg ik. ‘Als ik dat daarna bij jou mag doen.’ Zegt hij. ‘Nee, dat is nou het leuke aan het “spel”.’ Zeg ik lachend. ‘Jij bent gemeen.’ Zegt hij. Ik lach flauw. ‘Zullen we anders naar het zwembad gaan?’ Stel ik voor om hem maar in beweging te krijgen. ‘Dat vind ik een goed idee.’ Zegt hij gelijk en gaat naar boven om zijn zwembroek aan te doen en een handdoek in te pakken. Ik ga me ook omkleden en pak wat spullen in. Portemonnee, blikjes drinken, handdoek, borstel, wat te eten, ipod. Dat is wel genoeg denk ik. Met de tas ga ik weer naar beneden. Tom staat beneden al klaar. ‘Kan mijn handdoek ook bij jou in de tas? Anders moeten we er twee meenemen.’ Zegt hij. ‘Ok. Prop er maar bij.’ Zeg ik lachend. We lopen naar het zwembad toe, het is toch heel erg dichtbij. Eenmaal daar zoeken we een leuk plekje uit en leggen onze spullen daar. We pakken nog niets uit, en gaan gelijk het water in. Ik spring eerst het water in. Brrr… Best koud. ‘Hoe is het water?’ Vraagt Tom. ‘Lekker.’ Zeg ik. Hij springt er ook in. ‘Brrr… het is hartstikke koud man.’ Zegt hij, en snel klimt hij er weer uit. Ik moet lachen. ‘Als je het zo doet kom je nooit door.’ Zeg ik. ‘Je hebt gelijk.’ En hij gaat er weer in. ‘De tweede keer is het een stuk minder erg.’ Zegt hij. We zwemmen wat rond en klooien een beetje. ‘Wedstrijdje doen?’ Vraagt Tom. ‘Hmmm… Wat voor wedstrijdje dan?’ Vraag ik. ‘Gewoon twee baantjes, eentje heen eentje terug. Wie het snelste is wint.’ Zegt hij. ‘En wat wint de winnaar?’ Vraag ik. ‘Nou, dat hij de winnaar is. Geen idee. Het is toch maar voor de lol.’ Zegt hij. ‘Ok, n keertje dan.’ Zeg ik. Tom telt van 3 naar 0 af en we beginnen. We gaan gelijk op, maar met omkeren naar de terugweg ben ik net iets sneller. Wanneer ik wil inademen verslik ik me en hap water mee. Ik stop maar even om uit te hoesten en Tom zwemt me als een gek voorbij, maar halverwege stopt hij ook, en gaat terug. Ik kan maar niet ophouden met hoesten. Tom begeleidt me naar een stuk waar we wat makkelijker kunnen staan. Ik leun tegen de kant aan. Na een hele tijd is het eindelijk over, en ben ik buiten adem. ‘Je moet je niet gelijk gaan verslikken als je een voorsprong hebt.’ Zegt Tom lachend. Ik glimlach flauw. ‘Zullen we weer verder gaan?’ Vraag ik uiteindelijk. Hij knikt. We zwemmen nog 2 uur lang en gaan dan weer naar huis. De hele terugweg loopt Tom te zeuren dat hij verbrand is, en dat het zo irriteert. ‘Dan had je je maar moeten insmeren slimpie.’ Zeg ik. Ik ben ook wel verbrand, maar minder dan hij, ik was namelijk wel zo handig geweest om me in te smeren. Als we thuis zijn is het alweer 5 uur. Tom gaat in de tuin zitten met zijn ipod op. Ik leg de tas weg. Ik ga achter hem staan en trek de oordopjes uit zijn oren. ‘Hee gezellige, ga je je nu al afsluiten van de rest van de wereld.’ Zeg ik plagend. ‘Ja, heb je daar problemen mee?’ Vraagt hij. ‘Nou, het is wel saai met jou, maar helemaal zonder jou.’ Zeg ik. Ik ga weer naar binnen. Dan word ik gebeld op mijn mobiel, het is Gustav. ‘Hoi Gustav.’ Zeg ik vrolijk. ‘Hee, Bill. Hoe is het?’ Vraagt hij. Had hij dat nou maar niet gevraagd. Nouja, ik moet het toch een keer vertellen. ‘Goed, maar vanmiddag wat minder.’ Zeg ik. ‘Hoezo? Je hebt toch niet Tom’s schoot ondergekotst.’ Zegt hij lachend. ‘Nee, maar ik moest naar de huisarts die mij de leuke mededeling gaf dat ik astma heb.’ Zeg ik sarcastisch. ‘Echt? Daar heb ik nooit wat van gemerkt.’ Zegt Gustav verbaast. ‘Ik ook niet. Dat vond ik wel raar. Maar ik heb zo’n apparaatje meegekregen voor als het niet ging. Maar nu gaat het wel weer. En hoe ziet het leven er bij jou uit?’ Vraag ik. ‘Bij mij wel goed hoor. Maar waar ik eigenlijk voor belde was om te vertellen dat we binnenkort weer een tour hebben. David belde me daarnet. Hij kreeg jullie niet te pakken en maakte zich ongerust.’ Vertelt Gustav. ‘Ah, arme David, maakt zich zo snel weer zorgen om ons.’ Zeg ik lachend. ‘Hahahaha…Ja.’ Lacht Gustav. ‘En wanneer begint de tour weer?’ Vraag ik. ‘Over een week.’ ‘Dan al!’ Ik schrik me kapot. ‘Ja, de nummers die we gaan spelen krijgen we nog door, maar het worden vooral de Duitse nummers.’ Zegt Gustav. ‘Nou, dan moeten we nog eens gaan opschieten met inpakken.’ Zeg ik. ‘Jup, maar ik ga weer ok, mijn beltegoed is bijna op, en ik moet David nog geruststellen.’ ‘Is goed, doei.’ ‘Doei.’ We hangen allebei op. ‘Tom! We hebben volgende week weer een tour.’ Roep ik naar buiten. ‘Wat?’ Zegt hij. ‘Volgende week begint er weer een tour door Europa.’ Zeg ik. ‘Zo snel al? Weten we al welke nummers we gaan spelen?’ Vraagt hij. ‘Nee, maar het schijnen vooral Duitse nummers te zijn.’ Zeg ik. ‘Daar heb ik veel aan, de melodie blijft hetzelfde, dat maakt alleen wat voor jou uit.’ Zegt hij. ‘Met Wo sind eure Hnde niet.’ Zeg ik. ‘Dat is wel n zinnetje.’ Zegt hij. ‘Oh, wil jij anders het hele concert zingen?’ Zeg ik. ‘Je bent gewoon jaloers.’ Zegt hij plagend. ‘Wat jij wilt joh.’ Zeg ik, en ga naar boven.
Een week later zijn we druk bezig met touren. Tom is nerveus bezig met zijn gitaar en Gustav drumt op de tafel. Georg lijkt nog het rustigst van de drie. Ik maak me ook wel erg druk, als ik het maar niet benauwt krijg op het podium. Wat moet ik dan doen? Ik heb Georg en David er ook al van op de hoogte gebracht. Vanavond is het eerste concert. Als we eindelijk bij de hal aankomen, staat het er al vol met gillende fans. Hoelang zouden ze daar al staan wachten?
Ik volg de rest en we worden naar de backstage geleid. Tom komt naast me lopen. ‘Wat is er Bill?’ Vraagt hij. ‘Niets, hoezo?’ Vraag ik. ‘Je bent een beetje afwezig. En ik ben er zeker van dat er wel wat is.’ Zegt Tom. Ik kijk naar de grond. ‘Je hebt gelijk. Maar ik loop me zo druk te maken. Wat als het midden in een nummer niet meer gaat?’ Vraag ik. ‘Dan kun je twee dingen doen. Je kunt proberen om het nummer af te zingen en dan backstage gaan, en wat je ook kunt doen als het eerste niet kan is gewoon ophouden en gelijk backstage gaan. Wij verzinnen er wel wat op. Ik heb liever dat je van het podium af moet, dan dat we naar het ziekenhuis met je moeten.’ Zegt hij. Ik glimlach flauw. ‘Ok, dank je.’ Zeg ik.
Die avond is de eerste show van de tour. We staan in de gang naar het podium. Ik hoor alle fans al schreeuwen. Ik mag ze niet teleur stellen, maar als het niet meer gaat, dan kan ik dat maar beter wel doen. Tom begint met spelen. Al snel komen Gustav en Georg erbij. Nog heel even wachten…Nu moet ik ook op. Ik zing het volledige nummer mee, en waar ik de fans normaal laat zingen doe ik nu ook. Het ijs is gebroken.
Na een tijdje komt Ich brech aus. Normaal ren ik van de ene naar de andere kant, maar ik merk dat ik dat maar beter niet kan doen. Nu blijf ik langer op dezelfde plek hangen. Het gaat nog steeds wel goed. Dan Spring nicht. Er staan waaiers aan, en na een tijdje doen ze er ook nog rook bij. Als de rook bij mij komt houd ik het niet meer vol. Nog even probeer ik, maar ik kan amper adem halen, laat staan zingen. Snel ren ik naar de zijkant van het podium. Waar is die verdomde inhaler. Ik zoek als een gek naar dat ding, maar kan het niet vinden. Tom is ondertussen ook van het podium af en heeft zijn gitaar aan een van de mannen aan de zijkant gegeven. ‘Bill rustig blijven, we zoeken samen ok.’ Zegt hij. Ik knik. Een stuk rustiger ga ik nu zoeken. Uiteindelijk heeft Tom het gevonden, hij was ergens tussen gevallen.
Na een tijdje ben ik weer wat rustiger, maar het is allemaal nog niet over. Nog even blijf ik met mijn rug tegen de muur zitten. Alles draait voor me. ‘Wil je zo nog optreden of moeten we de fans naar huis sturen en een andere keer terug laten komen?’ Vraagt David. ‘Nog heel even, dan kom ik.’ Zeg ik. Ik hoor de fans schreeuwen. Langzaam sta ik op. Het draaierige gevoel is zo goed als weg. Al snel krijg ik mijn microfoon weer in mijn handen geduwd. Tom, Gustav en Georg gaan het podium weer op, en na een tijdje kom ik ook. Ik zeg sorry tegen de fans, en we beginnen Spring nicht opnieuw, maar deze keer zonder rook. Het gaat redelijk. Maar aan het eind van de avond ben ik wel doodop, al snel val ik in de tourbus in slaap. Met mijn gezicht tegen het raam.
Als ik wakker word lig ik op bed. Hoe kom ik hier nou weer, ik was toch op de bank in slaap gevallen? Dan wordt Georg wakker. ‘Morge.’ Zegt hij. ‘Lekker geslapen?’ Vraag ik. ‘Heerlijk. En jij ook denk ik. Gisterenavond in ieder geval wel.’ Zegt hij lachend. ‘Wie heeft me hierheen gebracht?’ Vraag ik. ‘Dat was Tom, die vond het anders zo zielig dat je wakker zou worden met pijn in je nek.’ Zegt Georg lachend. ‘Aha. Ok.’ Zeg ik.
Een paar weken later is het laatste concert van de tour. Ik heb wel een paar keer een aanval gehad, maar door de snelle actie van de anderen was ik er zo weer bovenop. Vanavond is de show weer in Duitsland, daar begint en eindigt onze tour altijd.
De show begint weer en na een tijdje moet ik invallen. Het gaat goed, totdat Rette mich komt. De zaal draait om me heen en ik moet me recht houden aan de staander van mijn microfoon. Tom kijkt me aan om te vragen of het gaat. Ik schud van nee. ‘Ga dan naar de zijkant.’ Zegt hij zonder geluid. Weer schud ik nee. Ik heb de fans hier al eens teleurgesteld, en dat wil ik niet nog eens doen. We beginnen het nummer. Het gaat redelijk. ‘Vielleicht hrst du irgendwo Mein SOS im Radio…’ Ik kan niet meer en zak neer. Ik hoor dat iedereen schrikt. Ik zou zo graag door willen gaan, maar het kan niet. Ik mag ze niet teleur stellen. Ik probeer weer op de kruk te kruipen maar ik wankel heen en weer. Net op tijd pakt Tom me vast. Hij neemt me mee naar de zijkant. ‘Bill, je moet stoppen, dit gaat echt niet goed.’ Zegt hij zacht. Tranen rollen over mijn wangen. ‘Maar ik moet doorgaan van mezelf. Deze show moet af, we zijn al zo ver.’ Zeg ik. ‘Als jij nu nog verder gaat stort je helemaal in.’ Zegt hij. ‘Misschien…’ Zeg ik, nu kijk ik hem niet meer aan. ‘Niets misschien. Het is zo. Kijk naar jezelf, je kan niet eens op je eigen benen blijven staan, laat staan dat je nog even het concert afmaakt.’ ‘Het waren nog maar drie liedjes.’ Zeg ik. ‘Kan me niets schelen, jij gaat het podium niet op. Wij leggen wel uit wat er is gebeurt.’ Zegt hij. Dit is gemeen. Ik doe zo mijn best om het af te krijgen. Ik zucht. Misschien heeft hij wel gelijk. Ik wil rechtop gaan staan, want Tom had me op de bank gezet. Ik houd me staande tegen de muur, maar alles draait om me heen en komt op me af. Ik krijg het super benauwd. Ik zak weer neer. Als ik zo nog een concert moet geven wordt het inderdaad niks. Ik hoor hoe Tom verteld wat er gebeurt is, en ik hoor hem zeker 5 keer zeggen dat het hem spijt. Als ze met zijn drien weer binnenkomen zit ik nog een beetje rond te tollen op de bank. ‘Dit gaat de verkeerde kant op, bel een ambulance.’ Zegt Gustav. Tom gaat naast me zitten en trekt me tegen zich aan. Dan word alles zwart voor mijn ogen.
Ik word wakker in het ziekenhuis. ‘Wat is er gebeurt?’ Zeg ik nog een beetje afwezig. Langzaam komt alles weer een beetje terug. ‘Tom zit rechts naast me, en Gustav en Georg zitten links van me. ‘Het werd je allemaal te veel. We hebben een ambulance gebeld, en zo kom je hierzo.’ Legt Gustav uit. ‘Hoe lang moet ik blijven?’ Vraag ik. Ik wil zo snel mogelijk weg. ‘Nog even een nacht ter observatie, en dan mag je naar huis, maar je mag niets anders dan liggen en slapen.’ Zegt Georg. ‘Leuk.’ Zeg ik sarcastisch. Ik kijk om me heen. Hmm… Niets bijzonders, alleen maar wit, wit, wit en wit. Zouden ze er nooit eens over nadenken om een andere kleur verf te gebruiken? Wit wordt zo….Saai. De rest van het bezoekuur blijven Tom, Gustav en Georg nog. Maar na het bezoekuur moeten ze naar huis. De volgende ochtend kan ik niet wachten tot mijn verlossing komt. Na een veel te lange tijd komt er eindelijk een dokter die zegt dat als er iemand voor me komt, dat ik dan naar huis mag, als ik maar niet in mijn eentje over straat ga. Ik kan wel een gat in de lucht springen. Als het kon zou ik nu meteen naar Tom bellen of hij nu komt maar dat gaat niet, want op deze afdeling mag je niet bellen, dat stoort op de apparaten in het ziekenhuis. En als hij nu komt, wordt hij net zo snel weer weggestuurd, want het is geen bezoekuur. Na een half uurtje staat hij naast mijn bed en ik weet niet hoe snel ik naar huis wil. Dus we vertrekken gelijk. Ik stap in zijn auto, en we rijden naar huis. ‘Ik genoot net zo van de stilte.’ Zegt hij als ik begin te ratelen over hoe erg ik me wel niet verveelt heb. ‘Nou bedankt hoor, ik vind jou ook aardig.’ Zeg ik. ‘Weet ik toch.’ Zegt hij en gaat met zijn handen door mijn haar, nu zit het dus helemaal door elkaar gegooid. Ik ga naar boven, daar dump ik al mijn spullen die ik bij me had. En nu… Ik mag niets, maar ik wil tegelijk zo veel doen. Laat ik mezelf maar nuttig maken en een nieuw nummer schrijven. Ik pak de map waar alle nummers van begin af aan in zitten. Er zitten zelfs nog teksten in van Devillish. Ik blader alles door. Snel opgekrabbelde zinnetjes, doorgekraste coupletten, de nummers waar we bekend mee zijn geworden zoals Schrei en Durch den Monsun. Ik heb ook een paar bladen met onafgeschreven teksten, of met alleen een paar losse zinnen die elkaar wel kunnen opvolgen. Ik zoek een leeg blaadje op, en pak een pen. Pfff… Ik weet niets. Ik tik met de pen op mijn bureau. Een hele tijd blijf ik zo zitten maar ik weet echt helemaal niets. Dan komt Tom binnen. ‘Gaat het? Je was ineens naar boven verdwenen.’ Zegt hij. ‘Ja, ik probeer me nog een beetje nuttig te maken, maar dat lukt niet.’ Zeg ik en laat het lege blaadje zien. Lachend kijkt hij ernaar. ‘Dat komt vanzelf wel, bij jou tenminste, ik snap niet hoe jij het kan. Maar het wordt vast wel weer heel erg goed.’ Zegt hij. Ik glimlach. Het is niet altijd goed, ik heb ook genoeg stukken die bagger zijn, en die ik niet eens laat zien aan de rest omdat ik het naderhand toch niet goed genoeg vind. Tom gaat weer weg, hij heeft duidelijk door dat hier geen boeiend gesprek ontstaat. Ik ga op bed zitten met mijn map op schoot. Ik blader er weer een beetje doorheen. Rette mich… Dat had ik wel nodig bij het concert ja. Ik leg de map opzij en ga naar beneden. Daar neem ik mijn ipod mee, en ga naar buiten. In het park ga ik tegen een boom zitten en kijk over het water. Even later komt Tom naast me zitten, hij was denk ik ongerust waar ik was. Zou ik ook doen, als ik in zijn schoenen stond. ‘Hey Bill, wat doe je.’ Vraagt hij. ‘Mag jij eens raden. Als je het goed raad, vind ik dat heel erg knap van je.’ Zeg ik. ‘Ik weet het niet.’ Zegt hij. ‘Goed geraden. Je prijs is….Niets.’ Zeg ik lachend. ‘Wauw, wat ben ik daar weer blij mee.’ Zegt hij. Ik kijk weer naar het water. ‘Maar wat brengt jou dan hier?’ Vraagt hij. ‘Wat moet ik dan doen? Mezelf in mijn kamer opsluiten? Dan kan ik toch beter naar buiten gaan en niets doen, in plaats van binnen zitten en niets doen.’ Zeg ik. ‘Je hebt gelijk.’ Zegt hij. Om een of andere reden blijft Rette mich door mijn hoofd galmen, en het is niet omdat ik mijn ipod op heb staan, want die staat uit. Langzaam rolt er een traan over mijn wang. Tom veegt hem weg. ‘Wat is er Bill?’ Vraagt hij. Ik trek mijn knien op. ‘Geen idee. Ik voel me gewoon niet goed.’ Zeg ik. Hij gaat tegen me aan zitten en wrijft troostend over mijn rug. Ik leg mijn hoofd op zijn schouder. ‘Gaan we nog wel concerten spelen?’ Vraag ik voor de zekerheid. ‘Als het weer goed met je gaat wel ja.’ Zegt Tom. ‘Hoezo, als het goed met me gaat? Dit kan telkens terug komen, als we daarop zouden wachten betekend het dat we nooit meer concerten kunnen spelen.’ Zeg ik. ‘Ik bedoel als jij hier weer bovenop bent. Ik snap ook wel dat we niet eeuwig kunnen wachten, en ik denk dat David dat ook niet doet.’ Zegt hij.
Langzaam maar zeker gaat het weer beter, en zodra David dat doorheeft, zorgt hij dat er weer een hele zooi met concerten in de agenda komen. Eigenlijk ben ik wel blij dat ik mag optreden, ik ben het zat om thuis te zitten.
We spelen een paar concerten, het zijn er echt veel en gaat constant door. Ik ben uitgeput en slaap niet goed.
Uiteindelijk, midden in een concert gebeurt het. Ik zak in elkaar. Maar deze keer weet ik dat ze moeten opschieten, anders word het fataal. Alles wordt zwart.
Na een hele tijd word ik weer waker. Ik lig in het ziekenhuis, het is me weer te veel geworden. Tom zit aan de rand van mijn bed. Het enige wat de stilte verbreekt is het gepiep van mijn hartslag. ‘Bill, blijf nog hier, je mag het niet opgeven.’ Zegt Tom zacht. Trillend pakt hij mijn hand vast. ‘Ik geef het niet op, ik wil hier blijven.’ Fluister ik. Tranen rollen over mijn wangen, gelijk met die van Tom. Langzaam wordt mijn hartslag trager. Ik krijg moeilijker adem. In Tom’s ogen zie ik dat hij het heel erg vind om mij zo te zien, maar ik kan er ook niets aan doen. Even val ik weg. ‘Bill, blijf hier. Asjeblieft.’ Zegt hij snikkend. ‘Ik ben er nog.’ Zeg ik trillend. Ik voel dat ik het al bijna moet opgeven. ‘Tom…Ik ben er altijd voor jou.’ Zeg ik. Langzaam zak ik weg.

Tom’s pov:
‘Bill, nee. Kom terug, ga niet weg. Ik wil je niet kwijt.’ Zeg ik snikkend. Het breekt mijn hart om hem zo te zien. Ik krijg geen reactie meer, en de hartslag meter geeft een lange pieptoon. ‘Bill, nee.’ Zeg ik zacht. Ik wil hem niet kwijt, nooit, maar nu… Hij is tussen mijn vingers doorgelipt. Weg. Voor altijd. Er komen doktoren binnenrennen. Ik word aan de kant geduwd. Verslagen blijf ik staan kijken hoe ze Bill weer proberen terug te krijgen, maar het gaat niet. Het is over. Mijn leven is over. Gustav en Georg komen naar me toe, we mochten namelijk niet allemaal tegelijk naar hem toe. ‘Wat is er gebeurt?’ Vraagt Gustav. ‘Hij…Hij is er niet meer. Weg.’ Zeg ik snikkend. Ik laat mijn tranen de vrije loop. Gustav wrijft over mijn rug. ‘Rustig Tom. Hij zal altijd bij je zijn.’ Zegt hij troostend. Ik knik. We gaan naar huis. Georg rijd en ik zit achterin in mijn eentje. Normaal zou Bill naast me zitten… Bill… Nu zit hij nooit meer naast me. Ik kan niet meer met hem lachen. Geen streken meer met hem uithalen. Niets. Alleen nog om hem huilen. Ik zeg geen woord tegen Gustav en Georg. Als ze me thuis hebben bedank ik ze en ga naar boven. Naar zijn kamer. Zijn spullen. Dan zie ik zijn map open liggen met alle geschreven teksten erin. Hij ligt op de bladzijde waar Rette mich geschreven staat. Ik zie weer voor me hoe we de clip hebben opgenomen, hoe trots we waren met de echo award die we ervoor kregen. Ik krijg een warm gevoel langs me. Als ik opzij kijk zie ik Bill zitten. ‘Tom, niet huilen om mij. Ik ben er nog.’ Zegt hij. ‘Maar… daarnet… In het ziekenhuis.’ Begin ik. ‘Weet ik. Dat klopt ook. Maar ik ben er altijd nog, in je hart.’ Zegt hij. Ik knik. Hij gaat voor me zitten en kijkt in zijn map. ‘Hmm… Rette mich, dat hebben we nu allemaal we even nodig, maar niet om de reden waarom ik het geschreven heb.’ Zegt hij glimlachend. Ik knik. Hij bladert weer verder. Ik zie ook een paar voor mij nog onbekende teksten voorbij komen. ‘Weet je nog met de opnames van durch den monsun.’ Ik knik. Wat waren wij toen trots. Ons eerste nummer als Tokio Hotel, en gelijk al bekent en op nummer 1. Bill glimlacht bij de gedachten, hij denkt daar ook aan terug. Langzaam vaagt Bill weer weg. ‘Bill, laat me niet alleen.’ Zeg ik wanhopig. ‘Je bent niet alleen. Ik ben er altijd als je me nodig hebt.’ Zegt hij, en dan is hij helemaal weg. Het voelt rot dat ik nu weer alleen ben, maar prettig dat hij er toch nog altijd is.
Ik hoor Bill zachtjes zingen in mijn gedachten.

Zum ersten mal alleine
In unserem Versteck
Ich seh noch unsre Namen an der Wand
Und wisch sie wieder weg
Ich wrd dir alles anvertrauen
warum bist du abgehauen
Komm zurck
Nimm mich mit

Komm und Rette mich
Ich verbrenne innerlich
Komm und rette mich
Ich schaffs nicht ohne dich
Komm und rette mich
Rette mich
Rette mich

Unsre Trume warn gelogen
Und keine Trne echt
Sag das dass nicht wahr ist
Sag mir jetzt
Vielleicht hrst du irgendwo
Mein SOS im Radio
Hrst du mich
Hrst du mich nicht

Komm und Rette mich
Ich verbrenne innerlich
Komm und rette mich
Ich schaffs nicht ohne dich
Komm und rette mich
Rette mich
Dich und mich
Dich und mich
Dich und mich

Ich seh' noch unsre Namen
Und wisch sie wieder weg
Unsre Trume warn gelogen
Und keine Trne echt
Hrst du mich
Hrst du mich nicht

Komm und rette mich
Rette mich

Komm und Rette mich
Ich verbrenne innerlich
Komm und rette mich
Ich schaffs nicht ohne dich
Komm und rette mich
Rette mich
Rette mich
Rette mich
Rette mich

Dich und mich
Hrst du mich nicht?
Rette mich

Langzaam rollen de tranen over mijn wangen. 'Ik ben niet meer in huis, maar ik houd altijd nog van je. Ik ben altijd bij je.' Hoor ik hem nog zeggen. 'Dat weet ik.' Zeg ik zacht. 'Onthoud dat.' Zegt hij nog even. Tranen rollen over mijn wangen. Natuurlijk onthoud ik dat... Natuurlijk...
Ik geloof nooit dat Bill alleen maar astma had. Dat kan toch niet zo erg uit de hand lopen? Een traan rolt weer ove3r mijn wang. 'Niet huilen Tommy, ich bin an deiner Seite.' Zegt Bill zacht. 'Dat weet ik.' Zeg ik snikkend. Wat wil je dan? Dat ik nu blij ben en vrolijk loop rond te springen?
Ik krijg al geen antwoord meer terug.
Maar als ik hem nodig heb, staat hij altijd voor me klaar.

Rette mich (Songfanfic)

Rette mich (Songfanfic)

Zum ersten mal alleine
In unserem Versteck
Ich seh noch unsre Namen an der Wand
Und wisch sie wieder weg
Ich wrd dir alles anvertrauen
warum bist du abgehauen
Komm zurck
Nimm mich mit

Jij en ik. We hadden een schuilplaats, nouja, een eigen plekje. Gewoon voor ons tweetjes. We zaten er best vaak. Maar nu ben jij er niet, nu zit ik alleen. We schreven allemaal teksten op de muur, er was toch niemand die er naar keek. Onze namen staan er ook bij. Ik ga er overheen met mijn hand. Ik heb je alles toevertrouwd, en jij hebt mij alles toevertrouwd. Wat voor geheim heb je voor me achter gehouden? Waarom ben je gestopt met leven? Waarom laat je mij alleen achter?
Kom asjeblieft terug, ik wil niet alleen zijn. Neem me mee naar de plek waar je nu bent.

Komm und Rette mich
Ich verbrenne innerlich
Komm und rette mich
Ich schaffs nicht ohne dich
Komm und rette mich
Rette mich
Rette mich

Red me, haal me hier vandaan. Het Maak mij niet uit wat je doet, maar doe iets!
Ik wil echt niet zonder je leven. Haal me hier weg… Asjeblieft..

Unsre Trume warn gelogen
Und keine Trne echt
Sag das dass nicht wahr ist
Sag mir jetzt
Vielleicht hrst du irgendwo
Mein SOS im Radio
Hrst du mich
Hrst du mich nicht

We droomde dat we altijd samen zouden zijn. Dat was gelogen, alles was gelogen!
De tranen die we lieten gaan, het was fake!
Vertel me dat jou dood niet waar is. Zeg dat het gespeeld was, het een droom was, of een of andere streek die je uithaalde. Als je maar verteld dat het niet echt was.
Misschien hoor je me. Ik smeek om jou terug te hebben.
Hoor je me niet dan??

Komm und Rette mich
Ich verbrenne innerlich
Komm und rette mich
Ich schaffs nicht ohne dich
Komm und rette mich
Rette mich
Dich und mich
Dich und mich
Dich und mich

Haal me weg. Ik smeek het je. Asjeblieft Tom. Ik kan het niet aan. Elke nacht droom ik over hoe je er een einde aan hebt gemaakt, en elke nacht wilde ik je stoppen, maar was te laat. Keer op keer beleefde ik de realiteit. Ik kan niet verder gaan zonder jou. Help me…

Ich seh' noch unsre Namen
Und wisch sie wieder weg
Unsre Trume warn gelogen
Und keine Trne echt
Hrst du mich
Hrst du mich nicht

Ik zie de herinnerring weer voor me hoe gelukkig we waren met ons plekje. We schreven onze namen op. Nu veeg ik ze weg, ik kan het niet meer aanzien, wij zijn uit elkaar getrokken. Alles wat we droomden, het was nep. Wir sterben zusammen. Dat was gelogen. Helemaal niets van waar. Je hoort me best, maar je wilt het niet!

Komm und rette mich
Rette mich

Komm und Rette mich
Ich verbrenne innerlich
Komm und rette mich
Ich schaffs nicht ohne dich
Komm und rette mich
Rette mich
Rette mich
Rette mich
Rette mich

Dich und mich
Hrst du mich nicht?
Rette mich

Je weet best dat ik niet zonder je kan Tom. Ik wil naar je toe, voor altijd bij je zijn. Ik wil wl onze droom volgen. Jij duidelijk niet.
Ik sta op en pak het mes dat ik bij me had uit mijn tas. Ik had nooit gedacht dat het zo zou eindigen, maar ik wil jou niet kwijt. En nu ik je kwijt ben, wil ik je terug.
Er zit niets anders op…
Ik ga op de bank zitten, op de plek waar jij altijd zat.
Langzaam maak ik diepe sneen in mijn polsen. Het bloed stroomt eruit.
Ik weet het nog, jij stond daar in je eentje op het dak. Tenminste, dat dacht je. Ik stond achter je, maar je zag me niet, of beter gezegd, je wilde me niet zien. Je mompelde wat in jezelf. ‘Nee Tom niet doen!’ Smeekte ik. Je keek even om. ‘Het spijt me Bill.’ Zei je, en liet jezelf naar benedenvallen. Ik had geprobeerd je hand te pakken en je terug te trekken, maar je gleed weg. Ik was je kwijt.
Zo was het begonnen, en hier eindigt het weer. Ik kijk naar mijn polsen. Ze zien al helemaal rood van het bloed dat eroverheen loopt.
‘Als het zo moet, dan doe ik het ook zo. Of je het nou wilt of niet Tom.’ Zeg ik. Even sluit ik mijn ogen.
Als ik na een tijdje mijn ogen open doe draait de kamer om me heen. Het werkt al. Mijn lichaam word zwaarder, ik kan het niet meer dragen.
Niet veel later zak ik weg. Op naar jou…

Een beginnende vriendschap? Of een beindigde vriendschap?

Een beginnende vriendschap? Of een beindigde vriendschap?

Bill’s pov:
Ik ben even een rondje gaan lopen. Tom zit nog thuis. Er is hier geen voetpad dus ik loop over het fietspad heen. Ik hoor een brommer achter me en ga een beetje meer de kant in lopen. Keihard rijdt hij langs. De jongen achterop geeft me snel een duw. ‘Kun je niet uitkijken sukkel.’ Roept hij hard. Ik kijk hem boos aan, maar hij geniet ervan. Ach, wat maakt het uit, hij moet waarschijnlijk weer eens iemand hebben. Ik krabbel overeind en veeg mijn kleren af. Dan zie ik dat ik mijn onderarm heb opengehaald. Fijn, net nu hier even geen schoon kraanwater in de buurt is. Dat doe ik straks wel. Ik hoor geschreeuw uit de verte. ‘Blijf met je klere poten van me af!’ Roept een meisjesstem. Dan klinkt er gelach van de jongens van daarnet. ‘Waag het nog een keer en je ligt naast die klote brommer van je!’ Roept ze hen na. Aai, die is echt woedend. Ze loopt mijn richting op, met haar handen in haar zakken. ‘Hoi.’ Zeg ik. Ze kijkt op. ‘Gaat het. Ik zag dat ze je daarnet omver duwde.’ Zegt ze. ‘Ja, het gaat wel. En met jou?’ Vraag ik. ‘Oh, met mij best hoor. Hee, je arm ligt open, die kunnen we beter even schoon gaan maken.’ Zegt ze. ‘Oh, dat maakt mij niet zoveel uit.’ Zeg ik. ‘Jawel, straks zitten er allemaal bacterin in, of steentjes. Dat heb ik wel eens gehad, en die krijg je er moeilijk uit.’ Zegt ze. Ik glimlach. ‘Woon je dichtbij? Of we kunnen anders ook naar mijn huis, dat is hier om de hoek. Trouwens, ik ben Sanne, sorry dat ik zo van stapel loop, maar ik wil gewoon helpen. Niet verkeert opvatten dus.’ Zegt ze. Ik moet lachen. ‘Ik ben Bill. En ik vind het wel leuk dat je zo spontaan bent.’ Zeg ik. ‘Ok, maar nu heb je nog geen antwoord gegeven op mijn vraag; Woon je dichtbij, of zullen we even naar mijn huis om die snee schoon te maken?’ Vraagt ze. ‘Maakt mij niet uit, ik woon een kwartiertje hier vandaan.’ Zeg ik. We gaan naar haar huis toe. Er is niemand thuis. Ze verteld dat haar ouders aan het werken zijn, en ze heeft geen broer of zus. Voorzichtig maakt ze de snee schoon, het prikt wel een beetje, maar dat maakt niet uit. Ondertussen praten we wat, en dat lijdt af. ‘Al klaar. Dat viel toch best mee.’ Zegt ze na een tijdje. Ik knik. ‘En nu?’ Vraag ik. ‘Heb je zin om wat te doen?’ Stelt ze voor. ‘Ok, maar dan moet ik wel even naar Tom bellen. Die gaat zich anders veel te veel zorgen maken.’ Zeg ik lachend. ‘Hij kan ook mee. Mij maakt het niets uit, ik trek wel meer met jongens op.’ Zegt ze. ‘Nou, hij is een geval apart.’ Zeg ik lachend. ‘Alsof dat mij wat uitmaakt, zolang jullie maar met elkaar kunnen opschieten.’ Zegt ze lachend. We gaan weer terug naar Tom. Hij zit op de bank tv te kijken. ‘Hoi Bill.’ Zegt Tom. ‘Hoi.’ Zegt Sanne. Ik lach om haar spontane actie. Tom kijkt op. ‘Wauw, Bill. Wat doe jij met zo’n mooi meisje.’ Zegt hij. ‘Hee, handjes thuis h.’ Zegt Sanne. ‘Het wordt steeds beter.’ Zegt Tom. ‘Heb je zin om voor de tv vandaan te komen en wat te gaan doen?’ Vraag ik. ‘Wat dan?’ Vraagt hij. ‘Weet ik veel, verzinnen we wel. Zwemmen ofzo?’ Zeg ik. Tom zegt dat het ok is. ‘Heb jij ook zin om te zwemmen?’ Vraag ik. Sanne knikt. We spreken een half uur later af bij het zwembad.
Als Tom en ik daar aankomen zien we haar al staan. Ze zwaait naar ons. We gaan naar binnen. Daar kleden we ons om en gaan het zwembad in. Na een tijdje valt me op dat ze een lidteken heeft op haar arm. Als Tom weg is vraag ik: ‘Hoe kom je daar aan?’ Ze kijkt even naar haar arm. ‘Daar heb ik het liever niet over.’ Zegt ze. ‘Ik vind het best, maar als je van mening verandert, kun je het altijd aan me kwijt’ Zeg ik. Ze zucht even, en besluit het toch te vertellen. ‘Ik had een tweelingzus. Het ging erg slecht met haar. We waren erg close, en ik kwam haar elke dag opzoeken in het ziekenhuis. Ze is 2 jaar geleden overleden. Ik wilde er een eind aan maken, maar zoals je ziet is het mislukt.’ Zegt ze. ‘Wat erg. Maar goed dat het mislukt is. Heb je nu nog van die zelfmoordneigingen?’ Vraag ik voorzichtig. ‘Dat is op zich nog best een grappig verhaal. Want zij was fan van jullie. En als ik verdrietig ben om haar, dan zet ik een van haar cd’s van Tokio Hotel op, en dat herinnert me weer aan haar, en het vrolijkt me op.’ Zegt ze. Ik glimlach. ‘Nou, dan zullen we snel nog meer cd’s voor je maken.’ Zeg ik lachend, zij moet ook lachen. ‘Maar zullen we weer gaan zwemmen, ik voel me niet zo prettig bij dit onderwerp.’ Zegt ze na een stilte. ‘Ok, we zijn hier nou eenmaal om lol te hebben.’ Zeg ik, en we gaan weer naar Tom toe. Hij is in het buitenbad. ‘Zo, dat duurde even. Was het gezellig samen.’ Zegt hij. ‘Grappig hoor Tom.’ Zegt Sanne. We zwemmen met zijn drien verder. Een paar minuten voordat het zwembad sluit gaan wij er pas uit. Als we ons hebben omgekleed zwaaien we Sanne nog even uit en gaan we naar huis.
De volgende dag besluit ik om haar te bellen. Wij vervelen ons, en als zij zich ook verveelt, kunnen we misschien weer iets samen doen. De telefoon gaat over… ‘Dit nummer is in gesprek.’ Zegt een automatische stem. Dan bel ik zo wel weer. Ik ga naar Tom. ‘En? Had ze zin om wat te doen?’ Vraagt hij. ‘Geen idee, ze was in gesprek, maar ik bel haar zo wel weer.’ Zeg ik. Na een half uurtje probeer ik het nog eens. ‘Dit nummer is -’ Verder komt de stem niet want ik heb al opgehangen. ‘Wat kan die lang lullen.’ Zeg ik. ‘Heb je wel eens opgelet hoe lang jij aan de telefoon zit.’ Zegt Tom. Ik moet lachen. Na een tijdje word ik gebeld door Sanne. ‘Hoi Bill, ik zag dat je gebeld had.’ Zegt ze. ‘Ja, dat klopt. Heb je het druk vandaag?’ Vraag ik. ‘Nou, een beetje wel ja. Hoezo?’ Vraagt ze. ‘Omdat we wilden vragen of je weer wat wilde afspreken. Maar als het niet gaat dan begrijpen we het wel hoor.’ Zeg ik. ‘Oh, je kunt ook hierheen komen, dan schiet ik wel wat meer op.’ Zegt ze. ‘Ok, is goed. Als je dat zelf niet erg vind. Wanneer kunnen we komen?’ Vraag ik. ‘Maakt niet uit of je nu komt of dat het vanavond is. Doe maar wat jullie uitkomt.’ Zegt ze. ‘Dan komen we er nu aan ok?’ Zeg ik. ‘Is goed.’ En ze hangt op. ‘En? En? En? En?’ Vraagt Tom. ‘Hahaha… Rustig aan joh. We kunnen nu langskomen.’ Zeg ik. ‘Ok.’ Zegt hij en trekt meteen zijn schoenen aan.
Niet veel later staan we bij Sanne op de stoep. ‘Hoi, kom binnen.’ Zegt ze vriendelijk. We gaan naar binnen. ‘Ik doe nog even heel snel de afwas, ik kom er zo aan.’ Zegt ze. Tom en ik gaan naar de woonkamer. Het is gezellig ingericht. Na een paar minuutjes komt Sanne naar ons toe. ‘Ik ben klaar, voorlopig.’ Zegt ze als ze de kamer in komt. Nu ik haar goed bekijk zie ik dat ze er moe uit ziet. ‘Gaat het Sanne? Je ziet er nogal moe uit.’ Zeg ik. ‘Ja, het gaat wel.’ Zegt ze. Ze gaat tussen Tom en mij in zitten. ‘Weet je het zeker, moeten we niet helpen met iets ofzo? Of is er iets aan de hand?’ Vraag ik zacht. Ze is niet zo vrolijk als normaal, het is gespeelt. Ze zegt even niets. ‘Mijn ouders blijven voor een paar maanden weg. Ik moet zorgen dat alles in orde blijft hier. Je weet wel, afwas doen, stofzuigen, opruimen, dat soort dingen. Dat vind ik niet zo erg. Maar het is voor zo lang dat ik alleen zit.’ Zegt ze. Ik zie haar ogen glimmen van de tranen die ze achterhoud. ‘Er is meer h?’ Zeg ik. Ze knikt. ‘Dit zijn niet mijn echte ouders. Mijn zusje en ik zijn geadopteerd. Bij onze echte ouders werden we mishandeld, dus daarom zijn we daar weggehaald. In het begin waren deze ouders heel lief voor ons, maar nu ben ik gewoon lucht. Ik beteken niets voor hen, alleen maar geldverspilling. Ik zit ook niet op school, ze vinden het te duur en “ik ben het niet waard” volgens hun. Ofterwijl, ik kan niks.’ Zegt ze. De tranen druppelen van haar wangen af. Tom en ik kijken haar met open mond aan. ‘Zo ga je toch niet met kinderen om, hoe oud of jong ze ook zijn.’ Zegt Tom. ‘Sorry dat ik jullie opscheep met mijn problemen, dat wil ik echt niet.’ Zegt ze. Ze staat op en gaat naar de kamer van haar zusje. Tom en ik volgen haar. Als we binnenstappen worden we van alle kanten aangekeken door posters van onszelf, zelfs het plafond is volgeplakt. ‘Wow… Er was hier iemand een beetje fan geloof ik.’ Zegt Tom. Sanne rommelt wat in een bureaula en haalt er een briefje uit. Ze vouwt het open en geeft het aan mij. ‘Dit is de laatste brief die ik van mijn zusje kreeg.’ Zegt ze.

Lieve Sanne,
Het spijt me dat het zo moet. Maar ik kan er niet meer tegen dat wij als vuil behandeld worden. Ik hoop dat jij er wel tegen kunt.
Het is te laat om me te helpen, en je hoeft het ook niet meer te proberen.
Ik hou van je.

-XxX- Clara.

‘Heeft ze…’ Sanne knikt. ‘Ik wilde haar toch nog stoppen, maar het was te laat.’ Zegt ze. ‘Mein Gott.’ Zegt Tom. ‘Dit is echt erg. Hoe kon ze.’ Zeg ik tegen mezelf. Ik zie dat Sanne het er zelf ook moeilijk mee heeft, maar het lucht wel op voor haar om erover te praten. ‘Heb je het kunnen verwerken? Of met iemand erover kunnen praten?’ Vraag ik. Ze schudt nee. ‘Jullie zijn de eerste aan wie ik het vertel.’ Zegt ze zacht. Ik knik.
We gaan weg uit de kamer van haar zusje, anders word Sanne alleen maar nog verdrietiger. Ik wil haar even afleiden van de vervelende wereld om haar heen. We gaan met zijn drien naar de stad. Het was wel moeilijk om Tom over te halen, maar het is gelukt.
In de etalage van een winkel zie ik een zilveren kettinkje liggen, er zit een hangertje aan met geloof hoop en liefde. We gaan naar binnen en ik laat Sanne het kettinkje zien. ‘Wat vind je ervan als je die van mij krijgt.’ Zeg ik. ‘Wauw. Dat heeft nog nooit iemand gedaan.’ Zegt ze. Ze straalt helemaal als ik de ketting omdoe bij haar. In haar ogen kan ik lezen dat ze er heel erg blij mee is. We lopen weer verder. Een paar jongens fluiten naar haar. ‘Bel je me als je weer vrij bent.’ Zegt een van de jongens. ‘Droom maar verder, heb je wel eens in de spiegel gekeken? De kans dat jij een meisje krijgt is kleiner dan de kans dat ik de lotto win.’ Zegt Sanne lachend. Zo ken ik haar weer, het meisje dat altijd wel een woordje klaar heeft voor dit soort gasten.

*Na een paar weken*
Het gaat steeds minder goed met Sanne, ze slaapt bijna niet en eet amper wat. Tom en ik komen vaak bij haar langs. Behalve vandaag, ze zou naar het meertje gaan waar haar zusje is uitgestrooid, en wilde dat alleen doen. Daar heb ik wel begrip voor.
Ik zit een beetje achter de laptop met Gustav en Georg te msn’nen. Die zitten nu natuurlijk ook thuis. Ineens krijg ik een mailtje van Sanne.

Bill en Tom,
Het spijt me, maar ik zit nu echt te diep in de put. Te diep om er nog uit te komen.
Jullie waren echt heel goede vrienden, en ik kon alles bij jullie kwijt. Daar ben ik echt blij mee. Bedankt daarvoor.
Maar ik heb toch geen toekomst. Ik heb niet eens school af kunnen maken, hoe kan ik dan later ooit werk vinden?
Ik zie jullie nog wel eens, maar zorg dat dat nog heel lang gaat duren.

Sanne

Dit kan niet! Ik roep Tom. ‘Wat is er?’ Vraagt hij als hij mijn kamer binnenkomt. ‘Je moet dit lezen.’ Zeg ik. Hij leest het berichtje. ‘Wat! Ze wilt proberen er een einde aan te maken! Dat kan niet!’ Roept hij. ‘Tom, we moeten haar tegenhouden voordat ze springt.’ Zeg ik. ‘Hoe weet je waar ze is?’ Vraagt hij. ‘Het dichtstbijzijnde gebouw bij haar in de buurt.’ Zeg ik. Snel gaan we er naartoe, en inderdaad, daar is ze. Ze heeft de ketting om die ze een paar weken geleden van mij gekregen had. ‘Sorry jongens. Maar voor mij is er geen hoop meer, niemand gelooft in me, en niemand wilt me liefde geven.’ Zegt ze terwijl ze het kettinkje aan mij geeft. ‘Jawel, wij zijn er voor je.’ Zeg ik. Ze zegt niets en laat zich naar achteren vallen.

*Een week later*
Het is laat in de avond. Iedereen is naar huis, behalve Tom en ik. Boven ons hangt een dreigende lucht die me verteld dat het elk moment kan gaan regenen. Er waait een koude wind. Ik trek mijn jas nog wat meer omhoog.
In de verte zie ik de plaats waar Tom en ik heen willen. Na een tijdje staan we voor het meertje. Hier is Sanne uitgestrooid, net zoals haar zusje. Het is ons niet gelukt om haar tegen te houden. Het kettinkje heb ik nog bewaard.

I needn't you

I needn't you

Eindelijk dacht ik een vaste relatie te hebben. Na alle one-night stands wilde ik een serieuze relatie. Die heb ik ook gevonden. Fabinne en ik zijn al 2 maanden samen. Helaas kunnen zij en Bill het niet zo goed met elkaar vinden.
In het begin was ze heel lief voor ons allebei, maar Bill had toch met afschuw staan toekijken wanneer Fabinne en ik samen waren. Ik had geen idee waarom en dacht dat hij jaloers was omdat hij geen vriendin had.
Nu is het anders. Fabinne is heel erg verandert. Ze is een vreselijke huppelkut geworden. Ik geef toe, een beetje mag wel. Maar dit? Ho maar. Ik wil kappen met deze relatie, ze loopt alleen maar te slijmen. En als ik n keer wat tegen Bill wil zeggen is ze alweer bang dat ze me kwijt raakt. Nou, dat heeft ze dan mooi voor elkaar.
‘Fabi, ik moet je even wat zeggen.’ Begin ik. Ze gaat naast me zitten en strijkt haar veel te korte rokje glad. ‘Ja, wat is er Tommy.’ Zegt ze en slaat een arm om me heen. Ik duw haar weer weg. ‘Fabi, het gaat niet meer. Ik wil een serieuze relatie, en dat kan niet met jou. Het is uit.’ Zeg ik. ‘Maar Tommy, we hebben het zo leuk gehad samen.’ Probeert ze. Helemaal niet. Trouwens, ik weet niet wat zij leuk vind, maar enkel naar van die meidenfilms kijken en elke dag zo’n veel te dikke laag make-up op doen lijkt me niet echt leuk. ‘Fabi, accepteer het gewoon. Het gaat niet langer tussen ons. Door jou kan ik niet eens met mijn broertje praten. Ga naar huis en zoek een ander om bij te slijmen.’ Zeg ik een beetje gerriteerd. ‘Tommy, ik weet dat je me niet wilt dumpen. Het moet van Bill h.’ Zegt ze. ‘Nee, het moet van mijzelf.’ Zeg ik. Mijn geduld raakt op. Ik sleur haar mee aan haar arm, open de deur en trek haar mee naar buiten. Hard sla ik de deur weer dicht. ‘Daar zijn we vanaf.’ Zeg ik in mezelf. ‘Tommy, nee. Laat me binnen.’ Hoor ik aan de andere kant van de deur. ‘Verdomme, houd je kop dicht!’ Schreeuw ik. Dat kind zit echt veel te veel op mijn lip. Ik doe alsof ik haar niet hoor en ga voor de tv hangen.
Even later komt Bill thuis, hij komt achterom en weet niets van dit hele gebeuren af. ‘Hey Tom. Waar is Fabinne? Heeft ze eindelijk geleerd om van je af te blijven?’ Vraagt hij. ‘Nee, ik heb haar gewoon buiten op straat gezet. Als je aan de voordeur gaat luisteren hoor je het vanzelf.’ Zeg ik. ‘Ok.’ Zegt Bill. En gaat naar de keuken.

Bill’s pov:
Ik kan wel door het hele huis stuiteren van geluk. YES! Ze is weg. Eindelijk. Ik vond het wel knap dat Tom het zo lang volhield. Mij zou het niet gelukt zijn.
Ik ga naar de keuken. Als ik langs de voordeur loop hoor ik inderdaad dat Fabinne nog voor de deur staat. Ze is al helemaal schor van het schreeuwen. Ik schenk wat cola in voor Tom en mij. Als ik weer terug kom vraagt Tom: ‘En? Staat ze er nog?’ ‘Jup, maar ze is al helemaal schor. Ik denk dat ze het niet lang meer volhoud.’ Zeg ik. Tom krijgt een glimlach op zijn gezicht. ‘Maar waarom heb je het met haar uitgemaakt?’ Vraag ik uiteindelijk. ‘Ze plakte te veel aan me. Ik kon niet eens een normaal gesprek met jou voeren of ze was weer te lang alleen…terwijl ik naast haar zat.’ Zegt Tom. ‘Ja, dat is waar.’ Zeg ik lachend. ‘Echt irritant. En jullie konden het ook niet goed met elkaar vinden. En ik wilde gewoon ook wat ruimte, ik bedoel, ze nam gelijk mijn hele leven in beslag.’ Zegt Tom. Hij heeft wel gelijk. ‘Ik vind het best als je een vriendin hebt, ik vind het zelfs hartstikke leuk voor je. Maar zoek er volgende keer wel een goede uit.’ Lach ik. Gelukkig kan Tom er zelf ook wel om lachen.
In de weken daarna krijgt Tom nog vaak sms’jes en e-mails van Fabinne, maar hij reageert er niet op. Na een hele tijd geeft ze het op.
‘Hee, Bill! Kom eens kijken!’ Roept Tom. Ik kom naar boven. ‘Wat is er?’ Vraag ik. ‘Kijk! Een lege mailbox.’ Zegt hij lachend. ‘Hahaha… Ze heeft zowaar een keer niets geschreven.’ Zeg ik. We liggen echt dubbel. ‘En wat wil je nu gaan doen? Je bent nu officieel verlost van haar.’ Zeg ik. ‘Weet ik veel. Genieten van mijn vrijheid.’ We liggen samen echt helemaal plat.
Ik mag van Tom kiezen wat we gaan doen om te vieren dat hij vrij is. We gaan naar de stad. ‘Nee h, had ik jou nou maar niet laten kiezen.’ Zegt hij lachend. ‘Jammer voor jou. Meekomen jij.’ Zeg ik, en samen gaan we op pad. Ik ga de ene na de andere winkel in, en Tom achtervolgt me. ‘Bill wacht even.’ Zegt hij als we midden op straat staan. ‘Wat is er?’ Vraag ik. ‘Ik ben even weg.’ Zegt hij. Als ik zijn blik volg zie ik wat hij bedoelt. ‘Veel plezier, ik pik je hier zo wel weer op. Moet ik nog een beetje tijd rekken?’ Vraag ik. ‘Ja, is goed.’ Zegt Tom snel, en weg is hij. Soms kan hij toch zo raar zijn. Ik haal mijn schouders op en ga vervolgens op mijn gemakje de volgende winkel binnen. Na een hele tijd kom ik er pas weer uit. Ik zie Tom samen met het meisje op het terras zitten. Ik sms hem maar.

Mag ik al komen? Of is het nog verboden terrein?
Bill.

Ik druk op verzenden. Niet veel later zie ik dat hij bezig is met zijn mobiel. Dan trilt mijn mobiel in mijn broekzak. Ik moet lachen als ik het sms’je lees.

Kom maar. De kust is veilig. Ik heb haar al gewaarschuwd voor je.
Tom.

Ja, rare jongen is hij af en toe. Maar het is wel grappig. Ik ga naar hun toe en doe alsof ik van niets weet. ‘Hey Tom. En hallo jongedame.’ Zeg ik lachend. ‘Zeg maar gewoon Lissanne. Dat vind ik nou net wat beter klinken dan jongedame.’ Zegt ze lachend. Ik zie het al meteen, dit meisje is veel beter voor Tom dan dat Fabinne was. Ze heeft ook een beetje dezelfde stijl, alleen geen dreads. Ik ga naast Tom zitten op een stoeltje. We bestellen cola voor onszelf en praten wat. Na een tijdje worden de mobiele nummers en mailadressen uitgewisseld tussen de twee, en moeten we afscheid nemen. ‘We spreken nog wel wat af. Later.’ Zegt ze.
‘Dit klikt al een stuk beter is het niet.’ Zeg ik wanneer we thuis zijn. ‘Jazeker. Heel veel beter. Bedankt dat je me mee hebt genomen de stad in.’ Zegt Tom. Hij is echt in de wolken van haar. Het is wel grappig om te zien.
Ze spreken wel vaak af met zijn tween, maar het is anders dan met Fabinne. Nu kan ik ook gewoon nog gesprekken voeren met Tom zonder dat ze jaloers wordt. Geen van beiden worden we te kort gedaan. Ik ben echt super blij voor hem dat hij een goed maatje heeft, en dat het zijn vriendin is, is nog een mooiere uitkomst.

Een ontsnapping aan de realiteit

Een ontsnapping aan de realiteit

Ik zit op het strand. Ik heb mijn knien opgetrokken, en staar naar de horizon Tom zit naast me. ‘Bill, gaat het wel met je?’ Vraagt hij.
Langzaam biggelt er een traan over mijn wang. Ik schud van nee. ‘Tom, als ik nou heel even weg kon uit deze wereld. Gewoon even ontsnappen aan de realiteit.’ Zeg ik zacht. ‘Dat kan ook. Als je nou eens gaat slapen, daar is alles wat je maar wilt.’ Zegt hij.
Jammer maar helaas, hij heeft geen gelijk. Ik heb dat al zo vaak gedacht. En telkens werd ik ’s nachts wakker, badend in het zweet. Om vervolgens niet meer te kunnen slapen.
Nog een traan over mijn wang.
Ik voel me de laatste tijd erg down. Maar dat komt ook doordat ik een slaaptekort heb.
Tom neemt me mee naar huis.
Op het balkon staat een tweepersoons bankje, daar gaan we op zitten. Hij trekt me tegen zich aan.
Zacht strijkt hij door mijn haren heen en fluistert allemaal lieve dingen.
Het heeft een soort magisch effect, het is veilig bij hem.
Dan val ik na al die tijd van slapeloze nachten, eindelijk in een rustige slaap.

Dat liefde verboden is... (made by Morena)

Dat liefde verboden is... (made by Morena)

‘Wilt u nog wat te drinken?’ Vroeg een vrouw die voor me stond. Ik zei dat ik niks hoefde en keek om me heen. Iedereen die ik kende waren aan het dansen. Ze hadden erge lol, maar vroegen niet om mij. Ik weet niet waarom, maar ik had gezegd dat ik pijn had in mijn buik. Een van mijn vrienden keek even om, om zeker te zijn dat ik niet wou dansen. Met een sip gezicht ging hij toch maar naar zijn andere vrienden. Ik zuchtte en keek maar om me heen. Ik keek iedereen aan en toen naar de jongen die daarnet met een sip gezicht vertrok. Dat is Bill Kaulitz, de zanger van een rock band genaamd Tokio Hotel. Hij is lief en erg leuk, vind ik tenminste. Ik bekeek hem van top tot teen. Ik zag zijn glimlach op zijn gezicht en ik kreeg er ook eentje. Als ik zie dat hij een glimlach heeft of erg vrolijk is, word ik zelf ook blij. Hij had zijn haar vandaag maar plat gedaan en had gewoon zijn make-up op. Veel mensen vinden het maar raar staan,dat make-up, maar ik vind het juist leuk.
Ik voelde ineens mijn mobiel trillen in mijn broek. Een berichtje. “Heee schat!Hoe gaat het daar&hebben jullie veel plezier?Ik heb denk ik erg slecht nieuws.Ik heb daarnet weer een visioen gehad.Je snapt het verder wel.En kweet bijna bij wie.Ik twijfel tussen2mensen.T kan natuurlijk ook beiden zijn,maar ik denk er nog wel een keertje over..xx,Moos” Stond er. Dat was dus Moosly. Ze heeft vaak visioenen enzo en ze komen allemaal altijd uit. Vaak gaan ze over leven en dood, dus dit keer zal het wel over de dood gaan. Ze kon niet komen omdat ze zei dat ze ziek was. Dus niet, ze wou mediteren en stilte hebben. Dat wilt ze vaak 1 of 2 keer per maand. Ik sloot mijn mobiel en schoof het weer in mijn linkerbroekzak. Ineens ploffen er mensen om me heen. Als ik om me heen kijk zie ik zat het mijn vrienden zijn. ‘Zijn jullie nu al moe?’ Vroeg ik toen ik de vermoeide gezichtjes zag en ze knikte allemaal. ‘Zullen we naar huis gaan?’ Vroeg eentje en uiteindelijk vertrokken we en liepen we richting huis.
Ik heb zelf geen huis. Mijn ouders zijn 11 jaar geleden, toen ik 8 was, overleden en ik was enigs kind, dus kon ik nog 8,5 jaar bij mijn familie wonen, want allemaal konden ze me niet meenemen naar Amerika, waar ze gingen wonen. En sindsdien zat ik bij mijn vriendje. Hij had het al anderhalf jaar geleden uitgemaakt. Ik zit nu al 2 en een halve maand in een zijstraatje en kan vaak eten bij mijn vrienden. Natuurlijk heb ik werk, ik werk bij Tokio Hotel. Ik help iedereen met wat dan ook. Ik help zelfs met kleding, geld en het menu voor iedereen. Het is erg leuk, goedbetaalde werk en kan daarmee leven. Binnenkort gaan ze op tour, en kan ik mee. Iedereen kent mijn probleem dus helpen ze me met van alles.
Iedereen ging zijn eigen weg en ik moest een heel groot stuk lopen samen met Bill en zijn broer Tom. Ze wonen erg dicht bij me en we praten altijd over wat de laatste tijd is gebeurt. Bill ging zitten op een bankje en zei dat hij moe was. Tom en ik gingen ook bij hem zitten en we gingen praten over interesses van elkaar. We zijn zo close met zijn drien, dat we net familie lijken van elkaar. ‘Wil je bij ons blijven slapen totdat we op tour gaan?’ Vroeg Bill ineens en ik vrolijkte gelijk op. Met een big smile keek ik hem aan en hij snapte gelijk wat ik bedoelde. Met zijn drien gingen we naar mijn “huis” en pakte al mijn spullen. We vertrokken naar het huis waar Bill en Tom voor hunzelf wonen.
Er ging 2 weken voorbij en morgen is het eerste concert van de tour. Iedereen is gespannen, behalve ik. Ik ben dat nooit. Ik heb net een week met Bill en we zijn daar blij mee. We zijn van plan om het later pas te vertellen aan alle fans, maar zijn bang dat het al snel ontdekt word. Ik open mijn ogen en zie Bill slapend naast me. Er kwam een glimlach op mijn gezicht en ik draaide me om. Ik keek naar het display van mijn mobiel. ‘Het is al half 1.’ Zeg ik slaperig. Wanneer ik door heb dat het zo laat was, schrik ik wakker. ‘Bill, wakker worden! We moeten nog een paar dingen inpakken!’ Zeg ik geschrokken en Bill springt het bed uit. ‘Aaaaa, te snel opgestaan.’ Zegt Bill pijnlijk en stort gelijk weer in bed. Ik help hem omhoog en we kleden ons om. Nadat we beneden snel wat hebben gegeten rennen we weer naar boven. ‘Wat is er met jullie?’ Vraagt Tom verward. ‘We moeten nog een paar dingen inpakken, te druk, doei!’ Zeggen we tegelijkertijd en lopen snel daar de deur van Bill zijn kamer. ‘Ho ens even! We hebben met z’n allen toch alles ingepakt en 10 keer nagekeken?’zegt Tom snel en Bill en ik stoppen gelijk.‘Maken jullie je maar geen zorgen. We zijn niets vergeten.’ Bill en ik zuchten en leunen met onze rug tegen de muur aan. ‘En dan ben ik ook nog zo lekker wakker gemaakt.’ Zegt Bill en sluit zijn ogen. ‘Wat is er mis met mij?’ Vraag ik en geef hem een zachte tik op zijn neus. ‘Niets.’ Antwoord Bill en opent zijn ogen, zodat hij me een knipoog kan geven. Ik steek speels mijn tong uit, sta op en ren de trap af, naar beneden en laat me neerploffen op de bank, zodat ik tv kan kijken.
Het eerste concert van de tour is al een halve dag achter de rug en we jongens zijn aan het uitrusten. Ik ben bezig met Georg masseren, want dat doe ik elke tour. Voor en na elk concert geef ik ze alle 4 een massage ofzo. Ik sloeg Georg zacht op zijn rug. ‘Amy! Dat is toch niet masseren? Ik vond het zonder lekkerder.’ Zegt Georg lachend. Ik por hem in zijn zij en hij ligt bijna op de grond van het lachen. ‘Dat deed ik omdat ik klaar ben gekkie!’ Zeg ik en loop naar Tom. ‘En nu is het jouw beurt.’ Zeg ik. Tom gaat goed zitten zodat ik kan beginnen. Bill komt ineens binnengerend. ‘Amy? Wij hebben denk ik een klein probleempje.’ Zegt hij hijgend van het rennen. Ik stop gelijk en kijk hem vragend aan. ‘Wat is er dan?’ ‘Ze zijn erachter gekomen.’ Antwoordt hij en ik schrik. ‘Hoe kan dat zo snel?’ Vraag ik snel en krijg snel een antwoord toegefluisterd. ‘Omdat iemand ons heeft gezien, toen we elkaar een zoen gaven.’ ‘Maar dat zegt toch niet alles?’ Vraag ik en hij neemt me mee de kamer uit. Hij loopt een andere kamer in en ik achtervolg hem. Hij sluit de deur achter me en draaide zich naar me toe. ‘Niet gewoon een zoen.’ Zegt hij en ik blijf het maar niet snappen. ‘Wat voor een zoen dan?’ Vraag ik verward en ik krijg ineens een innige zoen van hem. Gelijk snap ik het, maar sloot mijn ogen om te genieten.
Sinds de fans erachter zijn gekomen is er van alles verandert. Er kwamen allemaal interviewers om de raarste vragen te stellen, we werden de hele tijd achterna gezeten door allemaal fans en er kwamen zelfs haat-hyven over mij. We gingen alsnog door met de tour en alles ging uiteindelijk wel goed.
We lopen over straat met zijn vijven en met een groep bodyguards om ons heen. We gaan naar het hotel om uit te rusten en om te eten. Er komen hordes fans achter ons aan. Ze lijken boos, kwaad en vol woede. Ze hebben allemaal borden waarop dingen staan zoals “Bill,Bill. No,no! We don’t like your girlfriend! No way, no way!” “Haat aan haar” “Ze kan de pot op!” en dat soort dingen. We beginnen wat sneller te lopen, maar ik kan ze niet meer bijhouden. Al snel ben ik onbewaakt en gaan de jongens het hotel in. Ik sta nog buiten en kan niet meer lopen. Mijn benen doen zo pijn. Alle fans die achter ons aan waren gelopen komen op mij af. Ze beginnen aan me te trekken, duwen en ze begonnen te slaan en te stoppen. Al snel komt Saki aan met een grote groep bodyguards achter hem aan en begint alle fans weg te halen. De pijn giert door mijn lichaam en kan me niet meer bewegen. Snel val ik op de grond en word het zwart voor mijn ogen. Als laatste hoorde ik Bill mijn naam gillen.
Moosly had gelijk.

Wat moet ik nou?

Wat moet ik nou?

Ik strijk zacht over de wonden van gisteren. Ik kon het niet laten, en ik weet het, het was dom. Maak ik kon het echt niet laten. Veel mensen zullen toch niet snappen wat ik bedoel. Ze denken alles beter te weten, maar dat doen ze niet. Ze proberen me te veranderen, en denken dat het ze lukt, maar het lukt ze niet.
Mijn zweetbandjes liggen naast me op bed. De laatste tijd heb ik meestal shirts met lange mouwen aan, of ik doe een jack aan. En als dat niet gaat, dan maar de bekende oplossing; zweetbandjes of van die brede leren armbanden.
Het begon een paar maanden geleden. Ik was echt ziedend, en moest me ergens op afreageren. Uiteindelijk ben ik dus mijn eigen slachtoffer geworden. Zo kan je het zeggen. Toen had ik heel soms dat ik mezelf ging snijden. Het was ook niet zo diep als nu. En nu, nu kan ik bijna niet meer zonder, de sneen zijn gevaarlijk diep, en het wordt als maar erger.
Ik zit met mijn gedachten heel ergens anders en hoor niet dat er iemand mijn kamer binnenkomt. ‘Bill, kom je -’ begint Tom, maar hij stopt zijn zin. Nog steeds staar ik een beetje in het niks. Ik weet toch al lang dat ik gesnapt ben, en kan het toch niet meer terug draaien. ‘Bill, wat heb je jezelf aangedaan?’ Vraagt hij. Hij pakt mijn hand en draait mijn pols omhoog. Ik staar hem aan, maar geef hem geen antwoord. ‘Geef antwoord Bill. Je weet dat ik er niet tegen kan als je zo doet.’ Zegt hij lichtelijk gerriteerd. Ik zucht. ‘Wat wil je dan als antwoord? Sorry dat ik mezelf dood laat bloeden, ik zal het nooit meer doen?’ Zeg ik. ‘Nee, weet ik veel. Maar dit… Waarom doe je dat nou? Je schiet er toch niets mee op?’ Zegt hij. Hij moest eens weten. ‘Waarom ik het doe? Doe eens een gokje. Het zal vast niet voor de lol zijn. En nee, ik schiet er niets mee op, maar voor de trein springen helpt ook niet.’ Zeg ik boos. ‘Wat is er dan dat je er zo erg mee zit dat je dit doet?’ Vraagt hij op een rustige toon. ‘Van alles, maar vooral de druk die al een hele tijd op mijn schouders ligt.’ Zeg ik zacht. Een pijnlijke stilte tussen ons. Wat gaat hij nu doen? Waar denkt hij nu aan? ‘Wil je hulp? Wil je het tegen de anderen zeggen? Of houd je alles geheim?’ Vraagt Tom uiteindelijk. ‘Het blijft geheim. Verder gaat het niemand aan.’ Zeg ik. ‘Ok, maar hoe wil je er dan vanaf komen?’ Vraagt Tom. Ik haal mijn schouders op. Ik kom er vanzelf wel achter hoe het loopt. Tom geeft het op en gaat weg. Gelukkig maar, ik vind het niks om hier met een ander over te praten, ook al is het Tom. Ik bedoel, het is geen gemakkelijk onderwerp ofzo. Tom sluit de deur achter zich. Ik hoor hem niet van de trap af gaan, en hij gaat ook zijn kamer niet in. Dat betekent dus dat hij nog voor de deur staat. Dus, als ik nu iets doe, dan kan hij elk moment binnenkomen. Stil loop ik naar de deur en doe hem open. Tom zit naast de deur tegen de muur aan. ‘Wat doe je?’ Vraag ik. Hij kijkt omhoog. ‘Gebruik je fantasie maar.’ Zegt hij. ‘Mijn fantasie? Ok, als je dat zo graag wilt. Dan zou ik het even op jouw manier bekijken. Je zit hier te wachten tot er een meisje langs komt wandelen die wel even met jou het bed in wilt duiken.’ Zeg ik. Tom krijgt een glimlach op zijn gezicht. ‘En waar zou dat meisje dan vandaan moeten komen?’ Zegt hij. ‘Weet ik veel, uit de lucht gevallen ofzo?’ Tom lacht. ‘Maar waarom zit je daar nou Toms?’ Vraag ik nog eens. ‘Omdat…Dat weet ik eigenlijk niet. Maar weet je dat de grond best lekker zit?’ Vraagt hij. ‘Ja, dat weet ik.’ Zeg ik lachend. ‘Aha. Nou, dat heb ik zojuist dus ook ontdekt.’ Zegt hij. Eigenlijk is dit best irritant, hij probeert onder mijn vraag uit te komen door er een geintje van te maken. Ik laat hem maar en ga mijn kamer weer in. Ik heb geen zin in verder gedoe met hem.
Ik kleed me om en ga in bed liggen. Al snel val ik in slaap.

Tom’s pov:
Ik hoor Bill nog even heen en weer lopen in zijn kamer en dan is het stil. Raar, hij gaat toch niet slapen? Ik kijk op de klok. Het is nog niet zo laat. Nouja, als hij dat zo graag wilt, alles beter dan dat hij weer zichzelf gaat snijden. Nouja, bijna alles is beter.
Maar ik heb geen idee waarom hij het doet. Ik heb hem gisteren al betrapt, alleen dat weet hij zelf niet. Hij zat in zijn kamer, op zijn bed. De tranen stroomde over zijn wangen. Hij had zijn deur op een kiertje laten staan, en ik hoorde gesnik. Dus wilde ik weten wat er aan de hand was met mijn broertje. Toen ik hem zag zitten wist ik niet wat ik moest doen. Hij had net een nieuwe snee gemaakt en keek toe hoe het bloed uit zijn pols stroomde. Ik durfde er eigenlijk niets van te zeggen. Maar vandaag wel, misschien is het ook wel beter als hij weet dat ik zijn geheim ken.
Ik ga ook maar naar bed, ik houd het toch niet lang meer vol hier op de grond.
’s Nachts word ik wakker. In de kamer naast me hoor ik dat Bill onrustig slaapt. Hij praat een beetje, nouja, praten…meer onduidelijk brabbelen. En aan het geluid te horen ligt hij heen en weer te woelen. Ik stap uit bed en ga naar hem toe. Hij slaapt nog wel. Ik trek zijn deken weer over hem heen en ga naast zijn bed zitten. ‘Rustig maar Bill, er is niets aan de hand hier.’ Zeg ik zacht. Hij brabbelt zoiets als ok en stopt zijn gezicht diep weg in zijn kussen. Dat schijnt hem niet te bevallen, want al snel ligt hij op zijn zij. Ik blijf bij hem zitten en wrijf over zijn hand. Na een tijdje doorbrabbelen slaapt hij echt diep. Mijn ogen worden na een tijdje zwaar, en ik val ook in slaap.
Wanneer ik die ochtend waker word kijk ik recht in de slaperige ogen van Bill. ‘Goede morgen.’ Zeg ik zacht. Hij glimlacht. Dan pas heb ik door dat ik nog steeds zijn hand vast heb. Ik laat maar los. Bill schuift wat opzij. ‘Kom maar. Dat is een stuk lekkerder dan op de grond.’ Zegt hij. Ik kom naast hem liggen. We liggen dicht tegen elkaar aan, dat moet wel, want het kan niet anders in een npersoonsbed.
Ik voel dat Bill met zijn vingers op zoek is naar mijn hand. Ik pak hem weer vast.
Na een hele tijd valt Bill weer in slaap. Met mijn vrije hand haal ik voorzichtig zijn haar uit zijn gezicht. ‘Zo, nu zie ik je gezicht weer.’ Zeg ik zacht tegen mijn slapende broertje.
Ik val maar niet in slaap, dus ik ga maar naar beneden. Bill laat ik nog slapen, die ligt er zo lief bij. Zacht sluit ik de deur achter me.

Bill’s pov:
Als ik weer wakker word is Tom verdwenen. Hij lag vanmorgen toch naast me? Ik weet het zeker. Beneden hoor ik gerommel. Dat zal Tom wel zijn.
Die middag ga ik verder aan de songteksten. Het komt maar niet.
Ik weet niets, en het moet snel af zijn. Mar ik wil ook geen nummers die bagger zijn.
Ik loop me er steeds meer over op te winden. Uiteindelijk trek ik boos de bureaula open en haal daar een schaar uit.
Mijn zweetbandjes belanden ergens op mijn bed.
Gisteren heb ik me niet gesneden, want toen ik wilde kwam Tom binnen.
Ik zet de punt van de schaar tegen mijn vel. Ik druk het er diep in en trek het naar me toe. Al snel loopt het bloed over mijn arm. Mijn andere pols ondergaat hetzelfde lot, en ook die ziet al snel rood van het bloed.
Dan komt Tom binnen. Als hij ziet wat ik doe trekt Tom wit weg. Snel gaat hij naar de badkamer en komt terug met 2 natte washandjes. Hij trekt snel de schaar uit mijn handen en gooit hem op een voor mij onbereikbare plaats. Als ik wil opstaan, trekt hij me terug. ‘Au! Tom, dat doet pijn!’ Roep ik als hij precies op de wond pakt. ‘Je hebt er zelf voor gezorgd. En nu zitten.’ Zegt hij. Ik doe het maar voordat hij me nog eens op de wond vastpakt.
Hij legt de washandjes om mijn polsen. Het prikt wel even, maar dat maakt me nog weinig uit. ‘Bill, je moet hier echt mee kappen.’ Zegt Tom. ‘Hoe wil je dat ik dat doe? Ik weet niet of je het door hebt, maar dit is een verslaving, ik kn er niet zomaar mee ophouden.’ Zeg ik. ‘Ga maar alvast naar beneden.’ Zegt Tom. Het is een rustige toon, maar het heeft ook iets…commanderends? Dreigends? Ik weet het niet. Ik ga maar mijn kamer uit.

Tom’s pov:
Bill gaat zijn kamer uit. Mooi zo.
Dan is het nu tijd voor een “schoonmaak”. Ik haal de scherpe voorwerpen van Bill’s kamer af. Anders komt hij te veel in de verleiding om dit te doen. Ik gooi de spullen niet weg. Hij krijgt ze wel weer terug als hij van het snijden af is. Tot die tijd bewaar ik het op mijn kamer.
Wanneer ik pas zeker weet dat ik niets ben vergeten verlaat ik zijn kamer.
Als ik beneden kom zit Bill verveelt op de bank. ‘Wat doe je?’ Vraag ik. ‘Tv kijken.’ Zegt hij kortaf. Hij is duidelijk niet zo blij dat ik hem net gestoord heb. ‘De tv staat uit.’ Zeg ik. ‘Ik kan toch naar de tv kijken zonder dat ‘ie aan staat?’ Zegt Bill. Ik moet lachen om zijn opmerking. Alsof het de normaalste zaak van de wereld is.’Ik ga zo maar even naar buiten.’ Zegt Bill. ‘Ok, zal ik mee gaan?’ Vraag ik. ‘Hoeft niet, ik wil even alleen zijn.’ Zegt hij en gaat naar boven. Ik weet wel waarvoor, maar hij al het niet vinden. Even later hoor ik de deur hard dicht slaan en Bill die boos van de trap af stampt. Hij smijt de voordeur achter zich dicht. En weg is hij. ‘Wat een gezellige boel hier.’ Zeg ik tegen mezelf.

Bill’s pov:
Verdomme! Tom heeft van alles mee genomen. Hij wist gewoon wat ik ging doen. Het is mijn keuze als ik mezelf snijd. Boos ga ik tegen een boom zitten. Maar hij wilde wel helpen. Hij moet met zijn klauwen van mijn spullen afblijven. Maar hij wilde goed doen, zorgen dat ik het niet nog eens deed.
Ik ben die tweestrijd zat! Ik sta weer op en loop verder. Bij het meertje blijf ik staan. Stilletjes rollen er tranen over mijn wangen. Ik voel in mijn broekzak. Shit, die heb ik niet bij me. Ik ga aan de kant zitten en trek mijn schoenen uit.
Met blote voeten zit ik in het water. Ik kijk naar mijn spiegelbeeld. ‘Wat moeten mensen nou met zo iemand als ik?’ Ik voel zacht een hand op mijn schouder, en in het spiegelbeeld verschijnt Tom naast me. ‘Ik wil je helpen. Het maakt niet uit hoe.’ Zegt hij. Ik kijk opzij, naar de echte Tom. ‘Maar…’ Begin ik, door de tranen kom ik niet veel verder. ‘Ik heb expres je schaar enzo weggehaald. Dat snap je toch wel. Ik wil gewoon niet dat jij hieraan ten onder gaat.’ Zegt hij. Met zijn duimen veegt hij voorzichtig de tranen weg. Ik omhels hem. Het ene moment kan ik Tom niet uitstaan, en het andere moment kan ik niet zonder hem.
Zacht huil ik bij hem uit, terwijl hij troostend over mijn rug wrijft.
Ik verzuip zowat tussen zijn kleren. Wacht eens…Verdrinken. Dan ben ik er maar gelijk vanaf. Daar heb ik verder niets voor nodig.

*De avond daarop*
‘Tom! Ik ga even weg!’ Roep ik naar boven. ‘Wacht even, ik kom mee.’ Zegt hij terwijl hij de trap af komt. ‘Dat hoeft niet, ik weet best hoe ik zelf moet lopen.’ Zeg ik. ‘De vorige keer dat je alleen zat -’ ‘Jaja, weet ik. Ik zat te janken ja. Maar nu niet. Ik ga. Doei, adios.’ Zeg ik en trek de deur achter me dicht.
Ik ga naar mijn eindbestemming; De zee.
Ik weet dat vroeg of laat Tom me alsnog gaat achtervolgen, maar ik laat me niet door hem tegenhouden. Ik ben er gewoon kapot van, en wil niet meer verder.
Na een tijdje hoor ik inderdaad dat Tom achter me aan is gekomen, maar het is toch al te laat.
Met kleren en al loop ik de zee in. Achter me hoor ik Tom schreeuwen. Het koude water stroomt mijn schoenen binnen. Steeds verder loop ik, en mijn kleren worden als maar zwaarder. Ik hoor dat Tom ook het water in is gekomen. Ik stap flink door, en al snel sta ik tot mijn schouders in het water. Tom is een heel stuk achter me, hij komt niet zo snel vooruit door zijn wijde kleding. Verder loop ik, ik kan amper mijn hoofd boven water houden. ‘Bill, wacht! Doe het niet!’ Hoor ik Tom roepen. Ik loop nog verder.

Tom’s pov:
Hij gaat het echt doen! Zo snel als ik kan ga ik naar Bill toe. Ik moet hem stoppen. Hij kan zijn hoofd al niet meer boven water houden, en dat betekend dat wanneer ik daar sta, dat ik dat ook niet kan. Ik zie hem langzaam onder water verdwijnen. Na een voor mijn gevoel veel te lange tijd ben ik eindelijk bij hem. Ik pak hem onder zijn armen en zorg dat zijn hoofd boven water blijft. Zo neem ik hem mee naar het droge. Daar leg ik hem op de grond. Ineens begint Bill heel erg water op te hoesten. Gelukkig maar. Ik help hem om rechtop te gaan zitten terwijl hij het zeewater uit zijn longen hoest.
Na een hele tijd is hij pas klaar en zit hij na te hijgen. ‘Bill! Waarom deed je dat?!’ Zeg ik geschrokken. Hij zegt niets en staart alleen vooruit. Hij kan nu of heel erg geschrokken zijn en van het hele zelfmoord idee af zijn, of hij is pissig op me omdat zijn plannetje nu is mislukt. Ik hoop dat het de eerste optie word, want ik wil mijn broertje echt niet kwijt. ‘Bill…Iemand thuis?’ Vraag ik. ‘Waarom moest je me nou uit het water halen?’ Zegt hij boos en verdrietig tegelijk. ‘Omdat ik je niet kwijt wil.’ Zeg ik. ‘Ik wil wat anders kwijt. Maar dat gaat niet als jij me opvist.’ Zegt hij boos. Eigenwijs…Daar komt hij niet ver mee als hij zo doorgaat. ‘Kom, we gaan naar huis. Als je hier zo blijft zitten word je ziek.’ Zeg ik. ‘Interesseert me niet.’ Zegt hij. ‘Kom nou gewoon mee.’ Zeg ik. Ik trek hem overeind en neem hem mee naar huis.
Als we weer thuis zijn pak ik een handdoek en geef die aan Bill. ‘Doe even schone kleren aan. Dat zit ook een stuk lekkerder.’ Zeg ik. Moet ik nou echt alles voor hem voorkauwen? Hij zegt geen woord en gaat naar boven.

Bill’s pov:
Ik was er bijna. Bijna was ik er geweest. Maar Tom vond het weer nodig om me uit het water te halen. Ik weet wel dat hij het deed omdat hij de band tussen ons niet wilt verbreken. Maar ik wil gewoon niet meer verder en daarmee wil ik hem niet opzadelen.
Tom geeft me een handdoek en ik ga naar boven. In de badkamer kleed ik me om. Waarom maakt hij het nou zo moeilijk voor me. Aan de ene kant wil ik weg van hier, en aan de andere kant kan ik niet zonder mijn broertje. En waar heeft hij nou die spullen gelaten? Waarschijnlijk ergens waar ik niet bij kan komen. Zijn kamer? Die doet hij de laatste tijd telkens op slot, en normaal gesproken doet hij dat niet. Maar hoe kom ik daar nou in? Dan zou ik eerst die sleutel moeten krijgen. Wat loop ik nou moeilijk te doen, ik kan toch een nieuwe kopen?
Ik ga maar weer naar beneden. Daar zit Tom op de bank. ‘Weer lekker schoon?’ Zegt hij. ‘Jup.’ Zeg ik kortaf. ‘Weet je, ik ga maar naar bed, ik heb hier toch niets meer te doen.’ Zeg ik en ga naar boven. ‘Ok, truste.’ Zegt Tom.
Ik ga niet in bed liggen. Ik zet mijn raam wijd open en kijk naar buiten. Even mijn fantasie gebruiken, wat kan ik verder nog doen? Sommige mensen slikken een overdosis met pillen. Het werkt snel, heeft effect, je bent er zo vanaf, klinkt toch goed? Of… Van een gebouw donderen. Duurt iets langer, heeft niet altijd effect, maar als het goed gaat dan ben je echt morsdood. Klinkt iets minder, maar kan ik altijd nog open houden. Het verdrinken is voor mij al afgevallen, dat heeft toch geen nut als Tom achter me aankomt. Hetzelfde geldt voor het snijden, dat gaat niet meer. En gezien hij me niet meer alleen weg laat gaan, kan ik ook geen nieuwe schaar kopen. Voor de trein springen? Misschien komt Tom me dan weer achterna, en eer dat er een trein komt duurt het wel even. Shit. Jezelf ophangen vind ik zo ranzig, en het is zo’n gedoe. Daar heb ik dus echt geen zin in. Uithongeren…Dat duurt alleen wat langer. Hoe lang kan een mens ook alweer zonder eten en drinken? Ik geloof zo’n 2 weken zonder drinken, en een maandje zonder eten? Zoiets zal het wel zijn. Wat ben ik dan verwend. Ik krijg al honger als ik 1 dag niets eet. Het duurt wel lang, maar ik kan het onthouden. Sommige jagen een kogel door hun kop… Hmm.. Maar je komt niet aan zo’n ding. Weet je, ik houd het voorlopig nog op de pillen en niets eten. Eens kijken of dat werkt. Eerst maar even slapen.
De volgende ochtend word ik wakker gemaakt door Tom. ‘Hoi Bill, kom je zo eten?’ Vraagt hij. ‘Ik heb geen honger.’ Zeg ik terwijl ik in mijn ogen wrijf. ‘Ben je ziek ofzo? Maar ok. Zeker weten?’ Vraagt hij. ‘Honderd procent.’ Zeg ik. Tom haalt zijn schouders op. ‘Maar kom je wel zo naar beneden?’ Vraagt hij. ‘Ja hoor, ik kom er zo aan.’ Zeg ik. Tom gaat weer weg. Ik ga me omkleden. Als ik beneden kom is Tom aan het ontbijten. Ik ga voor hem zitten. ‘Je bent echt gek dat je niets wilt, het is vers brood.’ Zegt hij. ‘Maakt niet uit, ik heb echt geen trek.’ Zeg ik nog eens. ’s Middags eet ik weer niets. Tom vindt het maar raar, en vraagt wel honderd keer of ik het echt zeker weet.

Tom’s pov:
Ik snap niet waarom Bill niets hoeft. Normaal gesproken heeft hij wel trek ik van alles en nog wat. En hij heeft vandaag nog niets gedronken. Maar ik krijg hem wel aan het eten. Vanavond maak ik pasta met mijn speciale saus. Daar kan hij niet tegenop.
Ik ga alles in huis halen voor het avondeten. Bill zit tv te kijken. Ik besluit om wel een beetje op te schieten, stel dat hij wat uitvreet, dan heb ik nog kans dat ik op tijd terug ben. In de supermarkt staat een lange rij. Dat zal je net zien als je haast hebt.
Als ik weer thuis kom zit Bill nog steeds tv te kijken. Niets aan de hand dus. Ik ga maar beginnen met het eten. En al snel begint het heerlijk te ruiken.

Bill’s pov:
Ik rammel. Pff… Hoe ga ik dit 2 maanden volhouden? Als ik de lucht uit de keuken ruik weet ik al dat het niet lang meer duurt voordat ik wel moet eten. Tom weet dat ik niet van de pasta met zijn saus af kan blijven. Na een tijdje komt Tom naast me zitten. ‘Heb je al trek in het eten?’ Vraagt hij. Oh… dit is zo gemeen. Natuurlijk! Ik heb niets gegeten vandaag. ‘Een beetje.’ Zeg ik. Tom krijgt een glimlach op zijn gezicht en slaat een arm om mijn schouder. ‘Dat moet ook wel, want ik weet dat jij dit super lekker vind.’ Zegt hij lachend. Ik zeg maar niets. ‘Wat wil je er zo bij drinken?’ Vraag Tom, om het gesprek gaande te houden. ‘Doe maar water.’ Zeg ik. ‘Water? Ok, als jij dat wilt.’ Zegt hij en staat weer op. Shit, nu moet ik wel…Ik ga dus echt geen vinger in mijn keel steken om alles er weer uit te kotsen. Dan worden het maar de pillen. Tom breekt in in mijn gedachten door me te roepen voor het avondeten, en zoals gewoonlijk vind ik het super lekker. We hebben ook nog schepijs. Het is echt heerlijk. Daarna zit ik echt bomvol. ‘Dat krijg je ervan als je de hele dag niets eet.’ Zegt Tom. ‘Ik had gewoon geen honger.’ Zeg ik nog eens. ‘En waarom schrok je nu alles naar binnen?’ Zegt hij. ‘Omdat ik nu wel honger had. Maar nu niet meer…Ik zit echt vol, je krijgt geen hap meer naar binnen bij mij.’ Zeg ik lachend. We gaan afruimen en al snel staat alles weer op zijn plek.
Ik ga naar boven en neem een flesje water mee. Het is dan misschien niet gelukt om niets meer te eten, maar die pillen is zo gebeurt. Ik moet alleen nog even verzinnen hoe ik ze krijg terwijl Tom beneden zit. Hij heeft het vast wel door als ik het hele kastje plunder.
Ik ga weer naar beneden. Tom zit tv te kijken. Ik loop langs hem. ‘Hoi Bill, lang niet gezien he.’ Zegt hij sarcastisch. Ik heb namelijk alleen mijn flesje boven gezet. ‘Echt wel. Eeuwigheid niet gezien.’ Zeg ik. Snel loop ik door naar het kastje waar alle medicijnen staan. ‘Wat zoek je?’ Vraagt Tom. ‘Ik heb koppijn. Dus ik zoek iets wat helpt.’ Zeg ik terwijl ik op alle verpakkingen kijk. ‘Ok, dan kan je deze het beste gebruiken.’ Zegt Tom terwijl hij me een doosje geeft. Daar mag je maximaal 2 stuks per dag van innemen. ‘Dank je.’ Zeg ik. Ik haal er een hele strip uit. ‘Ik leg er een paar op mijn bureau voor als het niet helpt.’ Zeg ik, en ga weer naar boven. Dit is vast niet genoeg, ik zou vanavond nog eens terug moeten.
Na een paar uur ga ik weer naar beneden. Tom ligt te pitten op de bank, terwijl de tv nog aanstaat. Slim. Het komt wel mooi uit nu. Ik haal allerlei doosjes uit het kastje en zoek diegene uit die je juist niet in combinatie mag nemen. Daarvan neem ik er een hele zooi mee naar boven. Tom heeft niets gemerkt. Eenmaal boven maak ik het open en doe er een paar op mijn hand. ‘Nou, daar gaan we dan.’ Zeg ik tegen mezelf. Iets houd me tegen. Snel berg ik alle doosjes op. En ik had gelijk; Tom staat voor mijn deur. ‘Wat is er?’ Vraag ik. ‘Ik wilde even weten of het weer gaat met je hoofdpijn.’ Zegt Tom. ‘Oh, ja. Het is wel een stuk beter zo.’ Zeg ik. ‘Ok.’ Zegt hij. ‘Lekker geslapen?’ Vraag ik. ‘Ik sliep niet.’ Zegt Tom snel. ‘Jawel, dat zag ik toch. Je lag op de bank met de tv aan en je ogen dicht.’ Zeg ik. ‘Ik lag hl diep na te denken.’ Zegt Tom. ‘Ja, natuurlijk. En je wilde alles visualiseren.’ Zeg ik. ‘Jij snapt het.’ Zegt hij, en gaat weer weg. Hij wilt gewoon niet toegeven dat hij een slaapkop is. Ik pak de pillen weer. Nu gaat het echt gebeuren. Ik stop de pillen in mijn mond. Gatver. Ik krijg die krengen niet doorgeslikt, dat is echt een gore smaak. Meteen spuug ik het uit in de prullenbak. Daarna drink ik gelijk mijn flesje water leeg. Dat was echt smerig. Ik vul mijn flesje nog eens. Als ik nou sneller ben dan Tom, en de trein werkt mee. Dan is het ook zo over. Kan toch? Alleen is mijn probleem dat Tom en ik ongeveer gelijk op gaan. Het valt te proberen.
Ik ga weer slapen. Nu rijden er toch geen treinen meer.
De volgende dag is Tom al druk in de weer met van alles en nog wat. Ik laat hem maar zijn gang gaan.
Tegen de middag ga ik weg. Tom heeft het iets te laat door waardoor ik een voorsprongetje heb. Zo snel mogelijk ga ik naar het station. Ik kijk snel op het bord hoe lang het nog duurt voordat de trein aankomt. Shit! Vertraging! Klote trein. Ik ren verder voordat Tom me inhaalt. Door allerlei gangen lopen we, mensen ergeren zich doordat we ze bijna omver lopen, en uiteindelijk komen we weer bij hetzelfde spoor terecht.
Dan gebeurt het. De trein komt aan, ik ren de benen uit mijn lijf. Maar dan pakt Tom mijn shirt, en de trein is weg. Nee… Niet weer. Daar gaat de trein. Zonder dat ik kon vluchten uit het leven. Weer een kans verknoeit. Tom trekt me tegen zich aan. ‘Bill, wat haal je nou allemaal in je hoofd. Het scheelde nog maar weinig.’ Zegt hij zacht. ‘Ja, het scheelde nog maar heel erg weinig.’ Zeg ik teleurgesteld. Hij is blij dat ik nog leef, ik niet. Ik was er bijna geweest, ik was zo dicht bij. En doordat ik net een fractie van een seconde te laat was is alles omver gegooid. We gaan naar huis. Daar ga ik gelijk door naar boven en draai mijn deur op slot. Ik doe mijn raam weer open en ga weer voor het raam zitten. De wind waait door mijn haren. ‘Wat moet ik nu doen?’ Vraag ik aan mezelf.
Ik weet het, als ik nou een tijdje gewoon niks doe, dan denkt Tom dat ik geen neigingen meer heb. En dan krijg ik mijn spullen terug. Handig. Maar hoe lang gaat dat duren? Ik moet het er ook niet meer over hebben. De tijd zal het leren.

Tom’s pov:
Het lijkt beter te gaan met Bill. Maar ik betwijfel of hij het niet gewoon speelt. We gaan samen op stap. Hij gedraagt zich niet anders dan normaal. Ik wacht nog heel even, maar ik vind het goed dat hij van het hele zelfmoord idee af is. Ik laat hem zijn gang gaan als hij alleen weg wil, en telkens komt hij gewoon heelhuids weer thuis. Misschien moet ik het dan toch terug geven, anders is het ook zo flauw.

Bill’s pov:
Als het niet opschiet verzin ik wel een andere manier. Hij laat me verdorie wel alleen weg gaan, maar hij vertrouwd me mijn eigen spullen niet toe? Dat is gemeen. Ook als ik gewoon een passer nodig heb moet ik eerst aan hem vragen of ik mijn eigen passer kan gebruiken. Dat schiet niet echt op.
Ik ga naar beneden. Misschien valt daar wat te beleven. Tom komt naar me toe. ‘Bill, sorry dat ik nog steeds je spullen heb. Maar ik wilde gewoon niet dat je iets uitspookte. En ik vind dat je ze weer terug moet krijgen. Ik heb je al lang genoeg laten wachten.’ Zegt Tom. Dat werd tijd. ‘Ok, bedankt voor de hulp.’ Zeg ik. Nou…Hulp? Hij heeft er inderdaad een paar keer voor gezorgd dat mijn plan mislukt is, maar dat maakt niet uit. Nu kan het gewoon bijna niet meer fout gaan. Ik heb het voor elkaar dat ik alles weer terug heb. Tom geeft het weer terug en ik berg alles netjes op. ‘Dan laat ik je nu maar weer met rust.’ Zegt Tom. ‘Wat is er met je?’ Vraag ik aan hem. Hij kijkt raar op. ‘Hoezo?’ Vraagt hij. ‘Ik weet niet, ben je verdrietig ofzo? Teleurgesteld?’ Vraag ik. ‘Nee, het idee gewoon dat mijn broertje zelfmoord wilde plegen ligt niet zo lekker.’ Zegt Tom. ‘Aha….Maar ik ben er nog.’ Zeg ik. ‘Ja, maar al 3 keer bijna niet meer.’ Zegt hij. Tja, daar heeft hij gelijk in. ‘Maar jij hebt me geholpen, en daar ben ik dankbaar voor.’ Zeg ik. Ik hoop zo dat hij niet merkt dat ik dit allemaal uit mijn duim zuig. Natuurlijk waardeer ik dat hij probeert te helpen, maar het helpt gewoon niet. ‘Ik weet wel dat je van het hele idee af bent gestapt, maar het voelt niet goed. Ik weet niet wat er aan de hand is. Maar trek het je maar niet aan.’ Zegt Tom. ‘Doe ik wel.’ Zeg ik. ‘Er is echt niets. Maak je maar geen zorgen.’ Zegt Tom. Wat doet hij raar. ‘Ok, maar je kunt het altijd zeggen. En ja, ik weet het. Ik heb het ook niet altijd gezegd, maar ik sta altijd voor je klaar.’ Dit meen ik. Hij knikt en gaat weg. Hij maakt het me wel moeilijk. Ik wacht nog even hoe het gaat met hem. Morgen zie ik wel verder. Ik wil niet dat hij mij gaat volgen als ik het doe.
De avond daarop gaat het weer goed met Tom. Ik denk dat het komt omdat ik niets heb gedaan. Maar nu wel. Ik pak mijn schaar. Het glimt dan niet zo mooi als een mes, maar het heeft hetzelfde effect, en daar gaat het me nu om. Diepe sneen zet ik in mijn armen. Het bloed heel erg, maar dat maakt niet uit. Het voelt weer goed om dit te doen. Maar aan de andere kant voelt het ook slecht, omdat ik Tom’s hart ermee breek. Maar hij komt er niet achter. Hij weet van niets. Ik laat het nog even bloeden en dep het dan af. Ik doe mijn zweetbandjes om en Tom komt binnen. Hij breekt, dat zie ik in zijn ogen. Hij zegt niets, maar blijft staan. Misschien is dat nog wel het ergste. Misschien had ik liever gehad dat hij me verrot schold, boos op me was, me negeerde. Maar dit…Hij staat daar enkel in de deuropening. Hij lijkt weer tot zichzelf te komen. ‘Bill, je zou niet meer…Ik geloofde je…Waarom?’ Zegt hij. Ik ga naar hem toe, maar hij gaat naar achteren, tot hij uiteindelijk de muur bereikt heeft. Ik weet niets te zeggen. Ik heb zijn hart gebroken, ik heb gelogen tegen mijn eigen broer. Dit klinkt misschien nogal aanstellerig maar zo zien wij dat nou eenmaal. Ik ga weg hier. Ik heb hier niets meer te zoeken. Tom komt me achterna. Straten schieten voorbij, zonder op te letten ren ik wegen over. Maar er is niet een auto die me raakt. Ze stoppen ook voor Tom. Tranen stromen over mijn wangen. In een waas ren ik een gebouw binnen. Naar boven, ik moet naar boven. Dat is alles wat er door mijn hoofd galmt. Ik word moe. Deze poging gaat mislukken als ik zo door ga. Maar ik mag niet opgeven, ik moet doorzetten. Ik moet alles achter me laten, dus ook Tom. Op het dak ben ik uitgeput van het rennen. Welke gek zoekt dan ook zo’n hoog gebouw uit. Nouja, als ik naar beneden val, weet ik zeker dat ik het niet overleef. Tom is er ondertussen ook. Ik wil op de rand stappen, maar Tom trekt me daar weg. ‘Niet doen. Dat is niet nodig. Het is nergens voor nodig.’ Huilt hij zacht. Ik kan het niet geloven. Weer mislukt, dit kan ik niet zomaar voorbij laten gaan, dit is geen trein die wegrijd. Ik kan het nog eens proberen. Wanneer Tom’s greep niet meer zo strak is trek ik me los. Ik sta op de rand en wil me laten vallen, maar Tom geeft de hoop ook niet op. Hij laat me niet zomaar gaan en trekt me terug, deze keer neemt hij me mee naar beneden. ‘Tom, laat me, ik wil niet meer.’ Zeg ik driftig. Maar het helpt niets, hij blijft me stevig vasthouden en is ook niet van plan om me los te laten. ‘TOOOM! Laat me los!’ Schreeuw ik. Ik wurm me in alle bochten maar hij laat niet los. Hij is te sterk. Ik huil van woede en teleurstelling. ‘Laat me nou.’ Zeg ik zachter. ‘Nee, straks spring je echt en dan ben ik mijn broertje kwijt, de band gaat naar de klote, en mijn leven is kapot. Ik weet zeker dat wanneer de rollen omgekeerd waren, dat jij hetzelfde deed. Zegt hij.
Eenmaal thuis zet hij me op de bank. Ik tril gewoon omdat ik zo boos ben, maar ik houd me in. Tom heeft gelijk. Als hem iets overkomt, dan zou ik ook niet weten wat ik moet doen. Het heeft geen zin om te proberen zelfmoord te plegen. Hij zal me toch telkens tegen houden. Ik kan het beter gewoon met hem uitpraten. Dat zal waarschijnlijk het beste zijn… Ik weet het even niet. Ik sluit even mij ogen om na te denken. Als ik ze weer open staat Tom voor me. ‘Spijt?’ Zegt hij. Ik kijk naar de grond en knik. Hij gaat voor me zitten. ‘Gelukkig maar.’ Is het enige wat hij zegt. Ik kijk naar de donkere lucht buiten, naar de sterren. ‘Misschien is het zo wel beter ja.’ Zeg ik zacht.
Misschien…. En misschien ook niet…

I want to be with you, whatever it takes! (made by Morena)

I want to be with you, whatever it takes! (made by Morena)

Ik zit naast je, in de hoop dat je wakker zal worden.
Ik zit naast je, om bij je te zijn.
Ik zit naast je, omdat ik van je hou.
Ik zit naast je, omdat ik weet waarom je hier ligt.

Dat ik alles zag gebeuren was al een marteling.
Het was 3 uur middernacht en ik kreeg een telefoontje.
Ik hoorde gekraak en ineens een gil achter me.
Dus ik hing op en gilde het zelf ook uit toen ik jou zo zag.
Je was omgeven door rood.
Ik voelde zelf niets meer.
Ik deed dingen zonder het te merken.
Ik bracht je naar het ziekenhuis.
Daarna werd het zelf zwart voor mijn ogen.
Het voelde alsof ik in slowmotion aan het rennen was in een nachtmerrie dat nooit over zal gaan.
Ik voel me zo alleen.
Ik zeg dat het goed met me gaat.
Maar ik sterf van binnen, elke keer dat ik naar je kijk.
Ik doe alles voor de eerste keer alleen.

Open je ogen, zodat ik weet dat alles goed met je gaat.
Open je ogen, zodat ik geen zorgen meer heb.
Open je ogen, zodat we samen weer verder kunnen met leven.
Open je ogen, zodat ik je nog kan zeggen dat ik van je hou.

Nu lig je hier.
Met je ogen dicht.
Ik zie alleen jouw gezicht, want de rest is aangesloten op apparaten of ligt onder een deken.
Jouw witte gezicht laat mijn hart breken.
Het is stil, zo stil.
Ik weet niet of ik dit nog wel wil.
Ik wil alleen dat je beter word.
Ik wil je niet kwijt.
Weet je dan niet hoeveel ik lijd?
Het is na 5 minuten nog steeds ijzig stil.
Dat is niet iets wat ik wil.
Ik wil je stem horen.
Maar je ligt hier nog steeds bevroren.
De stilte word ineens verbroken door het geluid wat ik liever nooit zal willen horen.

Ik zit hier, te huilen voor jou.
Ik zit hier, omdat je het begaf.
Ik zit hier, met een doosje slaappillen in mijn broekzak.
Ik zit hier, voor je graf.

Ik word opgeroepen zodat ik mijn laatste woorden kan zeggen.
Ik hou mijn speech en ik zie iedereen huilen als ik mijn laatste woorden zeg.
‘Ik hou van je’
Je had de mooiste begrafenis die je maar kon wensen.
Je wou het ook zo.
Ik zit elke avond met tranen in mijn ogen sinds jij weg ben.
Ik kijk naar het doosje in mijn handen en schud er weer een pil uit.
Ik neem het in en val snel in slaap, zoals gewoonlijk.
Weer zie ik je voor me en roep je mijn naam.
Je zegt dat alles nu goed is en dat ik je niet achterna hoef te gaan, dat jij altijd bij me staat als ik je nodig hebt.
Als ik wakker word ga ik naar jouw kamer.
Ik open je lade van je bureau en pak een blaadje met een nieuw lied die wij samen hadden geschreven.
Samen zingen we het refrein.
And I am telling you
I'm not going
Even though the rough times are showing
There's just no way
There's no way
We're part of the same place
We're part of the same time
We both share the same blood
We both have the same mind
And time and time we have so much to share
No, no, no
No, no, no
I'm not wakin' up tomorrow mornin'
and findin' that there's nobody there
There's no way
no, no, no, no way
I'm livin' without you
I'm not livin' without you
You see, there's just no way
There's no way

Ik huil, omdat ik dit zo’n mooi nummer vind.
Ik huil, omdat ik je nog steeds hoor gillen.
Ik huil, omdat ik bij je wil zijn.
Ik huil, omdat ik iets ga doen wat jij niet wilt.

Ik zit hier. Ik zit naast je. Ik huil.
Open je ogen want ik ben nu bij je.

1.000 Meere (song fanfic)

1.000 Meere (song fanfic)

De straten zijn verlaten. Waarschijnlijk omdat het op het punt staat om te regenen. Ik loop verder. Een koude wind gaat langs me heen en verteld dat ik naar huis zou moeten omdat de wolken zo barsten. Te laat, de regen plenst naar beneden. Hier sta ik dan, ik een doorweekt shirt, zonder paraplu of iets dergelijks. Ik ga naar het plekje bij de zee waar we vroeger altijd waren. Ik denk weer terug aan die tijd.

Die Straen leer
Ich dreh mich um
Die Nacht hat mich verloren
Ein kalter Wind Die Welt erstarrt
Die Sonne ist erfroren
Dein Bild dist sicher
Ich trgst in mir
ber 1.000 Meere
Zurck zu dir Zurck zu uns
Wir drfen unseren Glauben nicht verlieren
Verttrau mir…

Wir mssen nur noch 1.000 Meere weit
Durch 1.000 dunkle Jahre ohne Zeit
1.000 Sterne ziehen vorbei
Wir mssen nur noch 1.000 Meere weit
Noch 1.000-mal durch die Unendlichkeit
Dann sind wir endlich frei

We waren een jaar of 6 en hadden een hut gemaakt. En trots dat we toen waren. Ik zie de hut al staan. Hij is dan misschien niet meer zo mooi als vroeger, maar dat maakt voor mij niets uit. Het blijft een prachtding.

Irgendwo ist der Ort,
Den nur wir beide kennen
Lief alles anders als gedacht
Der Puls in den Adern ist viel zu schwach
Doch irgendwie schlagen uns
Die herzen durch die Nacht
Vertrou mir

Wir mssen nur noch 1.000 Meere weit
Durch 1.000 dunkle Jahre ohne Zeit
1.000 Sterne ziehen vorbei
Wir mssen nur noch 1.000 Meere weit
Noch 1.000-mal durch die Unendlichkeit
Dann sind wir endlich frei

Voorzichtig ga ik naar binnen. Ik moet opletten dat ik mijn hoofd niet stoot. Het is gemaakt op de lengte die we toen hadden. En na 12 jaar ben je wel gegroeid.
Ik hoor dat er iemand binnen is.
Al snel zie ik de omtrek van de persoon. Een omtrek die ik uit duizenden ken. Hij heeft iets bij zich, als hij het voor mijn neus legt zie ik pas wat het is. Oude fotoboeken en tekeningen uit dezelfde tijd als deze hut. Samen delen we de herinneringen van vroeger. Hij praat honderduit over allerlei dingen die we toen gedaan hebben. ‘Maar waarom kwam je eigenlijk hierheen?’ Vraagt hij uiteindelijk. ‘Ik was je thuis kwijt, en dit was de eerste plek waar ik aan dacht.’ Zeg ik. ‘Aha. Nou, ik heb hier nu wel lang genoeg gezeten. Ik ga naar huis. En hoe zit het met jou?’ Vraagt hij. ‘Ik kom wel mee.’ Zeg ik. We gaan samen door de plenzende regen terug naar huis.

Niemand und nichts nehm’ wir mit
Und irgendwann schauen’ wir auf jetzt zurck
1.000 Meere weit
1.000 Jahre ohne zeit
1.000 Meere weit
1.000 Sterne ziehen voorbei
vorbei
lass dich zu mir treiben
ich lass mich zu dir treiben

Wir mssen nur noch 1.000 Meere weit
Durch 1.000 dunkle Jahre ohne Zeit
1.000 Sterne ziehen vorbei
Wir mssen nur noch 1.000 Meere weit
Noch 1.000-mal durch die Unendlichkeit
Dann sind wir endlich frei
Lass dich zu mir treiben
Ich lass mich zu dir treiben
1.000 Meere weit

Friend of the devil?

Friend of the devil?

Bill’s pov:
Ik loop door het parkje. Om een of andere reden had ik daar vanmorgen zin in. Dat komt vast door het mooie weer.
Dan komt er een meisje mijn gedachten verstoren. ‘Pas op! Je bent vervloekt! Vervloekt zeg ik je!’ Schreeuwt ze. ‘Jaja, het zal.’ Zeg ik. Het meisje ziet er nogal… Niet echt van deze tijd uit. Als je haar in de middeleeuwen zou zetten zou ze gelijk voor heks worden aangezien. ‘Jij gelooft mij niet? Let maar eens op.’ Zegt ze. Ze begint allerlei onverstaanbare woorden te mompelen. Het parkje om ons heen verdwijnt en maakt plaats voor een zwarte duisternis. Ik zie vuur oplaaien, het wordt steeds hoger en komt onze kant op. ‘Wat gebeurt er? We moeten hier weg.’ Zeg ik angstig tegen het meisje. Ze reageert niet.
Het vuur is nu zo dichtbij dat ik moet opletten dat ik het niet aanraak. Ik deins achteruit maar daar is ook een vlammenzee. Ik kruip ineen om mezelf te beschermen, ook al weet ik dat het niets helpt. Het wordt gloeiend heet en ineens de normale temperatuur. Als ik mijn ogen open ben ik weer in het parkje. Het meisje van daarnet is nergens meer te bekennen. Snel ga ik naar huis.
Als ik de deur achter me dicht doe word ik gelijk begroet door Tom. ‘Hey, hoe was het buiten? Je bleef zo lang weg.’ Zegt hij. ‘Hoe lang?’ Vraag ik. ‘Ongeveer 2 uur.’ Zegt hij. ‘Hoe laat is het nu dan?’ Vraag ik snel. ’11 Uur. Wat is er mis met de tijd? Je lijkt wel geschrokken dat het zo laat is.’ Zegt hij. ‘Nou, er is iets raars gebeurt in het parkje.’ Begin ik. ‘Je bent toch niet weer tegen die boom aangelopen?’ Zegt Tom lachend. ‘Nee, laat me nou uitpraten. Toen ik daar liep kwam er een meisje naar me toe. Ze zei dat ik vervloekt was ofzo. Ik geloofde haar niet. Ze begon in een vreemde taal te praten, en voor ik het wist was het helemaal donker om ons heen. En daarna kwamen er allemaal vlammen op ons af. Ik dook in elkaar en voelde hoe het vuur aan me kwam. Het was er loeiheet en ineens was het weer zo koel als in het parkje. Toen in mijn ogen opende was ik daar ook. Echt heel raar.’ Vertel ik. ‘Ben je niet gewoon ergens op een bankje in slaap gevallen?’ Vraagt Tom lacherig. ‘Nee, en ik heb alles gevoeld. Ik ben me rot geschrokken.’ Zeg ik. ‘Ik geloof je best hoor Bill, maar het klinkt allemaal zo raar.’ Zegt Tom. Ik zucht.
Die dag doen we de dingen die we normaal gesproken ook zouden doen.
Als ik ’s avonds eindelijk kan slapen beleef ik het hele gedoe in het park nog eens.
De volgende ochtend word ik gewekt door Tom. ‘Wakker worden joh, of wilde je de hele dag blijven slapen?’ Vraagt Tom lachend. ‘Als het even kan zou ik de hele dag door slapen.’ Zeg ik slaperig. Tom doet het licht aan. ‘Tom! Doe dat snertlicht uit!’ Roep ik. Tom moet lachen. Na een tijdje ben ik gewend aan het licht. En nu Tom te grazen nemen. Hij staat nog steeds toe te kijken hoe ik moeilijk liep te doen over het licht. Ik spring bovenop hem. ‘Hee, dat is vals.’ Zegt hij lachend. En nu is het tijd voor de kieteldood. Hij kronkelt heen en weer. Even later lig ik onderop met Tom bovenop me. ‘En nu een revanche.’ Zegt hij. ‘To-Tooohoom… i-ik kan daahaar niet teeehgen.’ Weet ik uit te brengen. ‘Eerst zeggen dat ik heb gewonnen, dan pas houd ik op.’ Zegt hij grijnzend. ‘Da-dat noohooit.’ Lach ik. Ik probeer opzij te rollen maar dat lukt niet. ‘Zeg het.’ Zegt hij. ‘Jij…Jij hebt ge-gewonnen.’ Zeg ik. ‘Ik hoor je niet.’ Zegt hij uitdagend. ‘Jij he-hebt gewonnen.’ Zeg ik buiten adem van het lachen. Hij gaat eindelijk van me af. Ik blijf nog even liggen. ‘Wow, Bill, je bent helemaal rood.’ Zegt Tom. ‘Grappig hoor.’ Zeg ik en staar naar het hoofd met dreads wat boven me hangt. ‘Nee, nee, het is geen grapje, kijk zelf maar.’ Zegt hij. Mijn handen zijn rood, en als ik in de spiegel kijk zie ik dat ik een knalrode kop heb. ‘Je hebt wel een voordeel Bill. Beide kleuren, zowel rood als zwart zijn je lievelingskleuren.’ Lacht Tom. ‘Grappig hoor. Hoe kan dit nou?’ Zeg ik verbaast. ‘Misschien door gisteren in het park.’ Zegt Tom. ‘Dat kan.’ Zeg ik meer tegen mezelf dan tegen Tom. ‘Ga je maar omkleden, dan zoeken we zo uit hoe dit kan.’ Zegt hij. Ik zoek wat kleren uit en vertrek richting de badkamer.

Tom’s pov:
Bill gaat naar de badkamer. Al snel hoor ik de kraan aan gaan. Ondertussen start ik de laptop vast op. Ineens hoor ik een schreeuw van Bill die zo te horen geschrokken is. ‘Bill, wat is er?’ Vraag ik. ‘Wacht even dan doe ik een handdoek om. ‘Zegt hij. Ik hoor wat gerommel en dan gaat de deur van het slot. ‘Wat is er? En wat heb jij nou op je hoofd?’ Vraag ik een beetje lachend. ‘Ik weet niet wat het is. En moet je kijken.’ Zegt Bill en draait zich om. Onder zijn handdoek kom een staart vandaan. Zo eentje als die van een duiveltje. ‘Hahahaha…. Normaal hebben jongens n aanhangsel, maar jij hebt er 2.’ Zeg ik lachend. Bill moet moeite doen om niet te lachen. ‘Maar wat moet dat daar?’ Zegt hij lichtelijk in paniek. ‘Geen idee. Je bent denk ik in een soort duiveltje veranderd.’ Zeg ik. ‘Nee toch. Toch niet zoiets als die Hellboy?’ Zegt Bill. ‘Nee, meer het omgekeerde van Hellboy. Hij werd zo geboren, jij niet.’ Plaag ik hem. Hij probeert naar me uit te halen, maar hij moet op zijn handdoek letten. ‘Jammer h, die handdoek. Trek maar wat kleren aan. Ik zie je zo beneden.’ Zeg ik. ‘Maar hoe zit het dan met mijn broek?’ Vraagt hij. ‘Euh… Een gaatje erin knippen?’ Stel ik voor. ‘Ok…’ Zegt Bill. Ik ga naar beneden.

Bill’s pov:
Als Tom naar beneden gaat droog ik me snel af. Ik doe mijn shirt en boxer aan. Als ik rechtop wil gaan staan stoot ik mijn hoofd tegen de wasbak. ‘Au! Scheisse.’ Zeg ik en wrijf over mijn hoofd. Ik ga met mijn broek in mijn hand naar mijn slaapkamer. Daar ga ik op zoek naar een schaar.
Als ik er een vind moet ik nog erachter komen waar het gat moet, en hoe groot. Na een hele tijd klooien zit het eindelijk goed. Dan ga ik naar beneden. ‘Zo, dat duurde even.’ Zegt Tom. ‘Leuk hoor grapdoos.’ Zeg ik. ‘Zo te zien is het gelukt met je broek.’ Zegt hij. ‘Ja, maar het was best lastig. En nu nog al mijn andere broeken, maar dat doe ik later.’ Zeg ik. ‘Ok.’ Zegt hij, en vervolgens gaat zijn aandacht weer terug naar de tv. Ik plof naast hem neer. Ik jat de afstandsbediening van hem en ga zappen. Ik kom uit bij de Olympische spelen. Turnen voor heren. ‘Het lijkt wel alsof die gasten opgepompt zijn.’ Zeg ik. ‘Ja, daar word je toch ook niet gelukkig van als je er zo uitziet?’ Zegt Tom ‘Kennelijk wel. Misschien hopen ze dat er zo meer meiden achter zich aan krijgen. Dus als jij ook zo wilt worden moet je nog even doortrainen. Je bent echt zo’n sprietje vergeleken met hun.’ Lach ik. Ik krijg een speels duwtje van Tom ‘Nee jij bent lekker breed wil je zeggen.’ Lacht hij. ‘Dat is gemeen. Jij mag mij niet plagen. Dat mag ik alleen bij jou doen.’ Zeg ik. ‘Ja joh? Mogen kleine broertjes dat alleene bij hun grote broer doen?’ Plaagt hij.
Tom wordt gebelt op zijn mobiel. Maar om die te pakken te krijgen moet hij nogal diep in zijn broekzak graaien. Als hij zietg hoe ik zit te grijnzen zegt hij: ‘Niet lachen.’ Maar doordat hij dat zo zegt lukt het juist niet om niet te lachen.
Als hij zijn mobiel eindelijk te pakken heeft lig ik alweer dubbel.
‘Hey Guus… Ja sorry, maar dat heb ik nou eenmaal met zo’n broek… Ok, wacht even.’ Zegt hij en keert zich naar mij toe. ‘Bill, niet lachen. Probeer jij maar eens om dat ding uit een broekzak te halen die zo ver weg is.’ Hierdoor krijg ik nog een lachbui. ‘Daar ben ik weer…Ja, hij zit me weer eens uit te lachen… Nee, ik pak hem zo nog wel terug…Ok, is goed… Jup, tot zo.’ Zegt hij en hangt op. ‘En wat zit jij nou weer raar te kijken?’ Vraagt hij. ‘Ik kijk normaal. Maar waarvoor belde Gustav?’ Vraag ik.’ Hij komt zo langs.’ Zegt Tom. ‘Wat?! Sukkel, dat kon ik ook net gebruiken h.’ Zeg ik. ‘Oja, oeps. We… ehm… we verzinnen er wel wat op.’ Zegt Tom. ‘Mij kan je boven vinden.’ Zeg ik een beetje gerriteerd. ‘Ok, ik zie je zo wel weer.’ Zegt hij.
Boven trek ik de deur achter me dicht. Straks komt Gustav dus. Wat zou hij wel denken als hij dit ziet? En hetzelfde geld voor Georg.
Ik hoor dat er word aangebeld, dat zal Gustav zijn. Tom doet open en samen gaan ze de woonkamer in. Ik hoor Gustav nog vragen waar ik ben, en Tom zegt dat ik boven ben. Daar neemt Gustav genoegen mee.
Ik trek een vest aan en trek de capuchon over mijn gezicht. Ik ga naar beneden. ‘Ik ben buiten.’ Roep ik en ga weg.
Nu wil ik even alleen zijn, zonder Tom of Gustav of wie dan ook.

Tom’s pov:
Er zit Bill iets dwars. Ik weet wel wat, maar hoe kan ik helpen?
‘Tom, wat is er? Je bent zo afwezig.’ Zegt Gustav. ‘Nee, niets, er is niets.’ Zeg ik. ‘Er is iets met Bill h? Dat merk ik aan je houding.’ Zegt Gustav. Ik zucht. ‘Het heeft wel met Bill te maken, maar ik vind dat het niet aan mijn is om het te zeggen.’ Vertel ik. Er is even een stilte tussen ons waar ik een beetje zenuwachtig van word. ‘Zullen we naar hem toe moeten?’ Vraag ik. ‘Ik weet niet wat er met Bill aan de hand is, dus ik kan het niet inschatten. Jij weet het beter.’ Zegt Gustav. ‘Ik denk dat we beter naar hem toe kunnen gaan.’ Zeg ik. ‘En weet je ook waar hij zit? Berlijn is namelijk nogal groot.’ Vraagt hij. ‘Als hij even alleen wilt zijn, dan is hij meestal in het park te vinden. Dus hopen dat hij er nu ook is.’ Zeg ik. ‘Ok, laten we gaan.’ Zegt Gustav.
Als we in het park zijn zie ik Bill al snel zitten. Hij heeft zijn knien opgetrokken en zijn armen eromheen geslagen. Zijn capuchon zit voor een deel over zijn gezicht, en zijn haar hangt als een gordijn voor hem. Eer komt iemand op Bill af. ‘Dat betekent niet veel goeds.’ Zegt Gustav zacht.

Bill’s pov:
Eigenlijk kan ik het Tom niet kwalijk nemen, net zoals Gustav. Ik kan niet eeuwig boos op ze blijven. Ik hoor dat er iemand naar me toe komt, dat zal Tom wel zijn. Als ik op kijk zie ik dat het Tom niet is. Ik ken de jongen niet, maar ik heb er een naar gevoel over. De jongen pakt me vast bij mijn kraag. ‘Leren jullie emo’s nou nooit dat je hier niet gewenst bent?’; Zegt hij dreigend. Ik haat het als mensen me in een hokje stoppen, daar kan ik echt niet tegen. ‘Ik…Maar… Wat heeft dit te betekenen?’ Breng ik onhandig uit. De jongen haalt een mes uit zijn zak. ‘Dat ik je uit de weg ruim.’ Hij houdt het mes voor mijn neus. Ik geef de jongen een duw. Hier wil ik niets mee te maken hebben. De jongen haalt naar me uit. Ik voel mijn handen tintelen, het lijkt te branden. Ik pak de jongen bij zijn schouders en duw hem tegen een boom. Hij schreeuwt het uit van de pijn, maar ik houd hem helemaal niet stevig vast. Als ik mijn handen van zijn schouders af haal lijkt het er wel ingebrand. Geschrokken ren ik weg. En daar staat Tom. Hij heeft waarschijnlijk alles gezien en weet hoe erg ik geschrokken ben. Hij houdt me stevig tegen zich aan. Dan zie ik dat Gustav er ook is, ik denk dat Tom al verteld heeft wat er is gebeurt gisteren ochtend.
Tom laat me los. ‘Wat gebeurde er daarnet?’ Vraag ik aan hem. ‘Ik weet het niet. Je leek wel in brand te staan, maar je had er geen last van. En die jongen duidelijk wel.’ Zegt Tom. ‘Zijn verdiende loon. Hij dreigde met een mes.’ Zeg ik zachter dan normaal. ‘Kom, we gaan naar huis. Dat is beter dan hier blijven.’ Zegt Gustav. Ik knik. Als we thuis zijn zegt Gustav: ‘Is er iets wat je dwars zit?’ Ik weet niet zo goed een houding aan te nemen. ‘Ik weet het niet meer. Ik snap er helemaal niets van. Hoe kan ik van de ene op de andere dag zo zijn?’ Zeg ik. ‘Wat was er gebeurt toen je zo werd?’ Vraagt Gustav. ‘Heeft Tom het je nog niet verteld?’ Zeg ik verbaasd. ‘Ik vond dat je het zelf moest vertellen. Jij weet het beste wat er gebeurt.’ Zegt Tom. ‘Ok, dan zal ik het nu wel vertellen.’ Zeg ik. Even denk ik na hoe ik moet beginnen, en dan vertel ik hetzelfde als wat ik Tom heb verteld.
Als ik klaar ben denkt Gustav nog even na. ‘Dus als ik het goed begrijp dan kwam dit pas nadat dat meisje had gezegd dat je vervloekt was.’ Zegt Gustav. Ik knik. ‘Raar… Ik zal wel even op google zoeken voor je.’ Zegt hij. ‘Ok, dank je.’ Zeg ik.
Een paar dagen is Gustav op zoek. Wij kunnen niet op onze eigen laptop zoeken, want hij is gecrasht. Gustav vindt steeds meer. Georg is nog niet ingelicht, want hij is op vakantie.
‘Ik heb wat gevonden!’ Roept Gustav ineens. ‘Vertel.’ Zegt Tom. We gaan achter hem staan. ‘Er schijnen nog steeds paranormale mensen rond te lopen. Niet diegenen die erin geloven of de fakers, maar mensen die de gave echt hebben. En daarvan is Amanda, ze komt uit de buurt van Londen en is de laatste tijd in Duitsland te vinden. Ze beschuldigd mensen ervan vervloekt te zijn en spreekt vervolgens zelf een vloek over ze uit.’ Verteld Gustav. ‘Kan het ook ongedaan gemaakt worden?’ Vraag ik. Gustav zoekt op de pagina. ‘Ja, er zit iemand in Hamburg die je kunt helpen. Ze heet Louise en je moet van tevoren bellen voor een afspraak.’ Zegt Gustav. ‘Laten we dat maar doen.’ Zeg ik.
Diezelfde middag bel ik naar Louise. ‘Goede dag, u spreekt met Louise.’ Zegt een vriendelijke stem. ‘Hoi, ik ben Bill en ik wil graag een afspraak maken .’ Zeg ik. ‘Ok, voor wanneer?’ ‘Zo snel mogelijk.’ ‘Ok, even kijken… Morgen om 3 uur?’ Zegt ze. ‘Is goed.’ Zeg ik opgelucht.’ Dan zie ik u morgen.’ ‘Ok, tot dan.’ Zeg ik en hang op. ‘Ik zie al dat het goed ging. Wanneer kan je langsgaan?’ Vraagt Tom. ‘Morgen middag om 3 uur.’ Zeg ik.
De volgende ochtend loop ik een beetje zenuwachtig te ijsberen.’Gaat het Bill?’ Vraagt Tom. ‘Ja hoor, maar ik weet gewoon niet wat ik straks kan verwachten.’ Zeg ik.
Al snel volgt de middag en zit ik naast Tom in de auto. We hebben veel stoplichten mee en geen files. Tom parkeert in. ‘Is het hier? Zo ziet het er helemaal niet uit.’ Zeg ik verbaasd.’ Het adres klopt. Dus laten we maar aanbellen.’ Zegt Tom. We bellen aan en al snel wordt er open gedaan. ‘Hoi, jijbent denk ik Bill, is het niet?’ Zegt een vriendelijk uitziende vrouw. ‘Ja, dat klopt.’ Zeg ik en geef haar een hand. ‘En wie is deze jongeman?’ Vraagt ze. ‘Tom, de broer van Bill.’ Zegt Tom en geeft haar ook een hand. Louise loopt voorop naar een kamertje en wij volgen haar. ‘Kun je me vertellen wat er precies is gebeurt toen je zo werd?’ Vraagt Louise. Voor de derde keer vertel ik wat er gebeurt is. Ik moet ook nog omschrijven hoe het meisje eruit zag. Louise is er zeker van dat het Amanda was. Er volgt een hele zooi informatie en ze doet een paar dingen bij me.
Als ze klaar is verteld ze dat het morgen weg is en dat alles bij het oude is. Als het nog niet over is moet ik nog contact met haar opnemen. We bedanken haar en gaan weer naar huis. ‘En? Denk je dat het geholpen heeft?’ Vraagt Tom. ‘Geen idee, we zullen het morgen wel zien.’ Zeg ik. Die avond gaan we een nieuw DVD’tje kijken die Tom heeft gekocht; Sweeney Todd.
We vinden het allebei een goede film. Maar veel mensen zeggen dat er veel bloed in zit, maar dat valt wel mee.
De film is pas laat afgelopen en Tom en ik zin erg moe. Ik ga gelijk naar bed, Tom blijft nog even beneden, maar ik hoor hem al snel ook naar boven komen. Dan vallen mijn ogen dicht. Ik slaap onrustig en woel veel heen en weer. Als ik de volgende ochtend wakker word heb ik mijn deken van me af geschopt. Wacht eens… volgende ochtend… Dan moet het nu weg zijn! Ik kijk naar mijn handen. Die hebben weer de normale kleur. Als ik in de spiegel van de badkamer kijk trek ik de conclusie dat alles weer normaal is. Vrolijk spring ik bij Tom op bed. ‘Biiill! Wat doe je.’ Zegt Tom slaperig. ‘Wakker worden slaapkop. Kijk, alles is weer normaal.’ Zeg ik. ‘Maak je me daarvoor wak- Wacht eens… het heeft geholpen?’ Tom schiet overeind. ‘Het heeft geholpen!’ Zegt hij en plet me zowat in zijn wurggreep.
We gaan ’s middags nog even bij Louise langs om haar te bedanken. ‘Hee jongens, wat een verrassing.’ Zegt ze als ze de deur open doet. ‘Ik zie dat het goed is gekomen.’ ‘Ja, en ik wilde je ervoor bedanken.’ Zeg ik. ‘Graag gedaan hoor. Het is nou eenmaal mijn werk h.’ Zegt ze met een glimlach. We blijven nog even bij haar en nemen dan afscheid. Op naar Gustav.
Als hij ons ziet staan met een big smile weet hij al genoeg. ‘Dus het heeft toch geholpen. Maar je blijft toch altijd het duiveltje van de band hoor Bill.’ Zegt hij lachend. ‘Wat jij wil joh. Maar ik ben er lekker vanaf.’ Zeg ik blij.

It's disgusting what dreams can do to you (made by Jelyn)

It's disgusting what dreams can do to you (made by Jelyn)

Mensen denken dat ik gek ben. Ja, misschien. Maar dat is hoe zij denken, en dat is verkeerd. Ik ken mezelf goed genoeg om te weten hoe m’n geestelijke toestand er echt aan toe is. Ik ben niet ziek, ik ben niet gestoord en ik ben zeker niet gek. Maar ik weet wel waarom mensen de verkeerde dingen denken. Ik ben anders.
De begeleiders behandelen me als een klein kind die nog niet goed bij zinnen is. Ze praten tegen me alsof ik moeite heb om hun te begrijpen. Maar het is net omgekeerd, zij begrijpen mij niet. En daarom sluiten ze me op alsof ik een crimineel ben die ze zo snel mogelijk willen vergeten. Zodat ik geen bewijs zou kunnen zijn dat ‘de perfecte maatschappij’ waarvan de politici de schijn zo hoog mogelijk proberen te houden slechts een grote leugen is. Perfectie bestaat niet, mensen wllen dat het bestaat. Daarom verstoppen ze de verkeerde dingen. De afwijkingen, de foutjes. Ze verstoppen ons in ‘De Zonneheuvel’, dat is wel beter bekend als ‘’T Gekkenhuis’. Ze schamen zich dood over het feit dat niet alle mensen volmaakt zijn. Ze noemen ons ‘De fouten van het grote systeem’. Een systeem dat streeft naar een perfecte wereld die niet bestaat.

Het is nu bijna 1 jaar geleden, 10 maanden en 21 dagen om precies te zijn. Toen dropten m’n ouders me hier.‘De Zonneheuvel’. Om van mij vanaf te zijn, alsof ik een patint was met een besmettelijke ziekte, die zo snel en zo lang mogelijk in quarantaine moest worden gezet.
Ik praat niet, en daarom ben ik gek. Waarom praat ik niet? Ik schrijf. Mensen leven hun leven, maar ik doe het anders. Ik schrijf m’n leven. Ik leef via mijn pen en niet via mijn mond. Omdat ik dan zelf kan beslissen wat er allemaal gebeurt. Ik kan zelf beslissen wie er vanuit de spiegel terugkijkt. Mijn leven ligt letterlijk in mijn handen. Nou ja, je snapt wel wat ik bedoel.
2 jaar geleden begon het. Toen ik hem voor het eerst zag. Een foto op een dun velletje papier van mijn favoriete weekblad. De dag waarop mijn leven drastisch veranderde. Ik was niet langer de vrolijke, fleurige Isa. Maar sombere, saaie Isabel. Ik werd verliefd op een onbereikbare jongen en die gedachte was deprimerend. Maar ik kon Bill op geen enkele manier uit mijn hoofd zetten. Het begon allemaal heel erg onschuldig. Foto’s bekijken, posters kopen, dromen. Ik was stapelverliefd op hem. Zo verliefd dat het zelfs pijn deed te weten hoe onbereikbaar hij echt was. Maar ik kreeg hoop. Hoop dat de onbereikbaarheid zou verdwijnen.. Maar mijn hoop veranderde in een ziekelijke obsessie en ik was blind voor alles wat rondom me gebeurde. Zelfs de dag dat iedereen me in de steek liet is nog steeds een wazig zwart gat. Bill was alles wat telde, de rest was bijzaak.
“Je bent gewoon gestoord.”, waren de laatste woorden die mijn beste vriendin ooit tegen me gezegd heeft terwijl haar stem droop van walging.
Zelfs toen kwam er geen klik wanneer ik moest beseffen dat mijn leven beetje bij beetje aan het afbrokkelen was. Ik moest gaan beseffen dat Bill, nooit mijn Bill zou zijn. Maar ik kon het niet. Ik wou en zou het niet geloven. Ooit kwam er een dag. Ooit.. Maar de ooit kwam niet. Ik wachtte en wachtte maar de gebeurtenis waarvoor ik bad en hoopte bleef uit. Ik besefte dat mijn maandenlange onbeantwoorde liefde onbeantwoord zou blijven. Het feit dat hij nooit de mijne zou zijn, begon langzamerhand door te dringen.
Enkele maanden later werd mijn grootste angst werkelijkheid. Het stond het zwart op wit gedrukt. Bill was verliefd, maar niet op mij. Op een Amerikaanse del die hem had weten te versieren tijdens een Meet and Greet. Mijn plan. Het mijne, op amper een minuutje tijd volledig in duigen gevallen. Bill was weg.
Het zinnetje dat toen in mijn hoofd spookte was niet hetgeen dat me weer op het juiste pad zou leiden, integendeel, het liet me juist nog dieper in mijn donker gat van depressie en obsessie zinken.
“Blijf in je dromen geloven.”
Bill had het ooit eens gezegd. En het was dat wat ik deed. Het is dat wat ik doe, blijven geloven. Ik moest en zou mijn dromen laten uitkomen dus had ik een idee. Het was tijd om mijn mond te sluiten en de deur naar onbegrensde fantasie wagenwijd open te zetten. Dromen waren verleden tijd, want ik was in staat om alles wat ik wenste, realiteit te maken. Werkelijkheid. Het enige wat ik moest doen was mijn pen op nemen en mijn leven te schrijven. Mijn droom realiseren op papier.
Het werkte.. voor een tijdje.
Maar mijn verhaal heeft helaas geen happy end..
Vandaag was er weer een klik in mijn hoofd. Dit keer was het wel een positieve ingeving. Een stemmetje dat me duidelijk maakte waar ik mee bezig was. Mijn schrijfsels zijn enkel realiteit in mjn hoofd en niet in dat van de rest van de wereld. Realiteit die vervaagt door de papieren waarop ze is neergeschreven te verscheuren. De mensen hebben gelijk. Ik ben gek. Ik functioneer niet goed, een foutje in mijn DNA.
Woedend door het besef verscheurde ik de massa’s schriften waarin Isa het leven leidt dat ze altijd wilde. Niets meer dan een zielige droom. Tranen stroomden over mijn wangen en ik haatte mezelf omdat ik zo achterlijk was om te geloven in zoiets stoms. Ik haatte mezelf omdat ik destijds geloofd had wat Bill gezegd had. Maar het meest van al haatte ik dat ik Bill niet kon haatten. Ik haatte dat ik van hem hield, ik haatte dat ik hield van de jongen die mijn leven verwoestte zonder het zelfs te weten.
Verwoest. Kapot. Ik wist wat me te doen stond..
Ik verfrommelde het briefje met mijn afscheidswoorden in mijn handpalm terwijl ik de trekker overhaalde. It's disgusting what dreams can do to you.

Wir sterben niemals aus

Wir sterben niemals aus

Je hebt wel eens tijden, dat het goed gaat. Je hebt tijden dat niets gaat zoals je had gehoopt.
Dat heeft iedereen, ik dus ook.
Maar, als je een beetje positief blijft, dan zul je merken dat je meer ups dan downs hebt.
Andersom ook, als je alles negatief ziet, gaat dat ook zo.
Ik geloof, dat wanneer wij zo door blijven gaan en jullie ook, dat er altijd wel iets van Tokio Hotel zal blijven bestaan.
Bekijk het zo: de mensen die onze band niet goed vinden, en er zelfs zo erg mee doorslaan dat ze er meetings voor houden, dat zijn de downs. Maar ieder zijn smaak, dat geldt ook voor de muziek.
Dan heb je ook nog de fans, jullie dus. Jullie zijn met veel meer, jullie zijn de positieve kant, jullie zorgen dat Tokio Hotel blijft bestaan.
Daar ben ik jullie erg dankbaar voor. Echt waar.
Ik heb nog n ding te zeggen: Glaub an dich.
Ofterwijl, blijf in jezelf geloven. Ik weet het, vaak moet je naar anderen luisteren, of doen wat zij zeggen. Maar voor het grootste deel maak je je eigen keuzes.
Ik hoop dat jullie hier wat mee doen, echt waar.
Ich glaub an dich.
Tschs,
Bill

Tevreden legt hij zijn pen neer. Normaalgesproken weet hij dingen niet zo goed te verwoorden, maar nu wel.
Hij vouwt het papiertje op en geeft het aan Saki. Die zal ervoor zorgen dat het ingescand wordt, en dat fans het kunnen lezen op internet.
Ze moeten en zullen weten dat de jongens veel om hun fans geven.
Ze zullen hun fans altijd blijven aanmoedigen, en de fans doen dat ook bij hun.

Vergessene Kinder (songfanfic)

Vergessene Kinder (songfanfic)

Tom en ik hangen wat voor de tv. We kijken naar het nieuws, nouja… kijken? Een beetje ongenteresseerd af en toe moet een half oor meeluisteren. Er is iets over een oorlog. Er is tijdelijk een wapenstilstand. Ik zie beelden van kinderen waar de ouders van overleden zijn, of kinderen die in de steek gelaten zijn. Ze moeten overleven door te plunderen of spullen verkopen. Ze hebben geen onderdak. Helemaal niets! En niemand geeft om ze. Niemand die medelijden met ze heeft. Niemand die ze verzorgt.

’n Ganz normaler Tag
Die Strasse wird zum Grab
Die spuren sind verwischt
Ne Suche gibt es nicht
Kalt is die Nacht
Wer friert ist zu schwach
Niemand wird sie zhlen
Niemand hat sie gesehen

Einsam und verloren
unsichtbar geboren
Beim ersten Schrei erfroren
vergessene Kinder
Name unbekannt
endlos weggerannt
aus der Welt verbannt
vergessene Kinder

Sie sehen
sie fhlen
verstehen
genau wie wir
Sie lachen
und weinen
wollen leben
genau wie wir

‘Tom?’ Zeg ik zacht. ‘Wat is er?’ Zegt hij terwijl zijn aandacht voornamelijk naar zijn mobiel gaat. ‘Kijk die kinderen nou. Moet niemand ze helpen?’ Zeg ik. ‘Jawel, maar niemand doet het. Mensen zijn te gierig om geld eraan uit te geven en denken alleen aan zichzelf.’ Zegt hij. Hij heeft gelijk. Het is de harde waarheid. ‘Ik wil ze helpen. Ze snel mogelijk.’ Zeg ik. “Dat snap ik Bill. Je denkt altijd aan de mensen om je heen. Maar hoe wilde je dat gaan doen?’ Vraagt hij. Ondertussen heb ik wel zijn volle aandacht. ‘Door daarheen te gaan.’ Zeg ik. ‘Ok, ik ga met je mee.’ Zegt hij.
Zo gezegd, zo gedaan. Een paar weken later staan we in een dorpje. Het is getroffen door een bom, en wij willen helpen om het een beetje recht te zetten. We hopen dat door onze actie meer mensen hun ogen openen en gaan helpen. ‘Ok, waar beginnen we?’ Vraagt Tom. Ik zie een klein jongetje op straat zitten, hij bedelt in de hoop iets te krijgen. ‘Daar, bij het kleine jochie.’ Zeg ik. Van tevoren hebben we een hele zooi kleding ingeslagen voor de kinderen. En ook veel eten en drinken. We gaan naar het jongetje. Hij lijkt een beetje bang voor ons. Maar wanneer wij hem met ons beste engels proberen gerust te stellen gaat het al beter.

Augen ohne Glck
alle Trume wurden erstickt
Panik vor dem Licht
und Angst vor jedem Gesicht
Schuld, die keinen trifft
Die Zeit heilt nicht

Einsam und verloren
unsichtbar geboren
Beim ersten Schrei erfroren
vergessene Kinder
Name unbekannt
endlos weggerannt
aus der Welt verbannt
vergessene Kinder

Sie sehen
sie fhlen
verstehen
genau wie wir
Sie lachen
und weinen
wollen leben
genau wie wir

We geven hem nieuwe kleren en voedsel. Hij vertrouwd ons en vertelt over zijn broertjes en zusjes, en dat zijn ouders zonder hen vertrokken zijn, want het was te duur. Hij neemt ons mee naar de kelder van n van de krakkemikkige huisjes. Verbaasde oogjes kijken ons aan. Hij leggen nog eens uit waarom we hier zijn en geven de kinderen kleding en voedsel. We raken steeds meer bevriend met de kinderen uit de buurt, hoewel hun ouders de 2 vreemde Duitse jongens maar niets vinden.
Alles moet anders zijn, ze moeten gesteund worden.

Alles sollte anders sein
alles sollte anders sein

Wir sehen
wir fhlen
verstehen
genau wie ihr
Wir lachen
und weinen
wollen leben
Wir sehen
wir fhlen
verstehen
genau wie ihr
Wir lachen
und weinen
Wollen leben
genau wie ihr

Na een paar weken gaan Tom en ik weer terug naar huis. Ondertussen zijn er al veel mensen te weten gekomen van onze actie, en helpen ze een handje mee.
Na een half jaar gaan we weer terug. Het gaat nu veel beter met de kinderen. Er is een school gebouwd, en sommige kinderen zitten in een pleeggezin.
Tom en ik zijn er trots op dat we dit voor elkaar hebben gekregen.

Ich bin an deiner Seite

Ich bin an deiner Seite

Soms heb ik wel eens het gevoel dat ik alleen ben. Dat er niemand voor me klaarstaat. Dat niemand mij zal helpen als ik in de put zit.
Dat gevoel heb ik nu weer. Ik heb geen idee waar het vandaan komt, maar ik weet wel hoe het komt.
Op school word ik vaak gepest. Ik kan er niets aan doen. Hoe maak ik ze duidelijk dat ze moeten kappen?
Ik heb wel een vriendin. Nou, voorlopig. Ze is alleen een vriendin als ze me weer nodig heeft. Als ze ruzie heeft met iemand kan ze bij mij haar verhaal kwijt. Dan heeft ze me weer nodig.
Maar als er geen ruzie tussen haar en iemand anders is, dan besta ik niet voor haar.
Ze waait met alle winden mee. Er is maar n woord om dat te beschrijven; een meeloper. Daar heb ik echt een vreselijke hekel aan.
Voor de rest heb ik nog een andere vriendin, alleen kan ik niet alles aan haar kwijt. Zelf heeft ze problemen thuis, dus ik ga haar er niet mee opzadelen.
Verder heb ik niemand. Ja, mijn ouders natuurlijk. Daar kan ik wel alles kwijt, al doe ik het niet altijd.
De enige die mijn problemen echt kent ben ik, en niemand anders.
Voor de rest van de famillie ben ik altijd gelukkig. Maar telkens vooordat ik naar school moet wil ik niet meer. En na school staat het janken me nader dan het lachen. Ik ben ook blij als het vakantie is. Dan is er even gen gepest. Maar na een paar weken is de vakantie weer voorbij en moet ik weer naar school. Laat het pesten maar weer beginnen.
Verder is er nog 1 persoon die me helpt. Eigenlijk zijn het er 4, maar 1 het meeste. Hij kent me alleen niet. Maar dat maakt voor mij niets uit.
Zelfs een foto fleurt me al op, en helemaal als ik de muziek opzet.
Veel mensen weten dat ik het over Tokio Hotel heb, en de persoon Bill Kaulitz is.
Dat is de reden dat ik gepest word, omdat ik van Tokio Hotel houd. Maar jammer voor hun, ze kunnen er niets aan veranderen.
-xxx- Me..

Ik leg mijn schrift weg. Ik schrijf er vaak in. Als ik ergens mee zit, of als ik me rot voel. Het helpt wel.
Op de tv is de clip van Tokio Hotel te zien.

Du bist nicht alleine
Ich bin an deiner Seite

Ich bin da
wenn du willst
Schau dich um
dann siehst du mich
Ganz egal
wo du bist
Wenn du nach mir greifst
dann halt ich dich

Liever geen antwoord

Liever geen antwoord

Bill’s pov:
Hoi, even een beetje introductie.
Je zou nu verwachten dat dit stuk over de band gaat. Toch? Of zit ik fout? Ik kan je vertellen, als jij dat dacht, dan zat jij fout.
Er waren een paar maanden geleden zo veel haters. Ze verstoorden onze concerten, saboteerde de boel, en noem maar op. Hierdoor lieten steeds meer fans ons in de steek. En je snapt het misschien wel, het was beter om te kappen.
Dat was voor ons natuurlijk ook een enorme klap. De muziek was alles voor ons.
En zoals in veel verhalen van jullie, pak ik ondertussen vaak het mes erbij. Enerzijds hoop ik ooit te diep te gaan, anderzijds kan ik Tom toch niet in de steek laten?
Meer heb ik niet te zeggen. Back to the story.

Vandaag is het een mooie dag, maar binnen in mij kan het niet anders dan regenen.
Een beetje versuft zit ik op bed. Ik ben wel moe, maar kan niet slapen.
Ik kan Tom straks ook nog eens uit bed helpen. Gisteren heeft hij zijn eigen zuipfeestje gehouden, dus hij zal wel een flinke kater hebben. Het zou bijna lijken alsof hij het gehoord heeft. ‘Aaauw… een kater. Bill! Wis je asje- asje- asjeblieft een glas water voor me halen?’ Zeurt hij. ‘Ben al onderweg.’ Zeg ik. Beneden vul ik voor hem een glas. Als ik in zijn kamer kom heeft hij zijn hoofd diep in de kussens geduwd. ‘Tomsie, water voor je.’ Zeg ik en giet een beetje in zijn nek. ‘Biiill! Waarom doe je dat nou. Ik heb zo’n koppijn.’ Zeurt hij. ‘Ja, je bent sneu.’ Zeg ik. Ik kijk zijn kamer rond. Hoe krijgt hij het voor elkaar om er zo snel weer een bende van te maken? ‘Iets mis mee?’ Vraagt Tom. Zijn hoofdpijn lijkt ineens weggetrokken te zijn. ‘Nee hoor, als jij dit prettig vind. Ik houd je niet tegen.’ Zeg ik. Tom zet het lege glas weg en gebaart dat ik moet komen zitten. Ik schud nee. Even kijken wat hij doet. Hij pakt mijn pols en wil me op bed trekken, maar ik trek snel mijn hand terug. ‘Bill, wat is er nou. Ik wil gewoon even praten. En het is irritant om telkens omhoog te kijken.’ Zegt Tom. ‘Ik deed het maar om j ete plagen.’ Zeg ik een beetje nep-lachend, mijn pols doet hartstikke pijn. Ik ga voor hem op bed zitten waardoor ik bijna op zijn voeten land. ‘Lekker op dreef? En je weet toch wel dat dat bij jou meer pijn doet dan bij mij.’ Zegt hij lachend. ‘Ik weet gewoon dat jij gelijk je voeten intrekt,’ Zeg ik. ‘Maar je wilde praten? Waarover?’ ‘Over daarnet.’ Oh shit, ik hoopte dat hij dacht dat het een geintje was. Laat het please een ander onderwerp zijn. ‘Je trok gelijk je hand weg, en op je gezicht was af te lezen dat het pijn deed. Hoe lang doe je het al?’ Valt hij gelijk met de deur in huis. Ik kijk hem even niet aan. Hoe wil hij dat ik erop reageer? Hij snapt toch ook wel dat ik het niet voor de lol doe? Ik probeer er maar onderuit te komen. ‘Wat bedoel je?’ Vraag ik. ‘Je weet best wat ik bedoel. Houd jezelf niet voor de gek. Ik hoor je ’s avonds zacht huilen, je trekt je pols weg omdat het pijn doet, stiekem hoop je dat er snel een einde aan komt. Of zit ik nu fout?’ Vraagt Tom. Hij weet het precies te vertellen. Tranen bederven mijn zicht, ik probeer ze te verstoppen voor Tom, maar hij heeft het al gezien.

Tom’s pov:
Ik was misschien wel een beetje te hard voor Bill. O nee, nu heb ik hem aan het huilen gemaakt. Daar kan ik echt niet tegen. Ik wil hem troosten. Ik ga naast hem zitten en wrijf over zijn rug. ‘Je kunt alles aan me vertellen Bill, dan was dit niet nodig.’ Zeg ik. Hij snikt nog even. Zacht veeg ik zijn tranen weg. ‘Ik weet het. Maar hoe moet ik het dan uitleggen.’ Zegt Bill. ‘Hoe je je voelt, waar je mee zit. Dan had je nu het probleem met je polsen niet gehad.’ Zeg ik. ‘En weer heb je gelijk. Het is ook stom om te doen. Maar dan nog n ding; hoe kom ik er vanaf?’ Vraagt Bill. ‘Dat zal ik je laten zien.’ Zeg ik. Bill komt achter me aan naar zijn kamer. ‘Waar is dat mes? Dan gaan we even laten zien dat jij beter bent dan zo’n stom ding.’ Zeg ik. Bill krijgt een glimlach op zijn gezicht en haalt het te voorschijn en geeft het aan mij. We gaan naar beneden. Daar geef ik het aan Bill. Hij kijkt me vragend aan. ‘Gooi maar weg.’ Zeg ik. Hij moet lachen en gooit het ding in de vuilnisbak. ‘En tot nooit meer.’ Zegt hij lachend als de deksel dicht valt. ‘Zo, en nu heb ik honger. Wat wil jij eten?’ Vraag ik. ‘Hmmm… Verras me maar.’ Zegt hij. ‘Ok, ga jij dan maar vast de tafel dekken, dan maak ik jouw verrassing klaar.’ Zeg ik. We gaan meteen aan de slag.
Ik de vriezer liggen nog 2 pistolets, die laat ik ontdooien. Ik kook 2 eitjes. Ondertussen ga ik op zoek naar sla, ham, kas, komkommer en tomaat. Tegen de tijd dat ik alles heb gesneden zijn de eieren gekookt. Even alles op het broodje leggen en klaar.
Als ik de kamer in kom met de borden schiet Bill gelijk overeind. ‘Lekker, broodje gezond. Hoe wil je dat opeten zonder te knoeien?’ Vraagt hij. ‘Niet. Gewoon opeten met knoeien.’ Lach ik. We beginnen met eten. Echt heel charmant, allebei in onze boxer en onze hele mond vol van het broodje. ‘Er zit ei op je wang.’ Zeg ik lachend. ‘Bij jou ziet het er leuk uit wil je zeggen. Het zit nog net niet tot aan je oren.’ Lacht Bill. Al lachend gaan we weer verder met ons broodje. ‘Ik zit vol.’ Zegt Bill als hij klaar is. Hij holt zijn rug en zegt. ‘Hij nou hoe groot dat broodje nu is.’ Weer een lachbui. ‘Ik hoef ook niet meer. Laten we ons maar gaan omkleden.’ Zeg ik.

Bill’s pov:
Tom gaat eerst douchen, en dan ga ik. Het warme water stroomt over mijn rug en ik geniet ervan. Kennelijk sta ik er nogal lang onder want ik hoor Tom roepen. ‘Ben je nog van plan om eronder uit te komen?’ Vraagt hij. ‘Misschien… Als je het heel lief vraagt, anders blijf ik eronder.’ Zeg ik lachend. ‘Billy, kom je asjeblieft onder de douche vandaan, want ik wil zo graag met jou naar de kermis. En als je er niet onder vandaan komt dan breek ik het slot open en trek ik je eronder vandaan.’ Zegt Tom. ‘Oeh, ok, ik kom al.’ Zeg ik. Snel kleed ik me aan en ga naar beneden. ‘Daar ben je eindelijk.’ Zegt Tom en staat op om weg te gaan. ‘Oja, armbanden vergeten. Moet nog even naar boven.’ Zeg ik en ren weer naar boven.
Na een paar minuten staan we eindelijk op de kermis. ‘Wat wil je eerst doen?’ Vraagt Tom ‘Hmm… De Heartbreaker.’ Zeg ik. We gaan er samen in. ‘Weet je wat ik raar vind?’ Vraag ik. ‘Nou?’ Vraagt Tom. ‘Ze noemen dit een 1 euro kermis, maar je betaalt overal 2 euro of meer.’ Zeg ik. ‘Ja, je hebt gelijk. Dat klopt niet. Weet je wat ik raar vind?’ Vraagt Tom. ‘Euh… 1 euro kermis? Weet ik veel.’ Zeg ik lachend. ‘Ja dat ook. Maar ik bedoelde eigenlij jou. Vanmorgen was je zo sneu als ik weet niet wat, en nu spring je vrolijk rond. Jij verandert echt snel van stemming.’ Lacht Tom. ‘Moet ik dan weer net zoals vanmorgen doen?’ Vraag ik. ‘Nee, dan kan ik weer opnieuw beginnen.’ Zegt Tom. ‘Lekker, nog een broodje gezond.’ We kunnen er nu nog om lachen. We gaan in allerlei attracties die we leuk vinden.
‘En nu? We hebben alles zo’n beetje gehad.’ Zegt Tom. Ik kijk nog even rond. ‘Zullen we even lachen? Kom, daar zit zo iemand die denkt dat ze een waarzegster is.’ Zeg ik. ‘Ok, het is weer tijdverdrijf.’ Zegt Tom. We gaan naar haar toe. ‘Aah, goede dag jongens.’ Zegt een vrouw als we het tentje binnengaan. ‘Hoi.’ Zeggen we in koor. ‘Dus jullie willen een kijkje in de toekomst? Wie eerst?’ Vraagt ze. ‘ Ga jij maar.’ Zegt Tom. ‘Wat jij wilt.’ Zeg ik en haal mijn schouders op. ‘Ok, mag ik misschien iets persoonlijks van je? Zo krijg ik beter contact.’ Zegt de vrouw met een accent. Ik heb vandaag een ketting omgedaan die ik ooit samen met Tom gekocht heb. Hij heeft er ook en. Veel mensen weten het niet, maar hij draagt hem net zoals ik elke dag. We hechten er veel waarde aan.
Ik heef het aan de vrouw. Ze sluit haar ogen. ‘Oei, jij hebt een probleem jongeman. Je wilt er vanaf komen, maar het is moeilijk, heel moeilijk. Wat is dit? Hulp. Hulp heeft ook moeilij, maar doet er alles voor om te helpen.’ Zegt ze ineens. Ze opent haar ogen weer. ‘Ik weet niet of het goed gaat komen.’ Zegt ze een beetje droevig. Zou het kloppen wat ze zegt? Krijg ik problemen met het snijden, of andere problemen? En wie is die “hulp”? Ik krijg mijn ketting terug en doe het weer om. ‘Nu is het jouw beurt.’ Zeg ik tegen Tom. Hij gaat zitten en geeft de vrouw zijn ketting. ‘Aha, zelfde ketting. Jullie tweeling. Tweelingband erg sterk, ik voel het.’ Zegt ze. Ze moest eens weten.
Weer concentreert ze zich. ‘Arme jongen, carrire net kapot, maar blijft positief. Zie ik daar iemand om hulp roepen? Jongen doet goed en helpt persoon. Je hebt het moeilijk, maar hebt hoop. Maar nu? Veel licht, heel veel licht. Wat heeft dat te betekenen? Ik heb geen idee. Jongen moet het zelf ontdekken.’ Zegt ze en opent haar ogen weer. ‘Veel succes en sterkte allebei. Jullie hebben het nodig.’ Zegt ze voordat we weg gaan.
De voorspelling van Tom en mij kunnen als puzzelstukjes in elkaar vallen. Maar het kan ook dat het met een andere persoon te maken heeft. Ik weet het niet.
‘Joehoe, aarde aan Bill.’ Zegt Tom. ‘Wat is er?’ Vraag ik snel. ‘Ik vraag al de hele tijd of je nog wat wilt doen of dat je naar huis wil.’ Zegt hij. ‘Euh, laten we maar naar huis gaan.’ Zeg ik.
Eenmaal thuis bestellen we pizza. Wat een verrassing.
Als het bezorgt is en we aan tafel zitten heb ik helemaal een trek meer. ‘Alles in orde?’ Vraagt Tom. Ik haal mijn schouders op. ‘Dat betekend nee.’ Zegt hij. Even is het stil. ‘Komt het door dat waarzegster vrouwtje?’ Vraagt hij. Ik knik. ‘Daar moet je niet zo over inzitten. Waarschijnlijk verzint ze het ter plekken.’ Zegt hij. ‘Het klopte anders wel. Nouja, het kan nog gaan kloppen.’ Zeg ik. ‘Waarschijnlijk was het een gok die per ongelijk goed was.’ Zegt hij. ‘Dat kan niet. Er zijn zo veel dingen te verzinnen. En zij pikt er zomaar de goeie uit.’ Ik raak een beetje gerriteerd maar vooral gespannen. Hoe meer ik erover nadenk, hoe meer het gaat kloppen. ‘Wat zoek je er dan achter?’ Vraagt Tom. ‘Ze zei dat ik in de problemen zat, dat ik er vanaf wil komen, maar dat het moeilijk is.’ Zeg ik Tom knikt. ‘Ik denk dat ze dat gedoe met het snijden bedoelt. Daar wil ik vanaf komen, en ja, het is moeilijk.’ Tom knikt weer. ‘Dan is er hulp, en die heeft het er ook moeilijk mee. Ik denk dat ze jou bedoeld.’ Zeg ik. ‘Daar zit wat in.’ ‘Dan wist ze bij jou precies te vertellen dat het net over is met de band, maar dat je toch over het algemeen positief blijft. Dat klopt volgens mij ook.’ Weer knikt Tom. ‘Dan roept er iemand om hulp en jij helpt, maar je hebt het er moeilijk mee. Dat past precies in het verhaal dat ze mij vertelde.’ Zeg ik. Weer knikt Tom. ‘En dat van dat licht begrijp ik niet. Misschien ga je wel een lampje vervangen.’ Zeg ik lachend. ‘Nu jij het zo verteld klinkt het best freaky. Maar we doen er alles aan om het niet zo te laten lopen.’ Zegt Tom ‘Ok hulpje.’ Zeg ik lachend en krijg een por in mijn zij. Het merendeel van de pizza laat ik staan, ik heb echt geen trek meer. Ik ga al vroeg naar bed, en Tom zo te hoen ook. ‘Truste.’ Zeg ik als ik hoor dat hij naar boven komt. ‘Slaap zacht, droom van mij.’ Zegt hij lachend. Ik moet ook lachen. Al snel val ik in slaap.

Ik ben in een kamer. Helemaal alleen. Het enige wat er staat is een bed en een bureau. Aan de muur hangt een spiegel, geen idee wat die daar doet.
Ik ben op zoek naar iets. Ik zoek in alle lades van het bureau en onder het bed, maar ik vind het niet.
Uit woede sla ik de spiegel aan diggelen. Alle stukjes vallen op de grond. De spiegel laat zien hoe ik me voel; Gebroken.
Mijn hand zit onder het bloed, maar ik negeer het. Ik pak een groot stuk op en bekijk het aandachtig. Er zitten een aantal scherpe kanten aan. Een van de punten staat me wel aan.
Ik ga met mijn rug tegen het bed zitten. Nog eens bekijk ik de punt aandachtig. Ik stroop mijn mouw op. Mijn onderarm zit vol met krassen. Ik zet de punt tegen mijn arm aan en trek het vanaf mijn pols naar boven.

Ik schrik wakker. Snel knip ik mijn lamp aan en check beide armen. Alleen de krassen van de laatste maanden zitten er. ‘Er is niets gebeurt. Het was maar een droom.’ Zeg ik tegen mezelf. Ik kijk op mijn klok, half 2.
Het is nog te vroeg om uit bed te gaan. Ik ga maar weer slapen. Ik krijg het beeld van daarnet weer voor me. Een rilling trekt dor mijn rug.
Ik ga bij Tom kijken.
Hij ligt nog te slapen. Nog even, en hij ligt van zijn bed af. Ik verplaats he wat meer naar het midden en leg zijn deken goed. Hij lijkt er niets van gemerkt te hebben. Ik kruip naast hem in bed en ga tegen zijn rug aan liggen. Hij mompelt wat en draait zich naar me toe en legt een arm over me heen.
Ik kruip nog dichter bij. Geen idee of hij weet dat ik hier lig, maar ik vind het wel prettig.

Tom’s pov:
Als ik wakker word schrik ik even van de gedaante die tegen me aan ligt. Maar ik zie dat Bill het is. Die zal vannacht vast wakker geweest zijn en is er hier in gekropen. Ik blijf wel zo liggen totdat hij wakker wordt. Ik vind het echt helemaal niet erg. Bill kruipt nog wat dichter tegen me aan. Zacht ga ik met mijn hand door zijn haren. Na een tijdje merk ik pas dat hij wakker is. Hij kijkt omhoog. ‘Goede morgen. Lekker geslapen?’ Vraag ik. ‘Mwah, vannacht had ik een nachtmerrie. Maar het leek zo echt.’ Zegt hij. ‘Ok, vandaar dat je nu hier ligt.’ Zeg ik. Hij knikt. ‘Hoe lang ben je al wakker?’ Vraag ik. ‘Niet zo lang. Toen ik wat dichter bij ging liggen was ik net wakker. En jij?’ Vraagt Bill. ‘Nog niet zo lang.’ Zeg ik. Ik merk dat Bill een beetje onrustig is. ‘Waar denk je aan?’ Vraag ik. ‘Aan mijn nachtmerrie. Het leek zo echt dat ik daarna gecheckt heb of ver niets was gebeurd.’ Zegt hij. Ik ben een beetje bezorgd, hij lijkt er nogal mee te zitten. ‘Als je het kwijt wilt kan dat. Dat weet je toch.’ Zeg ik voor de zekerheid. ‘Ja, dat weet ik. Maar het was maar een nare droom.’ Zegt hij.

Bill’s pov:
Tom lijkt zich nogal zorgen te maken, maar iedereen heeft wel eens dat hij niet goed slaapt, toch?
De nachten daarop slaap ik ook niet al te best. Telkens dezelfde droom, hooguit een kleine verandering, maar het idee blijft hetzelfde.
Ik krijg steeds meer neigingen, maar weet ze telkens tegen te houden.
Maar vandaag is het zover. Ik ga op de automatische piloot op zoek naar een schaar, maar die kan ik zo gauw niet vinden. In woede sla ik de spiegel aan diggelen. Het gaat precies zoals in mijn droom. Ik zou het eigenlijk tegen moeten gaan, maar de wil ervoor is weg. Ik laat het gebeuren. Ik pak een van de scherpe stukken en neem het mee naar mijn kamer. Daar ga ik met mijn rug tegen het bed zitten. Ik zoek de scherpste punt uit en zegt het tegen mijn arm. Een pijnscheut gaat door mijn arm als ik het stuk van de spiegel over mijn pols trek. Maar het voelt niet als pijn, het voelt als voldoening.
Nog een kras volgt. Dan laat ik het stuk spiegel uit mijn hand vallen. Ik besef nu pas echt wat ik heb gedaan. Ik heb Tom en mezelf teleur gesteld. Ik ben razend op mezelf. Sukkel! Waarom doe je dit?!
Ik hoor Tom de trap op rennen. Tranen stromen over mijn wangen. Verdriet en woede gaan door me heen. Als Tom mijn kamer binnen komt voel ik me vreselijk schuldig. Hij komt voor me zitten en huilend laat ik me in zijn armen vallen. Zijn mooie witte shirt kleurt langzaam een beetje rood en zwart. Hij lijkt het niet erg te vinden.
Troostend wrijft hij over mijn rug en fluistert me lieve woordjes toe.
‘Blijf even zitten, dan haal ik de verbanddoos.’ Zegt hij als ik een beetje gekalmeerd ben. Gehoorzaam blijf ik zitten, niet van plan iets anders te doen.
Al snel komt hij weer boven met een gaasje en een verbandje. Hij maakt voorzichtig de wonden schoon en doet het verband er omheen. Zonder iets te zeggen hijst hij me overeind en neemt me mee naar beneden. Daar ga ik op de bank zitten. Tom geeft me een glas water. ‘Dank je.’ Zeg ik zacht. Hij geeft me even de kans om te drinken. ‘Gaat het weer een beetje?’ Vraagt hij. Ik knik. ‘Sorry.’ Zeg ik zacht. ‘Zeg dat maar tegen jezelf. Je maakt voornamelijk jezelf ermee kapot. Ik wil je alleen maar helpen.’ Zegt hij. ‘Dat weet ik… Ik ga die spiegel maar even opruimen.’ Zeg ik om een moeilijke situatie te vermijnen. ‘Ok, ik kom je zo wel helpen.’ Zegt Tom. ‘Hoeft niet, het lukt wel.’ Zeg ik en ga naar boven.
Sommige stukken zitten nog in de spiegel zelf, anderen zijn eruit gevallen. Ik zie twee stukken die precies in elkaar passen. Er is ook een kleiner stuk. Die is erg scherp. Ik neem ze mee naar mijn kamer en doe ze in een lade van mijn bureau.
Voordat Tom eraan komt ga ik voor de zekerheid snel weer naar de gebroken spiegel toe. Alle grote stukken kieper ik gelijk in de vuilnisbak, de kleine stukjes haal ik weg met de stofzuiger. Als ik net klaar ben komt Tom naar boven. ‘Ik zie dat het al is gelukt.’ Zegt hij. ‘Ik zei toch dat ik het wel alleen kon.’ Zeg ik. ‘Ja, maar die heel kleine dingetjes zie je meestal niet zo goed, dus met z’n tween zie je meer.’ Zegt hij. ‘Nouja, het is in ieder geval weg.’ Zeg ik. Hij knikt.
In de dagen erop merk ik wel dat Tom me in de gaten houdt. Dat is soms best irritant. ‘Wat?’ Vraag ik gergerd. ‘Niets. Hoezo dat?’ Vraagt hij. ‘Je houdt me zo in de gaten. Dat is vervelend.’ Zeg ik. Tom zucht. ‘Ja, ik weet het, ik heb het er zelf naar gemaakt.’ Zeg ik. Ik ga naar mijn kamer. Daar draai ik de deur op slot. In de bureaulade liggen nog steeds de gebroken stukken van de spiegel. Ik pak het kleinere stuk. Dan ga ik op bed zitten. Tom is ondertussen naar boven gekomen en staat aan mijn deur te trekken. ‘Bill, doe die deur open. Wat doe je?’ Vraagt hij. Ik weet dat hij bezorgt is, maar hij slaat erin door. Ik sluit mijn hand waar ik het stuk spiegel in heb zitten. Doordat er scherpe stukken aan zitten bloedt mijn hand nu, ik knijp harder. ‘Bill! Doe die deur open!’ Roept Tom. Ik concentreer me alleen op het stuk glas in mijn hand. ‘Bill… Asjeblieft.’ Nu klinkt het meer alsof hij smeekt, hij geeft het bijna op. ‘Asjeblieft Bill, doe die deur open. Toe nou.’ Zegt hij. Er klinkt veel verdriet in zijn stem. Dit gaat op deze manier niet werken. Ik leg het glas weg en veeg mijn hand af aan een doek. Ik maak de deur open, daar staat Tom. ‘Nou je zin?’ Zeg ik. Hij schudt van nee. Die blik… Die zorgt dat ik zoveel medelijden met hem krijg. Hij zakt op zijn knien. ‘Kijk nou wat je jezelf aandoet, wat je mij aandoet. Wil je dat zo? Wil je dat we beiden elke dag pijn lijden? Was dat je plan? Als dat zo was, dan is het gelukt.’ Zegt hij triest. Ik bijt op mijn onderlip. Ik wilde Tom geen pijn doen, ik wilde alleen mezelf verlossen van het leven. ‘Je hebt stukken achtergelaten, ik weet het zeker. Hoe kan je anders telkens nieuwe lidtekens hebben.’ Zegt hij. ‘Ja, je hebt gelijk. Ik heb stukken achtergehouden, so what! Ik wil dit gewoon niet meer.’ De laatste zin is bijna onverstaanbaar. ‘Houd er dan mee op. Ik wil niet toekijken hoe mijn broertje lijdt.’ Zegt hij. Ik weet niet wat ik moet doen. Tom gaat naar de bureaulade en haalt de stukken eruit die in elkaar passen. ‘Waarom heb je die bewaard en er nooit wat mee gedaan? Terwijl je die kleine keer op keer gebruikt.’ Vraagt hij. ‘Ik… Voor als…Als jij erachter zou komen. Anders had ik niets meer. En nu had ik dan nog… nog die twee stukken.’ Zeg ik tussen de snikken door. ‘Zeg eens eerlijk. Echt heel eerlijk. Wil je nu de knoop doorhakken?’ Vraagt Tom. Hij heeft het er ook moeilijk mee. Even denk ik na, maar ik weet het 100 procent zeker. Ik knik ja. ‘Waar wacht je op? Je hebt de benodigdheden…’ Zegt Tom. Hier sta ik verstelt van. Zei hij dat echt? Nu snap ik er helemaal niets meer van. ‘Ik moet wat opbiechten.’ Zegt Tom. ‘Wat dan? Wat is er?’ Nu is het mijn beurt om bezorgd te zijn. ‘Ongeveer hetzelfde als bij jou, alleen jij doet het al langer.’ Zegt Tom zacht. Ik staar hem met open mond aan. ‘Maar… Wil jij… Ik bedoel…’ Ik kan geen zinnig woord meer zeggen. ‘Ja, ik wil ook ermee kappen.’ Zegt Tom. Mein Gott… Dit had ik niet verwacht. En al helemaal niet wat hij nu doet.
Een stuk glas geeft aan mij, zelf heeft hij er ook een. ‘Dat was het dan.’ Zegt hij en maakt aanstalten om zijn polsen open te snijden. Ik volg zijn voorbeeld.
Daar zitten we dan, naast elkaar, allebei bloedende polsen, terwijl we elkaars hand vast houden omdat we elkaar nooit willen verliezen. Langzaam voel ik de kracht uit me vloeien. Langzaam word ik gedwongen om tegen Tom aan te leunen omdat ik het zelf niet meer kan. En voor hem geldt hetzelfde. Alles wordt zwart. Dan zie ik een wit licht. Nu weet ik pas wat de waarzegster bedoelde met een fel wit licht. Ik vertel het straks aan Tom…

The kill (song fanfic)

The kill (song fanfic)

Het gebeurt de laatste tijd wel vaker. Tom en ik krijgen ruzie. En niet zo’n beetje ook, soms moeten Georg en Gustav moeite doen om ons uit elkaar te houden.
En soms dan kunnen we niet zonder elkaar. Maar ik ben zo bang dat het steeds minder word. Dat we uiteindelijk zo boos op elkaar zijn dat we elkaar nooit meer zouden willen zien.

‘Bill, het was een geintje, leer daar nou eens mee omgaan!’ Schreeuwt Tom. ‘Nee, het was geen geintje. Hoe zou jij het vinden als ik je zou uitlachen of vernederen voor anderen! Denk eens na Tom! Denk na voordat je iets doet!’ Schreeuw ik terug. ‘Tom, Bill, rustig nou. Zo erg was het nou ook weer niet.’ Probeert Gustav. ‘Tom moet gewoon eens leren zijn kop te gebruiken!’ Zeg ik boos. ‘Kom op jongens, we weten allemaal dat jullie uiteindelijk niet zonder elkaar kunnen.’ Zegt Georg. ‘Zoek het mar uit, ik ben er klaar mee!’ Zeg ik. Ik wurm me uit de greep van Gustav en stamp boos de trap op.

What if I wanted to break
Laugh it all off in your face
What would you do?
What if I fell to the floor
Couldn't take all this anymore
What would you do, do, do?

Come
Break me down
Bury me, bury me
I am finished with you

Ik draai de deur op slot. Tom komt achter me aan, maar is net te laat. ‘Bill, doe niet zo kinderachtig. Kom er gewoon uit. Dit slaat nergens meer op.’ Zegt hij. Nors houd ik de deur op slot. Ik hoor dat Tom aan de andere kant aan het rommelen is met de deur. Waarschijnlijk probeert hij het open te breken. Wat maakt het uit. Uiteindelijk lukt het hem om de deur open te krijgen en hij stapt naar binnen. Als blikken konden doden, dan lag Tom allang op de grond, maar dat geld ook wederzijds. ‘Wat?’ Zeg ik. Tom slaat zijn armen over elkaar. ‘Waarom hebben we ruzie over van die onzinnige dingen?’ Zeg hij. ‘Weet ik veel, vraag dat lekker aan jezelf.’ Zeg ik. Hij staat midden in de deurpost en ik wil erlangs. ‘Tom, ga eens opzij, ik wil die kamer uit.’ Zeg ik. ‘Waarom zou ik, jij wilt toch ook niet naar mij luisteren?’ Zegt hij. Ik ben het zo zat met hem! Ik geef hem een duw opzij en ga naar beneden.
Gedreven door woede loop ik in een flink tempo door de straten van Berlijn. Geen idee waar ik heen ga, maar dat maakt me even niets uit. Tom komt weer achter me aan. ‘Wat moet je nou van me? Laat me gewoon even alleen wil je.’ Zeg ik boos. Hij duwt me op een bankje in de buurt en zorgt dat ik moet blijven zitten. ‘Bill, luister nou.’ Zegt hij. ‘Nee, ik luister niet, waarom zou ik naar jou luisteren? Niemand luistert naar wat k te zeggen heb. En naar jou moet ineens wel geluisterd worden?’ Zeg ik boos. Als hij het in zijn hoofd haalt om te knokken sla ik het deze keer niet af. De adrenaline giert door mijn lijf heen, wachtend op wat hij te zeggen heeft.

What if I wanted to fight
Beg for the rest of my life
What would you do?
You say you wanted more
What are you waiting for
I'm not running from you

Come
Break me down
Bury me, bury me
I am finished with you
Look in my eyes
You're killing me, killing me
All I wanted was you

Hij zegt niets, maar tegelijk ook zo veel. Hij spreekt niet met woorden, maar met zijn gezichtsuitdrukking, zijn houding. Het zegt allemaal verschillende dingen, tegenstrijdige dingen. Ik weet niet wat ik moet geloven.
Ik glip onder hem vandaan en ren weg. Blind voor het verkeer ren ik de straten over. Ik hoor een hoop getoeter, maar we worden beiden niet geraakt.
Ik ren verder en verder. Ik ren zo ver door dat ik de steken in mijn zij voel. Als ik achter me kijk zie ik dat Tom nog steeds achter me loopt. ‘Bill, wacht! Stop!’ Schreeuwt hij. Van mij krijgt hij geen reactie. Ik kijk weer voor me, maar ben te laat om te beseffen dat er een riviertje loopt en ik val erin. Door de schrik slik ik een grote hap water in. Hoestend probeer ik naar de kant te komen, maar het lukt niet. Waar zal deze rivier eindigen? Het enige wat ik kan doen is me laten meevaren.

I tried to be someone else
But nothing seemed to change
I know now, this is who I really am inside
Finally found myself
Fighting for a chance
I know now, this is who I really am

Come
Break me down
Bury me, bury me
I am finished with you, you, you
Look in my eyes
You're killing me, killing me
All I wanted was you
Come, break me down
Break me down
Break me down

Ik verlies de kracht in mijn armen. Nog even kijk ik achterom en zie dat Tom zo snel mogelijk achter me aan komt. Deze keer is het niet om kwaad op me te zijn, maar om me uit het water te helpen. Langzaam zink ik naar beneden, nog steeds heb ik de kracht niet om naar boven te zwemmen. Mijn enige optie is blijven ademen, alleen is dat niet zo’n handige optie als je onder water bent. Mijn lijf protesteert hevig, mijn instinct zegt dat ik moet ademen, maar ik weet dat als ik dat doe, dat ik geen lucht binnenkrijg, maar water.
Ik voel een paar armen om mijn middel heen. Een paar armen die mijn redding kunnen zijn. Maar voordat ik boven ben word ik gedwongen te ademen. Een golf van water komt naar binnen. Ik hoor Tom tegen me praten, wat hij zegt weet ik alleen niet. Het enige wat ik kan doen is hoesten. Pas later dringt tot me door wat Tom bedoelde. Hij heeft er ook moeite mee om tegen de stroming in te zwemen, en houd het ook niet lang vol.
Ik zorg dat hij mijn middel los laat en pak zijn hand stevig vast. Samen worstelen we ons naar de zijkant en klimmen erop. Ik laat me op het gras vallen. Ineens komt er allemaal water omhoog, het voelt hetzelfde als kotsen, maar dan met water. En dat is niet erg prettig. Tom geeft me een klopje op mijn rug. ‘Gaat het weer?’ Vraagt hij hijgend. Ik knik. ‘Wapenstilstand?’ Vraagt hij. Ik glimlach. ‘Ok, vooruit dan maar.’ Zeg ik.
Samen gaan we naar huis.

What if I wanted to break...?

Kamer 6277

Kamer 6277

De jongens zouden vandaag naar de studio gaan, dat ging niet door doordat het verbouwd werd. David heeft een ander hotel gevonden, die gelijk ook erg goedkoop is. Hij vraagt zich ondertussen af waarom. Op dit moment heeft David net verteld over de studio en het hotel.

Bill’s pov:
‘Dus vinden jullie het goed als jullie daar tijdelijk overnachten? Het is maar voor 3 dagen.’ Zegt David. ‘Ik vind het best, we hebben in ieder geval een plek om te overnachten. En we zitten zonder lawaai van boormachines enzo.’ Zeg ik. De anderen stemmen ook in. ‘Oja, dit vergeet ik jullie nog bijna te vragen. Volgens veel mensen spookt het daar. Is dat erg? Jullie geloven daar toch niet in?’ Zegt David. ‘We geloven niet in spoken, dus we zullen er ook niet zo snel last van hebben.’ Lacht Tom. Gustav en Georg vinden het ook niet zo erg. ‘En wat vind jij Bill? Je bent er niet zo enthousiast meer over.’ Zegt David. ‘Ik vind het ook niet erg.’ Zeg ik snel. Het zal er waarschijnlijk niet echt spoken, misschien kraken de vloeren een beetje ofzo. ‘Jullie vertrekken morgenochtend daarheen.’ Zegt David. ‘Dan al? Dan moet ik opschieten met inpakken.’ Zeg ik gelijk. ‘Bill is weer terug.’ Lacht Georg.

De volgende ochtend gaan de jongens met de auto naar het hotel. Om een of andere reden mochten ze niet met de tourbus, dus had de manager van het hotel gezegd dat ze wel met een auto van het hotel konden komen. Ze worden gereden, en de jongens zitten achterin. Niet dat ze er erg blij mee zijn, maar zij hebben hier niets over te zeggen. Tom plaagt Bill door te zeggen dat hun ‘vervoer’ vroeger een lijkenwagen geweest moest zijn. Hij weet dat zijn broertje daar niet zo goed tegen kan. Gelukkig voor Bill: ze arriveren bij het hotel.

‘Is dit het hotel? Het ziet er meer uit als een of ander spookhuis.’ Zegt Tom. ‘Vandaar dat mensen zeggen dat het er spookt. Zo ziet het er al uit.’ Zegt Gustav lachend. We gaan naar binnen. We hadden het plan om aan de balie te vragen waar alles was, maar er zit niemand. ‘Er ligt daar een briefje op het bureau.’ Zeg ik. Ik maak het open. Ik lees het voor: ‘Welkom in dit hotel. Jullie kamer is nummer 6277. Wij vragen jullie vriendelijk om daar ook te blijven, uit de kamer gaan is op eigen risico.’ ‘Raar dat ze dat per brief doen. En die laatste zin vind ik ook nogal vaag.’ Zegt Georg. ‘Vind ik ook. Maar ik ga even rondkijken. Ik zie jullie later.’ Zeg ik en vertrek met Tom samen om op verkenning te gaan.

Gustav en Georg gaan naar hun kamer. Tom en Bill zwerven een beetje door het hele gebouw heen, en uiteindelijk splitsen zij ook op. Wat ze alleen niet weten is dat mensen niet verzinnen dat het er spookt. Het valt in het begin alleen niet zo op…

Tom’s pov:
Ik kom langs een soort bar. Die moet ik even onthouden, misschien word hier in de buurt ook wel het avondeten gedaan. Ik ga maar weer verder.

Ondertussen is Bill heel ergens anders beland…

Ik voel me niet echt op mijn gemak in het hotel. Misschien ligt het aan de sfeer, of de manier van doen die ze hier hebben. Ik zie trouwens weinig personeel en andere gasten hier lopen.
Ik ben op zoek naar een computer, of laptop, in ieder geval iets in die zin. Dan kan ik nieuwe teksten gaan schrijven en uitprinten.
Verderop zie ik een typmachine staan, het is misschien niet helemaal wat ik in gedachten had. Maar dit is beter dan niets. Ik ga erachter zitten en kijk hoe het ding werkt. Al snel heb ik het door en zit alle ideen uit mijn hoofd op het papier te typen.

Georg is ook niet langer bij Gustav. Ook hij gaat op onderzoek uit. Later pakt hij wel zijn spullen uit.

Ik loop weer langs de balie waar het briefje daarnet lag. Nog steeds is er niemand. Ik blijf het raar vinden. Ik loop verder door de gangen. Daar staat een man, zou hij de hotelmanager zijn?

Een week later. Ondertussen heeft Bill al aardig wat teksten op papier gezet. Nu is hij daar even niet mee bezig. Hij loop zich wat te vervelen en gooit met een bal tegen de muur. Georg, Gustav en Tom zitten in hun kamer. Georg’s pov:
‘We zitten hier al een week. David zei dat we hier 3 dagen zouden zitten.’ Zegt ik een beetje nijdig. ‘Wat nou als we shows moeten afzeggen?’ Zegt Gustav. ‘Daar zullen de fans niet blij mee zijn.’ Zeg ik. We hebben al een paar keer moeten afzeggen omdat Bill niet kon zingen. Ik hoop dat we het niet nog eens moeten afzeggen, om wat voor reden dan ook. ‘Ik ben niet van plan om hier de hele tijd te blijven zitten. Ik ga naar…. Weet ik veel waar. Doei.’ Zegt Tom en vertrekt.

Tom’s pov:
Ik ga naar die ene bar. Hopelijk kan ik het nog vinden. Ik heb dorst.
Na een tijdje ronddwalen is daar eindelijk de goede kamer. Ik ga op de barkruk zitten en wacht totdat iemand komt.

Ondertussen is Georg de post op aan het halen.

We hebben weer een brief. Ik ben weer terug bij kamer 6277 en doe de deur open.

Gustav heeft andere plannen.

De andere jongens dwalen een beetje rond in dit hotel. Ik heb daar nu even geen zin in. Waar ik wel weer zin in heb is een douche nemen.

Bill heeft genoeg van het balletje.

Die bal gaat me nu nog meer vervelen dan ik al was. Als ik opzij kijk zie ik dat er iemand door de gangen loopt. Misschien is dat wel iemand van het personeel, dan vraag ik gelijk hoe het kan dat we hier zo lang zitten. Ik kan net een stukje van het pak van de persoon achter een muur zien verdwijnen. Ik laat het balletje voor wat het is en ga hem achterna. Ik zoek overal. Na een tijdje zie ik hem weer achter een muur verdwijnen. Als ik hem achterna ga staat hij ineens stil in de gang.

Wat Bill alleen niet weet, is dat dit hotel vroeger van iemand was die vermoord is. Daardoor is er een vloek op gaan rusten. En een deel van die vloek is hij zojuist tegen het lijf gelopen.

Als de persoon zich omdraait zie ik dat hij mij is. Of… Ik weet het niet. Hij is precies mij, maar ook weer heel erg anders. We lopen naar elkaar toe. De andere ik lijkt me niet echt aardig. ‘Maak dat je hier weg komt.’ Zegt hij. ‘Wat is hier aan de hand?’ Vraag ik. ‘Daar kom je nog wel achter.’ Zegt hij op geheimzinnige toon. Dit bevalt me echt helemaal niet. Ik pak hem bij zijn kraag. ‘Wat gebeurt hier? Zeg het me? Jij kunt mij niet zijn.’ Zeg ik. Jammer alleen dat hij net wat sterker is en me hardhandig tegen een muur duwt. ‘Het kan dus wel. Niet helemaal jou, alleen je kwaadaardige kant. Er is niemand die het weet. Iedereen zal denken dat ik de echte ben. Maar eerst moet ik jou uit de weg ruimen.’ Zegt hij. ‘Wat! Echt niet. Blijf met je klauwen van me af!’ Roep ik. ‘Goed zo, laat de andere kant van je karakter maar eens zien.’ Zegt hij. Hij laat me los. Wat moet ik nou doen? Ik besluit maar om gewoon weg te gaan, dit kan niet, dit is gewoon mijn wilde fantasie die op hol slaat.

Tom zit nog steeds in zijn eentje te wachten totdat er eindelijk iemand komt. Ondertussen is hij meer met zijn gedachten bezig dan met dat wat om hem heen gebeurt.

Ik schrik op uit mijn gedachten als er ineens een glas voor mijn neus word gezet. Als ik opkijk zie ik dat dit een soort van spiegelbeeld van mij is. Wat is dit nou weer voor gein?
Zo te zien heeft die andere … eh… persoon ook dorst en we drinken samen wat op. Het liefste zou ik zo snel mogelijk hier weg gaan. En dat ga ik ook zeker doen, gelijk nadat ik dit op heb.

En ook Tom heeft de vloek ontdekt.
We gaan nu naar Georg.

Ik duw de deur van onze kamer open. Dan zie ik iemand zitten op het bed. Ik kan mijn ogen niet geloven als ik besef wie daar zit. Ik kijk nog eens goed, maar het beeld blijft hetzelfde.

Bill, Tom en Georg beseffen alle drie dat dit niet klopt. Alle drie zijn ze ook al zichzelf tegen het lijf gelopen.
De enige die nog van niets weet is Gustav.

Ik zoek in mijn tas naar de spullen om te douchen. Als ik de deur van de douche open doe kan ik een heel rare conclusie trekken. Het lijkt alsof ik in de spiegel kijk. Ik ga wat naar links, mijn “spiegelbeeld” gaat mee. Wanneer ik naar rechts ga gaat het zogenaamde spiegelbeeld ook mee. Maar ik ben er zeker van dat hier geen spiegel staat, de achtergrond klopt anders niet. Ik probeer het aan te raken. Wanneer ik dat doe krijg ik een schok door mijn vingers heen, en trek mijn hand weer terug.

Het is vandaag de laatste dag. De jongens zijn daar opgelucht over. Het enige wat hun nog gevraagd is, om een nummer voor de andere gasten te spelen. Dat verbaast de jongens wel, want ze hebben niemand anders gezien. Dus wie zouden de andere gasten dan zijn? Ze gaan naar de zaal waar ze moeten spelen.

Bill’s pov:
We gaan naar binnen. Iedereen is aan het dansen. Als wij binnenkomen, draait iedereen zich tegelijk onze richting uit. Brr.. Best creepy. Er zit niets anders op dan gewoon spelen, en daarna wegwezen.
We staan op het podium, het is niet zo groot, maar groot genoeg voor ons. Van tevoren zijn de instrumenten klaar gezet, dus we kunnen gelijk beginnen.
Als ik het publiek eens goed bekijk, dan zie ik dat het bestaat uit alleen maar tweelingen. Ik kan het niet geloven. Zie ik nou dubbel, of is dit echt?
Ik hoor Gustav aftikken en concentreer me op de muziek.

Als het nummer afgelopen is, pakken de jongens snel hun koffers, en maken dat ze weg komen. Naar dit hotel willen ze in ieder geval nooit meer!

Het gevolg van n domme actie

Het gevolg van n domme actie

‘Doe het niet Tom.’ Hoor ik Bill achter me zeggen. Hoe weet hij altijd waar ik ben? Nog een keer kijk ik om naar mijn broertje. Wanneer ik me voorover wil laten vallen pakt Bill me vast rond mijn middel en trekt me terug. ‘Het is niet nodig. Doe het nou niet.’ Zegt hij zacht. Ik houd het niet langer… Laat ik het anders zeggen, ik wil het niet langer. Niet op deze manier. Ik laat me op de grond zakken. Bill zit achter me en probeert me te troosten. Hoe meer hij me probeert te troosten, hoe meer tranen er komen. Ik kan het niet stoppen. ‘Het komt goed Tom. Je moet er alleen zelf in geloven.’ Zegt hij zacht. Hij strijkt over mijn hoofd. ‘Bill, dat gaat niet. Het gaat niet over. Ze dwingen me, daar kan ik niet tegenop.’ Zeg ik. ‘Dat kan je wel.’ Zegt Bill. ‘Bill, luister nou, als je me helpt loop je zelf ook gevaar.’ Zeg ik. ‘Maakt mij niets uit, ik doe er alles voor om mijn broer te helpen.’ Zegt hij. Hoewel het me normaal gerust zou moeten stellen, maakt dat idee me nu juist onrustiger. ‘Bill, je moet het niet doen. Het is niet nodig.’ Bijna dezelfde woorden als die hij daarnet tegen mij zei, maar met een heel andere betekenis. ‘Het is wel nodig. We gaan naar huis, en dan gaan we een oplossing zoeken om je te helpen.’ Zegt hij. Ik laat me maar meenemen door hem, hoe veel ik er ook tegenin breng, Bill blijft bij hetzelfde punt.
We lopen over straat. Schichtig kijk ik om me heen of er niemand achter ons aan komt. ‘Tom, doe eens rustig.’ Zegt Bill. ‘Kan niet, ze kunnen me elk moment achtervolgen.’ Zeg ik. Als ik voor me kijk zie ik in de verte een groepje mensen staan. ‘Bill, we gaan hierin.’ Zeg ik snel en trek hem een andere straat in. ‘Waarom? Dat is omlopen.’ Zegt hij. ‘Omdat ze daar staan. Ik wil daar absoluut niet langs, veel te gevaarlijk.’ Zeg ik. Ja, na die ene dag was ik een stuk voorzichtiger geworden.
Bill snapt er helemaal niets van en volgt me. We zijn bijna thuis, ik zie het huis al staan. Een zucht van opluchting verlaat mijn mond. ‘Kijk eens wie we daar hebben.’ Gelijk verstijf ik. ‘Wie is dat?’ Fluistert Bill in mijn oor. ‘Dat… Dat zijn ze. Zorg dat je thuis komt Bill. Snel.’ Fluister ik terug. Maar hij doet niet wat ik zeg. Een bende komt op ons af gelopen. Een van hen duwt me hard tegen een muur aan. ‘Wie heb je nou weer meegenomen? Moet hij je beschermen? Daar zou ik niet al te veel van verwachten.’ Zegt Alex. Hij is de enige die ik bij naam ken, dat komt doordat hij de leider van de hele zooi is. De rest ken ik niet. ‘Geef antwoord!’ Schreeuwt hij. Ik weet niet wat ik moet doen en kan alleen maar nee schudden. ‘Laat… Laat hem met rust… Wat mij betreft sla je mij het ziekenhuis in, maar laat hem met rust.’ Weet ik na een hele tijd uit te brengen. ‘Dat is aardig van je. Jammer alleen dat wij niet naar je luisteren.’ Zegt Alex. Ik hoop dat ze Bill niet zo veel pijn doen als wat ze met mij doen. Ik hoor een redelijk luide pijnkreet van Bill. Dat breekt mijn hart in duizenden stukken. ‘Laat hem met rust!’ Schreeuw ik. Maar ik kan niets doen doordat Alex me nog steeds tegen de muur duwt. Uiteindelijk laat hij los en geeft me een harde trap waardoor ik op de straat val. De pijn giert door mijn rug. De andere jongens komen ook gezellig een feestje bij me vieren, en al snel voel ik verschillende handen en voeten over mijn lichaam. Alles doet pijn, en ik hoor dat Bill hetzelfde ondergaat. Even houden ze op om van mijn leed te genieten, terwijl ze bij Bill nog doorgaan. Ik kruip naar Bill toe, want lopen gaat niet, en ga over hem heen hangen zodat ze mij raken in plaats van Bill. ‘Gaat het een beetje?’ Vraag ik tussen de trappen door. ‘Niet echt, ik vind het al erg genoeg om aan te moeten zien hoe ze jou verrot trappen.’ Zegt hij zacht. ‘Ik tel af, en dan zetten we het op een lopen.’ Zeg ik tegen hem. De bende om ons heen maken zo veel herrie dat ze me niet horen, maar Bill knikt als teken dat hij weet wat ik zei. ‘Drie… Twee… Een… rennen!’ Zeg ik. Samen rennen we onze benen uit onze lijf om van de bende af te komen. We gaan door allemaal smalle steegjes en straatjes. Alle kronkelweggetjes die er zijn gaan we in. Dit ren ik zo’n beetje elke dag, ik moet wel. Maar die gasten zijn zo dom om het niet door te hebben dat ik telkens dezelfde weg loop. Na een hele tijd hebben we ze afgeschud. We blijven rennen en belanden uiteindelijk weer thuis. Snel doe ik de deur open. Als we beiden binnen zijn doe ik de deur snel weer dicht en op slot. Ik laat me tegen een muur naar beneden zakken. Ik voel mijn hart in mijn keel kloppen, mijn hele lichaam doet pijn, en dan is Bill ook nog eens overal getrapt. Beter kon deze dag niet. En dat bedoel ik natuurlijk met heel veel sarcasme.
Bill gaat naast me zitten. Ik sluit hem op in mijn armen. Nu wil ik alleen even mijn broertje, en niemand anders. Ik moet zeker weten dat het niet fout is afgelopen, dat Bill echt naast me zit. En dat doet hij. Hij slaat zijn armen om mij heen. ‘Sorry Bill, ik wist niet dat ze daar stonden. Anders had ik een andere weg genomen.’ Zeg ik. ‘Maakt niet uit.’ Is het enige wat hij zegt. Meer hoeven we niet te zeggen, we weten genoeg.
Ik voel na een tijdje dat mijn t-shirt nat word. Als ik kijk wat er is zie ik dat Bill zacht zit te snikken. ‘Wat is er Bill?’ Vraag ik. ‘Dat ze je dit elke dag aan doen. En keer is al vervelend, maar elke dag. Ik begrijp nu nog beter waarom je liever niet alleen over straat ging.’ Zegt hij. Hier weet ik even niets op te zeggen. Het is ook heel erg vervelend, maar ik kan ze niet tegen houden. Het zijn er te veel voor mij.
Ik kijk naar de schade die we vandaag hebben opgelopen. Het valt nog mee op een paar blauwe plekken na is er niet veel ergs gebeurd. Er heeft wel iemand op mijn hand gestaan, dat deed nogal pijn, maar door de adrenaline voel ik daar niets van, nog niet. Straks denk ik wel. ‘Hebben ze je veel pijn gedaan?’ Vraag ik bezorgt aan Bill. ‘Ik weet zeker dat jij meer voelt dan ik. Jij hebt veel klappen voor me opgevangen.’ Zegt hij. ‘Ik ga even andere kleren aan doen.’ Zeg ik langzaam. Ik sta op en loop een beetje ongelukkig naar mijn kamer. Ik pak een andere broek en shirt. Als ik mijn shirt wil pakken komt Bill binnen. Ik sta net in een bloot bovenlijf, niet dat het me veel uitmaakt, maar er zitten nogal veel schrammen op mijn rug. Dat zal er vast niet zo mooi uit zien. ‘Tom, jij zegt dat het niks is. Wat ik zie is echt niet niks.’ Zegt Bill geschrokken. Snel trek ik mijn shirt aan. ‘Maak je er maar geen zorgen om.’ Zeg ik. ‘Doe ik wel. We moeten dit echt gaan aangeven bij de politie.’ Zegt hij. ‘Nee. Niet doen.’ Zeg ik geschrokken. ‘Waarom niet?’ Vraagt hij. ‘Weet je nog een paar weken geleden?’ Vraag ik. Bij de herinnering trekt hij een pijnlijk gezicht. ‘Ja.’ Zegt hij. ‘Toen wilde ik het ook gaan aangeven bij de politie.’ Zeg ik. Ze hadden toen een poging gedaan om me neer te steken, maar het was niet diep genoeg. Ik heb er een tijdje in het ziekenhuis voor moeten liggen omdat ik veel bloed was verloren. ‘Oh… Maar om nou je hele leven lang hun achter je aan te hebben is ook niet het beste wat er is.’ Zegt hij. ‘Ik weet ook niet goed wat ik met deze situatie moet.’ Zeg ik en ga op bed zitten. Hij komt naast me zitten en legt zijn hand op mijn rug. Ik trek een pijnlijk gezicht. Snel haalt hij zijn hand weg. ‘Kijk dan eens wat ze je aan doen. Ik kan niet eens normaal mijn hand op jouw rug leggen zonder dat het pijn doet.’ Zegt hij. ‘Hoe zou jij dan bij het politiebureau komen, zonder dat ze het te weten komen?’ Vraag ik. ‘Misschien met de auto.’ Zegt Bill. ‘Ze herkennen mijn auto.’ Zeg ik. ‘Of misschien kunnen Gustav en Georg ons brengen.’ Stelt hij voor. ‘Dat helemaal niet. Ik vind het al heel erg dat ze jou pijn gedaan hebben. Als Gustav en Georg ook nog in elkaar getrimd worden zou ik het mezelf helemaal niet meer vergeven. Dat doe ik nu al niet meer trouwens.’ Zeg ik. ‘Dan weet ik het ook niet. Gewoon heel erg doorlopen, en hopen dat ze er niet zijn.’ Zegt Bill. ‘Dat lijkt wel de enige optie.’ Zeg ik zacht. Langzaam krijg ik weer gevoel in mijn hand. Het doet vreselijk pijn, en ik moet mijn tanden op elkaar zetten om het niet uit te schreeuwen. Waarom gaat dan ook precies de grootste met zijn lompe poten op mijn hand staan. ‘Moeten we even naar de huisarts om hem ernaar te laten kijken?’ Vraagt Bill. Ik schud van nee. ‘Omdat ze je anders achtervolgen, is het niet?’ Vraagt hij. Ik knik. Mijn hand doet vreselijk pijn, misschien moet ik toch maar langs gaan. ‘Zeker weten?’ Vraagt hij. ‘Nee, het doet zo’n pijn, maar ze gaan ons zeker weten achtervolgen. Ik weet niet wat beter is.’ Zeg ik. ‘Als ik jou was zal ik dan toch maar gaan. Ik ga wel weer mee.’ Zegt Bill. Ik knik. Bill trekt snel een shirt aan met lange mouwen, en ik doe mijn vest aan. Anders gaan mensen er misschien iet achter zoeken dat we zo veel blauwe plekken hebben. ‘Kunnen we dan ergens lopen waar veel mensen zijn? Daar pakken ze ons waarschijnlijk niet.’ Zeg ik. Het is een hele omweg, maar dat maakt niet uit. ‘Ok.’ Zegt Bill. We gaan al hinkend op pad. ‘Misschien moeten ze gelijk naar je voet kijken, je loopt er niet zo lekker op.’ Zegt Bill. ‘Dan gaan ze er zeker wat achter zoeken.’ Zeg ik. Hij ondersteunt me, en zo gaan we weer verder. Als we voor het gebouw staan zeg ik: ‘We zijn in ieder geval heel hier gekomen, nu nog hopen dat we ze op de terugweg niet tegen het lijf lopen.’ Zeg ik. We gaan naar binnen en ik ben al snel aan de beurt. Bill gaat met me mee.
Het blijkt dat ik mijn hand zwaar gekneusd heb, en mijn voet heb ik overbelast. Maar dat van mijn voet zal wel snel over zijn, maar mijn hand kan een paar weken duren. Daar ben ik dan lekker mee. Mijn hand krijgt een verbandje om het wat steviger te maken. Bill krijgt instructies hoe hij mijn hand moet verbinden, ik mag het namelijk niet dag en nacht om houden. ‘Hoe is het eigenlijk zo gekomen?’ Vraagt de arts. ‘Dat kan ik u niet vertellen.’ Zeg ik. ‘Ik heb geheimhoudingsplicht, ik mag het er verder met niemand over hebben als jij dat niet wilt.’ Zegt hij. Ik kijk naar Bill. ‘Misschien is het beter om het te zeggen.’ Zegt hij. Ik staar een beetje ongemakkelijk naar de grond. ‘Ok dan. Misschien is het inderdaad beter om het te zeggen.’ Zeg ik en vertel hoe het een paar weken geleden begon, dat ik per ongelijk tegen die leider opbotste, hoe ik een paar weken later een mislukte poging deed om het aan te geven bij de politie, wat er vandaag is gebeurt. Het lucht wel op, en de arts lijkt het te begrijpen. ‘Maar ik weet nu dus niet of ik nou wel of niet ermee naar de politie moet.’ Zeg ik met een zacht stemmetje. ‘Het is beter om het wel te doen, maar ze maken het je wel moeilijk. Ik vind het al heel wat dat je me vertrouwd en dit allemaal verteld.’ Zegt hij. Ik knik. ‘Als je me nodig hebt, dan kan je bellen, ik kom wel naar jullie toe, want ik snap dat jullie niet over straat willen.’ Zegt hij en geeft ons een telefoonnummer waarmee we hem kunnen bereiken. ‘Bedankt.’ Zeg ik. ‘Lukt het om alleen naar huis te komen?’ Vraagt hij. ‘Ja, we lopen door de drukste straten.’ Zeg ik. ‘Heel slim. Veel succes en sterkte.’ Zegt hij. ‘Dank u.’ Zeggen we tegelijk. In het gebouw leun ik zo veel mogelijk op stangen die aan de wand zitten. Buiten ondersteunt Bill me weer. Het gaat best goed, en het voelt een stuk veiliger nu we door een van de drukste staten van Berlijn lopen. In de verte zie ik Alex lopen. ‘Bill, wat moeten we doen?’ Zeg ik angstig. Als hij ziet waar ik het over heb verstijft hij ook even, maar hersteld zich snel. ‘Daar, naar die mensenmassa, dan heb je kans dat hij ons niet ziet, en als hij ons wel ziet dan kan hij ons niets doen.’ Zegt hij. We gaan zo snel mogelijk de drukte in. Het valt niet mee om te lopen met een pijnlijke voet in zo’n drukte. Hij kijkt onze kant op. ‘Hij heeft ons gezien.’ Zeg ik bang. ‘Shit. Maar hij kan alsnog niets doen.’ Zegt Bill. Hij komt onze kant op. Met mijn goede hand knijp ik zachtjes in Bill’s hand. ‘Bill, ik ben bang voor wat er komen gaat.’ Zeg ik zacht. ‘Ik weet wat je bedoelt.’ Zegt hij. Nog even, en dan is hij hier. Wij blijven doorlopen. Het duurt niet lang voordat hij achter ons staat en me klem zet tegen een muur. Hij duwt hard tegen mijn gekneusde hand. Ik schreeuw het uit van de pijn, in de hoop dat iemand erop reageert. Hij geeft een harde stomp in mijn maag waardoor hij me de mond snoert. Ik klap dubbel. ‘Waar was je van plan om naartoe te gaan.’ Sist hij in mijn oor. Ik zeg niets. Hij trekt hard aan mijn dreads. ‘Kan je niet meer praten?’ Zegt hij. ‘Jawel.’ Zeg ik schor. Gezien hij in zijn eentje is kan hij maar n tegelijk van ons tween pakken. Ik zie dat Bill het alarmnummer wil bellen. Jammer genoeg ziet Alex dat ook, en draait Bill’s hand op zijn rug. Kreunend van de pijn komt hij voor me neer. Maar Alex vind het niet genoeg, hij draait Bill’s pols verder. Tranen rollen over zijn wangen, en Alex geniet ervan. Ik graai het mobieltje van de grond en ga verder waar Bill gebleven was. Ook dit heeft Alex al snel door. Hij trapt in mijn rug, daar hoeft hij niet lenig voor te zijn, want ik zat al op mijn knien. Ik zie dat iemand in de menigte het mobieltje pakt. Nu maar hopen dat de persoon dat met een goede wil deed, anders zijn we er geweest. Alex blijft bezig met ons. De lopende menigte veranderd al snel in een kring toeschouwers, maar er is niemand die iets doet. Bill en ik hebben al een paar keer geprobeerd ons te verzetten, maar telkens was het tevergeefs. Nog een trap in mijn rug, gevaarlijk gekraak gaat door mijn lichaam, pijnscheuten volgen. Ik hoor op de achtergrond loeiende sirenes. Ik voel hoe Bill mijn hand probeert vast te pakken. Dan zak ik weg.
Als ik mijn ogen open ben ik in het ziekenhuis. Ik zit aan allerlei apparaten vast. Alles doet pijn, zelfs nu ik helemaal niets doe. Ik kijk in het bed naast me. Daar zie ik het bleke gezicht van mijn broertje. Het doet me pijn om hem zo te zien. Allebei zitten we aan een apparaat die onze hartslag opmeet. De piepen klinken gelijk met elkaar.
Als ik weer recht gelegd word merk ik pas dat er nog meer mensen zijn. Gustav, Georg, mam en een zuster. De zuster vertrekt weer en we zijn hier nu nog met zijn vijven, hoewel Bill niet reageert. Ik heb moeite om mijn ogen open te houden, ik ben heel erg moe. ‘Ga maar slapen, je hebt je rust nodig.’ Zegt mijn moeder. Ik knik. Ik sluit mijn ogen en val al snel weer in slaap.
Als ik een paar uur later weer wakker word zijn ze er nog steeds, alleen zitten ze nu op een andere plaats. ‘Kijk, ze zijn wakker.’ Zegt Gustav. Ik kijk naast me en zie dat Bill slaperig in zijn ogen wrijft. Mijn moeder wil hem omhelzen, maar Bill is haar voor. ‘Mam, doe maar niet, dat doet pijn.’ Zegt hij snel. ‘Oja, sorry.’ Zegt ze. Ze weet even niet zo goed wat ze moet doen. ‘Wat was er gebeurt?’ Vraagt Georg. ‘Ik weet het niet.’ Zeg ik. Ik denk diep na. Stukje bij beetje komt alles terug. ‘We liepen over straat want we kwamen net van de huisarts af. Toen zagen we hem…’ Zeg ik zacht. ‘Wie zagen jullie?’ Vraagt Gustav. ‘Alex… De leider van een bende hier in de buurt.’ Zeg ik. ‘We gingen in de menigte lopen, zodat hij ons niet zag, maar hij zag ons toch. En kwam naar ons toe.’ Vult Bill me aan. ‘Volgt hij jullie al lang?’ Vraagt mijn moeder. ‘Ja… Bij Bill nog niet zo lang, maar bij mij al een paar weken.’ Zeg ik. ‘Waarom hebben jullie hem niet aangegeven bij de politie?’ Vraagt ze. ‘Wel geprobeerd, maar ze hadden me door.’ Zeg ik. ‘Had dan gevraagd of wij konden helpen.’ Zegt Georg. ‘Dan pakken ze ons allemaal. Dat maakt hun niets uit.’ Zegt Bill. ‘We kunnen de politie hierheen laten komen, dan kunnen jullie gelijk aangifte doen, en jullie hoeven niet over straat.’ Zegt Gustav. ‘Dat is wel een goed idee.’ Zegt mijn moeder. ‘Hebben ze door.’ Zeg ik. ‘Laten we het gewoon proberen.’ Zegt Bill. Ik kijk hem aan. ‘Veel erger kan het toch niet worden. Hij heeft gelijk. Ik knik als teken dat ik het goed vind. Er komt een zuster binnen. Ze verlost ons van een paar apparaten, we vragen haar gelijk of ze de politie wil bellen. Ze knikt en gaat gelijk bellen. Niet veel later staan er twee agenten voor ons. We vertellen ze alles, en beschrijven Alex. De bende omschrijven we ook, voor zover dat gaat. Zo snel als ze gekomen zijn gaan de agenten ook weer weg. Als ze net weg zijn horen we op de gang rennende voetstappen en veel geschreeuw. Niet veel later staat hij in de deuropening. En in nog geen drie stappen staat hij voor mijn neus. Alex houdt een mes tegen mijn keel. ‘Jij hebt de politie ingeschakeld, nu krijg jij wat ik je beloofd had als je dat zou doen.’ Zegt hij. In een snelle beweging trekt Gustav het mes uit zijn hand. Ik kijk hem dankbaar aan. ‘Ok, wil je het zo? Kan ook, als ik je botbreuken kan bezorgen, kan ik je ook een pijnlijke dood bezorgen. Ik hoor hoe Bill zich lostrekt van de apparaten. Het kan hem duidelijk niets meer schelen of hij van alles gebroken of gekneusd heeft. Hij deelt een harde klap uit bij Alex. Even is hij van de wereld maar hij hersteld zich al veel te snel. Ik wil ook rechtop gaan zitten, maar mijn moeder duwt me voorzichtig terug. Dat doet al pijn, ze heeft gelijk. Maar wat moet Bill dan voelen, hij vangt de klappen nu. De agenten schieten hem te hulp en hebben hem al snel te pakken. Als Alex weg is lijkt Bill alles pas weer te voelen. Om ons niets te laten merken bijt hij op zijn onderlip. ‘Die zien we hopelijk niet meer terug.’ Zeg ik bezorgt.
Bill en ik moeten nog een paar dagen hier blijven. Maar het belangrijkste voor ons is, dat Alex gepakt is, en dat wij allebei nog leven.

Zijn wij broers?

Zijn wij broers?

Bill’s pov:
Ik zit alleen op mijn kamer. En niet zonder reden. Ik ben weer eens naar boven gestuurd. Echt, ik haat het hier.
Toen ik ongeveer een maand oud was ben ik geadopteerd. Nu ben ik dus enigs kind in dit gezin. Dat is op zich niet zo erg, maar mijn adoptie ouders doen alsof ik lucht ben. Ik doe niets goed in hun ogen. Ik moet alle klusjes in huis doen terwijl zij constant op hun werk zitten of op hun luie reet zitten. En als ik ook maar n foutje maak zwaait er wat. Dat was vandaag dus gebeurt. Ik deed gewoon de afwas, toen kwam mijn pleegvader binnen en daar schrok ik van. Toen liet ik per ongeluk een glas op de grond vallen. Hij werd woedend, en sloeg keihard in mijn gezicht, en toen stuurde hij me naar boven. Zo ben ik dus hier beland. Ik woon hier dus zo’n beetje mijn hele leven al, maar ik voel me nog steeds niet op mijn gemak. Ik wil weten waar mijn echte thuis is, en of ik daar broers of zussen zou hebben. Het liefste zou ik daar zo snel mogelijk naartoe willen, alles is beter dan hier.
Voorzichtig druipt er een traan over mijn wang. Snel veeg ik hem weg, als mijn pleegouders dit zien vang ik nog meer klappen. Ik kan ze gewoon niet mijn gewone ouders noemen, zo voelt het niet.
Met een harde knal gooit mijn pleegvader de deur van mijn kamer open. Hij pakt me hardhandig beet aan mijn bovenarm. ‘Meekomen jij.’ Snauwt hij. Hij trekt me mee naar beneden. Als we daar zijn duwt hij me neer op de bank en gaat naast zijn vrouw tegenover mij zitten. Ik heb een rode afdruk waar zijn hand heeft gezeten, het doet behoorlijk pijn. ‘We weten dat je er niets over te zeggen hebt, maar we vinden dat jij het ook hoort te weten,’ Begint mijn pleegmoeder. Nou, dat is al een hele eer dat het niet boos gezegd word. ‘We gaan naar Hamburg verhuizen.’ Vervolgt ze. Mijn mond valt open. Naar Hamburg? Ik was net gewent aan het gepest hier op school, net had ik de draai een beetje te pakken, en dan gaan we verhuizen. ‘Ok.’ Is het enige wat ik zeg. Als ik er wat tegenin breng is het waarschijnlijk weer niet goed. ‘Niets meer?’ Vraagt mijn pleeg vader. Huh? Stelde hij nou net een vraag aan mij? Is er iets mis met hun? ‘Nee, ik vind het goed zo.’ Zeg ik. Er word me zowaar een keer vriendelijk verzocht om weer terug naar mijn kamer te gaan. Ik doe het maar gelijk, het gaat net goed zo, en dat wil ik graag zo houden. Ik krijg een paar dozen mee om mijn spullen in te doen. Niet dat ik veel spullen heb, maar ik doe maar wat me gevraagd word en begin met inpakken.
De volgende ochtend is het oude humeur weer terug. Ik word hard wakker geschud. ‘Bill, opstaan en aankleden nu. We gaan weg.’ Zegt mijn vader. ‘Ik kom eraan.’ Zeg ik. Als hij weg is wrijf ik over mijn hoofd, hij schudde me zo erg door elkaar dat ik nu hoofdpijn heb. Ik slof naar mijn kast en haal er wat kleren uit. Wat sneller ga ik naar de badkamer en kleed me om. Ik heb geen tijd om mijn haar goed te doen, dus laat ik het maar plat. Make-up laat ik ook maar even achterwegen. Daar heb ik allemaal veel te weinig tijd voor.
Snel ga ik naar beneden. ‘Bill, help even met het inladen.’ Zegt mijn vader commanderend. ‘Ik ben al onderweg.’ Zeg ik en ren naar de dozen om te helpen. Na de 5de doos heb ik last van mijn rug van alle zware spullen. Ik blijf even staan, maar dat had ik beter niet kunnen doen. Mijn vader pakt me hard beet op dezelfde plek als gisteren, waar trouwens een blauwe plek is ontstaan, en trekt me naar een van de volgende dozen. ‘Niet zo treuzelen. Door blijven gaan.’ Zegt hij streng. Ik weet zeker dat ik met mijn 5 dozen er al zeker 4 meer heb gedaan dan hij. Met pijn in mijn rug en armen ga ik weer verder.
Na een half uur ligt de hele zooi in de verhuiswagen en kunnen we eindelijk vertrekken. Ik zit achterin. Straks moet ik waarschijnlijk weer helpen met uitladen, en met dat vooruitzicht weet ik zeker dat ik op mijn 30ste met een kromme rug loop. Als we maar vaak genoeg verhuizen.
En ik had gelijk. Wanneer we er zijn word ik gelijk de auto uit gesleurd, ik heb zelf niet eens de kans om uit te stappen. En hup, ik sta weer achter zo’n rotdoos. Een van de verhuismannetjes ziet me ermee moeilijk doen. ‘Gaat het? Of moet ik even helpen?’ Vraagt hij. ‘Het gaat… Het gaat wel.’ Zeg ik moeilijk. ‘Ik zag je net ook al met die dingen slepen. Weet je zeker dat je geen hulp nodig hebt?’ Vraagt hij. ‘Ja, anders krijg ik straks weer op mijn donder.’ Flap ik eruit. ‘Oeps… Dat had ik niet moeten zeggen.’ Zeg ik snel. ‘Maakt niet uit, ik zal niets zeggen erover.’ Zegt hij. ‘Bedankt.’ Zeg ik opgelucht en ga weer verder. Eindelijk is alles binnen. Nu nog mijn eigen zooi boven krijgen. ‘In welke kamer moet ik mijn spullen zetten?’ Vraag ik. ‘Trap op, aan het einde van de gang.’ Zegt mijn pleegvader. ‘Ok.’ Zeg ik, en vertrek weer.
Na een paar minuten staat alles boven.
Zo, nu heb ik even tijd voor mezelf. Hmm… Ik kan nu wel even mijn haar en make-up doen. Zolang ik maar niet geroepen word. Ik ga snel naar de nieuwe badkamer en regel alles. Als ik net klaar ben word ik geroepen.
Beneden zie ik dat alles alweer klaar staat, wie zouden ze daarvoor ingehuurd hebben? Die heeft vast ook last van zijn rug. Nouja, ik hoefde het ten minste niet te doen. ‘Wat is er?’ Vraag ik. ‘Morgen begin je op je nieuwe school, dus bereid je maar vast voor door je tas vast in orde te maken en je rooster na te kijken.’ Zegt mijn vader. Ik doe wat hij zegt en ga weer naar boven. Op het bureau ligt inderdaad een papiertje met het rooster erop, die was me nog niet eens opgevallen. Ik kijk even wat voor vakken ik morgen heb en pak mijn tas vast in. Zo, dat is gedaan. Als ik nou vraag of ik de buurt mag verkennen dan ben ik hier weg, ik vind dat ik daar recht op heb, vandaag heb ik maar n ding fout gedaan. Ik ga naar beneden. ‘Pap, mag ik de buurt gaan verkennen?’ Vraag ik. ‘Vooruit, als je maar voor 5 uur thuis bent, anders zorg je maar zelf dat je eten te pakken krijgt.’ Zegt hij en geeft me de huissleutel. ‘Bedankt.’ Zeg ik en ren naar buiten. Voor de zekerheid kijk ik nog even hoe de straat heet en welk nummer het is. Dat moet ik maar onthouden voor als ik de weg moet vragen. Ik loop de straat uit. Hmm… Niet zo veel bijzonders hier. Er staat een frisse wind en ik stop mijn handen in mijn jaszakken. Ik let niet goed op en bots per ongeluk tegen iemand op. ‘Sorry.’ Zeg ik snel. ‘Maakt niet uit.’ Zegt een jongensstem. Als ik opkijk zie ik een jongen met wijde kleding en dreads. ‘Ok.’ Zeg ik. Ik ga weer verder, achter me hoor ik voetstappen. ‘Woon je hier net?’ Vraagt de, voor mij nog onbekende, jongen. Ik knik. ‘Ok, op nummer 9 zeker? Dat huis stond al een hele tijd vrij, en het viel me ineens op dat er een verhuiswagen voor stond.’ Zegt hij. Ik glimlach een beetje. ‘In ieder geval… Ik ben Tom je buurjongen, en jij bent?’ Vraagt hij. ‘Bill.’ Zeg ik. ‘Ok, zal ik je de buurt een beetje laten zien?’ Vraagt hij. ‘Is goed. Als ik maar voor 5 uur thuis ben.’ Zeg ik. ‘5 Uur al? Zo vroeg?’ Vraagt Tom. ‘Ja, mijn pleegouders zijn soms een beetje streng.’ Zeg ik met een fake-glimlach. ‘Aha. Ok, dan zullen we dat maar doen.’ Zegt hij en stelt geen verdere vragen.
We lopen samen door de buurt. Het voelt alsof ik Tom al heel lang ken, het voelt best vertrouwd. Normaal heb ik dat nooit. Sterker nog, in het begin vertrouw ik ze nooit. Daar hebben oude klasgenoten voor gezorgd door me constant te pesten en te treiteren. Maar Tom vertrouw ik. We praten samen en hij zorgt dat ik om 5 voor 5 weer thuis op de stoep sta. ‘Bedankt, tot morgen dan.’ Zeg ik. Ik heb net namelijk gehoord dat ik bij Tom in de klas zit. Als ik de deur van het slot doe zie ik dat mijn pleegmoeder in de keuken staat. ‘Dek jij de tafel even?’ Vraagt ze gelijk. ‘Even mijn jas uitdoen, dan kom ik eraan.’ Zeg ik snel. Ik hang mijn jas op en begin met de tafel te dekken.

Tom’s pov:
Ik weet niet hoe het kan, maar het lijkt alsof ik Bill al heel lang ken. Ik lig op mijn bed na te denken over wat er daarnet was gebeurt. Heb ik hem eerder gezien of gesproken? Hmm… Volgens mij niet. Mijn gedachte word verstoord door mijn moeder die roept dat ik moet komen eten. Het ruikt heerlijk. Snel ga ik naar beneden. ‘Lekker, pasta.’ Zeg ik terwijl het water me al in de mond loopt. Mijn moeder en ik schuiven aan. Toen ik 7 jaar was zijn mijn ouders gescheiden, de reden weet ik alleen niet. ‘Aanvallen.’ Zeg ik lachend. ‘Niet te snel, dat is niet goed voor je Tommy.’ Zegt ze lief. ‘Weet ik.’ Zeg ik net voordat ik een hap neem. Als ik vol zit zeg ik: ‘Dat was echt super lekker mam.’ Ze lacht. ‘Dank je.’ Zegt ze. Ik help met afwassen. Niet dat het pers moet, maar ik doe het gewoon om haar te helpen, ze moet al zo veel doen in het huishouden. ‘Was het gezellig buiten? Ik zag je met iemand anders lopen.’ Vraagt mijn moeder. ‘Ja, dat is onze nieuwe buurjongen, hij komt bij mij in de klas. Morgen is zijn eerste dag.’ Vertel ik. ‘Ok, gezellig. Dan heeft hij tenminste iemand die hij kent. Dat scheelt al heel veel.’ Zegt ze. ‘Dat is waar.’ Zeg ik. We maken er nog een gezellige avond van en ik ga vroeg naar bed.
De volgende ochtend gaat mijn wekker af. ‘Nou al… Ik lag net lekker te pitten.’ Zeg ik tegen mijn wekker. Ik sla het ding uit en ga me aankleden.
Als ik die ochtend op school kom zie ik Bill al staan voor zijn kluisje. Dat is toch Bill? Hij heeft nu alleen zijn haar omlaag. Ik weet het zeker, het is Bill. Hij lijkt zich niet echt op zijn gemak te voelen. Al snel zie ik waarom. Er staan een paar jongens allemaal dingen naar hem te roepen. Snel doet hij alles in zijn kluisje. Ik ga maar naar hem toe. ‘Trek je niets van hun aan, ze willen zo’n beetje iedereen het leven zuur maken.’ Zeg ik. Bill zucht. ‘Altijd moeten ze mij weer hebben. Ik word er echt gek van.’ Zegt hij en gooit zijn kluisje hard dicht. ‘In het begin zullen ze misschien pesten, maar dat waait vanzelf over. Dat had ik in het begin ook, alleen omdat ik er niet als een standaard persoon uitzie.’ Zeg ik. ‘Ok, dank je.’ Zegt hij. Ik ga naar mijn kluisje om daar mijn spullen te dumpen. Dan gaat de bel. ‘Waar is lokaal 148?’ Vraagt hij. ‘Loop maar met mij mee, we hebben toch hetzelfde rooster. Na een tijdje heb je wel onder de knie waar alles is.’ Zeg ik. Samen gaan we naar het lokaal. We hebben eerst les van onze mentor, hij geeft namelijk ook wiskunde. ‘Zoals jullie misschien al gemerkt hebben, hebben we een nieuwe leerling in de klas,’ Begint hij. ‘Oh nee, zeg alsjeblieft niet dat ik naar voren moet komen.’ Fluistert Bill zacht in zichzelf. Onze mentor kijkt zijn kant op. ‘Bill, wil je even naar voren komen en wat over jezelf vertellen?’ Vraagt hij. Even zie ik Bill’s gezicht betrekken, maar hij staat toch op. Wanneer hij voor de klas staat hoor ik van allerlei kanten gegrinnik, waarschijnlijk accepteren sommige mensen niet hoe hij eruit ziet. ‘Nou, ik ben Bill, en… ehm… Ik ben gisteren hierheen verhuisd…en…. Dat was het denk ik.’ Zegt hij. ‘Wil je niets vertellen over je broers of zussen ofzo die je hebt?’ Vraagt onze mentor. ‘Nou, ik weet niet of ik broers of zussen heb. Ik ben geadopteerd toen ik een maand was. In ieder geval ben ik wel enigs kind in het gezin waar ik nu bij woon. En eigenlijk wil ik het daar liever niet verder over hebben.’ Zegt hij. De laatste zin klinkt erg onzeker. ‘Ok, ga maar weer zitten, dan gaan we verder met de les.’ Zegt onze mentor. Bill gaat snel weer naast me zitten. Om ons heen word nog steeds een beetje gegniffeld. ‘Laat hem.’ Zeg ik gerriteerd naar achteren. De volgende les gaat ongeveer hetzelfde, alleen hoeft Bill zich niet meer voor te stellen. In de pauze blijf ik maar bij Bill, ik vind het zo zielig dat hij anders niemand heeft. ‘Het loopt niet echt soepel h.’ Zeg ik. Hij schudt van nee. ‘Kunnen we even naar buiten gaan?’ Vraagt hij. ‘Natuurlijk. Hoezo?’ Vraag ik. ‘Ik wil gewoon even niet dat die groep daar verderop me telkens staan na te roepen.’ Zegt hij. Ik begrijp hem wel en ga met hem naar buiten. Als we uit het zicht van de rest staan haalt Bill even diep adem. Ik weet zeker dat er meer met hem is. ‘Zit er iets dwars?’ Vraag ik. Hij haalt zijn schouders op en staart naar de neuzen van zijn schoenen. ‘Eigenlijk wel, maar ik wil jou er niet mee opzadelen. Het is mijn eigen probleem.’ Zegt hij. ‘Nee, nee, ik wil je best helpen hoor. Wat het ook is.’ Zeg ik. Hij zegt even niets. ‘Heeft het met de situatie bij jou thuis te maken?’ Vraag ik. Nog steeds zegt hij niets, maar ik zie zijn ogen glimmen. Hij knikt ja. ‘Weet je zeker dat je het niet kwijt wilt?’ Vraag ik nog eens. ‘In ieder geval niet hier.’ Zegt hij zacht. ‘Wil je vanmiddag dan met mij mee naar huis?’ Vraag ik. ‘Ik denk niet dat het mag.’ Zegt hij. Er rolt een traan over zijn wang. Ik veeg het voorzichtig weg. ‘Je kunt het op zijn minst vragen.’ Zeg ik. Hij knikt. Eindelijk kijkt hij weer omhoog. ‘Ik vind het echt fijn dat je het zo voor me opneemt.’ Zegt hij na een tijdje. Ik glimlach. ‘Het is een kleine moeite. Ik weet hoe vervelend het is.’ Zeg ik.
De uren kruipen traag voorbij. Na lang wachten gaat eindelijk de verlossende bel die verteld dat we klaar zijn voor vandaag. Bill belt naar huis om te vragen of hij vandaag met mij mee mag. Na een tijdje zie ik zijn gezicht een beetje betrekken en hij hangt op. ‘Mag het niet?’ Vraag ik. ‘Nee. Een andere keer zei hij.’ Zegt Bill. ‘Ok.’ Zeg ik. We stappen op onze fiets en gaan naar huis.

Bill’s pov:
Ik ren snel de tuin in. Ik hoop dat ik niet te laat ben. Maar helaas…Dat ben ik wel. Mijn pleegvader komt op me af en trekt me mee. ‘Au, dat doet pijn.’ Zeg ik jammerend. ‘Niet zo zeuren, jij hebt een hoop dingen te doen.’ Zegt hij en sleurt me mee naar binnen. Nog even kijk ik naar achteren, daar zie ik Tom staan. Misschien begrijpt hij nu waarom ik niet over mijn thuissituatie wil praten. Ik moet vandaag het hele huis schoon maken en opruimen. Dat gaat wel even duren. Ik zit op mijn knien op de vloer van de keuken te dweilen. Het gaat niet snel genoeg naar de zin van mijn stiefvader, als waarschuwing krijg ik een schop in mijn rug. Ik bijt op mijn onderlip om niets te zeggen en ga wat sneller verder. Als de vloer helemaal schoon is ga ik naar de woonkamer om te stofzuigen, daarna volgt de gang. Ik hoor dat mijn pleeg moeder thuis komt met de boodschappen. Ik ga verder met schoonmaken. ‘Je moet de vloer van de keuken weer schoonmaken.’ Zegt mijn stiefvader streng. ‘Maar die heb ik net-’ Begin ik. ‘Oja? Je hebt een stuk overgeslagen. Naar de keuken jij!’ Tatert mijn stiefvader in mijn oor. Als ik daar aankom staan er allemaal modderige voetstappen op de grond. Dit doen ze expres om mij aan het werk te houden! Boos boen ik de vloer nog eens. Dan ga ik naar boven om daar alles op te ruimen. Pas als ik zeker weet dat er geen stof of iets dergelijks meer ligt ga ik weer naar beneden. ‘Nu pas klaar?’ Zegt mijn vader. ‘Sorry.’ Zeg ik zacht. ‘Niets sorry. Zorg maar zelf dat je vanavond te eten krijgt.’ Zegt hij boos. Vervolgens word ik weer naar boven gestuurd. Fijn. Ik kom het huis niet uit, en krijg niets te eten. Gezellig hoor.
Ik ga snel aan mijn huiswerk. Doordat het vandaag mijn eerste dag op school was heb ik niet zo veel huiswerk. Gelukkig maar. Ik zet mijn raam wagenwijd open en kijk naar buiten. In de kamer naast me staat het raam ook open. Ik hoor dat er iemand gitaar speelt. Het klinkt zo mooi. Waarschijnlijk is die persoon vrij om te gaan en staan waar hij of zij wil. Ik krijg een misselijk gevoel. Waarom ben ik dan ook in zo’n rotgezin beland. Zachte snikken verlaten mijn mond. Het gitaarspel houd op, en even later komt Tom’s hoofd uit het raam. ‘Bill? Gaat het met je?’ Vraagt hij bezorgt. Ik schud van nee. ‘Wat is er aan de hand?’ Vraagt hij. ‘Kan ik niet zeggen.’ Zeg ik. ‘Echt niet?’ Vraagt hij. ‘Dat zullen ze vast horen.’ Zeg ik. ‘Oh… Ik vind het echt vervelend voor je.’ Zegt Tom. ‘Trek je er maar niets van aan. Waarschijnlijk stel ik me gewoon weer aan.’ Zeg ik met een zucht. Tom weet even geen antwoord te geven. Ik hoor mijn pleegvader de trap op komen. ‘Moet gaan.’ Zeg ik en ga snel weer helemaal naar binnen, zo snel als ik kan veeg ik mijn tranen weg. Net op tijd, want mijn pleegvader staat in de deuropening. Hij kijkt me aan met een kwade blik. Waarschijnlijk heeft hij net onenigheid gehad met zijn vrouw, en komt hij dat nu op mij afreageren. Bang kruip ik in een hoekje van de kamer terwijl hij dreigend op me af komt. Ik kan niet meer verder, ik zit klem tegen de muur. Hij haalt hard uit tegen mijn hoofd. Ik kan een “au” niet onderdrukken. Daardoor volgt er een harde trap in mijn maag waardoor ik even moeilijk naar adem hap. Hij slaat en schopt me meerdere keren. Ik kan de pijnkreten niet onderdrukken, en dat is weer een nieuwe reden voor hem om verder te gaan. Het gaat tot bloedens toe.
Na een hele tijd houdt het pas op en zit in huilend ineengedoken in mijn kamer. Nog een laatste harde mep tegen mijn kaak volgt, dan stapt hij mijn kamer uit. Ik volg elke beweging die hij maakt, maar doe niets anders dan stilletjes huilen. Ik heb mijn armen om mijn middel geslagen, het doet zo’n pijn. Ik ren zo snel ik kan naar de wc en moet kotsen. Fijn zo’n pleegvader. Als ik klaar ben trek ik door en spoel ik mijn mond. Ik wrijf over de plek waar hij me net heeft geraakt op mijn kaak. ‘Aauw…’ Zegt ik zacht. Wat zullen ze morgen op school wel niet denken als ik met een blauw oog en een dikke kaak aan kom. Ik wil er niet eens aan denken en kruip gelijk maar mijn bed in. Zelfs dat doet pijn. En ik heb zo’n honger. Na een tijdje wint de vermoeidheid het en val ik in slaap.

Tom’s pov:
Ik hoorde dat Bill daarnet veel pijn had. Ik heb al zo’n vermoede wat er is gebeurt, maar hij wil het er niet over hebben. Als ik naar buiten kijk zie ik dat zijn raam nog open staat. Zal ik… Misschien heeft hij hulp nodig. Voorzichtig ga ik op het smalle randje staan en ga naar zijn raam toe. Als ik naar binnen stap zie ik dat Bill op bed ligt. Ik bekijk hoe hij slaapt. Hij heeft een blauw oog, en het ziet er naar uit dat het niet goed gaat met zijn kaak. Voorzichtig wrijf ik zijn haar uit zijn gezicht. Hij schrikt wakker. ‘Ik… Sorry… Tom?’ Zegt hij verbaast. ‘Hoe kom jij hier binnen?’ ‘Door het raam, dat had je open laten staan. Ik maakte me zorgen om je.’ Zeg ik. ‘Oh…Je hebt het daarnet zeker gehoord.’ Zegt hij voorzichtig. Ik knik. Hij kruipt uit zijn bed en doet een lamp aan omdat het al schemert. Nu pas zie ik dat zijn armen ook helemaal onder de schrammen zitten. Hij gaat weer op bed zitten en slaat zijn armen om zijn middel. Ik kom naast hem zitten. ‘Je moet hier echt iets aan gaan doen. Dit mag niet gebeuren.’ Zeg ik en leg een hand op zijn schouder. ‘Wil je je hand daar weghalen. Het doet pijn.’ Zegt hij kreunend. Geschrokken trek ik mijn hand weg. ‘Ik weet ook wel dat het niet klopt. En ik wil hier ook weg. Maar ik weet niet waarheen. Ik ken mijn familie niet.’ Zegt hij zacht. ‘Wat mij betreft trek je bij ons in. Ik weet zeker dat mijn moeder het niet erg vind.’ Zeg ik. Hij zucht. ‘Dat laten ze vast niet toe. Ik zit hieraan vast tot mijn 18e.’ Zegt hij droevig. ‘Maar dit is kindermishandeling. Daar kunnen ze niet tegenop. Ze doen tegen de wet. Geef ze aan.’ Zeg ik. ‘Hoe?’ Zegt Bill hopeloos. ‘Bij de politie ofzo.’ Zeg ik. ‘Die geloven er vast niets van.’ Zegt hij. ‘Ze moeten je wel geloven. En trouwens, kijk hoe je eruit ziet, dat kan toch niet. Dat moet ophouden.’ Zeg ik. ‘Je hebt gelijk.’ Zegt Bill. ‘Ga nu in ieder geval maar goed slapen, dan zien we morgen wel verder.’ Zeg ik. Hij knikt. Ik stap door het raam heen en ga weer naar mijn eigen kamer. ‘Welterusten Bill.’ Zeg ik. ‘Slaap lekker.’ Zegt hij.
Als ik binnen ben komt mijn moeder net mijn kamer in. ‘Wat was jij nou gaan doen?’ Vraagt ze. ‘Ik ging even bij Bill langs. Ik maak me zorgen om hem.’ Zeg ik. ‘Oh. Wat is er aan de hand dan?’ Vraagt ze. ‘Ik weet niet of ik dat mag vertellen van hem.’ Zeg ik. ‘Aan je gezicht te zien is het nogal erg. Vertel maar, je weet dat ik het niet zou doorvertellen.’ Zegt ze lief. ‘Ok, het zit zo.’ Begin ik. Ik vertel wat er op school was gebeurd, wat ik net had gehoord, wat ik net had gezien hoe Bill eruit zag, en wat hij zei. ‘Wat erg. Daar moeten we echt iets tegen doen. En als hij wil, kan hij hier altijd terecht.’ Zegt ze. ‘Dank je mam, ik zal het hem morgen gelijk zeggen.’ Zeg ik tegen haar en geef haar een knuffel. ‘Maar ik ga nu naar bed, morgen moet ik alweer vroeg opstaan.’ Zeg ik. ‘Ok, slaap lekker lieverd.’ Zegt ze. Ik geef haar een kus en ga naar boven.
Als ik eenmaal in bed lig slaap ik al snel.
Net zo snel als ik in slaap ben gevallen gaat mijn wekker weer af. ‘Nou al.’ Zeg ik slaperig tegen mezelf. Ik hijs mezelf in mijn kleren en maak me klaar om weg te gaan.

Bill’s pov:
Ik ben al een hele tijd wakker. Ik voel me echt niet goed, en ben misselijk. Ik ga toch maar naar school, dat is altijd beter dan thuis blijven. Kun je nagaan hoe vreselijk ik het hier vind. Alsof al die blauwe plekken en het misselijke gevoel nog niet erg genoeg is komt mijn pleeg vader mijn kamer binnen. ‘Uit bed jij! En maak dat je snel naar school komt!’ Roept hij. Een beetje wankelend ga ik naar de badkamer om me om te kleden. In de badkamer loop ik bijna tegen een muur op. Dit gaat echt niet goed, maar ik blijf absoluut niet thuis. Ik kleed me vlug aan. Zoals ik al verwacht had krijg ik weer eens niets te eten omdat ik niet genoeg opschiet. Gelijk word ik het huis uit geduwd. Dat gaat lekker. Ik wankel naar mijn fiets toe. Man, het lijkt wel alsof ik dronken ben zo raar loop ik. Ik zie dat Tom ook de tuin in komt. Ik ga het poortje door en wacht op hem. ‘Gaat het wel met je? Je loopt nogal… Raar.’ Zegt hij. ‘Nee, het gaat helemaal niet, maar ik ga dus echt niet thuis blijven.’ Zeg ik. ‘Dat snap ik. Je kunt ook bij ons thuis blijven, dat vind mijn ma prima.’ Zegt Tom. ‘Dat is erg aardig, ik meen het, maar dat vinden die pleegouders van me niet goed.’ Zeg ik. Ik voel dat mijn band zacht is en wil bukken om te voelen of het erg zacht is. Ineens voel ik braakneigingen opkomen. Zo snel als ik kan ren ik naar de eerste de beste bosjes en leeg mijn hele maaginhoud, voor zover ik die nog had, gezien ik gisteravond en vanochtend niet gegeten heb. ‘Je bent echt ziek. Kom mee, ik vraag anders wel of mijn moeder voor je wilt zorgen.’ Zegt Tom. Ik moet wel ja zeggen, ik kan niet anders. Ik ga met hem mee naar binnen. ‘Oh, arme schat, wat is er met je gebeurd?’ Vraagt Tom’s moeder als ze me ziet. ‘Niets ergs, ben gewoon een beetje misselijk.’ Zeg ik. ‘Bill! Je kunt niet eens normaal op je eigen benen blijven staan.’ Zegt Tom. ‘Ik kan het prima.’ Zeg ik. Tom laat me los en ik zak al bijna gelijk in elkaar. ‘Ok, misschien ook niet.’ Zeg ik. ‘Weten je ouders hiervan?’ Vraagt ze. ‘Nee, en al weten ze het wel, die geven er toch niets om.’ Zeg ik zacht. ‘Ik bel je wel af voor school, ik vind het echt niet kunnen als je zo naar school gaat.’ Zegt ze. ‘Zeker weten?’ Vraag ik. ‘Natuurlijk.’ Zegt ze, en belt gelijk naar school. Als Tom’s moeder de kamer uit is gaan Tom en ik even op de bank zitten. ‘Geloof me, bij haar ben je echt in goede handen. Ze is echt super lief.’ Zegt Tom. Ik glimlach een beetje. ‘Ok, jij hebt er ervaring mee. Ik zou je wel moeten geloven, h.’ Zeg ik lachend. Tom krijgt ook een lach op zijn gezicht.
Niet veel later komt Tom’s moeder weer terug. ‘Je mag thuis blijven, en ik heb gevraagd of Tom dat ook mag, maar sorry, dat gaat niet.’ Zegt ze. ‘Ok.’ Zeggen we in koor. ‘Nou, dan ga ik wel in mijn uppie naar school.’ Zegt Tom. Hij zegt ons beiden gedag en vertrekt dan.
‘Wil je wat slapen?’ Vraagt Tom’s moeder. Ik knik. Ze helpt me de trap op te komen naar de logeerkamer. Daar maakt ze het bed op. ‘Slaap maar goed uit, je hebt het nodig.’ Zegt ze. ‘Bedankt voor de hulp.’ Zeg ik nog eens. ‘Graag gedaan.’ Zegt ze en doet de deur op een kiertje. Het bed is lekker zacht. Ik kijk de kamer rond, veel tijd heb ik er niet voor, want ik val al snel in slaap.

Tom’s pov:
Ik maak me echt zorgen om Bill. Wat als er iets ergs met hem aan de hand is? En hij moet vanavond of vanmiddag alweer naar huis. Daar hebben ze waarschijnlijk niet veel goeds voor hem in petto. Ik probeer me zo goed mogelijk op de lessen te concentreren, maar het lukt niet. Telkens dwalen mijn gedachten af naar Bill. Telkens stel ik me voor wat er gebeurt als hij naar huis moet. Na een veel te lange tijd is het pauze, en dat betekend dat ik over de helft van mijn dag zit. Na de pauze is mijn concentratie er niet beter op. Maar ik weet zeker dat Bill het goed heeft bij mij thuis. Nog een paar lessen. Eindelijk gaat de verlossende bel. Iedereen springt gelijk op, en ik doe met ze mee. Zo snel mogelijk ga ik naar mijn kluisje en gooi alle spullen die ik nodig heb in mijn tas, en de onnodige uit mijn tas. Ik ren nog net niet naar mijn fiets toe, maar die neiging heb ik wel. Als ik op de fiets zit ga ik zo snel mogelijk naar huis.
Daar aangekomen zie ik dat mijn moeder beneden zit. ‘Hoe gaat het met hem?’ Vraag ik. ‘Beter. Maar nu slaapt hij, dus je moet boven een beetje stil zijn. Tussendoor is hij wakker geweest. Hij heeft verteld wat er is gebeurt, en hij heeft ook wat gegeten en gedronken. Dat had hij gisteravond en vanochtend namelijk niet gedaan.’ Vertelt ze. ‘Ok, waar slaapt hij?’ Vraag ik. ‘In de logeerkamer.’ Zegt ze. Ik ga zachtjes naar boven. Als ik mijn tas in mijn kamer heb gelegd ga ik naar de logeerkamer. En inderdaad, daar ligt hij. Hij slaapt rustig, dus ik laat hem maar gaan. Na een tijdje vertederd naar hem hebben zitten kijken besluit ik dat het tijd word om mijn huiswerk te gaan maken. Ik ga naar mijn eigen kamer en maak snel alles wat ik voor morgen moet doen. Uit de kamer tegenover de mijne hoor ik gerommel komen, dat betekend dat hij wakker is. Ik ga weer naar hem toe. Bill wrijft in zijn ogen. ‘Hey Bill, hoe voel je je?’ Vraag ik. ‘Veel beter dan vanmorgen.’ Zegt hij. ‘Gelukkig maar. Ik maakte me echt zorgen.’ Zeg ik. ‘Dat is toch niet nodig?’ Zegt hij met een glimlach. ‘Jij vindt wel meer niet nodig.’ Zeg ik. ‘Grappig hoor. En hoe is het met jou?’ Vraagt hij. ‘Met mij goed hoor. Waarom vraag je dat?’ Vraag ik. ‘Nou, omdat het anders alleen over mij gaat. En dat vind ik eigenlijk ook weer niet nodig.’ Zegt Bill. We kunnen er allebei om lachen. ‘Hebben we veel huiswerk voor morgen?’ Vraagt Bill. ‘Valt mee. Als je wilt kun je het hier maken, dan heb je geen last van je pleegouders.’ Zegt Tom. ‘Oh shit, vergeten. Als ik niet om de normale tijd thuis ben zwaait er wat.’ Zegt Bill geschrokken. Ojee, dan word hij vast weer geslagen, dat wil ik niet. ‘Wanneer wil je hier iets tegen gaan doen?’ Vraag ik. ‘Ik weet niet. Maar voorlopig moet ik nog weten te camoufleren dat ik vandaag niet naar school ben geweest.’ Zegt Bill een beetje bang. ‘Moet ik met je mee gaan?’ Vraag ik. ‘Als je wilt zien hoe ik in elkaar gemept word… Dat kan hun niets schelen wie er allemaal bij staan.’ Zegt Bill. ‘Ik ga gewoon met jou mee. Dan zeggen we dat ik jou ga helpen met je huiswerk.’ Zeg ik. ‘Ok.’ Zegt Bill. Hij fatsoeneert zijn haar weer een beetje en gaat naar beneden. Daar legt hij aan mijn moeder uit wat we gaan doen. Ze zegt dat het ok is, en drukt hem op het hart om als er iets is hierheen te komen. Hij zegt dat het goed is en we gaan naar zijn huis.

Bill’s pov:
Als ik voor de deur sta, sta ik te trillen als een rietje. Wat zullen ze doen? Ik ben echt bang geworden van mijn pleegvader. Gisteren sloeg hij echt door. Voorzichtig maak ik de deur open. Gelijk word er geroepen. ‘Bill! Waar bleef je nou!’ Buldert mijn pleegvader. Hij komt de gang in. Bang kruip ik in een hoekje, maar het is al te laat. Hij trekt me mee aan mijn haren. Laat dit asjeblieft snel over zijn. ‘Waar was je zolang?’ Buldert mijn pleegvader in mijn oor. ‘Ik… ik was op school.’ Zeg ik. ‘Je bent een kwartier te laat, en je weet wat dat betekend.’ Zegt hij dreigend. Nee…niet weer. Maar het gebeurt al. Mijn pleegvader slaat en schopt me hard. Tom staat geschrokken toe te kijken, hij weet niet wat hem overkomt. Maar daar trekt mijn pleegvader zich niets van aan. Hij laat Tom voor wat hij is, gelukkig. Mij slaat en schopt hij totdat ik weer in dezelfde status verkeer als gisteravond, misschien wel erger. Tranen stromen over mijn wangen wat hem nog woedender maakt. Het lijkt niet op te houden. Uiteindelijk heeft hij er genoeg van en loopt weg. Ik blijf nog even liggen, het liefste zou ik nu door de grond zakken. Tom komt naar me toe. Ik krabbel overeind en we gaan naar mijn kamer. Het is nog een wonder dat ik niets gebroken heb, maar zo voelt het wel. Als we in mijn kamer zijn doe ik de deur dicht. Tom slaat zijn armen om me heen en ik kan het niet laten om even bij hem uit te huilen. Het klinkt misschien nogal kinderachtig, maar dat maakt me nu even helemaal niets uit. ‘Waar heb je erge last van?’ Vraagt Tom. ‘Mijn oog en kaak, nog steeds. Het ging net wat beter, maar hij raakte het weer een paar keer en het doet heel erg pijn.’ Zeg ik in zijn t-shirt. ‘Laat me eens kijken.’ Vraagt Tom. Hij bestudeert het even. ‘Heb je hier ijs ofzo, dat helpt meestal.’ Zegt hij. ‘Heb ik niet.’ Zeg ik. ‘Kom, we gaan hier weg, we schieten er weinig mee op als je hier alleen maar nog meer in elkaar geslagen word.’ Zegt Tom. Ik knik en ga met hem als ondersteuning de trap af. Mijn pleegvader kijkt me woedend aan. Ik word er weer bang van, maar Tom neemt me mee naar zijn huis. Daar is het veilig. ‘Mam, we zijn er weer.’ Zegt Tom. ‘Ojee, nu al?’ Zegt zijn moeder. Ze komt meteen de kamer in. ‘Hebben we toevallig ijs liggen voor Bill’s kaak?’ Vraagt Tom. Ik voel me nu echt zo machteloos. Ik kan niets anders doen dan hun beiden bedanken. Snel haalt zijn moeder wat ijs en geeft het aan mij. Ik leg het tegen mijn kaak. Au, dat doet pijn, even doorbijten Bill, anders word het alleen maar erger. Tom en ik zitten zwijgend naast elkaar op de bank. Het lijkt erop dat Tom’s moeder ergens diep in gedachten zit. Tom merkt het ook. ‘Mam, wat is er? Waar denk je aan?’ Vraagt hij. Ik zie dat ze even niet weet wat ze moet antwoorden op deze vraag. ‘Ik…Nou… Ik moet jullie beiden iets vertellen.’ Zegt ze. Ze haalt even diep adem. ‘Julle… Nou, het zit zo… Jullie zijn broers.’ Zegt ze. ‘Wat!’ Zegt Tom. Mijn mond valt er ook van open. ‘Maar hoe kan dat? Ik bedoel… Huh?’ Tom weet even niets meer te zeggen. ‘Ik kan het nog leuker voor jullie maken, jullie zijn een tweeling.’ Zegt ze. ‘Grapje zeker?’ Vraag ik. Ze schudt van nee. Niet te geloven. ‘Toen jullie waren geboren konden jullie vader en ik het niet aan om voor jullie beiden te zorgen. Het valt niet mee, twee kinderen tegelijk. Er was een gezin die Bill wilde adopteren, en met veel pijn in ons hart hebben we dat toch gedaan. Jullie vader en ik kregen daar na een tijdje heel verschillende meningen over zegmaar. Hij vond dat het beter was zo, ik vond dat het eigenlijk niet kon en wilde Bill terug, maar het ging niet meer. Het was al te laat, en dat was de domste fout die ik ooit gemaakt heb. Uiteindelijk zijn wij dus ook uit elkaar gegaan, en zijn jullie apart opgegroeid zonder te weten dat je nog een broer hebt. Per toeval leerden jullie elkaar kennen.’ Zegt ze. Ik zie tranen in haar ogen staan. Nog steeds kan ik het amper geloven. En Tom zo te zien ook niet. Ik ben de eerste die wat zegt. ‘Maar als we nu de kinderbescherming inschakelen, is er kans dat ik bij het adoptie gezin weg moet toch?’ Vraag ik. Ze knikt. ‘Kan het dan niet zo zijn dat ik weer hiernaartoe moet?’ Vraag ik. ‘Dat kan, als jij het wilt, en als wij toestemming geven, wat we natuurlijk zullen doen voor je.’ Zegt ze. ‘Waar wachten we dan nog op.’ Zegt Tom

*Een maand later*
Ik woon nu weer bij mijn echte moeder en Tom. Op school gaat het ook beter. Ik ben echt super blij dat ik toen tegen Tom was opgelopen, wat ben ik hem daar dankbaar voor. De blauwe plekken zijn weggetrokken, en met mijn kaak gaat het ook weer goed. Ik heb het heel erg naar mijn zin hier. Eindelijk is er een lichtpuntje in mijn leven gekomen, en hij heet Tom.

Vrienden of vijanden?

Vrienden of vijanden?

Bill’s pov:
Het is weer ochtend en alweer probeer ik Tom zo veel mogelijk te ontlopen. Jammer alleen dat we wel samen eten. Ik dek snel de tafel. Wat zou Tom willen eten? Ik vraag het hem, hij is toch al wakker. ‘Tom, wat wil je eten?’ Roep ik naar boven. ‘Doe maar gewoon een boterham.’ Roept hij terug. ‘Hoeveel?’ Vraag ik. ‘Twee.’ Zegt hij. Ik haal de boterhammen uit de vriezer. Zo, klaar. Als hij naar beneden komt is hij nog een beetje slaperig. ‘Lekker geslapen?’ Vraag ik. ‘Niet echt nee.’ Zegt hij chagrijnig. Ojee, dat is niet goed. We gaan aan tafel zitten. Er hangt een gespannen sfeer tussen ons. Als we klaar zijn kijkt hij me strak aan. Wat is er met hem aan de hand? Ik vind dit echt irritant. Nu weet ik niet zo goed wat ik moet doen. Om maar te ontsnappen aan de stilte breng ik de borden weg. Als ik wegloop weet ik dat hij nog steeds elke beweging die ik maak precies volgt totdat ik uit het zicht ben. ‘Ik ga me aankleden.’ Roep ik naar hem vanuit de keuken. ‘Ok.’ Zegt hij een beetje verveelt. Man, wat is er met die jongen aan de hand? Dit heeft hij de laatste tijd wel vaker. Maar dan erger. Het lijkt alsof hij boos op me is, maar ik heb echt geen idee waarom. Snel kleed ik me om. Ik ben nog in de badkamer bezig als er op de deur geklopt word. ‘Kan je een beetje opschieten? Ik wil me vandaag ook nog omkleden.’ Zegt hij. Ik schiet een beetje op met mijn haar. ‘Bill! Kom op, blijf je daar de hele dag zitten!’ Roept hij na een tijdje weer. ‘Ben al klaar.’ Zeg ik als ik de deur open doe. ‘Werd tijd.’ Zegt hij en doet de deur hard achter zich dicht. Ik zucht. Dat ging net goed. Brr… Gisteren had hij me mooi een paar klappen verkocht, en Tom kan flink meppen, neem dat maar van mij aan. Ik ga naar mijn kamer. Daar doe ik maar de deur dicht. Ik hoor dat Tom klaar is in de badkamer en naar de kamer naast de mijne gaat. Ik tik met mijn vingers op mijn bureau. Ineens heb ik een idee voor een tekst. Ik ga op zoek naar een pen en papier. De pen vind ik, maar papier alleen niet. Ik ga naar Tom’s kamer en klop op de deur. Hij doet open. ‘Wat is er?’ Vraagt hij. Zijn humeur lijkt nu beter als daarnet. ‘Heb jij misschien papier? Ik heb het niet meer, en ik wil een tekst opschrijven.’ Zeg ik. Hij doet de deur verder open zodat ik naar binnen kan. Hij haalt een heel collegeblok uit zijn bureaulade en geeft het aan mij. ‘Genoeg zo?’ Vraagt hij met een glimlach. Ik knik. ‘Tom?’ Vraag ik voorzichtig. ‘Ja? Wat is er?’ Vraagt hij. ‘Nou… Is er iets aan de hand?’ Zeg ik. Ik hoop dat hij het niet verkeert op gaat vatten. ‘Hoezo?’ Vraagt hij. Ik slik even. ‘Nou, omdat je soms een beetje opvliegend bent. Dus ik dacht, misschien is er iets aan de hand.’ Zeg ik zacht. Hij kijk me aan met een blik die ik liever niet zie. ‘Er is niets waar jij je druk om moet maken Bill.’ Zegt hij op een zachte, maar toch een beetje dreigende manier. ‘Zeker weten?’ Vraag ik. Shit, ik ben te ver gegaan. Hij knapt van binnen. ‘Ja, zeker weten.’ Zegt hij gerriteerd. ‘En nu wegwezen. Ik wil even alleen zijn.’ Zegt hij. Hij pakt me hard beet bij mijn schouders en duwt me de gang op. Gelijk word de deur achter me dichtgesmeten. Ik slof naar mijn kamer en ga in een eenzaam hoekje zitten.
Vroeger was alles anders. Toen konden we goed met elkaar overweg, maar nu is Tom steeds opvliegender aan het worden. Het lijkt wel alsof ik zijn slaafje ben. Hij kan alles doen wat hij wil, hij weet dat ik de blauwe plekken en schrammen voor de anderen verberg. Ik voel hoe de tranen achter mijn ogen prikken.
Er wordt aangebeld. ‘Bill, doe jij even open.’ Zegt Tom. ‘Waarom? Kan je het zelf niet? Ze komen voor jou.’ Zeg ik met een piepstemmetje. ‘Doe het nou maar.’ Zegt Tom boos. Ik sta op en ga naar beneden. Als ik de deur open doe staan Gustav en Georg voor mijn neus. ‘Hey jongens.’ Zeg ik met een nep-lach. ‘Hoi Bill. Komt Tom er zo aan?’ Vraagt Georg. ‘Ja, hij was even boven bezig, maar hij komt zo.’ Zeg ik. Ze gaan vast naar de woonkamer terwijl ik Tom ga halen. ‘Ze zijn er.’ Zeg ik. ‘Ok. Blijf jij hier?’ Vraagt hij. ‘Ik wil ook wel -’ Begin ik, maar Tom kapt mij af. ‘Jij blijft hier.’ Zegt hij boos. Ik knik ja en staar naar de grond. ‘Mooi zo.’ Zegt hij en gaat naar beneden. Fijn, en wat moet ik hier dan doen? Ik ga maar weer terug naar mijn kamer. Daarnet had ik een idee voor een tekst, maar die is nu al weer weg.

Tom’s pov:
Ik weet dat het slecht is wat ik met mijn broertje doe. Maar soms dan …. Ik weet het niet, ik kan het niet beschrijven. In ieder geval komt het nu niet van pas als hij mee gaat naar beneden. Ik ga zelf wel. Als ik beneden kom begroet ik Gustav en Georg. ‘Waar blijft Bill eigenlijk?’ Vraagt Gustav na een tijdje. ‘Oh, die wilde boven blijven.’ Zeg ik lachend. ‘Echt? Dat vind ik niets voor hem.’ Zegt Gustav. Ik haal mijn schouders op. ‘Zal ik hem dan maar gaan halen voor jullie.’ Zeg ik en sta op. Hij zit denk ik weer in zijn kamer.

Bill’s pov:
De deur wordt open gedaan. Geschrokken kijk ik wie het is, en zoals ik al een beetje verwacht had is het Tom. ‘Wat is er?’ Vraag ik met een piepstemmetje. ‘Kom je naar beneden?’ Vraagt hij. ‘Maar, daarnet mocht ik niet.’ Zeg ik niet begrijpend. Tom trekt me overeind. ‘En nu wel.’ Zegt hij. ‘En als ik niet mee wil?’ Zeg ik en sla mijn armen over elkaar. ‘Je zou toch mee moeten. Kom mee.’ Zegt hij. ‘Ik wil niet.’ Zeg ik zacht. In een ruk draait hij me om. ‘Jij gaat nu even mee, of je het nou wilt of niet, daarna kan je weer naar boven verdwijnen als je daar behoefte aan hebt.’ Zegt hij. Ik krijg een rilling over mijn rug. ‘En nu lopen.’ Zegt hij commanderend. ‘Maar..’ Dat was een maar te veel. Ik krijg een klap in mijn gezicht en hij duwt me vooruit. Het gaat lekker zo. Met tegenzin loop ik de trap af met Tom op mijn hielen. ‘Hoi.’ Zeg ik als ik de kamer in kom. Het zal vast niet erg geloofwaardig zijn, maar ik heb even andere dingen aan mijn hoofd, zoals de persoon die nu achter me staat. Tom duwt me zacht op de bank, nu moet hij natuurlijk rustig aan doen, want Gustav en Georg zijn erbij. Hij komt naast me zitten.
Ik blijf beneden totdat ze een horrorfilm opzetten. Ik houd daar niet van. ‘Ik ga naar boven ok?’ Vraag ik aan Tom. ‘Ok, tot zo dan.’ Zegt hij. Snel loop ik de kamer uit en ga weer terug naar boven. Ik vind het hier helemaal niet fijn op deze manier. Stilletjes zit ik op mijn bed. Ik weet niet waarom, maar als ik ergens anders had gezeten, dan had ik waarschijnlijk over hetzelfde nagedacht. Maar dit zit lekkerder. Ik let nauw op de tijd. Na een half uurtje ga ik voor iedereen wat drinken inschenken en wat snacks voor ze pakken. Dat gaat altijd zo. Anders “missen ze een stuk van de film”. Ze kunnen het toch op pauze zetten? Dat heb ik Tom dus al eerder duidelijk willen maken, maar dat beviel hem niet zo goed.
Ik ga met de glazen en schaal naar de woonkamer. Gustav en Georg bedanken me. Van Tom krijg ik alleen een knikje dat ik weer uit beeld moet verdwijnen. Lekker dankbaar.
Als de film afgelopen is, en ik weer beneden ben vraagt Tom of ik alles even kan opruimen. Ik wil wat zeggen, maar besluit het maar niet te doen. Gustav en Georg kijken me een beetje raar na omdat ik alles doe wat Tom zegt. Misschien gaat het kwartje ooit eens bij ze vallen. En misschien niet.
Ik spoel de glazen om en zet ze weer in de kast. Er staan ook nog een paar flesjes op tafel. ‘Moeten we even helpen?’ Vraagt Georg. ‘Hoeft niet.’ Zegt Tom. ‘Ik vroeg het aan Bill, je laat hem alles doen.’ Zegt hij. ‘Het hoeft niet, maar toch aardig dat je het vraagt.’ Zeg ik en loop weer weg met een paar flessen. Ik voel hoe Tom’s ogen in mijn rug prikken, daardoor loop ik nog een beetje door. ‘Blijven jullie vanavond eten?’ Roep ik vanuit de keuken. Er word even overlegt onder elkaar. ‘Is goed.’ Wordt er uiteindelijk geroepen. ‘En wat willen jullie dan dat er op het menu komt te staan?’ Vraag ik. ‘Die vraag is toch al niet meer nodig.’ Lacht Georg. ‘Dat is duidelijk. Allemaal pizza?’ Vraag ik. Ik krijg drie keer een ja. Dan word het nu tijd om ze maar eens te gaan maken. Vanavond maak ik ze zelf, met alles erop en eraan. Ondertussen weet ik wat iedereen wel en niet lekker vind, dus dat is geen probleem.
Na een tijdje komt Gustav de keuken in. Tom en Georg zijn in de woonkamer nog druk bezig. ‘Weet je zeker dat we niet moeten helpen? Je moet nu namelijk alles tegelijk doen.’ Zegt hij. ‘Hoeft niet hoor. Oja, ik moet de tafel nog dekken. Doei.’ Zeg ik en race heen en weer om de tafel te dekken voordat de pizza’s klaar zijn. Wonder boven wonder lukt dat ook nog. ‘Zie je? Al klaar.’ Zeg ik. ‘Heb je zin om zo een eindje te lopen?’ Vraagt hij. ‘Ik weet niet of Tom nog plannen heeft voor straks.’ Zeg ik een beetje twijfelend. ‘Hij redt het ook wel even voor een minuutje zonder jou.’ Zegt Gustav lachend. ‘Dat weet ik niet. Maar ik zal wel vragen wat hij ervan vindt, maar ik heb wel zin, ja.’ Zeg ik. Het kookwekkertje gaat af, wat betekend dat de pizza’s klaar zijn.
Niet veel later zitten we met zijn vieren aan tafel te smullen van de pizza. Ik krijg allemaal complimentjes omdat ik het zo goed gedaan hebt. Zelfs Tom is er positief over, maar dat komt waarschijnlijk ook doordat hij in zijn rol moet blijven als broer die niet zonder zijn broertje kan. ‘Ruim jij even af?’ Vraagt Tom als we klaar zijn. Ik wil net beginnen met afruimen als Gustav ons onderbreekt. ‘Is het goed als ik even met Bill ga wandelen. Jullie redden het toch wel even met zijn tween? Zo moeilijk is het niet om af te wassen.’ Zegt hij. Ik kijk naar Tom. ‘Ok, ga maar.’ Zegt hij. Snel trek ik mijn schoenen aan en we gaan naar buiten. ‘Wat is er tussen jou en Tom? Het is zo’n gespannen situatie.’ Zegt Gustav na een tijdje. ‘Hoe bedoel je? Het gaat prima hoor.’ Zeg ik. ‘Daar geloof ik eerlijk gezegd weinig van. Jij doet alles wat je gezegd word, en Tom zit alleen maar toe te kijken. Ik zie wel hoe jij soms op hem reageert, alleen in het begin zocht ik er nog niets achter.’ Zegt Gustav. ‘Oh… Maar die afwas moet toch ook gebeuren?’ Vraag ik. ‘Ja, maar telkens als wij bij jullie langs komen bijvoorbeeld, dan ben jij druk bezig met andere dingen die Tom zegt dat jij ze moet doen. En zelf doet hij niets. En dat merk ik ook een beetje als we op tour zijn, maar dan weet hij het beter te verbergen.’ Zegt hij. Ik knik. ‘Dus nu is mijn vraag nog steeds; Wat is er met jullie aan de hand.’ Zegt hij. Ik zucht even. ‘Ik zou het niet weten.’ Zeg ik. Ik kan toch moeilijk gaan vertellen hoe Tom normaal gesproken is? Maar het is duidelijk dat Gustav dat wel uit me probeert te krijgen. ‘Zeg het nou. Tom is er hier niet bij. Er is hier niemand behalve jij en ik. Je kunt het gerust zeggen.’ Zegt Gustav. Ik schud van nee. Ik voel weer hoe de tranen achter mijn ogen prikken. Wat haat ik die tweestrijd. Maar als ik het zeg, dan krijg ik zeker weten problemen met Tom, en dat wil ik niet. Ik ga even zitten. ‘Ik weet zeker, dat wanneer ik het zeg, dat ik problemen krijg. Maar aan de andere kan wil ik het heel graag kwijt.’ Zeg ik. ‘Het is jouw keuze.’ Zegt Gustav. ‘Ik kan natuurlijk niet raden wat er in het hoofd van Tom rondgaat, maar ik kan je wel vertellen wat er gebeurt als er niemand bij is.’ Besluit ik uiteindelijk. ‘Ok, vertel maar.’ Zegt Gustav. ‘Het is inderdaad zo wat jij zegt. Tom loopt me altijd te commanderen omdat ik zijn kleine broertje ben. Op zich is dat niet zo heel erg, maar als ik een keer iets niet doe, dan krijg ik klappen. Toen jullie hier kwamen wilde ik natuurlijk wel heel graag naar beneden, maar ik mocht niet van Tom. Tom bepaalt wat ik doen en laten moet. En natuurlijk vind ik dat vervelend, maar zodra ik er iets over zeg word hij boos, en dan heb je de poppen aan het dansen.’ Zeg ik. Een traan rolt over mijn wang. ‘Gebeurt het vaak dat hij slaat?’ Vraagt Gustav. ‘Als er niemand bij is wel. Het heeft verschillende redenen. Als ik tegen hem in ga bijvoorbeeld, of als hij even zijn dag niet heeft. Dan reageert hij het voor het gemak op mij af.’ Zeg ik zacht. ‘En als er wel anderen bij zijn?’ Vraagt hij. ‘Dan doet hij niets. Maar het is wel altijd heel erg gespannen tussen ons. Als ik straks iets fout doe waar jullie bij zijn, dan krijg ik het te horen wanneer jullie weg zijn.’ Zeg ik. Gustav snapt wat ik bedoel en luistert goed, dat vind ik wel prettig. Hij denkt even na. ‘Speelt dit al lang?’ Vraagt hij. ‘Misschien een jaartje ofzo. Misschien meer, misschien minder.’ Zeg ik. ‘Aha… Ik snap wel waarom je hem af en toe probeerde te ontlopen.’ Zegt Gustav. ‘Had je dat door? Oh shit.’ Zeg ik zacht. We blijven even zitten. ‘Zullen we maar weer naar huis gaan?’ Stel ik voor. ‘Is goed.’ Zegt Gustav. Ik droog even mijn gezicht af en we lopen weer terug. ‘Maar wil je het er asjeblieft met niemand anders over hebben?’ Vraag ik voor de zekerheid. ‘Als jij het niet wilt, dan doe ik het niet.’ Zegt Gustav. ‘Dank je.’ Zeg ik. Ik maak de deur open. ‘Bill, doe jij de afwas even.’ Roept Tom vanuit de woonkamer. ‘Konden jullie dat niet even zelf doen? Zo veel is het niet.’ Zeg ik. Ik krijg een boze blik van Tom. ‘Bill, je weet wat je moet doen.’ Zegt hij. Als ik een van de borden wil pakken houdt Gustav me tegen. ‘Ik vind dat jij het ook wel eens mag doen.’ Zegt hij tegen Tom. Mijn mond valt open. ‘Ik doe het bijna altijd, Bill nooit, daarom moet hij het nu doen.’ Zegt Tom ongenteresseerd. Hier word ik echt zo pisnijdig om. ‘Zorg maar zelf dat alles op zijn plaats komt. Ik doe het niet voor je!’ Schreeuw ik naar hem. In een ruk staat Tom voor me. ‘Wat zei je?’ Vraagt hij sissent. ‘Dat je het zelf moet doen.’ Zeg ik boos. Ik duw een paar borden in zijn handen en ga naar boven. ‘Bill! Kom nu hier!’ Roept hij. ‘Dacht het niet! Kom me maar halen!’ Roep ik terug. Ik weet dat ik hier later spijt van krijg, maar ik ben het echt zat. Ik hoor dat Tom naar boven komt. De zenuwen gieren door mijn lijf. Hij slaat boos de deur van mijn kamer open en komt op me af. ‘Jij gaat nu naar beneden. En als je dat niet doet, dan ga je er heel erg spijt van krijgen.’ Zegt hij dreigend. Hij heeft gezorgd dat ik geen kant meer op kan. Uitdagend kijk ik hem aan. ‘Dan krijg ik er maar spijt van, ik ga mooi geen dingen meer voor jou doen. Niet zolang jij me blijft commanderen. Ik ben geen slaafje.’ Zeg ik boos. Hij pakt me bij mijn kraag en tilt me een beetje op. ‘Waag het nog een keer…’ Zegt hij dreigend. Ik probeer los te komen maar in plaats daarvan drukt hij me steviger tegen de muur. ‘Ik zei, ik ga niet meer doen wat jij zegt.’ Zeg ik. Hij geeft me een stomp in mijn maag en laat me op de grond vallen. Ik moet even naar adem happen. Ik wil weer rechtop staan, maar hij schopt me zodat ik weer op de grond terecht kom. Mijn handen schaven pijnlijk over de grond.

Gustav’s pov:
Boven hoor ik de tweeling boos tegen elkaar schreeuwen. Tom zal toch niet weer bezig zijn? ‘Georg, we moeten naar boven.’ Zeg ik. Hij komt gelijk achter me aan, hij heeft ook door dat het niet klopt wat er gebeurt. Als we de kamer van Bill binnen komen zie ik dat Bill op de grond ligt. Hij probeert zijn hoofd te beschermen tegen de klappen die Tom geeft. ‘Laat Bill met rust.’ Zeg ik. Verschrikt kijkt Tom op. Georg haalt hem van Bill af, en ik ontferm me over Bill. Wanneer Bill doorheeft dat Georg en ik boven zijn, en Tom opgehouden is met slaan begint hij zachtjes te snikken. Hij houdt me stevig tegen zich aan, bang voor wat zijn broer met hem wil doen. Ik aai over zijn hoofd. Georg is razend op Tom. ‘Wat bezielt je! Je slaat je eigen broer niet zomaar in elkaar!’ Ratelt hij. Tom lijkt er weinig naar te luisteren en kijkt alleen fel naar Bill. Ik druk hem nog wat dichter tegen me aan. ‘Wij gaan naar beneden.’ Fluister ik in zijn oor. Hij knikt. Ik neem hem mee naar beneden en zet hem voorzichtig op de bank. ‘Ik ga even een nat doekje voor je pakken, blijf jij even zitten?’ Vraag ik. Hij knikt weer ja. Ik ga op zoek naar ijs, en 2 doeken. Als ik ze gevonden heb zit Bill nog steeds op de bank. Hij is in gedachten weggezakt. Ik wikkel het ijs in een van de doeken. ‘Houd dit maar tegen je oog.’ Zeg ik. Hij lijkt wakker te schrikken en pakt het pakketje aan. Voorzichtig zet hij het tegen zijn oog aan. Met de natte doek maak ik de schaafwonden op Bill’s handen een beetje schoon, en andere plekken die opengehaald zijn maak ik ook schoon.

Bill’s pov:
Ik voel me echt gewoon zwaar kloten. Ik kan het niet anders zeggen. Ik wist wel dat Tom dit zou doen, maar eigenlijk had ik er op gehoopt dat hij het niet deed. Gustav is zo aardig om me ijs te geven en de plekken die ik heb opengehaald te verzorgen. Boven is Georg nog met Tom bezig, hij ging trouwens ook flink uit zijn dak. Maar het leek alsof het Tom maar weinig uitmaakte. ‘Gaat het weer?’ Vraagt Gustav. ‘Een beetje, maar ik ben wel geschrokken van daarnet.’ Zeg ik. Ik hoor dat er twee paar voeten de trap af komen. Als Tom de kamer in komt gaat hij op de stoel tegenover mij zitten. Het enige wat hij doet is me aankijken. Hij volgt wat ik allemaal doe, best eng. Ik ga maar weg, ik voel me zo opgejaagd bij hem in de buurt. Gustav volgt me naar de gang. ‘Wat is er?’ Vraagt hij. ‘Hoe Tom kijkt. Hij volgt elke beweging die ik maak. Dat is irritant. Hij doet het wel vaker, maar nu is het toch anders.’ Zeg ik. ‘Wil je anders vanavond even met mij mee naar huis. Dan hebben jullie beiden even geen last van elkaar.’ Zegt Gustav. Ik knik. ‘Ga jij maar vast je spullen pakken. Lukt dat?’ Vraagt hij. ‘Ja, anders roep ik wel.’ Zeg ik met een glimlach. Snel ga ik naar boven en pak in wat ik nodig heb. Het is niet zo veel gezien het maar voor n nacht is. ‘Jij bent snel klaar.’ Zegt Gustav als ik beneden kom. Ik steek speels mijn tong uit. Gustav, Georg en ik gaan naar huis. Tom neemt niet eens de moeite om me gedag te zeggen, dat doet hij trouwens wel bij Gustav en Georg. Misschien is hij morgen van zijn humeur af.
Ik ga bij Gustav in de auto zitten. We praten nog wat over dingen. Tja, dat is nou eenmaal mijn karakter, ik kan niet stoppen met praten over van alles en nog wat.
Bij Gustav thuis maken we het bed op. ‘Heb jij ook zo’n slaap?’ Zegt hij gapend. ‘Ja, misschien wel meer dan jij.’ Zeg ik lachend. ‘Waarom ga ik dat nog eens geloven?’ Vraagt hij. ‘Ik zou werkelijk gn idee hebben.’ Zeg ik met een engelen gezicht. Ik ga me omkleden, en Gustav ook. Als we elkaar op de gang nog eens tegenkomen zeggen we elkaar welterusten. Ik ga heerlijk slapen en even niet aan Tom denken.
De volgende ochtend word ik pas laat wakker, en zoals normaal is Gustav me al lang voor met opstaan. Vanmiddag ga ik weer naar huis. Ik ben benieuwd hoe Tom gaat reageren. Ik kijk op het klokje naast me. Het is al middag! Eigenlijk had ik niet veel anders verwacht.
Ik ga me omkleden. Op de gang kom ik Gustav weer tegen. ‘Goede morgen.’ Zeg ik snel. ‘Goede middag bedoel je.’ Zegt hij lachend. ‘Weet ik, weet ik, weet ik.’ Zeg ik en ga weer door naar de badkamer. Ik kleed me snel om. Dan kijk ik hoe het met mijn oog is. Het is een beetje dik en blauw geworden. Ik moet er maar even mee leven, blauw in plaats van zwart.
Ik ga naar de woonkamer, waar Gustav ondertussen voor de tv zit. ‘Lekker geslapen?’ Vraagt hij. ‘Zeker weten. En jij?’ Vraag ik. ‘Jawel. Maar ik heb ook een tijdje jouw gepraat moeten aanhoren.’ Zegt hij lachend. ‘Praatte ik?’ Vraag ik. ‘Ja, en niet zo’n beetje ook. Het leek wel alsof je gewoon wakker was.’ Lacht hij. ‘Nou, bedankt h. Trouwens, jij mag met een interview ook wel eens je mond opentrekken.’ Zeg ik plagend. ‘Dat gaat ook zo lekker tussen jouw getater door.’ Zegt hij. ‘Misschien moet je de volgende keer m’n mond dichtplakken met tape.’ Zeg ik. ‘Slim idee, even proberen.’ Zegt hij en probeert een plakbandje over mijn mond te plakken. ‘Hee, niet nu.’ Zeg ik. ‘Ik ben bang dat het niet gaat werken.’ Zegt hij alsof hij teleurgesteld is. ‘Agossie.’ Zeg ik. ‘Ja, heb maar medelijden met mij.’ Zegt Gustav zielig. ‘Ja, je bent sneu.’ Zeg ik lachend. ‘Hee, ik was sneu, dan moet jij niet gaan lachen.’ Zegt hij.
We plagen elkaar nog even door over allerlei onzinnige dingen.
‘Ik ben bang dat ik je zo weer naar huis moet brengen.’ Zegt Gustav. ‘Oh, ok, maar ik had het in ieder geval erg gezellig hier.’ Zeg ik. Eigenlijk vind ik het heel erg jammer dat ik nu alweer naar huis moet, stel dat Tom weer gaat slaan enzo. In dat geval weet ik dat ik het bij Gustav en Georg altijd kwijt kan.
In no time is alles weer ingepakt en kunnen we de auto in om naar huis te gaan. Ik zit een tikkeltje zenuwachtig voor me uit te staren. ‘Alles ok Bill?’ Vraagt Gustav. ‘Ja hoor, gaat best.’ Zeg ik snel. ‘Tom’s reactie zou vast wel meevallen.’ Zegt hij. ‘Ik hoop van wel.’ Zeg ik. Al snel ben ik weer thuis. ‘Tom? We zijn er weer.’ Roep ik door het huis. Ik zie een briefje hangen.

Het kan zijn dat jullie eerder thuis zijn dan ik.
Ben gewoon even naar de muziekwinkel voor mijn gitaar.
En Bill, sorry van gisteren.
Tom

‘Hij is naar de muziekwinkel.’ Zeg ik tegen Gustav. ‘Ok. Wil je dat ik nog even blijf, of red je het zelf wel?’ Vraagt hij. ‘Ik red me wel.’ Zeg ik. ‘Ok, tot snel dan.’ Zegt hij en gaat weer weg. Ik ga mijn spullen weer uitpakken. Niet veel later hoor ik beneden de deur dicht gaan. ‘Hoi!’ Roep ik naar beneden. De voetstappen gaan de trap op. ‘Hey Bill. Hoe was het bij Gustav?’ Vraagt hij op een lieve toon. ‘Het was gezellig hoor. En hoe had jij het hier?’ Vraag ik terwijl ik nog wat spullen op de goede plek leg. ‘Het was wel stil hoor zonder jou.’ Zegt hij lachend. Hij gaat op het bed zitten. Er is even een stilte tussen ons. Ik kijk hem een beetje onderzoekend aan, hij doet hetzelfde bij mij. ‘Ik hoop dat het gedoe van gisteren niet meer gebeurt.’ Zeg ik. ‘Snap ik.’ Zegt hij. Hoe moet ik dat opvatten? Bedoelt hij daarmee dat hij het ook wil voorkomen dat het nog eens gebeurt, of kan het hem eigenlijk weinig schelen? ‘Wat heb je eigenlijk aan Gustav verteld in het park?’ Vraagt hij na een tijdje. Hij kijkt me met een ijzige blik aan, het zorgt dat de rillingen over mijn rug lopen. ‘Hoezo?’ Vraag ik. ‘Het is gewoon een vraag. Wat heb je allemaal aan Gustav verteld?’ Herhaalt hij nog eens. ‘Wat er was gebeurd. Hoe alles begon, wat jij deed, hoe ik me voelde daarbij. Eigenlijk heb ik zo’n beetje mijn hele hart bij hem uitgestort. Eerst wilde ik het niet zeggen, maar ik deed het toch. En het luchtte op.’ Zeg ik. Hij knikt langzaam. Weer zo’n ijzige blik. Ik weet niet wat het met hem is, maar het ligt hem niet goed dat ik het verteld heb. Ik wil mijn kamer uitgaan en naar beneden gaan, maar Tom houdt me tegen. ‘Wat is er?’ Vraag ik. ‘Heb je er wel eens aan gedacht dat ik het helemaal niet fijn vind als jij alles gelijk verteld aan iemand, ook al is het Gustav.’ Zegt hij boos. ‘Wat moest ik dan?’ Zeg ik met een piepstemmetje. Ik weet al wat er gaat komen. ‘Jij moest gewoon je kop dichthouden, en de rol meespelen die je al een hele tijd mee speelt.’ Zegt hij. Hij komt dreigend op me af, en ik druk mezelf fijn tegen de muur. Een harde “pets” klinkt door de kamer. Ik voel zijn handafdruk nog op mijn wang zitten. Hij glimlacht gemeen, hij voelt zich er kennelijk beter door als hij me slaat. Een stomp in mijn maag volgt. Ik zit nu op mijn knien voor hem op de grond. Mijn armen heb ik om mijn middel geslagen. Hij geeft een pijnlijke schop tegen mijn schouderblad. Ik voel wat kraken en de tranen springen in mijn ogen. Ik wil opstaan, maar hij geeft een schop tegen mijn scheen, zodat mijn voet wegglijd. Ik kom op de hand terecht waarvan hij net tegen mijn schouderblad aangeschopt heeft. Hij blijft bezig, en ik kan er weinig aan doen. Als ik zie dat hij me in mijn gezicht probeert te raken weet ik hem net tegen te houden. Dat fokt hem steeds meer op waardoor hij nog harder verder gaat.
Uiteindelijk lig ik op de grond met een bloedneus en een arm die vreselijk veel pijn doet. Eigenlijk doet alles wel pijn, maar mijn arm is onophoudelijk. Dat heeft Tom ook gemerkt en geeft er telkens nog een extra stoot tegenaan. De tranen rollen over mijn wangen.
Ik wil weg. Opstaan kan ik niet, dan haalt Tom me weer onderuit. Ik kruip langzaam vooruit. Ik neem een zakdoek voor mijn neus terwijl Tom grijzend staat te kijken hoe ik leidt. ‘Voelt niet zo prettig h, die arm van je.’ Zegt hij. Met betraande ogen kijk ik hem aan. Ik zie geen enkel spoortje van medelijden. ‘Wacht maar.’ Zeg ik zacht in mezelf. Hij lijkt het niet verstaan te hebben, en dat is maar beter ook. Als ik straks geen bloedneus meer heb ga ik gelijk naar Gustav. Hij weet wel wat goed is voor mijn arm.
Eindelijk is het over, ik ga weg. Jammer dat Tom me daar amper kans voor geeft. Weer een harde trap. Ik ben het zat, hij heeft de emmer laten overlopen. Ik duw hem met mijn goede hand hard opzij waardoor hij even achteruit deinst. Ik kan niet zo veel kracht zetten met n hand, maar het is beter dan niets. Ik strompel verder. Uiteindelijk sta ik boven aan de trap. Ineens voel ik een paar handen in mijn rug en ik verlies mijn evenwicht. Ik val een eind naar beneden, waar ik nu precies ben weet ik niet. Ik strek mijn arm uit om ergens iets te pakken wat me tegenhoud. Er schaaft iets langs mijn vingers, ik krijg het in een inham te pakken. Daar lig ik dan, halverwege de trap. Verder ga ik zelf voorzichtig de trap af. Tom heeft me ondertussen ook al ingehaald. Hij trekt de deur open en duwt me naar buiten. Doordat ik nog een beetje duizelig ben van daarnet val ik voorover. ‘Zielig hoor.’ Hoor ik nog even en dan gooit hij de deur dicht. Ik heb helemaal niets bij me. Ook geen mobiel om Gustav te bellen. Er naartoe lopen gaat waarschijnlijk veel te lang duren. Hij woont in Magdeburg, ik ben in Hamburg. Met het tempo wat ik nu loop duurt dat veel te lang. Hopeloos ga ik op het dichtstbijzijnde bankje zitten. Dan voel ik iets in mijn broekzak. Het is een strippenkaart, die komt nu mooi van pas. Ik tel de strippen, daaruit kan ik de conclusie trekken dat ik wel heen kan, maar niet meer terug. Daar verzin ik dan wel wat voor. Ik loop moeilijk naar het bushokje. Al snel komt de bus eraan.
Ik moet een paar keer overstappen voordat ik bij Gustav ben. Onderweg word ik raar aangekeken door allemaal mensen. Die weten natuurlijk niet wat er is gebeurt, en zien me ineens zo raar lopen. Het zal wel.
Ik stap uit de laatste bus. Ondertussen ben ik heel erg moe en ik moet nog een stuk lopen voordat ik bij Gustav ben. Om het me allemaal nog wat soepeler te laten verlopen gaat het ook nog eens kei hard regenen. Daar ben ik weer lekker mee. Drijfnat loop ik weer verder. Nog steeds heb ik overal last van.
Na ruim een half uur lopen ben ik eindelijk bij Gustav’s huis beland. Tom weet wel wat hij deed. Ik bel aan. Als Gustav de deur open doet zie ik dat hij schrikt dat ik er zo bij sta. Ik leun vermoeid tegen een muurtje. ‘Wat is er met jou gebeurt?’ Vraagt hij terwijl hij me mee naar binnen neemt. Het enige wat ik kan zeggen is “Tom”. Dat zegt hem al genoeg. ‘Ik ga wat droge kleren voor je zoeken, straks vat je nog kou. Ik hoor je straks wel helemaal uit.’ Zegt hij. Ik knik. Snel verdwijnt hij naar boven. Ik staar moe voor me uit. Ik heb het koud door de regen, hier binnen is het lekker warm. Ik ben een beetje van de wereld totdat ik ineens een zachte handdoek over mijn gezicht voel gaan. ‘Au, au, au.’ Zeg ik ineens. ‘Oja, sorry, je hebt zeker nog steeds last van je oog.’ Zegt hij. Ik knik. Ik zie nu pas dat hij een stapeltje kleren naast me heeft neergelegd. ‘Kleed je maar in het kamertje beneden om. Ik maak wel een bed voor je klaar voor vannacht. Tenminste, ik denk dat je vanavond nog niet naar huis wilt. Of wel?’ Vraagt hij. ‘Liever niet.’ Zeg ik. Hij helpt me naar het kamertje en gaat naar boven. Ik droog mezelf helemaal af en doe de droge kleren van Gustav aan, wat trouwens een beetje lang duurt doordat mijn arm niet meewerkt. De kleren zijn een beetje wijd maar dat maakt niet uit. Ik blijf nog even zitten en ga dan naar boven. Ik doe een poging om mijn natte kleren ophangen zodat ze kunnen drogen. ‘Laat dat maar aan mij over. Jij staat nog te wankelen op je benen.’ Zegt Gustav. ‘Ok.’ Zeg ik. Ik leg alles neer. Hij hangt alles snel op. Ondertussen ben ik even gaan zitten. Als hij klaar is gaat hij op zijn hurken voor me zitten. ‘Wat is er daarnet gebeurt?’ Vraagt hij. Ik zucht diep, dan begin ik alles te vertellen vanaf het moment dat Tom binnen kwam. Gustav luistert goed. ‘En toen ben ik dus naar jou toe gekomen.’ Beindig ik mijn verhaal. ‘Heb je nog steeds last van je arm?’ Vraagt hij. Ik knik. ‘Dan laten we er een dokter naar kijken ok?’ Zegt hij. ‘Is goed.’ Zeg ik.
We stappen in zijn auto en gaan naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis. Er worden foto’s gemaakt van mijn arm. Na een tijdje wachten verteld de dokter dat mijn schouderblad gebroken is en er is ook nog wat in mijn onderarm gebroken. Dat moet dus even rechtgezet worden en gips eromheen. We gaan met hem mee. In het kamertje moet ik op zo’n stoel gaan zitten. Het bot wordt weer tegen elkaar aan gezet. Het is echt een vreselijk gevoel dat door mijn hele lichaam lijkt te gaan. En dat moet nog wel twee keer. Er gaat rood gips omheen en dan ben ik klaar. Ik bedank de dokter en geef hem een hand.
‘Vervelend gevoel h.’ Zegt Gustav als we in de auto zitten. ‘Zeker. Ik kreeg er kippenvel van.’ Zeg ik. ‘Ik weet wat je bedoeld. Ik heb eens mijn pols gebroken. De weg naar het ziekenhuis was echt vreselijk. Dat bot schaafde telkens langs elkaar.’ Zegt hij lachend. ‘Getver, houd maar op. Ik vond dit al erg genoeg.’ Zeg ik. Dan gaat de mobiel van Gustav af. ‘Lekkere timing.’ Zegt hij. Hij vist hem uit zijn broekzak. ‘Kan jij even opnemen?’ Vraagt hij. ‘Ok.’ Zeg ik. Als ik op het display kijk zie ik dat het Tom is. ‘Tom? Waarom bel je?’ Vraag ik gelijk. ‘Bill? Waarom neem jij de telefoon op? Ik belde toch naar Gustav? En je hebt je mobiel toch niet bij je?’ Vraagt hij. ‘Ik zit in de auto bij Gustav. Maar waarom bel je?’ Vraag ik nog eens. ‘Nou…Omdat ik me zorgen over je maakte. Echt waar. Ik… Het klinkt stom, maar ik besefte niet wat ik deed daarnet.’ Zegt hij. Het is duidelijk dat Tom zich schuldig voelt. ‘Ik dacht wel dat jij bij Gustav zou zijn, daarom belde ik je.’ Vervolgt hij. ‘Aha.’ Is het enige wat ik zeg. ‘Waarom zeg je zo weinig?’ Vraagt hij. ‘Wat moet ik dan zeggen? Ik had niets bij me. Per ongeluk ontdekte ik dat ik een strippenkaart had waarmee ik naar Magdeburg kon, Gustav heeft me opgevangen, en we komen net uit het ziekenhuis. Wat wil je verder dat ik zeg?’ Vraag ik een beetje overstuur. ‘Het ziekenhuis? Wat was er aan de hand?’ Vraagt hij. ‘Gebroken schouderblad en onderarm.’ Zeg ik. ‘Oh… Sorry, het spijt me echt vreselijk. En ik maakte me echt, echt, echt zorgen om je. Maar je zult het waarschijnlijk niet geloven, en dat begrijp ik ook wel.’ Zegt hij. Het klinkt alsof hij zit te huilen aan de andere kant van de lijn. ‘Maar je weet toch wel dat je niet zomaar even een tik hebt uitgedeeld.’ Zeg ik. ‘Ja, dat weet ik.’ Zegt hij met een snik tussendoor. Ik krijg echt medelijden met hem. ‘Is dat Tom?’ Vraagt Gustav zacht. Ik knik. ‘Geef hem maar even.’ Zegt hij. Ik geef de mobiel aan Gustav. ‘Tom? Waarvoor belde je?’ Vraagt hij. Waarschijnlijk hangt Tom nu hetzelfde verhaal op als daarnet bij mij, maar dan met wat meer gesnotter tussendoor. ‘Oh, ik zal het wel even vragen.’ Zegt Gustav. ‘Tom vraagt of we naar hem toe kunnen komen. En hij smeekt of je asjeblieft weer naar huis wilt komen. Dus de keuze is aan jou. Wil je nu naar hem toe? En wil je weer thuis blijven?’ Vraagt hij. Ik denk na. Enerzijds wil ik niet naar Tom toe omdat hij me daarnet weer en elkaar heeft geslagen, dat geldt ook voor het naar huis gaan en daar blijven. Anderzijds wil ik wel naar hem toe, omdat hij het echt lijkt te menen, en hij blijft toch mijn broer, onlangs wat hij gedaan heeft. ‘Is goed, we gaan naar hem toe.’ Zeg ik uiteindelijk. ‘Goed nieuws voor je, we komen eraan.’ Zegt Gustav tegen Tom. Zelfs hier hoor ik een blije “Dank je”. Gustav hangt weer op. ‘Dan ga ik je dus weer terug naar huis brengen.’ Zegt hij. Ik knik.
Na een hele tijd zijn we weer thuis. Als ik aanbel doet Tom gelijk de deur open. Zijn ogen zijn helemaal rood van het huilen. Het eerste wat hij doet als hij mij ziet is een knuffel geven, en hij laat ook maar niet los. ‘Ehm…Tom, ik moet nog langer mee. Als het even kan zou ik willen adem halen.’ Zeg ik. Hij laat gelijk los. ‘Sorry.’ Zegt hij. ‘Dat heb ik eerder gehoord.’ Zeg ik. ‘Anders ik wel.’ Zegt Gustav, die achter me staat.
Vanavond verontschuldigt Tom zich nog wel duizend keer. Hij voelt zich echt schuldig over wat hij heeft gedaan, maar dat mag ook wel. Ik zeg ook niet zomaar dat het allemaal niets uit maakt, want het maakt me wel wat uit. Hij heeft me af en toe het leven behoorlijk zuur gemaakt. Hij loopt me nu constant te vertroetelen zodat alles helemaal naar mijn zin is.
Als het laat in de avond is zwaaien we Gustav uit. Ik ben een beetje bang dat Tom weer terug gaat vallen in het oude ritme, en dat het hele knuffel gedoe fake was. Maar al snel maakt hij me duidelijk dat het niet zo is.
Gelukkig slaat hij niet meer. Hij heeft het echt gemeend, en beseft dat het fout was wat hij deed. Nu zijn we zoals we altijd al gespeelt hebben. Ofterwijl: We kunnen niet zonder elkaar, en zijn heel close.
Hij heeft ook allemaal lieve dingetjes op mijn gips geschreven, echt niet normaal hoe veel. Een groot stuk van mijn arm zit in het gips, Gustav en Georg hadden net de kans om er een klein stukje op te schrijven, en toen Tom eenmaal die stift in zijn handen kreeg zat gelijk het hele gips onder. Het was echt leuk om te zien hoe hij bezig was, met zijn tong half uit zijn mond.
Een glimlach siert mijn gezicht. ‘Wat is er?’ Vraagt hij. ‘Niets, hoezo?’ Vraag ik. ‘Je zit zo te glimlachen.’ Zegt Tom lachend. ‘Oh, dat. Ik was even in een dagdroom bezig.’ Zeg ik. ‘Ok.’ Zegt hij, en gaat weer verder met zijn gitaar.

Broederliefde, nooit van gehoord (made by Morena)

Broederliefde, nooit van gehoord (made by Morena)

‘Waarom ben je nou weer zo druk Kura?’ Vroeg mijn oudere broer gerriteerd. Wanneer is hij dat niet geweest? ‘Mijn vriend komt slapen, weet je nog? Ik wil dat mijn kamer een beetje opgeruimd is als hij komt. En nee, je zal geen last hebben van hem. We zijn gewoon in mijn kamer, eten ook in mijn kamer.. Ik heb al het eten in mijn kleine vriezer gedaan enzo.’ Zei ik en zette de matrassen goed. Ik heb geen goede bed. Het is deze week kapot gegaan. Mijn broer keek me streng aan. ‘En?’ ‘Ja Rwera, ik heb jouw eten ook gemaakt. Het staat beneden klaar in de koelkast. Ik heb ook je eten klaar voor de rest van de week.’ Zei ik en precies toen ik week zei, sloeg hij de deur hard dicht, waardoor mijn stapel met opgevouwde kleding omver viel. Ik zuchtte en voelde een paar tranen opkomen. Ik opende mijn lade en begon te zoeken naar iets. Ik gooide bijna alles weg door een halve paniekaanval maar vond het alsnog. Ik legde het rustig op mijn bureau en deed de andere spullen terug. Ik sloot de lade, pakte wat ik nodig had en ging zitten op mijn matras. Ik opende het en keek wat ik had geschreven.
‘Hallo, ik ben Kura Ahren, 18 jaar, en woon in een huis alleen met mijn broer(23 jaar). Mijn ouders zijn gestorven toen ik 2 jaar was en sinds dien moest mijn broer op me passen. Normaal zou het moeten zijn dat je broer lief voor je is en dat je er soms wel ruzie mee maak, maar bij mij is dat anders. Hij misbruik en mishandelt me al sinds ik 8 ben. Ik kan de politie niet inschakelen omdat hij me dan bedreigt.
Ik kon nog wel gewoon naar school, maar daar werd ik erg gepest. Normaal, als je van school komt (en als je weer eens gepest ben) denk je dat je thuis lekker veilig ben en dat je liefde krijg. Bij mij dus echt niet.
Ik moet alles doen thuis. Ik moet de vaat doen, de kleding wassen, alles schoonhouden, eten maken, boodschappen doen etc etc. Het gaat eindeloos door. Als ik iets perrongeluk niet heb kunnen doen, komt hij weer met een scherp, lang voorwerp en begint hij met slaan, waar hij maar kan en wilt. En dan slaat hij me vaak ook met zijn vuisten, dat hard aankomt, samen met zijn ringen die hij altijd om heeft.
Vaak heb ik gedacht aan zelfmoord, maar dat wil ik niet. Ik leef nog voor mijn vrienden. Iedereen zegt dat ik mezelf snijdt en dat ik Emo ben. Maar dat ben en doe ik niet. Bij mij kan je geen papiertje met een naam daarop plakken. Ik ben wie ik ben. Maarja...’

Tranen stonden weer in mijn ogen. Ik wou verder lezen, maar de bel ging. Ik keek in de spiegel of mijn make-up was uitgelopen en rende naar beneden. Ik opende de deur en ik zag mijn vriend staan. We zeiden elkaar gedag en gaven elkaar een dikke knuffel. Mijn broer kwam binnen, in de gang, en keek ons aan. ‘Rwera? Dit is Bill.’ Zeg ik voorzichtig. Bill stak zijn hand richting hem. Rwera keek een beetje vies naar hem. Ik keek hem vragend aan en toen gaf hij Bill snel een hand. ‘Haay.’ Zei hij kortaf en liep naar boven. ‘Sorry, hij is niet zo van mensen die binnen komen. Er komen ook niet zo veel mensen voor mij binnen.’ Zei ik en keek Bill aan. ‘Ok. Wat gaan we doen? Een spel ofzo?’ Vroeg hij blij en opgewonden. Ik lachte en we gingen naar mijn kamer. ‘Netjes opgeruimd.’ Zei Bill toen we binnen kwamen. Ik bedankte hem en ging naar de kast. Ik opende het en liet Bill alle spellen zien. ‘Oehhh..’ Zei hij en ging gelijk kijken. Ik ging op mijn bed zitten en zag nog dat de schrift met mijn levensverhaal erin nog open stond. Ik sloot het snel en legde het ergens op mijn bureau, want als ik het in mijn lade zou doen, zou Bill vragen wat dat is, en dan ben ik erbij. En zeker als hij verder in mijn lade kijkt. Bill ging voor me staan. ‘Is dit spelletje goed?’ Vroeg hij lief en liet me het spel zien. ‘Ga zitten.’ Zei ik en wees naar de matras naast me. Ik zette het spel op en we gingen spelen.
Het werd al laat en we moesten gaan eten, dus haalde ik het eten uit mijn vriezer. We warmde het op en begonnen te eten. ‘Mmmmmm lekker. Heb je het zelf gemaakt?’ Vroeg Bill. Ik knikte en hij zette zo’n lieve glimlach op, dat ik ook een glimlach kreeg. Wat is dat toch een lieve jonge. Toen we klaar waren met eten bracht ik de borden naar beneden. ‘Wat doet die homo hier?’ Vroeg Rwera bazig en keek me met een dodelijke blik aan. ‘Je weet, hij is geen homo. En hij blijft hier slapen weet je nog?’ Antwoordde ik lief en deed de borden in de vaatwasmachine. Ik hoorde dat hij was opgestaan en dat hij achter me is gaan staan. Ik deed de vaatwasmachine dicht en zette het aan. Rwera pakte me aan mijn haren en sleurde me een beetje naar zijn stoel. ‘Je weet toch dat hier geen mensen mogen blijven? En zeker hij niet.’ Vroeg hij boos en begon allemaal slechte dingen over Bill in mijn oren te roepen. Ik stribbelde tegen, maar hij is te sterk voor mij. Zijn vrienden blijven erg vaak slapen enzo, en dan word het weer een rotzooi, dat ik dus weer op kan ruimen. Rwera duwde me hard tegen de grond. ‘En waag het niet om te gaan huilen bij je Billiewillie.’ Zei hij boos en plofte weer op zijn bed. Ik voelde de tranen weer opkomen en liep boos, maar ook bang de woonkamer uit. Ik liep naar boven en keek naar mijn deur. De tranen liepen over mijn wangen. Ik veegde ze weg en ging mijn kamer binnen. Bill keek op en zag me. ‘Wat is er?’ Vroeg hij en ik ging naast hem zitten. ‘Oh, niks hoor.’ Zei ik zachtjes. Bill sloeg een arm om me heen. Ik sloeg beide armen om hem heen en er viel n traan op zijn schouder. Hij versterkte zijn greep en gaf me een kus op mijn slaap. ‘Als jij zegt dat het goed gaat, geloof ik dat.’ Zei hij. Ik moest vechten om de rest van mijn tranen in te houden. Ik zuchtte en keek Bill aan. Ik zag dat hij tranen in zijn ogen had. Ik keek om me heen en zag dat mijn boekje weg was gehaald. Ik schrok een beetje en keek om me heen. ‘Bill, heb je misschien een boekje gezien?’ Vroeg ik met een klein beetje paniek in me stem. ‘Oh.. deze?’ Vroeg hij en haalde het boekje tevoorschijn. Ik knikte, nam het boekje aan en legde het weer terug waar ik ‘m had neergelegd. ‘Hoe lang ga je dit nog doen?’ Vroeg hij. Shit. Hij is erachter gekomen. Ik zuchtte weer. ‘Ik weet het niet meer. Ik kan niet meer, maar ik moet blijven.’ Zei ik snel en zachtjes en moest nog harder vechten om mijn tranen binnen te houden. ‘Voor je vrienden.’ Zei Bill zachtjes. Ik knikte en ik was te slap om mijn tranen in te houden. Ik zakte inelkaar en sloeg mijn handen voor mijn gezicht.
We zijn naar buiten gegaan, ookal was het 10 uur s’avonds. We waren naar het parkje achter ons gegaan en daar even bij een boom gaan zitten. ‘Wil je dit echt door laten gaan?’ Vroeg Bill toen we gingen zitten. Ik schudde nee en legde mijn gezicht op zijn borst. Ik liet een trillende zucht mijn lichaam verlaten. ‘Ik zou je echt weg halen als ik het kon.’ Zei Bill zachtjes in mijn oor. Zachtjes begon hij Ich Bin Da te zingen. Hij wist dat ik dat een te gek nummer vind en ik sloot mijn ogen om er van te genieten.
Ik opende mijn ogen. Ik weet eigenlijk niet waarom. Rwera was erg boos omdat ik gisteravond erg lang weg bleef. Ik ging rechtop zitten en keek om me heen. Ik zag Bill nog vredig slapen. Ik kreeg een glimlach op mijn gezicht en stond op. Ik ging me maar douchen en omkleden. Onderweg kwam ik Rwera tegen en hij keek me vel aan. Hij zei niks en liep stevig door. Misschien wilt hij niks tegen me doen als er iemand anders in het huis is. Behalve als zijn vrienden er zijn. Die doen gezellig mee. Nadat ik had gedoucht en me had aangekleed ging ik terug naar mijn kamer. Ik pakte wat eten uit de koelkast en maakte wat klaar. Ik zelf hoefde niets te eten, ik had toch geen trek. Ik maakte Bill rustig wakker. ‘Bill, het is al half 1. Hier, ik heb eten voor je gemaakt.’ Zei ik zachtjes en zette het bord met eten naast hem. ‘Wat wil je erbij drinken?’ Vroeg ik er nog bij en keek hem vragend aan. ‘Euh.. Melk is goed.’ Antwoordde Bill slaperig. Hij ging rechtop zitten en keek naar het bord. ‘Mmmmmm, ziet er weer lekker uit.’ Zei hij blij en wreef in zijn ogen. Ik had een glas met melk gepakt en naast het bord gelegd. Hij at het lekker op en ik zat maar te kijken. Ik had toch niks te doen. Hij vroeg nog of ik wat moest, maar ik zei dat ik niks hoefde.
Rond een uur of 5 zeiden we elkaar gedag en ging ik naar binnen. Ik zag Rwera voor de trap staan. Hij keek me boos aan en liep rustig richting mij. Ik wist wat me te wachten stond. Ik kroop inelkaar, voelde hoe Rwera steeds meer dichterbij kwam en ik hoorde ook dat hij zijn speeltje mee had genomen. Ik rilde van angst en wou het liefste wegrennen en zo hard gillen als ik wou. Als snel voelde ik hoe Rwera me bij mijn haar vasthield en hoe hij zijn speeltje, een grote zware ketting van zijn scooter, tegen mijn rug aan sloeg. Ik kreunde van de pijn en al snel voel ik de tranen over mijn wangen stromen. Ik stribbelde niet tegen en zo ging het maar door. Hij bleef steeds harder slaan en de pijn verergerde steeds meer. Ik gilde niet, zei niks en deed niks, anders zou hij er meer van genieten en blijft hij met die ketting komen. De volgende keer komt hij wel weer met iets anders. Hij sleurde me mee naar mijn kamer en gooide me op mijn matras. Ik wou mijn longen uit mijn lijf schreeuwen van de pijn, maar vocht ertegen. Ik wou niet dat hij hiermee door zal gaan. Hij ging voor me staan en ik keek hem aan. Hij had zijn speeltje weggedaan en er een ander voor in de plaats gedaan. Ik keek naar zijn hand en zag dat hij een stok met een scherp uiteinde vast had. Ik schrok me dood. Ik werd nog banger als hij een stap dichterbij had gezet. Ik kromp inelkaar en kreunde van de pijn in mijn rug. Hij pakte me bij mijn kraag en begon met de stok te slaan op mijn hoofd. Ik kreeg pijn in mijn hoofd en voelde me steeds meer wegzakken. Mijn zicht werd ook steeds waziger en kon het bijna niet meer aan. Hij liet me los en ik keek voorzichtig richting hem. Wat ik kon zien was dat hij de stok boven zijn hoofd had en toen hij me sloeg, werd het helemaal zwart voor mijn ogen.
Ik opende mijn ogen met hoofdpijn. Ik ging rechtop zitten en kreunde. Alles deed pijn. Ik stond op en liep mijn kamer uit. Ik zag Rwera weer voor me staan. ‘Ben je hier gekomen omdat je meer wilt?’ Vroeg hij geniepig en ging voor me staan. Ik gunde hem niet eens een blik dus keek ik naar beneden. Hij sloeg met zijn vuist in mijn buik. Ik zakte inelkaar en Rwera begon te lachen. ‘Kijk me de volgende keer aan.’ Zei hij, pakte me bij mijn kraag en tilde me omhoog, zodat ik hem uiteindelijk wel mest aankijken. ‘Ja emo?! Is dat ok?!’ Hij schreeuwde zo hard in mijn oren dat ik een hoge piep hoorde.
Na anderhalve week heeft hij mij elke dag wel een feestje gegeven en begin ik er echt genoeg van te krijgen. Ik sluit me op in mijn kamer en doe geen klusjes meer, alleen die ik nodig heb. Elke avond lig in op mijn matras en heb ik pijn. Pijn overal, pijn in mijn hart. Ik ben elke dag op msn geweest en heb dan gepraat met Bill. Ik vertel Bill niet over wat Rwera die dag gedaan heeft, maar Bill komt er vaak achter dat ik niet blij ben, zeker als hij mij op de webcam ziet.
Ik opende mijn laptop en zag dat Bill online was. Ik klikte hem aan en begon een gesprek.
‘Haaaaaaaaayyyyyyyyyyyyy :D’ Typte ik en druk op enter. Al snel zag ik dat Bill aan het typen was.
‘Heey :D:D Hoe gaat het?’ Kwam er tevoorschijn.
‘Muah... Met jou?’ Antwoordde ik gelijk. Rwera was vandaag weer gerriteerd, dus zal er weer een feest komen met mij.
‘Met mij gaat het goed. Heb je nog problemen gehad met Rwera?’ Stond er ineens.
‘Mooi dat het goed met je gaat :D Maar hij is vandaag gerriteerd :/’
‘Oh.. Das leuk (dus niet :|)...’ Typte hij terug en vroeg of ik mijn cam aan kon doen. Ik klikte op accepteren en zag hem ook zitten. Toen ik hem zag, werd het wat vrolijker in mezelf.
‘Als er iets is ben ik er voor je, dat weet je h? (A)(L)’ Typte hij snel en ik knikte.
Ik wou typen maar Rwera kwam binnen. Ik schrok me kapot en draaide me om, richting hem. Hij keek me met vuur in zijn ogen aan en had zijn vriend de stok weer bij zit. Ik wou mijn webcam uitzetten, maar was te laat. Rwera had de deur gesloten en me al bij mijn kraag gepakt. En het feest kon beginnen. Hij begon me weer te slaan met dat ding. Deze keer deed het het meeste pijn. De wonden waren nog niet geheeld en ze werden weer geopend. Hij zette een paar strepen met het scherpe punt op mijn rug. Ik schreeuwde het uit en hij genoot. Hij had nog zijn speeltje bij zit en begon daarmee ook te slaan. ‘Je weet zelf waarom ik dit doe!’ Schreeuwde hij. ‘Weet ik niet!!’ Schreeuwde ik terug. ‘Gvd! Jij bent echt dom h? Emo dat je bent! Je moet alle klusjes doen!’ Schreeuwde hij erg hard in mijn oor en sloeg nog harder.
Ik loop over straat. Ik ben weggelopen. Tijdens het feestje van Rwera had ik mijn computer uit gedaan en ben ik uit het huis gerend. Ik weet niet waar ik naartoe zou gaan. Niemand wilt me toch in huis. Ineens zie ik het gesprek op msn met Bill. ‘Als er iets is ben ik er voor je.’ Zeg ik zachtjes. Ik heb overal pijn, maar ik loop gewoon stevig door. Ineens voel ik iemand me naar zich toe trekken en duwt me op de grond. Weer zie ik Rwera, die me weet met vuur in zijn ogen aankijk. ‘Wat ben jij van plan om te doen!’ Schreeuwt hij hard en boos. Ik zei niks. Ik ben boos. Boos en verdrietig. Ik stond op en liep weg. Toen Rwera weer richting mij liep draaide ik me op en sloeg hem keihard in zijn buik. Hij kromp inelkaar en ik begon overal te slaan en te schoppen. Al mijn pijn van al die jaren kwamen terug in mijn slagen of schoppen. Ik had het echt gehad. Toen ik een keer keihard tegen zijn hoofd aan schopte, bewoog hij niet meer. Ik liep weg en rende richting Bill zijn huis.
Ik belde aan en Tom deed open. ‘Heey Kura!’ Zei hij vrolijk en toen hij zag dat ik met tranen in mijn ogen hem aankeek, keek hij bezorgd. ‘Wat is er?’ Vroeg hij, sloeg een arm om me heen en bracht me naar binnen. Ik legde hem uit wat er allemaal was gebeurt en toen ik op de helft van mijn verhaal was, kwam Bill de woonkamer binnen. Hij schrok toen hij me zo zag zitten. Hij ging gelijk naast me zitten en luisterde stilletjes mee. Ze luisterde allebei goed naar me en troostte me.
En daar zitten ze. Allebei met een arm om me heen. Troostend. Ze slapen in mijn armen. Ik sluit mijn ogen en versterk mijn greep.

Waar een ruzie op kan eindigen...

Waar een ruzie op kan eindigen...

Bill’s pov:
‘Je moet niet alles verdraaien in een interview!’ Zeg ik kwaad. ‘Dat doe ik niet!’ Zegt hij. ‘Dat doe je wel! Ik heb het net gehoord, de helft zuig je uit je duim!’ Zeg ik nog net niet schreeuwend. ‘Bill, wat haal je in je hoofd? Dat doe ik niet.’ Zegt hij. Ik kijk hem boos aan en draai me dan in een ruk om. Ik ga naar mijn eigen hotelkamer, hier heb ik niets meer te zoeken. Tom komt nog achter me aan, maar als ik mijn deur op slot gedraaid heb, komt hij er niet meer in. Hij probeert het waarschijnlijk alsnog open te krijgen, maar het gaat hem toch niet lukken. Ik ga op een van de stoelen zitten die in de kamer staan, en sluit voor even mijn ogen. Even alles op een rijtje zetten. Tom blijft tegen de deur bonzen. ‘Tom! Kap daar even mee!’ Roep ik naar hem. Nog even gaat hij door, maar hij lijkt zich ook te realiseren dat het niets helpt en houdt op.
Waarom moet Tom altijd weer van dit soort fratsen bedenken. Ik word het echt zat. Weet je, waarom trek ik me er eigenlijk wat van aan? Hij verzint het, en moet er verder mee doorgaan. Uiteindelijk zou hij het moeten opgeven. Hij zoekt het maar uit, ik help hem niet.
Ik besluit om naar buiten te gaan. Alleen maar binnen zitten gaat vervelen, nu kan ik me tenminste buiten vervelen, dat scheelt.

Juilitte’s pov:
Zouden er meer mensen zoals ik zijn? Zou ik ze ooit tegenkomen?
Je weet waarschijnlijk niet waar ik het over heb. Maar ik loop al mijn hele leven met dezelfde vraag rond. Ik ben dus een vampier. Telkens als ik in de buurt van gewone mensen kom, dan krijg ik trek, je weet waarschijnlijk wel waarin. Daarom probeer ik mensen zo veel mogelijk te ontlopen. Want stel dat ik ze bijt, is het niet gelijk gezegd dat zij ook vampier worden, het kan ook hun dood worden, en dat houd me tegen om te bijten. Ik wil geen moordenaar zijn.
Ineens merk ik dat er iemand in de buurt komt, iemand die mijn favoriete bloedsoort heeft. Ik moet hier weg! Ik zoek om me heen om de persoon te ontlopen, hij mag me niet zien. Ik kan nergens heen.

Bill’s pov:
De bries in mijn gezicht doet me goed. Ik voel me gelijk een stuk beter. Verderop zie ik een meisje staan. Ze is helemaal in het zwart gekleed, ze heeft halflang zwart haar. Even kijkt ze mijn kant op, snel zoekt ze ergens naar. Ik ga wel vragen of ik haar kan helpen, met zijn tween zie je meer dan in je eentje. Ik ga naar haar toe.

Juilittes pov:
‘Kan ik je helpen?’ Vraagt een vriendelijke stem. Ik schrik me kapot en draai me snel om. Daar zie een jongen staan. De jongen met het heerlijke bloed. Niet aan denken! ‘Eh… Nee, dat hoeft niet.’ Zeg ik snel. ‘Zeker weten? Ik dacht dat je misschien iets kwijt was. En met zijn tween zie je meer dan in je eentje.’ Zegt hij. Hoe kom ik van hem af?

Bill’s pov:
‘Sorry, moet gaan.’ Zegt ze ineens en gaat ervandoor. Wat had die nou? Ik zou het niet weten. Misschien kom ik haar nog eens tegen. Ik maak maar weer rechtsomkeer naar het hotel.
Daar aangekomen zitten Tom, Gustav en Georg zich te vervelen. ‘Hier valt zo te zien ook niet echt veel te beleven.’ Zeg ik. ‘Nee, niet echt.’ Zegt Gustav. ‘Man, ik wil ergens anders heen, ik verveel me kapot hier. Wat mij betreft doen we nog een paar extra interviews, maar dit is irritant.’ Zegt Tom uit frustratie. ‘Je overleeft het wel, Tom.’ Zeg ik lachend. Het hele gebeuren van daarnet is alweer vergeten. Tom en ik kunnen nooit echt lang boos op elkaar blijven.
De volgende ochtend word ik zoals gewoonlijk weer laat wakker. We zijn vandaag vrij. Yay, en dan zoeken ze natuurlijk zo’n plek uit waar niets te beleven valt. Ik hoor dat Tom ook wakker is. Ik kleed me maar aan. Als ik klaar ben ga ik bij Tom langs. Hij heeft zich wel aangekleed maar is weer op zijn bed gaan zitten. ‘Verveel je je een beetje?’ Zeg ik lachend en prik hem in zijn zij. ‘Ja, en dat moeten we de hele dag volhouden. Weet jij niets om te doen, behalve shoppen.’ Zegt hij met extra nadruk op behalve. ‘Nee, hier is alleen een parkje in de buurt waar ik gisteren was, maar verder houdt het op volgens mij.’ Zeg ik. ‘Ok, gaan we daar toch naartoe?’ Zegt Tom. Ik trek hem overeind en we gaan op pad.

Julitte’s pov:
Ik ben weer zoals gewoonlijk in het parkje te vinden. Ik zou mijn plekken waar ik me verstop beter moeten uitzoeken. Helemaal, nu ik weet dat die jongen van gisteren me ontdekt heeft. De meeste mensen gunnen me niet eens een blik, en hij spreekt me ineens aan. Ik weet wel dat het goed bedoeld was, maar het was zo moeilijk om het te weerstaan.
Ineens merk ik dat er weer iemand aankomt, toch niet weer die jongen? Maar nu is het sterker. Het zijn meer personen, met dezelfde bloedgroep. Als ik omkijk zie ik dat het die jongen van gisteren is, en hij heeft nog iemand bij zich. Gelukkig zijn ze in gesprek, misschien dat ik ze dan nog kan ontlopen. Maar dat bloed is zo heerlijk…Nee, niet aan denken, gewoon weg lopen. Ik loop richting een fonteintje. Ineens hoor ik die stem van die jongen achter me naar mij roepen. Geschrokken draai ik me om. De jongens komen naar me toe gerend. ‘Hoi, gisteren was je ook hier. Heb je al gevonden wat je kwijt was?’ Vraagt de jongen met het zwarte haar. ‘Ik…Eh… Ik was niets kwijt.’ Zeg ik. ‘Maar gisteren liep je iets te zoeken?’ Zegt hij. ‘Nee, ik liep niet te zoeken.’ Zeg ik. Ik wil weglopen maar dat zou nu heel raar zijn. ‘Oh, ok. Trouwens, ik ben Bill, en dit is Tom, mijn broer.’ Zegt hij. ‘Ok.’ Zeg ik. ‘En hoe heet jij?’ Vraagt Tom. ‘Julitte.’ Zeg ik. Wat moet ik nou met hun? Ze moeten weg, en dan bedoel ik niet uit de weg geruimd. ‘Ik moet gaan.’ Zeg ik. ‘Gisteren ook al. Wat is er met je?’ Vraagt Bill. ‘Geloof me, dat wil je niet weten. Als ik het zou zeggen zou je me waarschijnlijk aangeven bij de politie of iets dergelijks.’ Zeg ik. ‘Heb je iets gestolen?’ Vraagt Tom. ‘Nee.’ Zeg ik. ‘Dan hoeven we je toch niet aan te geven?’ Vraagt Bill. ‘Je zult het waarschijnlijk toch niet begrijpen.’ Zeg ik. Ik kijk om me heen voor een geschikte plaats om naartoe te gaan, mensen zien me namelijk niet goed als ik in schaduwen sta. ‘Je kunt het best vertellen. Soms is het beter.’ Zegt hij. ‘Doe jij dat ook?’ Vraag ik. ‘Nou, meestal wel, aan Tom. En andersom ook.’ Zegt hij. ‘Meestal? Dus niet altijd. Ik ben niet van plan om het te vertellen. Hoewel…’ Ik denk even na. ‘Hoewel wat?’ Vraagt Tom. ‘Ik weet zeker dat jullie me dan niet meer willen volgen, waarschijnlijk willen jullie me dan zo veel mogelijk ontlopen.’ Zeg ik. Ik loop weg, naar de schaduw van een grote boom. De jongens komen achter me aan. ‘Kan ik jullie vertrouwen? Vertellen jullie niets door?’ Vraag ik. ‘Je kunt ons voor 100 % vertrouwen.’ Zegt Bill. Tom knikt. ‘Ok, dan zal ik uitleggen waarom ik jullie zo veel mogelijk ontloop,’ Zeg ik. ‘Waarschijnlijk hebben jullie wel eens van die verzonnen verhaaltjes over vampieren gehoord?’ Vraag ik. De jongens knikken. ‘Daar is het antwoord. Zo, klaar.’ Zeg ik. ‘Je hebt niets verteld.’ Zegt Tom niet begrijpend. ‘Je snapt er echt niets van h. Ik ben een vampier, zo ben ik nou eenmaal. Ik probeer jullie te ontlopen omdat jullie zo’n heerlijk bloed hebben. En…Ik wil gewoon niet bijten, maar weet je wel hoe moeilijk dat is? Helemaal als jullie telkens achter me aankomen. Die verleiding wordt alsmaar groter.’ Ratel ik achter elkaar. Tom staart me met open mond aan, en het lijkt eindelijk ook bij Bill door te dringen wat ik net zei. ‘Dus daarom moest je gisteren ineens weg?’ Vraagt hij. Ik knik. ‘Dus wij kunnen beter gaan volgens jou.’ Vraagt Tom. ‘Ja.’ Zeg ik zacht. ‘Zit er iets dwars?’ Vraagt Bill. ‘Er heeft nog nooit iemand iets om me gegeven. Jullie zijn de eerste die echt naar me luisteren, alle andere mensen zouden waarschijnlijk al lang weg gegaan zijn, of mij hebben opgesloten in een gekkenhuis.’ Zeg ik. ‘Dat is echt rot voor je.’ Zegt Bill. Ik knik. ‘Vind je het erg vervelend als we toch nog even blijven?’ Vraagt hij. Ik schud nee. Enerzijds vind ik het best lastig, omdat… Nouja, ik ben nou eenmaal zo. Je weet wel. En aan de andere kant vind ik het wel prettig, eindelijk iemand die om me geeft. Twee zelfs. We hangen nog wat rond in het park. Naar mate het donkerder wordt, hoe meer moeite ik moet doen om me in te houden. ‘Het is beter dat jullie nu gaan.’ Zeg ik. ‘En jij dan? Je zegt net dat je geen huis hebt.’ Zegt Bill. ‘Weet ik, heb ik ook niet. Maar jullie moeten gaan. Hoe meer het naar 12 uur ’s nachts gaat, hoe meer ik moeite moet doen om niets bij jullie te doen.’ Zeg ik. ‘Maar -’ Begint hij. ‘Ga nu. Ik red me wel.’ Zeg ik. ‘Bill, als ze zegt dat het anders te gevaarlijk voor ons wordt, moeten we dat geloven, zij weet er meer van dan wij.’ Zegt Tom. ‘Ik kom zo.’ Zegt Bill. ‘Ben je morgen weer hier?’ Vraagt hij. ‘Het is gevaarlijk.’ Piep ik. Ik houd het niet meer… Ik probeer me te verzetten, maar ik houd het niet meer. Voor ik het weet bijt ik Bill. Ik sluit mijn ogen, wacht… Dit mag niet! Hier mag ik niet van genieten! Ik laat los en sla mijn handen voor mijn mond. ‘Nee, ik wilde dit niet.’ Zeg ik. Ik zie dat Bill in elkaar zakt. Tranen staan in mijn ogen. Ik probeer Bill wakker te krijgen. Tom komt naar me toe gerent. ‘Je moet weg Tom. Ik zorg wel voor hem.’ Zeg ik snel. Hij knikt en gaat er vandoor.
Wat heb ik hem aangedaan. Het kan zo zijn dat Bill nu dood gaat, en dan is het mijn fout. Ik moet eerst zeker weten dat hij geen vampier is geworden, in dat geval kan het zo zijn dat hij niet vannacht, maar de volgende nacht pas wakker wordt. Ik blijf wakker tot in de vroege uurtjes. Dan pas val ik in slaap.
Als ik wakker word ben ik nog steeds in het park, ik realiseer me ineens weer waarom. Snel kijk ik hoe het met Bill is, maar er is na gisteravond niets veranderd. Ik voel aan zijn hand, die voelt koud aan, maar dat zegt niets. Ik heb ook altijd koude handen, dat hoort zo. Ineens hoor ik iemand mijn naam roepen, gezien niemand me hier kent kan het maar n iemand zijn; Tom. ‘Julitte? Waar ben je?’ Roept hij. Oja, ik zit in de schaduw, hij ziet me niet. ‘In de schaduw van de boom.’ Roep ik terug. Hij kijkt mijn kant op, maar lijkt me nog steeds niet te zien. Hij komt naar me toe. Pas als hij dichtbij is ziet hij me. ‘Hoe is het met Bill?’ Vraagt hij bezorgt. ‘Dat weet ik niet. Het kan zijn dat hij deze nacht wakker word als vampier, het kan ook zo zijn dat…’ Ik stop mijn zin. ‘Dat wat?’ Vraagt hij. ‘Dat hij nooit meer wakker wordt.’ Zeg ik zacht. Tom knikt langzaam. Ik zie zijn ogen glimmen. Ik hoop dat Bill vanavond wakker word, anders heb ik echt de ergste fout uit mijn leven gemaakt. Het is een tweeling! Die heb ik anders zomaar uit elkaar getrokken. Tranen gaan over mijn wangen. ‘Jij kunt er niets aan doen.’ Probeert Tom me te sussen. Hij legt mijn hoofd tegen zijn borst en wiegt me zacht heen en weer. ‘Het spijt me zo, dit was echt niet de bedoeling.’ Zeg ik huilend. ‘Weet ik.’ Zegt hij. We zeggen even niets en kijken alleen maar naar Bill.
’s Avonds gaat Tom pas weer weg. Ik smeek of Bill asjeblieft wakker word. Ik ga expres niet slapen, anders mis ik misschien enig teken dat hij nog leeft.
De uren verstrijken langzaam, maar er is geen enkel teken van Bill. Ik kan mezelf niet vergeven wat ik heb gedaan. Nu niet, morgen niet, nooit.
’s Middags komt Tom weer. ‘Is hij vannacht wakker geweest?’ Vraagt hij. Ik schud van nee. ‘Is het zo dat…’ Begint hij. Ik knik. Ik ben bang dat Bill overleden is. Het dringt langzaam tot Tom door, hij wil het niet geloven. Bij ons beiden staan de tranen in onze ogen. Hoe kon ik dan ook zo dom zijn om met mensen om te gaan? Ik had beter moeten weten. ‘Ik snap het als je me nu haat.’ Zeg ik zacht. ‘Dat doe ik niet. Maar… Ik kan het gewoon niet geloven.’ Zegt hij.
Die nacht zit ik weer alleen. Het stort regent, en af en toe komt er een regendruppel tussen de bladeren vandaan. Waarschijnlijk is Tom nu aan het slapen, of hij ligt in zijn bed te piekeren over zijn broertje, dat kan ook.
Wacht… Ik kan wel wat doen, ik weet alleen niet of het lukt, ik heb het namelijk nog nooit gedaan. Trillend zet ik mijn handen op Bill’s borst en sluit mijn ogen. Ik mompel wat zinnen in een taal die niemand meer gebruikt. Mijn handen worden warmer, het gaat lukken. Ik concentreer me beter. Mijn hele lichaam wordt gevuld met warmte. Ik voel wat bewegen onder mijn handen. Als ik mijn ogen open zie ik dat Bill’s borstkast weer op en neer gaat. Ik haal mijn handen weg. Langzaam opent Bill zijn ogen. ‘Wat is er gebeurt?’ Vraagt hij terwijl hij rechtop gaat zitten. ‘Ik heb niet veel tijd, maar ik zal het snel uitleggen.’ Zeg ik. Hij gaat rechtop zitten en knikt. ‘Kan je je nog herinneren dat je me tegen kwam? Je was samen met Tom.’ Zeg ik. ‘Ja, dat weet ik. Toen zei je dat we weg moesten. Maar daarna weet ik het niet meer.’ Zegt hij. ‘Daarna heb ik je gebeten. Het was helemaal niet de bedoeling. Maar…. Het gebeurde toch. Toen konden er twee dingen gebeuren. Of jij werd daarna weer wakker en werd vampier, of je zou dood gaan.’ Zeg ik. Bill knikt. ‘Het laatste is gebeurt.’ Zeg ik. ‘Huh? Maar, hoe kan ik dan met jou praten?’ Zegt hij niet begrijpend. ‘Dat ga ik je nu vertellen. Er is een heel oude spreuk, alleen voor vampiers. Weinig vampiers kennen de spreuk, of ze willen deze niet gebruiken. Het gevolg is namelijk dat jij nu weer je leventje kan leiden, maar daardoor overlijd ik. Dus daarom heb ik nu niet veel tijd meer. Zorg jij maar dat je bij Tom komt, hij is namelijk heel erg verdrietig om je. Dat is de reden waarom ik mezelf opoffer. Ik ben hier toch niet gewenst. Dus ga snel. Ok?’ Zeg ik. ‘Ok.’ Zegt hij. Ik sta op en ren snel weg van hem. Ik heb niet lang meer.

Tom’s pov:
Het is laat in de nacht. Ik lig wel in bed, maar ik kan niet slapen. Telkens moet ik aan Bill denken. Nu Bill niet meer bij me is, merk ik pas echt hoeveel ik hem nodig heb, en hoe veel ik van hem houd. Ik ga morgenochtend aan de jongens vertellen dat we Bill kwijt zijn. De tranen rollen over mijn wangen. In de kamer naast me hoor ik hoe Georg snurkgeluiden maakt. Aan de andere kant van mijn kamer is het helemaal stil, daar hoorde Bill nu te slapen. Er komen nog meer tranen. Ik hoor iemand de trap op lopen. Gustav was toch al naar bed gegaan? De deur van mijn kamer wordt open gedaan. Daar zie ik Bill staan. Ik kan mijn ogen niet geloven. Ik ga snel naar hem toe en omhels hem. Hij wrijft over mijn rug. ‘Ik heb je zo gemist.’ Zeg ik tussen de snikken door. Hij zegt niets. ‘Maar Julitte zij dat…’ Begin ik. ‘Weet ik. Ze heeft alles ook aan mij verteld en uitgelegd.’ Zegt hij. ‘Maar hoe kan het dat jij nu voor mijn neus staat?’ Vraag ik. Ik zie dat hij het er ook moeilijk mee heeft. Hij slikt even. ‘Er bestaat een spreuk, die alleen door vampiers wordt gebruikt. Dat heeft zij dus gedaan. Maar om dat te doen, moest ze zichzelf opofferen.’ Zegt hij. ‘Maar… Dan is zij nu dood?’ Vraag ik. Hij knikt. Dit is echt verwarrend. Ik druk me tegen Bill aan. Zijn kleren zijn nog nat van de regen, maar dat maakt mij niets uit, want onder die kleren zit mijn broertje die nog steeds leeft. Na een hele tijd laten we elkaar pas los. ‘Ik ga me even omkleden ok?’ Zegt Bill. Ik knik. Als hij weer terug komt vraag ik of hij vannacht bij mij wilt slapen. Hij knikt. Ik heb hem echt zo vreselijk gemist, ook al waren het maar 2 dagen. Het is toch stil zonder hem. Ik val in slaap tegen mijn broertje aan.
Als ik wakker word herinner ik me langzaam wat er vannacht gebeurd is. Ik laat Bill nog even slapen en ga me omkleden. Als ik terug kom is Bill ook wakker. ‘Good morning sunshine.’ Zeg ik lachend als ik Bill’s slaperige hoofd zie. ‘Grappig hoor.’ Zegt hij en wrijft in zijn ogen. Ook Bill gaat zich aankleden. Ik vraag me af waar Julitte is geindigd. Bill zei dat ze weggerend was. Had ze een of andere plek waar ze naartoe moest?
Bill geeft me een tik tegen mijn hoofd. ‘Was dat nodig?’ Vraag ik. ‘Ja, je was even van de wereld.’ Zegt hij. ‘En daarom geef je me een tik?’ Vraag ik. ‘Ja. Waar zat je aan te denken?’ Vraagt hij terwijl hij met zijn borstel door zijn natte haren gaat. ‘Ik vroeg me af waar Julitte nu is.’ Zeg ik. Bill mikt zijn borstel in zijn tas, die er uiteindelijk naast beland. ‘Ik zou het ook niet weten.’ Zegt hij en slaat zijn ogen neer. Dan word er op de deur geklopt. Bill doet open. Ik kijk wie het is. ‘Julitte!’ Bill heeft mijn vraag al beantwoord. Ik spring op en ga naar haar toe. ‘Hey jongens. Heb ik jullie laten schrikken.’ Vraagt ze lachend. ‘Maar jij… En Bill… Ik snap er niets meer van.’ Zeg ik. ‘Hahaha… Snap ik. Het zit zo, zoals je waarschijnlijk van Bill hebt gehoord ben ik weggerend naar een geheime plaats. Waar die is kan ik jullie niet vertellen, jullie kunnen er trouwens ook niet komen. Maar in ieder geval. Elke minderjarige vampier wordt in de gaten gehouden, dus diegene die mij zegmaar volgt heeft gezien wat ik deed, en dus ook dat ik mezelf opofferde voor Bill. Dat vond ze heel goed van me, en als beloning mocht ik terug hier naartoe. Ik heb zegmaar een tweede kans gekregen.’ Vertelt ze blij. ‘Maar je bent nog steeds vampier?’ Vraagt Bill. ‘Ja, eens een vampier altijd een vampier h,’ Lacht ze. ‘Maar je bent toch niet bang voor me? Door mijn mega domme actie. Of wel?’ Vraagt ze snel. ‘Nee, wie kan er nou bang zijn voor jou?’ Zegt Bill en slaat een arm om haar heen. ‘H, nu word ik jaloers, ik wil ook een stukje.’ Zeg ik lachend, en sla mijn arm ook om haar heen. ‘Broers… Wat moet je ermee aan?’ Zegt ze lachend. ‘Pas op h, je bent in de minderheid.’ Lach ik. Ze steekt haar tong uit naar me. ‘Maarre… Heb je er nou ineens geen last meer van dat je ons bloed o zo lekker vind?’ Vraag ik. ‘Natuurlijk wel. Maar nu is het wat minder dan ’s avonds. En om 12 uur ’s nachts moeten jullie echt bij me uit de buurt blijven, maar dat heb je wel gemerkt.’ Zegt ze. ‘Jammer, dan zou een nachtje logeren dus niet kunnen.’ Zegt Bill. ‘Jawel, maar je zou me moeten opsluiten. Of in ieder geval zorgen dat ik op geen ene manier bij jullie kan komen.’ Legt ze lachend uit. ‘Dat is eigenlijk best irritant. Waar zouden wij je nou moeten opsluiten?’ Zeg ik. ‘Weet ik veel.’ Zegt ze. ‘Wij zitten hier namelijk nog een paar dagen, en er is hier zo weinig te beleven, vandaar.’ Zeg ik. ‘Aha. Nou, hier zijn genoeg kamers die je op slot kunt draaien.’ Zegt ze. ‘Zullen we het eens doen? Of heb je daar geen zin in?’ Vraagt Bill. ‘Natuurlijk heb ik er zin in. Eindelijk heb ik eens goede vrienden.’ Zegt ze blij. ‘Over vrienden gesproken, we moeten Georg en Gustav dan nog wel even inlichten.’ Zeg ik. ‘Oja, bijna vergeten. Zullen we dat maar gelijk doen?’ Vraagt Bill. ‘Ok.’ Zeggen Julitte en ik in koor.

Was it a dream? Or was it not?

Was it a dream? Or was it not?

Bill’s pov:
Ik zit voor het haardvuur. Nu zul je wel denken, haardvuur? Wie heeft dat nog? Nou, wij dus.
Ik zit hier nu dus een beetje zielig te doen. Ik had namelijk een relatie, ja je hoort het goed, had. Ze was echt bloedmooi, zowel innerlijk als uiterlijk. Ik vertrouwde haar helemaal, en zij vertrouwde mij. We hadden echt een geweldige tijd samen. We hebben samen mega veel foto’s gemaakt waar we samen op staan. We hebben Tom ermee gek gemaakt dat wij zo veel van elkaar hielden. Natuurlijk deed ik Tom niets tekort. Hij vond het fijn voor me dat ik eindelijk een relatie had. Maar het is zojuist in een keer uit elkaar gevallen. Het begon gisteren toen ik in het park liep. Ik zag mijn lieveling met een ander staan. Dat maakt me op zich niet uit, iedereen moet toch gewoon met elkaar kunnen omgaan? Maar toen begon zij hem te zoenen, en niet zo’n beetje ook. En het was echt niet zo dat hij begon, het was overduidelijk zij. Dus daar stond ik dan, terwijl mijn liefde van mijn leven vreemd ging. Ik ben toen overstuur naar huis gegaan. Daar heb ik alles aan Tom verteld.
Daarnet heb ik haar erop aangesproken. Ze gaf eerlijk toe dat ze vreemdging, ze wilde niet meer verder met mij en maakte het uit. Ze liet me alleen achter. Het maakte haar helemaal niets uit dat het over was, en misschien is dat wat mijn hart het meeste verscheurt. Ze liep gewoon weg alsof er niets aan de hand was.
Dat is dus de reden dat ik hier nu zit. Alle foto’s heb ik op mijn schoot liggen. Het enige bewijs wat er over is van onze relatie ligt hier op mijn schoot. En straks zal daar ook niets meer van over zijn. Een voor een verbrand ik de foto’s. Met tranen in mijn ogen kijk ik hoe de foto’s tot een hoopje as vergaan.
Het leek zo’n mooie droom, maar het was allemaal te mooi om waar te zijn.
Tom komt naast me zitten. Hij legt een hand op mijn schouder. ‘Het is beter zo.’ Zegt hij.

Leven zonder geluid

Leven zonder geluid

2003, Tom & Bill zijn 14 jaar en zitten in de 3e klas.
Bill’s pov:
De vakantie is zoals gewoonlijk weer veel te snel voorbij gegaan. Tom en ik zitten verveeld achter in de klas. Tom in zijn gebruikelijke hoekje, en ik daarnaast. Langzaam komt de rest van de klas binnendruppelen. Het valt me ineens op dat er een nieuwe jongen tussen loopt. Iedereen gaat ergens zitten, de meeste zitten op een standaard plaats bij hun vrienden. ‘Is deze plaats vrij?’ Vraagt de nieuwe jongen en wijst naar de stoel naast me. ‘Ja hoor, ga maar zitten.’ Zeg ik. ‘Dank je. Ik ben Mark, en jij?’ Vraagt hij. ‘Bill.’ Zeg ik. Lekker spontaan, dat kom je niet vaak tegen als ze in een vreemde klas zitten. Als de docente binnenkomt zie ik Tom’s ogen groot worden. ‘Die mag van mij wel vaker les geven.’ Zegt hij. ‘Hoezo?’ Vraag ik. ‘Kijk eens naar die voorgevel, jemig. Ze is volgens mij nog redelijk jong.’ Zegt hij. Typisch Tom. De les begint, en aan Tom’s gezicht te zien is hij alweer uitgekeken op de docente, nouja, haar voorgevel. In de pauze gaat Mark naar een aantal andere mensen toe, waarschijnlijk probeert hij zo goed mogelijk met iedereen bevriend te raken. Hij doet maar, ik ga met Tom mee naar buiten.

*Tijdsprong. We gaan 2 maanden verder.*
We zijn nog steeds bevriend met Mark. Hij trekt ook wel veel op met een andere groep, ik heb het idee dat hij zich daardoor anders is gaan gedragen. Maar dat soort dingen moet hij zelf maar uitvissen. De bel gaat en Tom, Mark en ik staan snel op om naar huis te gaan. ‘Oja, vandaag zou ik naar Gustav en Georg gaan. Wilde je nog mee?’ Vraagt Tom aan mij. ‘Nee, ik heb nog veel te doen. Ik zie ze toch snel weer. Veel plezier dan bij ze h.’ Zeg ik. ‘Ok, tot vanavond.’ Zegt hij en gaat de andere kant op. Mark en ik gaan naar de fietsenstalling, daar pakken we onze fietsen en stappen op. ‘Hee Bill, ik wil je wat laten zien. Het is hier niet ver vandaan.’ Zegt Mark. ‘Oh, ok, heel even dan.’ Zeg ik. We gaan naar een stuk achter een flat. We zetten onze fietsen tegen het gebouw aan en lopen verder. Ik hoor iemand achter me. Ineens worden mijn polsen op mijn rug gedraaid. Ik wil me omdraaien maar dat gaat niet. Mark draait zich om. Er staat een gemene grijns op zijn gezicht. ‘Eindelijk is je broer er niet op je te helpen.’ Zegt hij. Het wil niet tot me doordringen wat er gebeurt. We waren toch vrienden? Iemand trapt in mijn knieholtes waardoor ik op de grond op mijn knien terecht kom. Mijn polsen hebben ze losgelaten. ‘Waar slaat dit op?’ Zeg ik. Mark tilt me op aan mijn kraag. ‘Waar slaat dit op? Dat gaat jou niets aan!’ Zegt Mark boos hij geeft een harde stoot tegen mijn onderkaak waardoor mijn tanden hard op elkaar klappen. Daarna trapt hij hard in mijn kruis. Ik probeer me in te houden. De persoon die daarnet achter me stond staat nu voor me. Hij schopt hard in mijn gezicht. Er komen meer mensen achter het gebouw vandaan, maar niet om me te helpen. In tegendeel, om het erger voor me te maken. Er staat een hele groep om ons heen. Een paar staan er toe te juichen, anderen gaan naar het midden om ook eens een flinke klap uit te mogen delen. ‘Kom op mensen, wie wil er nu?’ Zegt Mark lachend, nog steeds met een gemene grijns op zijn gezicht. Iedereen heeft het naar zijn zin, eindelijk kunnen ze iemand te grazen nemen zonder dat ze tegengehouden worden, het maakt ze niets uit wie er ligt. Ik word heen en weer gesleurd, tegen de grond gesmeten, ze slaan en schoppen me. Ik verbaas me er nog over dat mijn arm nog niet uit de kom is getrokken of zoiets dergelijks. Mijn zicht word alsmaar slechter, ik voel alleen nog hoe ik van de ene naar de andere kant getrokken en geduwd word. Het enige teken dat ik bij bewust zijn ben is de pijn die door mijn lijf giert. Ik zie alles nog wazig. Na een tijdje zie ik niets meer, alle vlekken die ik zag veranderen in een zwart geheel. Ik houd mijn gewicht niet meer en zak weg.
Als ik wakker word in het ziekenhuis is alles een beetje wazig. Ik knipper een paar keer met mijn ogen om alles scherp te krijgen. Dan zie ik dat Tom en mam er zijn. Ze praten met een dokter. Mijn moeder slaat een hand voor haar mond, Tom kijkt bezorgt naar me. Wat is er aan de hand? Ze praten met elkaar, maar ik versta het niet. Ik probeer de gebaren van de dokter te volgen. Dat is nogal onduidelijk, het enige wat ik eruit kan opmaken is dat er iets met mijn oren is. Als de dokter weg gaat vraag ik wat er aan de hand is. Tom trekt een wenkbrauw op. Hij zegt iets wat ik niet kan verstaan. Ik zoek een pen en papier. ‘Wat is er aan de hand?’ Schrijf ik. Zijn mond vormt zoiets als “oh”. Hij schrijft iets op en laat het aan mij lezen. ‘De dokter zij daarnet dat er een zenuw was geraakt.’ Ik begrijp er nog steeds weinig van. ‘Hoor ik daarom niets??’ Schrijf ik. ‘Ja, hij zei dat je daardoor doof bent geworden.’ Schrijft Tom. Ik kijk hem geschrokken aan. ‘Maar hoe moet dat dan verder met de muziek als ik het niet kan horen?’ Krabbel ik snel op. Ik zie dat Tom even nadenkt voordat hij iets opschrijft. ‘Misschien is daar een oplossing voor…Dat jij begint en wij later invallen. Maar ik weet ook niet hoe het verder kan. En hoe wil je trouwens weten of iets klinkt als je het zingt? Je hoort het niet.’ Schrijft hij. ‘Shit, dat is waar…’ Schrijf ik. Mijn moeder zegt iets tegen Tom, hij geeft het papier en de pen aan haar. ‘Het is misschien makkelijker om gebarentaal te leren. Dan hoef je het niet altijd op te schrijven. Ik weet dat het moeilijk is. Tom en ik willen je altijd helpen.’ Schrijft ze. Wat! Gebarentaal leren? Hoe moet dat? Ik weet toch niet wat alles betekend als ik niet versta wat ze erbij vertellen? ‘Kan ik niet gewoon blijven schrijven?’ Schrijf ik terug. ‘Je kunt beter proberen om te blijven praten, als je niets zegt gaat het namelijk sowieso achteruit. Nu heb je nog kans dat je verstaanbaar blijft. Snap je?’ Schrijft ze. Ik schud nee. ‘Als jij stopt met praten, en over een jaar weer begint heb je kans dat je niet goed weet hoe je de woorden moet vormen, normaal hoor je dat, maar nu niet. En als je nu zo veel mogelijk blijft praten is er kans dat je redelijk verstaanbaar blijft.’ Schrijft ze. Ik knik. De dokter komt weer binnen. Hij keert zich naar mij toe en begint allemaal dingen uit te beelden. Ik begrijp er echt helemaal niets van, alleen iets met lopen. Ik trek een wenkbrauw op. Tom moet lachen. Tom geeft de dokter het pen en papier aan. ‘Je kunt weer naar huis. Maar als je weer naar buiten gaat, let dan goed op in het verkeer, of neem iemand mee die wel goed hoort.’ Schrijft hij. Ik krijg een lach op mijn gezicht. Ik ga het bed uit. ‘Waar moeten we heen?’ Vraag ik aan Tom. Het schijnt nogal raar te klinken want hij snapt het niet en moet een beetje lachen. Hij zegt iets, maar het gaat veel te snel. Dat ziet hij ook aan mijn gezichtsuitdrukking en herhaalt het heel langzaam. ‘Wat zei je? Waar we heen moeten?’ Vraagt hij. Ik knik. ‘Naar beneden, langs de receptie. We staan ergens achter op de parkeerplaats.’ Zegt hij langzaam. Ik knik als teken dat ik het begrijp. We gaan naar beneden en inderdaad ook langs de receptie. Het is een heel eind lopen naar de auto, of het lijkt zo. De zon brand vandaag fel op mijn hoofd, ik krijg er koppijn van. We stappen in. Als we de deuren dichtslaan hoor ik natuurlijk nog steeds niets. Ik moet een beetje lachen. Tom kijkt me vragend aan. ‘Wat is er nu weer?’ Vraagt hij met een glimlach. ‘Dat ik niet hoor dat die deuren hard dichtslaan. Dat is een heel raar idee.’ Probeer ik zo goed mogelijk uit te spreken. Hij moet lachen. Ik weet niet of het is omdat ik nu op een andere manier praat of om de reden die ik hem zojuist heb verteld. We rijden naar huis. Eigenlijk is er helemaal niets aan om niets anders dan je eigen gedachten te horen. Als we thuis komen zitten Gustav en Georg al op ons te wachten voor de deur, duurde het zo lang? Ze praten wat met elkaar, het gaat te snel voor mij om te volgen waar ze het over hebben. Gustav zegt ineens wat tegen mij, maar ook dat gaat te snel. Tom neemt het woord over, waarschijnlijk legt hij nu uit wat er is gebeurt en dat hij langzaam moet praten. Gustav herhaalt het nog eens. ‘Heb je zin om zo iets met zijn allen te doen?’ Vraagt hij. Ik knik enthousiast. Tom informeert mam. We gaan met zijn allen op stap. We gaan naar een cd winkel. Dat kan ik nu natuurlijk ook niet meer luisteren, dat is wel jammer. Na een tijdje verveel ik me, het enige wat ze hier hebben zijn cd’s, cd’s en nog meer cd’s. Uiteindelijk heeft Georg zijn keuze gemaakt en kunnen we afrekenen. Buiten pakt Gustav zijn ipod, hij heeft waarschijnlijk weer een nieuw nummer van Metallica. Ze willen nog een paar cd winkels in. Ik blijf buiten, binnen verveel ik me toch kapot. Ik voel me een soort van buitengesloten, of eigenlijk heb ik meer het idee dat ik er niet meer bij pas. Nu is het een soort van zij met zijn drien en ik alleen, terwijl het eerst altijd wij met zijn vieren was. Ik zucht diep. Hier zal ik mee leren om moeten gaan. Ik ga een eindje lopen. Na een paar minuten voel ik mijn mobiel in mijn zak trillen. Inkomende oproep van Tom. Lekker slim van hem. Al snel houd het getril op, hij is er waarschijnlijk achter gekomen dat het niet zo handig was om te bellen. Als snel krijg ik een sms’je: ‘Sorry, ik was even vergeten dat naar jou bellen niet zo handig was ;-) Maar waar ben je? Wij zijn klaar.’ Lees ik. ‘K kom wel naar je toe.’ Schrijf ik terug. Ik druk op verzenden en slof weer terug naar de cd winkel van daarnet. Ik heb eigenlijk helemaal geen zin om verder te gaan in de stad, maar ik wil de sfeer niet verpesten. Als ik weer terug ben zie ik dat Gustav, Tom en Georg druk in gesprek zijn. Ik loop langs hun en ga op het bankje zitten wachten tot ze klaar zijn. Dat gaat ook vervelen en ik ga een beetje lopen ijsberen. Ik vind het nu al saai om niets te horen. Ineens word ik opzij getrokken door Tom. Er rijd een brommer hard voorbij. Die kon ik natuurlijk ook niet horen aankomen, dat is nog gevaarlijk ook. Ik zucht diep. ‘Wil je naar huis?’ Schrijft Tom op een papiertje. Ik knik. Tom zegt het tegen Gustav en Georg, die zeggen nog even gedag. Tenminste, dat denk ik. Ik ga met Tom samen naar huis. Als we thuis zijn ga ik gelijk naar boven.

Tom’s pov:
Wat is er toch met Bill? Ik wilde er een gezellig dagje van maken, maar hij word alsmaar verdrietiger. ‘Nu al thuis?’ Vraagt mijn moeder. ‘Ja, Bill had geen zin meer.’ Zeg ik. Bill gaat de trap op. ‘Is er iets mis met hem?’ Vraagt ze. ‘Ik zal het wel even vragen. Ik weet het ook niet.’ Zeg ik en ga achter Bill aan. Hij slaat de deur van zijn kamer voor mijn neus dicht. Voorzichtig doe ik de deur weer open. Ik zie Bill zitten met zijn handen voor zijn gezicht, een traan druipt langzaam langs zijn hand. Ik ga naar hem toe en leg mijn hand op zijn rug. Even lijkt hij te schrikken, maar hij weet dat ik het ben. Troostend wrijf ik over zijn rug totdat hij weer rustig is. Ik tik op zijn schouder als teken dat ik iets wil zeggen. Hij kijkt me aan. ‘Wat is er aan de hand?’ Vraag ik. Hij veegt nog een paar tranen weg. Hij verteld dat hij zich buitengesloten voelde omdat wij allemaal cd winkels in gingen, hij heeft daar natuurlijk niets meer te zoeken, en wanneer iemand iets laat horen op zijn ipod weet hij natuurlijk ook niet waar het over gaat. Hij verteld ook dat hij het idee had dat het zo was alsof wij met zijn drien waren en hij in zijn eentje, zo voelde het voor hem aan. ‘Sorry, daar had ik ook niet bij stilgestaan. De volgende keer zal ik je er meer bij betrekken ok?’ Zeg ik. Hij knikt maar hij lijkt zich er nog steeds niet helemaal lekker bij te voelen. Ik snap ook wel dat het nu moeilijk voor hem is, en ik zou er graag bij willen helpen, maar hoe?

Bill’s pov:
Tom beloofd om me de volgende keer meer bij het gesprek te betrekken. Ik knik dat het ok is. Ik begrijp ook wel dat Gustav en Georg het irritant vinden om alles extra langzaam te zeggen. Daar zal ik morgen op school waarschijnlijk ook wel tegenaan lopen. Tom zegt dat mam roept dat we naar beneden moeten komen om te eten. Ik ga achter hem aan.
De volgende dag word ik wakker gemaakt door Tom. Hij moet me flink heen en weer schudden eer dat ik echt wakker ben. ‘Slaapkop.’ Vang ik nog net op voordat hij lachend mijn kamer uitloopt. Ik kleed me om en ga naar de eetkamer. We ontbijten en gaan naar school. Gelukkig hadden we het 1e uur vrij, zo kon ik wat meer uitslapen.
Als we op school zijn hebben we nog 5 minuten voordat de bel gaat. Nadat we onze spullen in ons kluisje hebben gestopt en hebben gekeken waar we zo heen moeten zie ik dat sommige mensen al naar hun lokaal gaan. Tom en ik wachten nog even. Na een tijdje tikt Tom me aan. ‘De bel gaat.’ Zegt hij. ‘Ok.’ Zeg ik. We gaan naar boven. Mark tikt op mijn schouder ik kijk om. Hij zegt iets maar het gaat te snel en ik begrijp niet wat hij zegt. Tom kijkt hem boos aan en zegt iets terug. Hij neemt mij mee het lokaal in. Na een tijd wachten komt de docent pas binnen. Die zegt wat en pakt tegelijk uit. Door het uitpakken kijkt hij naar beneden en weet ik niet wat hij zegt. ‘Hij legt uit waarom hij zo laat is.’ Schrijft Tom. De docent zegt iets tegen Tom en Tom zegt weer wat terug waarop de docent weer antwoord geeft. Het gaat allemaal veel te snel voor mij om het te volgen. ‘We moeten straks even blijven zitten. Hij vindt het niet goed dat ik telkens briefjes naar jou schrijf. Ik heb gezegd dat we straks uitleggen waarom. Ik denk dat jij niet wil dat de hele klas het weet.’ Schrijft hij. ‘Inderdaad. Dank je.’ Schrijf ik terug. Ik probeer de les te volgen maar die eikel praat nog steeds te snel. Soms schrijft hij iets op, dat probeer ik dan maar te volgen. Hij heeft me via Tom wel duidelijk gemaakt dat ik geen briefjes meer mag schrijven. Als ik nu alleen nog maar slechte cijfers haalt is het dus echt zijn schuld. Ik snap er weinig van omdat ik die hele uitleg mis. Hij schrijft het huiswerk op, ik schrijf het over in mijn agenda. Iedereen staat op en loopt weg, dat betekend dat het uur voorbij is en het nu pauze is. Tom en ik blijven nog even zitten. De docent begint allemaal dingen tegen me te zeggen en natuurlijk veel te snel. Ik zie dat Tom hem probeert af te remmen. Aan zijn gebaren te zien legt hij nu uit wat er gisteren gebeurd is. De docent keert zich weer naar mij toe. ‘Heb je iets van de les begrepen?’ Zegt hij nu extra langzaam zodat ik het wel begrijp. ‘Nee, maar ik vraag wel aan Tom of hij het wil uitleggen.’ Zeg ik. Ik merk wel dat het moeilijk is om te praten. Ik zie dat Tom nog wat uitleg geeft en dan laat onze docent ons gaan. De dag kruipt traag voorbij, en aan elke docent moeten we uitleggen dat hij of zij langzamer moet praten zodat ik de les kan volgen. Maar eindelijk is het laatste uur voorbij, en gaan we naar huis. Onderweg komen we Gustav en Georg tegen. Ze knopen een gesprek aan met Tom. Ik laat het maar. Als ik nu moet opletten wat ze zeggen rij ik misschien ergens tegenaan. In zo’n geval kan ik maar n ding tegelijk. Als we thuis aangekomen zijn en stil staan probeer ik het een beetje te volgen, maar het gaat weer op het normale tempo. Ik kijk naar Tom. Hij merkt dat en zegt tegen ze dat het te snel gaat. ‘Sorry, maar heb je zin om vanmiddag te gaan repeteren?’ Vraagt Georg. ‘Ja, maar… Hoe?’ Vraag ik. ‘Daar verzinnen we wel wat op.’ Zegt Gustav. We gaan naar de garage waar al onze spullen staan. Ze beginnen met een liedje, na een tijdje houden ze op. ‘Je moest invallen.’ Zegt Gustav. ‘Hoe moet ik nou weten waar jullie zijn in het nummer?’ Zeg ik. ‘Oja, dat is waar. Weet je wat, we doen een nummer waar in jij begint. Wij vallen wel in.’ Zegt Georg. Ik knik en begin. Wanneer de rest moet invallen doen ze het niet. ‘Dit klinkt echt niet.’ Zegt Georg. ‘Sorry.’ Zeg ik. Ik kan er toch ook niets aan doen? Ik hoor mezelf niet dus ik moet gokken hoe ik moet zingen. ‘We doen het gewoon nog een keer en dan vallen we gewoon in.’ Zegt Tom. We proberen het dus nog eens. Ineens houden ze weer op. ‘Sorry maar dit gaat niet verder zo.’ Zegt Gustav. ‘Doe het maar zonder mij.’ Zeg ik en ga weg. Tom pakt mijn schouder beet. ‘We vinden wel iets om met zijn allen te doen.’ Zegt hij. Bij mij staan de tranen in mijn ogen. Ik schud nee.

*Tijdsprong. Het is nu 5 jaar later. Tom & Bill zijn nu 19 jaar en wonen op zichzelf.*
Nog steeds vind ik het lastig om niets te kunnen horen. Het liplezen heb ik wel wat mee onder de knie. Maar het praten kan ik echt niet meer, het klinkt nergens naar. Tom kan er niets meer uit halen wat ik bedoel. Ik schrijf nu alles op, en als we geen pen en papier hebben probeer ik het uit te leggen met gebaren. Dat vind ik echt lastig. Elke dag oefenen we er wel mee, ik moet wel. Nu is het ook weer tijd om te oefenen. Tom beeld een zin uit, en ik moet weten wat het betekend. Dit doen we ook andersom, hij zegt wat ik moet uitbeelden. Het is nog knap lastig, want sommige dingen lijken echt niet op wat je zegt. ‘Het gaat al goed.’ Moedigt Tom me aan. Ik krijg een glimlach. Na een uurtje gaat hij even weg. Ik heb mezelf geleerd piano te spelen, ik wil namelijk toch wat met de muziek blijven doen. Ik hoor het misschien zelf niet, maar als ik het zo speel zoals het er staat, dan zal het vast wel klinken. Ik heb ook al een aantal stukken zelf in elkaar gezet. Tom zei dat het goed klonk, ikzelf heb echt geen idee.
Ik pak een van de muziekboekjes en speel wat. Het wil niet lukken. Tom komt de kamer in. ‘Waar ben je nu?’ Vraagt hij. Ik wijs de regel aan waar ik ben. Hij probeert het even uit. Ik let goed op wat hij met zijn vingers doet. Ik doe het na. Het schijnt nog niet helemaal goed te gaan, want hij doet het nog een keer langzaam voor. Weer doe ik het na. Deze keer lukt het wel. ‘Dank je.’ Zeg ik. Ik moet toch wat doen om mijn vrije tijd op te vullen.
Tom gaat even weer weg, er zal wel aangebeld zijn. Georg en Gustav zouden vandaag namelijk komen. Ik ga achter de piano vandaan en ga naar de gang. ‘Hey Bill, hoe gaat het?’ Vraagt Gustav. ‘Goed hoor, en met jou?’ Vraag ik met gebaren. Hij moet lachen. ‘Gaat wel. Het gaat steeds beter met gebaren h.’ Zegt hij lachend. Ik knik trots.
Het zal waarschijnlijk nooit goed komen zodat ik weer kan horen. Maar dankzij de hulp van Tom heb ik geleerd hoe ik me moet aanpassen om alles te kunnen verstaan.
De meeste mensen accepteren dat ik eenmaal zo ben.
Maar het moeilijkste was om het zelf te accepteren.

Fanfictions, en meer

Fanfictions, en meer

Bill’s pov:
We zitten bij een mega saai interview. De vragen zijn niet saai, maar de persoon die ze stelt. De vragen zijn best origineel. We krijgen normaal altijd dezelfde vragen met hier en daar een variatie. We begrepen wel dat fans dit niet zo leuk vinden, dus we hebben bedacht dat ze zelf vragen verzinnen en insturen. Dat is dus dit interview. ‘Wat vinden jullie van fanfictions?’ Is de volgende vraag. ‘Fanfictions?’ Zegt Tom niet-begrijpend. ‘Ja, verhalen die over jullie gaan.’ Zegt de interviewer. ‘Oh, die hebben we nooit echt gelezen.’ Zeg ik. ‘Inderdaad. Misschien kunnen we dat nog eens doen als we vrij hebben.’ Zegt Tom. ‘Ok, dat was het.’ Zegt de interviewer. Gelukkig, dit was echt het toppunt van saaiheid.
We gaan weer met de tourbus terug naar de studio, we zijn namelijk nog bezig om het nieuwe album op te nemen.
Als we er zijn stap ik uit de tourbus en ga gelijk door naar binnen. ‘Wat was die gast saai zeg.’ Zegt Tom. ‘Inderdaad. Man, volgende keer mag er best iemand anders voor. Maar die vragen waren wel origineel.’ Zeg ik. ‘Dat is waar.’ Zegt Tom. Ik ga achter mijn laptop zitten en ga wat rondkijken op internet. Er is niet zo veel aan. ‘Wil er nog iemand anders internetten? Ik heb hem toch aanstaan.’ Zeg ik. ‘Je kunt ook even zoeken voor die fanfictions. Ik ben wel benieuwd wat er geschreven wordt.’ Zegt Tom. ‘Ok, even zoeken.’ Zeg ik. Na een tijdje zit ik op een fansite. Er staan ook korte verhalen, die noemen ze hier Stand Alone. Ok, ik vind het best. Ik ga maar lezen. Er word beschreven hoe ik een vriendin zou krijgen en haar helemaal in de watten leg, hahaha.. best grappig. ‘Wat zit jij nou te lachen?’ Vraagt Gustav. ‘Oh, niets. Dit verhaal is gewoon grappig.’ Zeg ik. Ik kijk wat er verder is. Er zijn er ook een paar naar de titels van de songteksten vernoemd. Ik lees er een paar. Er worden ook onderwerpen beschreven die nooit zouden gebeuren. Zoals Twincest, zoals zij dat noemen. Ik moet er niet aan denken om een relatie te hebben met Tom! Maar ook dingen zoals dat een van ons zelfmoord pleegt. Wat halen die fans in hun hoofd? Denken ze zo over ons? Ik lees er nog een paar. Sommige zijn echt serieus grappig, anderen weer heel erg realistisch.
Het is tegen de avond toen ik geroepen werd of ik nog van plan was om te eten. ‘Ik kom!’ Roep ik terug. Ben ik zo lang aan het lezen geweest? Ik sluit de laptop af en ga naar beneden. ‘Gezellig dat je toch nog komt.’ Zegt Gustav lachend. ‘Leuk hoor. H, heeft Tom gekookt vandaag?’ Vraag ik als ik de pasta zie. ‘Dat heb je goed geraden.’ Zegt Tom die net binnenkomt met een hete pan met saus. ‘Daar is onze persoonlijke chef kok.’ Lacht Georg. We eten wat, daarna ga ik weer naar boven. ‘H gezellige.’ Zegt Tom als hij boven komt. ‘Sorry, ik heb helemaal niet door hoe laat het is.’ Zeg ik als ik op de klok heb gekeken. ‘Maakt niet uit joh. Maar hoe staat het leven er bij jou voor?’ Vraagt hij. ‘Best hoor. Hoewel dat in dit verhaal niet zo is… hahaha..’ Zeg ik. ‘Hoezo dat?’ Vraagt Tom. ‘Je weet toch in het interview dat die gozer naar de fanfictions vroeg. Ik ben er dus een paar aan het lezen. Ze zijn wel goed geschreven, maar weet je wat ik zo jammer vind?’ Vraag ik. Tom haalt zijn schouders op. ‘Er gaan er zo veel over zelfmoord. Dat een van ons zich snijdt of van het dak springt bijvoorbeeld. En heel veel zijn er met twincest.’ Zeg ik. ‘Wat is dat nou weer?’ Vraagt Tom. ‘Dat wij iets met elkaar hebben, en verder gaan dan alleen dat.’ Zeg ik. ‘Nee bedankt. Ik vind het goed genoeg zo.’ Zegt Tom lachend. ‘Inderdaad, dit is al erg genoeg.’ Zeg ik plagend. ‘Je weet best wat ik bedoel. Maarre, trek je je er niet te veel van aan?’ Zegt hij. ‘Nee, nee, ik stop zo wel. Even nog deze aflezen.’ Zeg ik. ‘Ok.’ Zegt hij en loopt m’n kamer uit. Ik lees het verhaal af.
Een klein weekje later zitten we weer in een interview met dezelfde saaie gast als eerder. ‘Laatst vroegen we jullie naar de fanfictions. Ik heb begrepen dat jullie er ondertussen al een paar gelezen hebben?’ Zegt hij. Zoals gewoonlijk neem ik weer het woord. ‘Dat klopt. We hebben er inderdaad een aantal gelezen.’ Zeg ik. ‘En, wat vonden jullie ervan?’ Vraagt hij. ‘De meeste waren erg goed geschreven. Maar wat ik zo jammer vond was dat de meeste over zelfmoord gingen. Dat was wel jammer, het wekte bij mij een beetje de indruk dat de fans zo over ons dachten. Dat doen jullie toch niet?’ Vraag ik aan de zaal die voor ons zit. Allerlei meisjes beginnen te krijsen dat ze het niet zo bedoelden. ‘Dat is wel duidelijk. Dat was Tokio Hotel, op ZDF.’ Sluit de interviewer af.

Noem het geen handicap!

Noem het geen handicap!

Bill’s pov:
Het is heerlijk weer, en dat is ook de reden dat Tom en ik buiten zijn. En dat zegt echt heel wat. Iets voor ons loopt een meisje. Per ongeluk loopt ze tegen een jongen op. ‘Ben je blind ofzo? Kijk uit je doppen!’ Zegt hij boos. Het meisje negeert het en loopt stevig door. Verder let ik niet op haar. Ik heb Tom namelijk zo ver gekregen om mee te gaan naar een van mijn favo winkels. De enige reden dat hij enigszins meewilde is omdat er een vest te koop is waar hij helemaal gek van is. Zo’n kans laat ik dus echt niet schieten. ‘Beetje doorlopen Tom, ik wil er snel naartoe, dan kan ik op mijn gemak rondkijken.’ Zeg ik. ‘Ja, ja, ik kom al, ik kom al.’ Zegt hij terwijl hij door de menigte achter me aan loopt. Het is behoorlijk druk hier, en het is maar goed dat we niet met de auto zijn gegaan, anders hadden we alleen maar stilgestaan. Ik zie het bord al van de winkel en sleur Tom mee naar binnen. ‘Was dat nodig?’ Vraagt hij. ‘Jup. Ga jij op zoek naar je vest, dan ga ik op zoek naar… euh…’ ‘De rest.’ Vult hij me aan. ‘Wat jij wilt. Tot zo.’ Zeg ik en ga er vandoor. Er hangen allemaal leuke broeken, shirts, riemen, kettingen. Als het aan mij ligt zou ik die hele winkel leegplunderen, maar dat doe ik niet. Ik zoek een paar dingen uit.
Het meisje van daarnet zie ik ook in de winkel staan. Ze tast allerlei spullen af, geen idee waarom. Het lijkt alsof ze met haar vingers erachter probeert te komen wat ze in haar handen houdt. Ik ga maar weer verder, anders moet Tom zo lang wachten.
Uiteindelijk loop ik alsnog met een hele berg spullen naar de kassa en reken af. Tom staat op me te wachten met n tas waar zijn vest in zit. ‘Hoe doe jij dat toch?’ Vraag ik aan hem. ‘Wat? En tas vol krijgen? Gewoon, alleen een vest uitzoeken. Maar hoe jij er vijf gevuld krijgt? Het verbaast me nog dat het er niet meer zijn.’ Zegt hij. Ik lach flauw naar hem. We gaan nog even op een terrasje zitten om een cola’tje te drinken. ‘Gaan we weer naar huis, of wil je nog even rondlopen?’ Vraag ik. Ik weet wel wat Tom gaat antwoorden, maar ik vraag het toch maar. ‘Zu Hause! Ik weet hoe het gaat als ik met jou in de stad ben, ene winkel in, andere uit, volgende please.’ Zegt Tom. ‘Zo erg is het toch niet?’ Zeg ik. ‘Dacht het dus wel h.’ Lacht hij. ‘Pff… Pestkop.’ Zeg ik lachend. ‘Shopfreak.’
We gaan er weer vandoor. Wanneer we bij een druk kruispunt op het stoplicht wachten zie ik het meisje weer.Ze wil het kruispunt oversteken. ‘Wacht!’ Zeg ik en ik een reflex trek ik haar een beetje achteruit. Een brommer raast voorbij. ‘Dank je. Ik dacht dat die brommer nog ver weg was.’ Zegt ze. ‘Zag je hem dan niet aankomen?’ Vraag ik. Ze is even stil. ‘Nee, dat zag ik niet.’ Zegt ze en gaat er vandoor. ‘Wat heeft die nou?’ Vraagt Tom. ‘Iemand nodig die haar helpt?’ Zeg ik op vragende toon. ‘Daar gaan we weer. Ok, we gaan achter haar aan, maar als ze geen hulp wil moet je dat begrijpen.’ Zegt Tom. ‘Ja, ja, maar ik denk dat ze wel hulp kan gebruiken.’ Zeg ik terwijl ik haar nakijk. Haar handen lijken te zoeken naar iets in de lucht. We gaan achter haar aan, dat heeft ze kennelijk gehoord want ze loopt stevig door. ‘Laat me met rust.’ Zegt ze als ik mijn hand op haar schouder leg. ‘We willen je helpen.’ Zeg ik. ‘Dat kan je toch niet.’ Zegt ze. ‘Laat ons in ieder geval proberen te helpen.’ Zegt Tom. ‘Hoe weet ik of ik jullie kan vertrouwen?’ Vraagt ze. ‘Geen idee… Gewoon geloven?’ Zegt Tom. Haar handen tasten een bankje af, dan gaat ze pas zitten. ‘Wil je nog dat we je helpen?’ Zeg ik. Ze zucht. ‘Ik kan het best zelf af.’ Zegt ze en staat op om weg te lopen. ‘Je weet toch wel dat als je doorloopt dat je tegen een boom loopt?’ Zeg ik. Ze draait zich woest om. ‘Wat maakt jou dat uit.’ Zegt ze. Ik ga naar haar toe. ‘Natuurlijk maakt mij dat wat uit. Zullen we even opnieuw beginnen? Hoi ik ben Bill, en dit is mijn broer Tom. En jij bent?’ Zeg ik. ‘Lynn.’ Zegt ze. ‘Ok. Nou, vertrouw je ons al?’ Vraag ik. Ze krijgt een glimlachje. ‘Misschien.’ Zegt ze. ‘Mooi zo.’ Zegt Tom. Het valt me nog mee dat het niet zo iemand is die meteen gaat gillen als we bij haar in de buurt komen, misschien kent ze ons niet? Dat is moeilijk voor elkaar te krijgen in Duitsland, maar het kan. ‘Zin om iets te doen met zijn drien?’ Vraag ik. ‘Ok, ik vind het best.’ Zegt ze. ‘Kunnen we dan wel eerst even die tassen dumpen thuis?’ Vraagt Tom. ‘Natuurlijk.’ Zeggen Lynn en ik in koor. Ze schiet in de lach. ‘Laten we dat eerst maar eens doen.’ Zegt ze. We gaan eerst onze spullen dumpen thuis, en daarna naar het huis van Lynn. ‘Waarom heb je liever dat we hier afspreken?’ Vraag ik na een tijdje. ‘Omdat dat makkelijker is voor mij.’ Zegt ze. ‘En waarom houd je je zonnebril binnen op?’ Vraagt Tom. ‘Omdat het geen zonnebril is?’ Zegt ze. Ze zoekt in een van de kastjes naar glazen. ‘Zouden jullie misschien kunnen helpen? Die glazen staan zo hoog.’ Zegt ze. ‘Ik kom al.’ Zeg ik. Tom achtervolgt me. Ik zet de glazen voor haar neer. Ze pakt een fles uit de koelkast. ‘Is dit goed?’ Vraagt ze en laat het zien. ‘Jup.’ Zeggen Tom en ik tegelijk. Ze schenkt wat in, dan gaan we weer naar de woonkamer. ‘Willen jullie nog weten waarom ik een “zonnebril” draag? Of is er al wat gaan dagen?’ Vraagt ze. ‘Er is al wat gaan dagen, maar vertel het toch maar voor het geval dat Tom het niet snapt.’ Zeg ik lachend. ‘Wat is er nou weer?’ Zegt hij. ‘Ok, wat jij wilt. Het is heel simpel: Ik ben blind. Ik kan er niets aan doen, en het gaat ook nooit over. Zo, verhaaltje uit.’ Zegt ze. ‘Wat? Hoe kan dat?’ Zegt Tom. ‘Geen idee, zo ben ik eenmaal geboren.’ Zegt ze. ‘Daarom zag je die brommer daarnet niet aankomen.’ Zeg ik. ‘Bingo. Ik moet helemaal vertrouwen op mijn gehoor en op hetgeen wat ik voel.’ Zegt ze. ‘Vind je dat niet vervelend?’ Vraag ik. ‘Dit is geen interview zoals jullie altijd doen. Maar ja, het is af en toe behoorlijk vervelend, maar het gaat niet anders h.’ Dus ze kent de band wel. ‘Ik vind het wel knap dat je niet overal tegenaan loopt. Ik bedoel, als ik mijn ogen dicht doe en begin te lopen dan bots ik overal tegenop.’ Zeg ik. ‘Waarom denk je dat ik bijna nooit met mijn handen in mijn broekzakken loop? Ik moet toch weten of er niets is waar ik tegenaan kan lopen.’ Zegt ze. ‘En toch vind ik het knap.’ Zeg ik. ‘Maar jou gehoor is dus ook beter. Geldt dat ook voor muzikaal gehoor?’ Vraagt Tom uit nieuwsgierigheid. ‘Eerlijk gezegd; geen idee. Maar ik kan wel veel melodien naspelen op de piano als ik de nummers heb gehoord.’ Zegt ze. ‘Echt? Dat is zo gaaf!’ Zegt Tom. ‘Wil je het horen?’ Vraagt ze. Natuurlijk stemmen wij gelijk in. ‘Welk nummer wil je dat ik speel?’ Vraagt ze. ‘Welke jij leuk vindt, doe maar wat.’ Zegt Tom. ‘Ok, deze zullen jullie wel kennen. Ik hoor hem namelijk hl vaak bij mijn vriendin, dat is echt grappig.’ Zegt ze. Lynn zoekt de toetsen op en begint met spelen. ‘1.000 Meere?’ Zeg ik lachend. ‘Bingo. Mijn vriendin is namelijk fan van jullie. Het is alleen jammer dat ze naar Amerika moest verhuizen, daar woont namelijk familie van haar.’ Zegt ze droevig. ‘Oh… Maar hoe zit het eigenlijk met jouw ouders?’ Vraag ik. Aan haar uitdrukking te zien had ik dat beter niet kunnen vragen. ‘Als je het niet wilt vertellen vind ik het ook best.’ Zeg ik snel. ‘Nee, nee, het maakt niet uit, ik zeg het wel. Ze zijn omgekomen, ongeveer 2 jaar geleden. Sinds toen woon ik alleen en kwam mijn vriendin me dus heel vaak opzoeken, maar die is nu dus naar Amerika verhuist.’ Vertelt ze. Ze veegt een paar tranen weg. ‘Sorry, ik kon het beter niet vragen.’ Zeg ik. ‘Jij kon het ook niet weten, maar het ligt gewoon nog een beetje hoog.’ Zegt ze. ‘Wat vind je ervan als wij voortaan langskomen? Anders ben je zo alleen. Wij zijn ook niet altijd vrij, maar we kunnen het toch proberen?’ Stelt Tom voor. ‘Ok, als jullie het niet vervelend vinden.’ Zegt ze.

*Een week later*
We zijn op een kleine tour. En dat betekent niet dat we Lynn niet meer zien, ze mag namelijk met ons mee! Als ze dat wilde tenminste, en natuurlijk heeft ze er gelijk mee ingestemd. Ze kan het goed vinden met Gustav en Georg, en dat is maar goed ook. Als ik een nieuwe tekst heb kan zij me prima begeleiden op de piano. Er zijn wel een paar roddels ronde gegaan dat ze een vriendinnetje is van een van ons, maar ze is een vriendin van ons allemaal. Helemaal niet hoe die roddelbladen het bedoelen.
De bus stopt, dat betekend dat we bij de volgende concertzaal zijn. Ik help Lynn naar buiten. ‘Dank je Bill.’ Zegt ze. ‘Wauw, Bill wordt een echte heer.’ Zegt Gustav lachend. Ik steek mijn tong naar hem uit. ‘Dat werd eens tijd.’ Zegt Lynn lachend. ‘Ik kan je voortaan ook zelf laten uitvogelen waar het afstapje zit.’ Zeg ik plagend. ‘Als je me vaak genoeg laat vallen leer ik vanzelf waar het afstapje zit.’ Zegt ze.
Zo gaat het meestal. Dat maakt niet uit, het is wel leuk. En natuurlijk laat ik haar niet van een trap of iets dergelijks afdonderen, en dat weet ze maar al te goed.

Je bent niet alleen

Je bent niet alleen

Ze heeft haar tong een stukje uit haar mond. Ze zit in een hoekje van de kamer tegen de muur. Haar knien zijn opgetrokken. Op haar benen ligt een schetsblok met een deel van een tekening erop.

Ik zet een paar lijnen. ‘Shit! Weer verknoeit!’ Roep ik tegen de mislukte tekening. Ik scheur het vel van het blok af en mik het in de prullenbak die ondertussen al vol ligt met papier. Ik wilde zo graag leren om manga te tekenen, mijn vriendin doet het ook, zo gaaf ziet het eruit. Ik stuntel maar wat aan. Maar om een of andere reden….Zijn het bij mij altijd vampiers. Ik weet niet hoe het komt, ik denk er vaak aan, en heb het er vaak over. Het interesseert me veel. Ja, dat is wat ik tegen de rest van de wereld zeg… Zelf weet ik wel beter, ik bn een van hen.
Als ik op de klok kijk zie ik dat ik naar school moet. Niet dat ik dat nog nodig heb, maar het is mijn “dekmantel” om het maar zo te noemen. Ik bedoel; als je zegt dat je 15 bent, maar je zit niet meer op school, dan word je niet geloofd. Ik leg het tekenblok opzij en pak mijn tas.

Een zwarte gedaante gaat door de straten van Duitsland. Nagekeken wordt ze niet meer, de mensen zijn aan haar gewend. In tegenstelling tot hoe het in het begin was. Toen werd ze overal nagewezen om haar uiterlijk. Maar nu is zo’n beetje iedereen er wel aan gewend. Hetzelfde geldt voor het begin van haar schoolcarrire. Zo ongeveer iedereen dacht dat ze rode kleurlenzen draagt om op te vallen, nu zijn ze eraan gewend. Wat ze alleen niet weten, is dat het geen kleurlenzen zijn…

Eenmaal op school ga ik naar het groepje mensen toe waar ik altijd bij sta. Daar staat ook mijn beste vriendin bij. ‘Hey. Hoe is het met je tekeningen?’ Vraagt ze als ze me ziet. ‘Mwah… Ik heb er vanmorgen weer een paar verknald.’ Zeg ik. ‘Toch niet weggegooid h.’ Zegt ze. Ik knik schijnheilig. ‘Dat moet je niet doen, het is zonde.’ Zegt ze. ‘Weet ik, maar ik kan wel hele schetsblokken bewaren van mislukte tekeningen, daar schiet ik toch niets mee op?’ Zeg ik. ‘Dat is waar. Maar heb jij het 5e ook een tussenuur? Misschien kan ik wat tips geven ofzo.’ Zegt ze. ‘Ok is goed. Zien we elkaar in het parkje achter de school?’ Vraag ik. ‘Is goed.’ Zegt ze.

De tijd verstrijkt langzaam, t langzaam als je het haar vraagt. Maar, uiteindelijk breekt het 5e uur toch aan. Snel gaat ze naar haar kluisje om haar boeken weg te leggen. Ze loopt naar het parkje achter de school en gaat onder een boom zitten in de schaduw. Daar begint ze te tekenen. Deze keer gaat het wel goed. Het is een meisje, haar zwarte haar bedekt gedeeltelijk haar ogen en hangt tot over haar schouders. Ze is gekleed in het zwart, en haar ogen zijn rood. ‘Wauw, die is mooi.’ Hoor ik mijn vriendin ineens achter me zeggen. Ik was daarnet in gedachten verzonken. ‘Huh… Oh, ja, dank je.’ Zeg ik.
We blijven nog even zitten totdat de bel voor het volgende uur gaat. We hebben dezelfde les.
Snel gaan we op de achterste rij zitten. ‘Gelukkig is dit het laatste uur.’ Zegt Yuuki, mijn vriendin. ‘Inderdaad.’ Zeg ik zuchtend. ‘Hey Alex! Je vriendje staat voor de klas.’ Zegt Ren plagend. ‘Grappig hoor. Alleen omdat we allebei veel zwart dragen denk jij dat we bij elkaar passen. Sukkel.’ Zeg ik tegen hem. Ik kijk even op naar de jongen, hij kijkt ook mijn kant uit. Ik gebaar dat hij niet op Ren moet letten, die is wel vaker zo. Hij krijgt een glimlach op zijn gezicht. ‘ Die ene met de dreads mag er anders best wel wezen.’ Zegt Yuuki. ‘Kwijl je niet de hele vloer onder?’ Zeg ik. Ik zie dat de jongen met het zwarte haar achter haar staat. ‘Ja joh, mag hij er wel wezen?’ Zegt hij lachend. Ze draait zich om. ‘Eh… Ja.’ Zegt ze verlegen. ‘Wie ben jij eigenlijk? Het lijkt me niet dat je hier nog op school zit.’ Zeg ik tegen hem. ‘Ik ben Bill, en diegene die er wel mag wezen is mijn tweelingbroer Tom. We zijn gewoon langsgekomen om te kijken hoe het er hier aan toe gaat. We hebben hier 4 jaar geleden namelijk op school gezeten.’ Legt Bill uit. ‘Ik ben Alexia, maar iedereen zegt Alex. En de rest van het zooitje is raar, behalve Yuuki, je zou haar tekeningen eens moeten zien.’ Zeg ik. ‘Alex, stop maar.’ Zegt Yuuki. ‘Ze maakt me wel nieuwsgierig.’ Zegt Bill. ‘Ja, laat ze eens zien.’ Zegt Tom die ondertussen achter Bill is gaan staan. ‘Vooruit dan maar.’ Zegt ze en pakt haar tekenblok. ‘Wauw, die zijn mooi.’ Zegt Bill. ‘Dank je. Alex heeft er ook een paar.’ Zegt ze. ‘Mogen we ze zien?’ Vraagt Tom. ‘Ok.’ Zeg ik en haal ze tevoorschijn. Bill bekijkt ze aandachtig. ‘Die zijn echt gaaf. Maar waarom zijn het eigenlijk allemaal vampiers?’ Vraagt hij. ‘Geen idee, het interesseert me veel.’ Zeg ik. Ik ben niet van plan om iemand te vertellen dat ik een vampier ben. Bill kijkt me nog even aan. ‘Wat is er?’ Vraag ik. ‘Niets.’ Zegt hij snel.

Beide een geheim voor de rest van de wereld. De een weet het van de ander, maar het is niet wederzijds.
Het laatste uur verstrijkt, dat betekend dat ze klaar is met school. Ze gaat naar huis, maar weet niet dat er een verrassing op haar wacht.

Ik steek mijn sleutel in het slot en doe de deur open. ‘Ik ben thuis!’ Roep ik naar boven. Gelijk komt mijn moeder de trap af gestormd.
Mijn ouders zijn beiden geen vampiers. Ze weten wel van mijn gave af.
Ik hang mijn jas op. ‘Ik heb net een brief gekregen.’ Zegt ze. ‘Wat voor een brief?’ Vraag ik. Ze laat de enveloppe zien. Met rode letters staat mijn naam erop geschreven. ‘Nu al?’ Vraag ik. Ze knikt. ‘Het is beter als je meteen het huis uit gaat.’ Zegt ze. ‘Nu?’ Vraag ik. Ze knikt weer. ‘Je hoeft niet meer naar school, maar je mag ook niet meer bij ons wonen.’ Zegt ze. ‘Maar volgens de mensenregels kan ik nog niet eens werken bij een goedbetaald baantje.’ Zeg ik. ‘Sorry, maar het moet,’ Zegt ze. ‘het is voor onze eigen veiligheid.’
Zonder spullen word ik het huis uit geknikkerd. Ik slenter naar het parkje en ga onder een boom zitten. Een eindje verderop zie ik Bill lopen. Hij kijkt mijn kant op en komt naar me toe. ‘Wat doe jij hier in je eentje?’ Vraagt hij. ‘Dat kan ik niet zeggen.’ Zeg ik zacht. ‘Mag ik een gokje doen?’ Vraagt hij. Ondertussen is hij voor me op zijn hurken gaan zitten. ‘Doe maar.’ Zeg ik. ‘Je bent het huis uit gegooid?’ Vraagt hij. Hoe weet hij dat? Ik gaap hem met open mond aan. ‘Die was raak h?’ Vraagt hij. Ik knik traag ja. ‘Hoe weet jij dat?’ Vraag ik. ‘Dat gebeurt wel vaker, je bent niet de enige.’ Zegt hij alsof het doodnormaal is. Ik begrijp er niets van. ‘Ik weet van je geheimpje, ook al heb je het niet verteld. Toch heb je het al verraden zonder dat je er iets aan kan doen.’ Zegt hij. Nu dringt het pas tot me door wat hij bedoelt. Ik zucht. ‘Wat moet ik anders doen? Het over de hele wereld rondbazuinen? Wat zou jij doen?’ Vraag ik. ‘Ik heb er verder niets mee gedaan. Wat zou ik er mee moeten? Mijn broer weet er vanaf, that’s it.’ Zegt hij. ‘Oooh… Jij bent ook… Nu snap ik het pas.’ Zeg ik. ‘Hoe wist je het eigenlijk?’ Vraag ik. ‘Van jou?’ Vraagt hij op zijn beurt. Ik knik. ‘Je zogenaamde interesse in vampiers, je ogen, hoe je je kleed, je bent nu het huis uit gegooid omdat het zogenaamd gevaarlijk wordt voor je ouders.’ Zegt hij. ‘Je had het dus zo goed als gelijk door.’ Zeg ik. ‘Zoiets ja.’ Zegt hij met een glimlach. Er waait een warme wind langs me. ‘Ik ga zo weer naar huis. Wat ga jij zo doen?’ Vraagt Bill. ‘Ik denk dat ik maar hier blijf, naar huis gaan kan niet meer.’ Zeg ik. ‘Je kunt ook bij ons intrekken, dat vind Tom vast niet erg.’ Zegt hij. Ik kijk hem aan. ‘Zeker weten?’ Vraag ik. Hij knikt. ‘Ok, is goed.’ Zeg ik. Bill staat op. Ik volg zijn voorbeeld en we gaan naar huis.
‘Hey Tom.’ Zegt Bill tegen zijn broer als hij de woonkamer binnen komt. ‘Hoi Bill… en Alex. Wat een verrassing.’ Zegt Tom lachend. ‘Alex trekt bij ons in, ok?’ Vraagt Bill. ‘Ik vind het best hoor. Zolang je maar een beetje lief bent voor mijn broertje.’ Lacht hij. ‘Natuurlijk. Altijd toch.’ Zeg ik. ‘En, had je het bij het juiste eind, Bill?’ Vraagt hij. Hij knikt. ‘Ok.’ Zegt hij. Geen idee waar het over gaat, maar het zal wel goed zijn. ‘Vind je het heel erg om bij mij op de kamer te slapen?’ Vraagt Bill. ‘Nee hoor.’ Zeg ik. Ik vind het dus echt heleml niet erg. ‘Ik zal je wel even een mini-rondleiding geven.’ Zegt Bill. Ik volg hem.
‘Aan uw rechter hand ziet u de keuken. En daar aan de linker kant de wc, dat wil nog wel eens handig zijn. Volgt u me alstublieft naar boven.’ Zegt hij alsof hij een rondleiding geeft door een of ander museum. ‘Ok.’ Ik vind het wel grappig hoe hij de “rondleiding” geeft. ‘Zie hier, de rommelige kamer, je raad het al, die is van Tom.’ Zegt hij als hij een deur open doet. Ik moet lachen. ‘Zo erg is het toch niet?’ Zeg ik als ik naar binnen kijk. ‘Je moet eens weten hoe erg het is, nader onderzoek volgt nog.’ Zegt hij lachend. ‘Ok, dat onderzoek gaat zeker komen.’ Zeg ik en volg hem weer. ‘Hier de kamer die veel schoner is dan die van Tom, en dat is dus vanaf nu de onze.’ Zegt Bill en doet de deur open. ‘Ok, inderdaad een stuk opgeruimder.’ Zeg ik nog lachend. ‘Ik maak zo wel een bed voor je klaar, maar eerst…’ Zegt hij. ‘Je rondleiding.’ Vul ik aan. ‘Jij snapt het. Dan gaan we verder met de badkamer, die eigenlijk niet zo interessant is, maar wel handig. En wat hebben we hier? Ja…Een kamer met gitaarspul, voor Toms, maar ik mag er ook wat dumpen.’ Zegt hij lachend. ‘Die Gibson is mooi.’ Zeg ik. ‘Ja, dat is de favoriet van Tom. De rest van het huis ontdek je vanzelf wel, maar dit waren even de handigste plekjes.’ Zegt Bill. We gaan weer naar beneden. ‘Oja! Je moet natuurlijk ook nog een tandenborstel en tandpasta enzo hebben. Kom, dan gaan we dat halen.’ Zegt Bill. ‘Maar ik heb geen geld.’ Zeg ik. ‘Maar ik wel. Kom nou maar mee.’ Zegt hij. ‘Pas je op dat hij niet te veel uitgeeft.’ Zegt Tom vlak voordat we de deur dicht doen. ‘Hahaha… Hoezo dat nou weer?’ Vraag ik aan Bill. ‘Mwah… Tom stelt zich maar wat aan.’ Zegt hij.

Het geheim weten ze van elkaar, maar ze weten lang niet alles. Of misschien toch wel? Dat weten ze niet, maar zullen ze het ooit weten?
Met zijn tween racen ze de stad door, de ene winkel in, weer uit, hup, volgende winkel in en uit. Zo zijn ze wel even bezig.
Uiteindelijk hebben ze nieuwe kleren, tandenborstel, tandpasta, een borstel en nog veel meer dingen gekocht. Met alle tassen gaan ze weer naar huis.

Eenmaal thuis aangekomen komt Tom ons al tegemoet. ‘Nu is die hele winkel zeker leeg.’ Zegt hij lachend. ‘Nee, maar het scheelt niet veel. Ik snap nu wel waar je me voor waarschuwde.’ Zeg ik. ‘We hebben ook nog wat leuks voor jou gevonden.’ Zegt Bill. ‘Ja, echt helemaal jouw style.’ Zeg ik en houd een roze boxer met beertjes omhoog. ‘Vind je het niet leuk?’ Vraag ik. Tom schiet in de lach. ‘Dat meen je toch niet h, daar ga ik dus echt niet mee lopen.’ Lacht hij. ‘Nou, dan ruilen we het wel om.’ Zegt Bill. ‘Kom, we gaan weer terug!’ Zeg ik. ‘Nee, nee, nee, jullie gaan nergens heen.’ Zegt Tom. ‘Dus je vindt die boxer wel leuk?’ Vraag ik. ‘Nee, maar als jullie weer naar de stad gaan dan ben je binnen de kortste keren blut.’ Zegt Tom. ‘Ja, ja, je smoesjes zijn goed hoor, Tommy. Maar we gaan weer naar boven.’ Zegt Bill. ‘Hoezo?’ Vraagt hij. ‘Ze moet toch ergens slapen?’ Zegt Bill. ‘Dat is waar. Maar ze kan ook bij jou in bed, groot genoeg.’ Zegt Tom. ‘Durf ik dat?’ Vraag ik lachend. ‘Ik denk het niet.’ Zegt hij. ‘Dat hoor ik!’ Roept Bill vanaf boven. ‘Ik ga maar even helpen.’ Zeg ik en ga ook naar boven.
Daar staat Bill onhandig te doen met een dekbedovertrek. ‘Hulp nodig?’ Vraag ik. ‘Als het even kan, graag ja.’ Zegt hij. Samen maken we het bed klaar. ‘Ik hoop dat je je een beetje thuis voelt bij ons.’ Zegt Bill als we klaar zijn. ‘Dat gaat wel lukken hoor.’ Zeg ik. ‘Mooi zo.’ Zegt hij. Hij gaat op bed zitten, en ik ga naast hem zitten. ‘Hoe is het eigenlijk zo gekomen dat jullie op jezelf gingen wonen?’ Vraag ik. ‘Dezelfde reden als bij jou. Eigenlijk zou ik alleen het huis uit moeten, maar Tom en ik blijven altijd bij elkaar, en nu dus ook. Ofterwijl, we zijn samen hier gaan wonen.’ Zegt hij. ‘Ok.’ Zeg ik. We praten nog wat, eigenlijk nog heel veel. Als ik op mijn horloge kijk zie ik dat het alweer redelijk laat in de avond is. Ondertussen heeft Tom zich ook allang in het gesprek gemengd. ‘Wauw, het is alweer half 10. Hoe lang houd jij het vol om een gesprek te voeren?’ Vraag ik aan Bill. ‘Hij kan echt niet zonder praten.’ Lacht Tom. ‘Hee, ze vroeg jou niets!’ Lacht Bill. ‘Maar inderdaad, ik praat nogal veel.’ Vervolgt hij. ‘Als je er genoeg van hebt en een manier hebt om hem te laten stoppen, wil je het me dan even vertellen? Het is mij nog niet gelukt.’ Zegt Tom die nu echt dubbel ligt van het lachen. ‘Weet je wat? Ik ga nu slapen, en dan verzin ik nog wel een manier om hem stil te krijgen.’ Zeg ik. ‘Ok, slaap lekker.’ Zegt Tom. ‘Ik ga ook zo slapen.’ Zegt Bill. ‘Oja, Bill, ik moet nog even met je praten.’ Zegt Tom. ‘Ok, ik kom.’ Zegt Bill en volgt zijn broer. Ik hoor hun stemmen gedempt op de gang klinken, maar ik versta niet wat ze zeggen.
Niet veel later doet Bill de deur open. ‘Ik vertel het morgen wel.’ Zegt hij tegen Tom. ‘Wat is er aan de hand?’ Vraag ik. ‘Niets waar jij je nu zorgen om moet maken,’ Zegt Bill. ‘Slaap lekker.’ Zegt hij nog eens en kruipt ook zijn bed in.
De volgende ochtend ben ik vroeg wakker. Bill woelt heen en weer, uiteindelijk wordt hij toch wakker. ‘Goeie morgen.’ Zegt hij slaperig. Ik moet lachen om zijn uitdrukking. ‘Lekker geslapen?’ Vraag ik. ‘Ja hoor, prima. En jij?’ Vraagt hij. ‘Heerlijk.’ Zeg ik. We kleden ons om. Als we allebei klaar zijn in de badkamer maakt Bill Tom wakker. Hij klopt op zijn deur. ‘Tom, wakker worden.’ Zegt hij. ‘Wat? Oh… Ik kom.’ Zegt hij. Aan het geluid te horen komt hij langzaam zijn bed uit en sloft hij naar de deur. Met een klik gaat de deur van het slot af. ‘Hoi.’ Zegt hij nog slaperig. ‘Je kunt je omkleden.’ Zegt Bill. ‘Ok, dank je.’ Zegt hij, en gaat op zoek naar kleren. ‘Waarom zat die deur op slot?’ Vraag ik aan Bill. ‘Dat leg ik je zo allemaal wel uit.’ Zegt hij.
Als we hebben ontbeten vraagt Bill of ik even mee kan komen. Ik heb geen idee waarom, en volg hem maar. ‘Vannacht is het zo ver, dan is het namelijk volle maan.’ Begint hij. ‘Wat is er dan aan de hand?’ Vraag ik. Hij kijkt me raar aan. ‘Weet je dat dan niet?’ Vraagt hij. Ik schud van nee. ‘Oh, dan zal ik het wel even uitleggen. Vannacht wordt de eerste keer dat jij moet bijten. Het is geen kwestie van willen, het moet. Je kunt proberen tegen de drang in te gaan, maar dat gaat je niet lukken, en dat zeg ik uit ervaring. Je moet het gewoon op je af laten komen.’ Zegt hij. ‘Wat! Maar ik wil dat helemaal niet.’ Zeg ik vol ongeloof. ‘Het zou toch moeten, je merkt vanzelf wel wanneer het gebeurt.’ Zegt hij. ‘Maar wat nou als ik een van jullie te pakken krijg?’ Vraag ik. ‘Dat is de reden waarom Tom’s kamer ’s nachts altijd op slot zit. Hij is geen vampier, en ik wel. Stel dat het ineens zou gebeuren dat ik zou moeten bijten. Dan zou hij mijn slachtoffer in ieder geval niet worden. Jou zou het dus ook niet lukken. En stel dat je mij bijt; Dat maakt niets uit, ik ben toch al vampier.’ Zegt hij. ‘Dus ik moet het gewoon laten gaan?’ Zeg ik met een beetje onrust in mijn stem. ‘Ja. Het enge valt best mee, het lijkt enger dan het is.’ Zegt Bill geruststellend. ‘Ok.’ Zeg ik twijfelend.
De rest van de dag is zoals een “normale” dag zou moeten zijn, dus ook zonder rare vampier-fratsen. ’s Avonds ga ik al vroeg slapen. Nog steeds vind ik het best een eng idee dat ik vannacht iemand met bijten. Ik bedoel, als het nou mijn eigen keuze was dan zag ik er waarschijnlijk minder tegenop. Bill ziet aan mijn uitdrukking dat ik me er zorgen over maak. ‘Maak je er maar niet druk over. Morgen is het weer een normale dag zoals die altijd was.’ Zegt hij. Hij aait nog even over mijn hoofd en dan ga ik naar bed. Al snel vat ik de slaap.
Ik schrik wakker. Als ik op de klok kijk schrik ik nog meer, het is bijna 12 uur! Het kan elk moment beginnen! Ik ga naar Bill toe, die nog steeds ligt te slapen. ‘Bill?’ Zeg ik zacht. ‘Mwjah?’ Zegt hij slaperig als hij wakker wordt. ‘Het gebeurt zo, ik sta te shaken op mijn benen.’ Zeg ik. ‘Dat is toch helemaal niet nodig? Wil je anders een glaasje water drinken?’ Vraagt hij lief. ‘Ok.’ Zeg ik zacht. Hij staat op en gaat naar de badkamer om een glas water te vullen. Mijn blik zit vast aan het klokje wat naast Bill’s bed staat. Het verspringt op precies 12 uur. Bill komt binnen met het glas en geeft het aan mij. Ik ga op de rand van zijn bed zitten, en hij blijft tegenover me staan. Ik drink wat. ‘Dank je. Ik maak me er echt veel te druk over.’ Zeg ik. Hij glimlacht. Wanneer ik net het glas weg heb gezet voel ik me heel erg duizelig. Er schieten allemaal beelden voorbij. Van vroeger, van pasgeleden, van andere vampiers hoe die hun slachtoffer te pakken hebben. Iets in me wilt dat ik ga bijten, maar ik wil me verzetten. ‘Laat je gaan.’ Zegt Bill. Ik kijk hem aan. ‘Ik wil niet.’ Zeg ik. ‘Je zou wel moeten.’ Zegt hij. ‘Maar ik… ik wil niehiet.’ Zeg ik jammerend. De beelden flitsen nog steeds voorbij, waardoor mijn zicht verpest wordt. Ik hoor dat de deur open gaat. ‘Gaat het hier?’ Hoor ik Tom vragen. ‘Tom! Ga weg! Het is gevaarlijk voor jou!’ Zegt Bill hysterisch. Snel gaat de deur weer dicht. ‘Laat je gaan, dan is het eerder over.’ Zegt Bill. Zo te horen is hij heel erg bezorgd. ‘Als het per s moet.’ Zeg ik. Ik laat me gaan, mijn verstand gaat voor mijn gevoel op nul. Ik duw Bill’s schouders tegen de muur en zet mijn tanden in zijn nek. Ik sta met mijn hele lijf tegen hem aangedrukt. Ik voel hoe hij troostend over mijn rug wrijft, hij weet dat ik het liever niet gewild had. Toch doe ik het, hij had gelijk, ik kn me niet verzetten. Zijn bloed stroomt langzaam mijn mond in, ik denk er niet eens meer bij na en drink het. ‘Zie je wel dat het meevalt,’ Zegt hij als ik klaar ben. Ik zeg niets en omhels hem. ‘Al die drukte was nergens voor nodig.’ Fluistert hij in mijn oor. ‘Ik vond het anders doodeng.’ Zeg ik. ‘Ik weet het, ik heb het zelf ook moeten doen.’ Zegt hij. ‘Moet je voelen, mijn handen trillen helemaal.’ Zeg ik lachend van de zenuwen. Hij moet lachen als hij ziet hoe erg mijn handen shaken. ‘Kom, we kunnen nog even slapen.’ Zegt hij. ‘Ok, dat is inderdaad een goed idee.’ Zeg ik. ‘Durf je nu wel naast me te liggen?’ Vraagt hij met een glimlach. ‘Nu wel, maar durf jij dat ook nog bij mij?’ Vraag ik. ‘Natuurlijk. Je moest wel bijten.’ Zeg hij. Ik ga naast hem liggen en kruip dicht tegen hem aan. Ik voel hoe zijn borstkas op en neer gaat, op een of andere manier heeft het een rustgevend effect. Hij legt zijn arm om me heen, en ik doe hetzelfde bij hem. Zo vallen we in slaap.
Een paar uurtjes later word ik wakker doordat de deur langzaam open word gedaan. Ik wrijf in mijn ogen. Dan besef ik ineens dat ik nog steeds met Bill’s armen om me heen lig. Als ik tussen zijn armen door kijk zie ik Tom staan in de deuropening. ‘Hoi. Gaat het weer?’ Vraagt hij. ‘Ja. Sorry als ik je vannacht heb wakker gemaakt.’ Zeg ik. ‘Het maakt niets uit. Dat heeft Bill toen ook gedaan.’ Zegt hij lachend. Ik krijg een glimlach. Ik voel dat Bill naast me ook wakker geworden is. ‘Hoe laat is het?’ Vraagt hij gapend. ‘Negen uur.’ Zegt Tom. ‘Tom? Wat doe jij nou weer hier?’ Vraagt Bill. ‘Ik wilde even weten of alles goed ging met jullie na vannacht.’ Zegt hij. ‘Ok, maar ik bedoelde eigenlijk, wat doe jij zo vroeg uit bed?’ Zegt Bill. ‘Oh, geen idee, ik werd ineens wakker en kon niet meer slapen,’ Zegt Tom. ‘Maar ik laat jullie weer met rust.’ Zegt hij nog snel en sluit de deur weer. ‘Ja, dat was even een rare nacht voor jou. Ben je weer een beetje bekomen van de schrik?’ Vraagt Bill. ‘Ja, maar ik vind het nog steeds raar wat er is gebeurd.’ Zeg ik. ‘I know. Het voelt inderdaad heel raar. Maar je hebt het toch gedaan.’ Zegt Bill. Ik knik. De plekken waar ik Bill gebeten had zijn al weggetrokken. Gelukkig maar. En nu maar hopen dat er niet nog meer van dit soort verrassingen komen. Het gebeurt maar heel weinig dat vampiers na de eerste keer nog eens gedwongen worden om te bijten, maar stel dat het gebeurd dan weet ik dat er niets aan de hand is als ik Bill bijt, en als het goed is, dan is Tom onbereikbaar.

Vampire Hunter (made by Morena)

Vampire Hunter (made by Morena)

Tom’s pov:
‘Ik weet dat ze me erg aardig vind, maar ik denk zelfs dat ze me meer vind dan leuk. Ze kijkt zo verlieft naar me.’ Zei ik tegen Bill en bloosde een beetje. ‘Zal het? Je denkt dat alle meisjes je leuk vinden. En Padm? Dat zal toch niet?’ Vroeg Bill verbaasd en zette de borden in de vaatwasmachine. ‘Ik ga vragen.’ Antwoordde ik. ‘Wel uitkijken h?’ Vroeg Bill geniepig, terwijl hij zijn handen waste en petste met zijn natte hand tegen mijn linkerwang. Ik lachte, stond op en liep richting de huistelefoon terwijl ik me weer droog maakte. Ik typte Padm der nummer in en belde. ‘Hallo?’ Zei ze bedroefd. ‘Haay, met Tom hoe gaat het?’ Vroeg ik vrolijk. Het leek net alsof ze iets wou zeggen. Toen ik vroeg wat er was zuchtte ze. ‘Het gaat wel. Maar ik heb een vraag.’ Antwoordde ze en wachtte even. Precies toen ik ja wou zeggen, begon ze te praten. ‘Kan ik even met je praten? Ik wil je wat vertellen.’ ‘Ja hoor. Vertel maar.’ Antwoordde ik. ‘Nee. Onder vier ogen moet het. Anders geloof je het niet.’ Zei ze stilletjes. ‘Ok is goed. Zal ik naar jou toen komen, of jij bij mij?’ Vroeg ik. ‘Ik kom nu wel bij jou. Of ligt dat ongelegen?’ ‘Nee. Nee.. Je kan nu wel komen.’ Antwoordde ik snel en ze hing op. Ik hing ook op en legde de telefoon weer terug waar die hoorde. Ik keek Bill aan, die vragend naar me keek.

Padm’s pov:
Ik gooide mijn mobiel op mijn bed en stond op. Ik veegde mijn tranen weg en keek in de spiegel. Ik zag niks. Dat is normaal. Ik keek naar mijn mobiel en pakte het. Ik keek in het kleine spiegeltje en zag mijn spiegelbeeld weer niet. Ik zuchtte en deed mijn mobiel in mijn broekzak. Ik hoopte zo dat ik weer normaal was, niet dat ik een freak die niks kan mens ben. Met nog meer tranen over mijn wangen deed ik mijn schoenen aan en liep het huis uit, richting Tom’s huis.
Toen ik aanbelde werd er wel erg snel open gedaan. Het was Bill. Ik lachte een beetje en zei hem gedag. Ik liep naar binnen en zag Tom in de woonkamer. Hij keek op en zag me staan. Hij glimlachte lief en ik ging naast hem zitten. ‘Ik moet even weg.’ Zei Bill en ging het huis uit. Ik keek Tom aan. ‘Wat wou je me vertellen?’ Vroeg Tom en ik keek weer naar beneden. Ik werd zenuwachtig en begon te tikken met mijn voeten op de grond. Ik wou beginnen maar er kwamen geen woorden uit mijn mond. ‘Euhhmm... Ja.. Ik weet niet hoe ik je het moet vertellen.’ Antwoordde ik moeilijk. Tom knikte en bleef me aankijken. ‘Ik weet het echt niet.. Ik heb het al erg lang en kan nergens anders meer aan denken.’ Er kwam een lange stilte tussen ons en ik zuchtte. ‘Ik moet je ook wat vertellen.’ Zei Tom en werd een beetje rood. ‘Heb je ook een probleem?’ Vroeg ik. ‘Ik weet ook niet hoe ik het kan uitleggen, maar het moet er wel een keertje uit.’ Antwoordde Tom. ‘Kan je het dan niet uitleggen via handgebaren ofzo?’ Vroeg ik. ‘Nou.. Zoiets, maar ik weet niet of jij dat wil.’ Antwoordde hij. ‘Wat wil..’ Zei ik, maar ik voelde ineens Tom zijn hand op mijn rechterschouder en hij kuste me zachtjes op mijn nek. Ik kreeg het moeilijk. Ik zag zijn nek. Ik werd gek. ‘T...Tom. A-a-alsjeblieft. K-k-kap.’ Vroeg ik moeilijk en ik kreeg de rillingen over mijn hele lichaam. Hij gaf nog een kusje op mijn nek en beet er zachtjes in. ‘T-Tom..’ Zei ik nog moeilijker en duwde hem weg. Ik stond op en liep zo snel ik kon naar de keuken. Ik sloot de deur en zocht naar een glas. Ik vond er een, vulde het met water en ging zitten op de grond, met mijn rug tegen een keukenkastje. Ik ademde moeilijk. Ik hapte zelfs naar adem. Ik kon het even niet meer aan. Ik bleef Tom zijn nek voor me zien. Ik pakte een pakje uit mijn broekzak en bekeek het goed. Ik opende het en nam er een pilletje uit. Het was een gewoon witte pil, net zoals een paracetamol. ‘Neem het als het echt niet meer gaat.’ Hoorde ik een stem in mijn hoofd zeggen. Dat had een vreemde man gezegd toen hij mij het pakje gaf. Ik liet het pilletje in de glas met water vallen. Het water veranderde en werd rood. Ik keek goed naar het overvloeien en nam er daarna een slok van.

Tom’s pov:
Ik zit hier maar op de bank. Ze vind me dus niet leuk. Ik stond op en liep richting de keuken. Ik klopte op de deur. ‘Padm? Gaat het wel?’ Vroeg ik, maar kreeg geen antwoord.

Bill’s pov:
Ik liep het erf op van mijn huis. Ik had de sleutel al uit mijn broekzak gehaald en de goede sleutel tevoorschijn gehaald. Ik keek er nog eens naar. Ik las wat er in was gekerfd en liep naar de deur. Ik wou net de sleutel in het slot schuiven, maar de deur werd al open gedaan. Padm rende het huis uit en rende vervolgens richting het park. Ze huilde, ik hoorde haar gesnik en zag het er al aan hoe ze zich gedroeg. Ik keek naar binnen en zag Tom voor de keukendeur staan. Hij keek geschokt en met erg grote ogen nog naar binnen. ‘Wat is er?’ Vroeg ik geschrokken. ‘Ze.. Ze vind me niet leuk. E-en.. Ze vond het erg toen ik haar nek kuste. Ze is huilend weggerend.’ Antwoordde hij droevig, maar nog steeds geschokt. Ik keek naar zijn ogen. Ze werden gevuld met tranen. Ze glinsterende mooi in de avondzon. Ik liep verder naar binnen en keek ook in de keuken. Ik zag een glas met een rode vloeistof in. We liepen ernaartoe en hurkte ervoor. Ik liet mijn vinger eroverheen glijden en voelde of ik het herkende. ‘Wat is dit?’ Vroeg ik en voelde het zo goed mogelijk aan. ‘Het ruikt in ieder geval nergens naar.’ Antwoordde Tom en keek me aan. ‘Het ziet eruit naar bloed met wat water. Moet ik een slok nemen? Het ziet er wel uit dat je het kan drinken.’ Vroeg ik. ‘Ik zal het niet doen.’ Antwoordde Tom en zuchtte. ‘Waar is Padm?’ Ik stond op en begon te lopen. ‘In het park.’ Antwoordde ik luid en duidelijk. We liepen samen het huis uit en liepen richting het park, waar Padm wel vaker zit. Vaak in de avond.

Padm’s pov:
Ik was naar een boom gegaan waar ik de meeste keren ging zitten. Ik ging zitten, legde mijn armen op mijn knien en legde mijn hoofd erop. Ik keek opzij en sloot even mijn ogen. Waarom moet ik zo leven? Waarom is er niemand die hetzelfde is als mij? Waarom mag ik niet eens leuk met mijn vrienden omgaan, omdat ik dan ga denken aan het drinken van hun bloed? Allemaal vragen spookte door mijn hoofd en ik voelde een traan mijn slaap strelen. Ik keek naar de lucht. Het was mooi oranje met rode en roze aspecten erin. Ik verloor mijn evenwicht en viel naar rechts, op het gras en ik sloot mijn ogen. Ik concentreerde me op mijn ademhaling. Het maakte me rustig. Ik voelde met mijn tong aan mijn hoektanden. Ze zijn lang en scherp. Ik trok mijn tong zo snel terug, dat ik het een beetje open haalde. Ik voelde het bloed van mezelf zich verspreiden over mijn gehele tong en ik slok het door. Na een paar seconde was het geheeld en voelde ik weer tranen achter mijn ogen prikken. Mijn eigen bloed is niks. Om te overleven moet ik bloed van een ander hebben of zo’n pilletje. Dat voldoet wel aan mijn eisen. Ik hoorde ineens gehijg en gekreun achter me. Ik schrok en ging rechtop zitten. Ik keek om en zag 2 mensen zitten op een bankje. Ik zag ze snel ademhalen. Dat waren hun dus. Ik wist niet wie ze waren, omdat ik alleen hun schaduw zag. Ze kwamen me wel bekend voor. Ik keek beter en kon ze zien. Bill en Tom zaten daar. Ik voelde hun emoties. Bill was ongerust, maar ook zenuwachtig. Tom was verdrietig, boos maar vooral bang. Tom legde zijn hoofd op de schouder van Bill. Ik bleef bevroren staan en bleef ze aankijken. ‘Oh Bill, waar is ze?’ Vroeg Tom en zijn schouders begonnen te schokken. Bill sloeg een arm om Tom heen, trok hem wat dichterbij en troostte hem. ‘Ik weet zeker dat ze hier ergens is. Ik voel het.’ Antwoordde Bill. Ik voelde me zo raar. Ze zoeken me.

Tom’s pov:
Ik knikte en sloeg allebei mijn armen om mijn broer om hem een knuffel te geven. Ik voelde dat Bill glimlachte en kreeg er zelf ook een. We stonden op en we zochten verder. We hebben echt bijna overal gezocht. Ineens voel ik een hand op mijn schouder. Ik schrok en draaide me om. Er stond niemand. ‘Wat is er?’ Vroeg Bill. ‘I-Ik voelde een hand op mijn schouder.’ Antwoordde ik en draaide me weer richting Bill. De hand was ijskoud. We liepen verder.

Bill’s pov:
We zochten overal maar we vonden haar maar niet. Ze gaat gewoonlijk niet naar huis in de avond, maar blijft ze slapen in het bos. We weten niet waarom. Na een kwartiertje zoeken gingen we weer op ieder een bankje zitten tegenover elkaar. We waren bezorgd. Ik voelde de angst door Tom zijn aderen vloeien. ‘Rustig maar, ze is hier dichtbij.’ Zei ik geruststellend. ‘Ik ben te moe om op te staan.’ Zei Tom en liet zijn hoofd naar beneden bungelen. Ik voelde iemand achter me. Ik keek om en zag niemand. Ik snapte het niet meer. Is er een geest ofzo? Tom, die een hand op zijn schouder voelde. Ik die denkt dat er iemand de hele tijd bij ons is. Ik keek naar de neuzen van mijn schoenen en dacht even na.

Padm’s pov:
Ik dacht dat Bill me zag. Maar ik wist zeker dat ik onzichtbaar was. Ik liep richting Bill en ging naast hem zitten. Ik keek hem aan en voelde dat hij het niet meer snapte. Ik sloeg een arm om hem heen en voelde dat hij schrok. Hij keek richting mij en toen naar de andere kant. Ik sloeg ook mijn andere arm om hem en gaf hem een knuffel. ‘Rustig maar. Alles is ok.’ Zei ik zachtjes in zijn oor en werd weer zichtbaar. ‘Padm.’ Zei Bill zachtjes en Tom keek op. Hij stond op en ging naast me zitten. ‘Waar was je?’ Vroeg Tom bezorgd. Ik ging weer gewoon zitten en keek Tom aan. ‘Ik was bij een boom. En toen jullie bij het andere bankje waren, ging ik jullie achterna.’ Antwoordde ik. ‘Hoe kan het nou dat we je daarnet niet zagen?’ Vroeg Tom na een lange stilte. ‘Ik durf het niet meer te vertellen.’ Antwoordde ik stilletjes en keek angstig naar de neuzen van mijn schoenen. ‘Je kan ons alles vertellen, wij hebben ook onze problemen.’ Zei Bill. Ik voelde me een stuk beter. ‘Ok.. Euhm...’ Zei ik zenuwachtig. Ik moet het nu vertellen, snel. ‘Ok. Ik ben vampier sinds mijn geboorte en ik heb daar veel problemen mee. Ik denk vaak aan bloed drinken en dan moet ik een pilletje in een glas met water doen en dat dan opdrinken. Dat is goed genoeg voor een paar dagen. Maar ik heb nooit echt bloed gedronken, alleen een beetje van mezelf, maar dat is niet goed genoeg en niet zo lekker. Als je je eigen bloed drinkt is het niet lekker en het voldoet niet. Ik heb geen ouders meer omdat een vampier jager ze had vermoord toen ik nog een kind was van 4.’ Zei ik met een trillerige stem. Ik zuchtte. Zo, dat is eruit. ‘Ok.’ Zei Bill rustig en keek me aan. Ik keek beide aan. Ze kijken niet eens bang ofzo. Ze lijken het te accepteren! Hoe kan dat nou? ‘Vinden jullie dat dan niet erg?’ Vroeg ik geschrokken. ‘Kijk maar eens naar Bill.’ Zei Tom en wees naar zijn broer. Ik keek en hij lachte zijn tanden bloot. Zijn scherpe, lange hoektanden vielen meteen op. ‘B-ben jij o-o-ook een v-va-v-vampier?’ Vroeg ik trillerig en keek hem met grote ogen aan en met mijn mond wijd open gevallen.

Ik opende mijn ogen en keek om me heen. De avondwind blies zachtjes op mijn blote rug. Ik keek naar de vijver voor me. De maan werd wel erg mooi weerspiegelt in het water. Ik keek op toen ik gerommel hoorde voor me. Ik keek en zag Bill naar buiten komen. Hij keek me aan en liep richting mij. Ik klopte naast me en daar ging Bill zitten. Toen ik in zijn ogen keek zag ik een rode glans. ‘Wil je meer?’ Vroeg ik en Bill knikte blij. ‘Je heb vanochtend al gehad.’ ‘Ja, dat weet ik, maar zometeen zie ik je een lange tijd niet meer en ik denk niet dat Tom het leuk zal vinden als ik mijn tanden in zijn vel zet.’ Antwoordde hij droevig en daarna een beetje lachend. ‘Ok, kom dan maar.’ Zei ik en Bill sprong haast op van vrolijkheid. Ik wees naar mijn arm en hij knikte lief. ‘En dit keer niet weer in slaap vallen h?’ Vroeg ik plagend en een beetje bazig. ‘Ja mamma.’ Zei hij zo schattig mogelijk en ging naast me liggen. Hij legde zijn hoofd op mijn rechterbeen en keek verlekkerd naar mijn arm. Precies toen Bill wou bijten, trok ik ‘m weg. ‘Nouhou.’ Zei hij zielig en met een pruillipje. Ik lachte geniepig en bracht mijn arm bij zijn mond. Hij beet in mijn arm en begon mijn bloed te drinken. Ik genoot ervan. Bill ook, want hij lag er zo lief bij. Met zijn ogen dicht, mijn arm vasthoudend als een klein kindje die word gevoed door zijn moeder en lag in een inelkaar gekrompen houding. Ik bleef hem aankijken. Ik kreeg de rillingen op mijn rug van genot. Er ontsnapte wat bloed en het gleed langzaam richting mijn pols. Ik veegde het op met mijn vinger van mijn arm die nog vrij was. Ik voelde dat Bill langzamer aan het drinken was. Hij opende zijn ogen en keek naar mijn vinger. Hij liet zijn tanden langzaam mijn arm verlaten en likte zijn lippen af. ‘Was het lekker?’ Vroeg ik lief. ‘Ja, het had niet beter gekund. En ben ik een heilig druppeltje vergeten?’ Vroeg hij wenkbrauw wiebelend richting mijn vinger. Hij stopte mijn vinger in zijn mond. ‘Nou Bill, het kietelt. Kappen!’ Zei ik lachend en trok mijn vinger terug. Hij bleef liggen en ik ging met mijn vingers door zijn haren. ‘Mag ik dan ook een toetje?’ Vroeg ik lief. ‘Ok, maar.’ Antwoordde Bill maar maakte zijn zin niet af. Hij ging rechtop zitten. ‘Maar?’ Vroeg ik en keek hem vragend aan. Hij stond op. ‘Maar dan zal je me wel te pakken moeten krijgen!’ Zei hij lachend en rende lachend weg. Ik stond snel op en begon ook te rennen. ‘Je weet dat ik sneller ben dan jou!’ Riep ik hem toe. ‘O-Oh.’ Zei hij lachend en begon harder te rennen om het huis. Ik haalde hem bijna in. Ik kon hem bijna pakken. Toen we weer in de tuin waren, kon ik hem pakken. Ik duwde hem een klein beetje en voor je het wist, lagen we samen op de grond, in het gras. Ik lag boven hem en hij keek verslagen naar mij. Ik pakte zijn polsen, legde die boven zijn hoofd en leunde er een beetje op. ‘En nu liggen we hier en heb ik gewonnen.’ Zei ik lachend. Ik ging met mijn hoofd wat dichter bij zijn nek. ‘Nee, dat mag niet. Ik wil eerst iets.’ Zei Bill geniepig. Ik stopte. ‘Wat wil je?’ Vroeg ik. ‘Euhhmm. Wat denk je?’ Vroeg hij. ‘Een slag voor je kop?’ Antwoordde ik. ‘Nee, dat niet.’ Zei hij. Ik gaf hem een zoen. ‘Ja, dat wou ik.’ Zei Bill. Ik gaf hem een kusje op mijn wang en kuste me de weg naar zijn nek. Ik beet zachtjes. ‘H, niet spelen!’ Zei Bill lachend. Ik hield mijn mond. Ik beet nog een keer zachtjes maar beet daarna door. Het bloed vloeide mijn mond in en ik slok het door. Heerlijk. Ik liet zijn polsen los. Bill pakte mijn handen en kneep er een beetje in. Ik dronk verder. Het is inderdaad zaliger dan mijn eigen of die van de pil.

Vermoord, of een ongelukje?

Vermoord, of een ongelukje?

Ik ben samen met Tom alleen in een bos. Normaal gesproken houden we helemaal niet van die natuur, maar het is toch wel lekker om soms even buiten te zijn. Binnenkort kan ik dat niet meer, nu kan het eigenlijk al bijna niet meer. Ik kan namelijk helemaal niet tegen de zon, dus ik kan vanaf ’s avonds laat pas naar buiten, als de zon helemaal onder is. Eigenlijk is het gevaarlijk voor Tom om met me mee te gaan, maar hij wil pers mee. Je zult wel denken, waarom is het nou weer gevaarlijk voor hem? Heel simpel: Doordat ik vampier ben is het sowieso al gevaarlijk als ik heel erg trek heb, en dat geldt ook voor hem. En hoe later het op de avond is, hoe moeilijker het is om mezelf in bedwang te houden. En buiten dat, je weet maar nooit wat voor mensen hier rondlopen. Er waait een fris windje langs ons. Ik hoor een of andere jongen die ik niet ken, hij roept allemaal dingen naar ons. ‘Laat hem maar, hij wil alleen maar aandacht trekken.’ Zegt Tom. We lopen door, maar de jongen blijft niet alleen roepen, hij komt nu ook achter ons aan. ‘Hey! Zijn jullie doof ofzo! Geef antwoord als ik iets zeg.’ Zegt hij. Hij pakt Tom bij zijn kraag. ‘H, laat hem met rust!’ Roep ik in een reflex. ‘Dus nu reageer je ineen wel?’ Zegt hij en keert zich richting mij. Hij wil me een klap verkopen, maar ik houd zijn hand tegen. Hij probeert nog eens uit te halen. Ik duw hem hard naar achteren. Met een smak komt hij tegen een boom aan. ‘Waag het eens om nog eens aan mijn broer te zitten, en je ligt in het ziekenhuis.’ Zeg ik. Ik laat hem voor wat hij is en ga terug naar Tom. Ineens wordt hij naar voren geduwd. Ik kan hem net op tijd vast pakken voordat hij op de grond valt.
In een flits grijp ik de jongen bij zijn kraag. Hij geniet ervan op me op te fokken en gaat door. Ik duw hem tegen een boom. Ik houd het niet meer en bijt hem in zijn nek. Het bloed sijpelt langs mijn mondhoeken. Ik voel de jongen slap worden en laat los. ‘We gaan naar huis.’ Zeg ik op een redelijk kalme toon.
Nog n keer kijk ik achterom, maar de jongen beweegt niet.
Eenmaal thuis ga ik gelijk naar boven. Dat is niet alleen omdat het gevaarlijk is voor Tom om bij mij te zijn, maar ik wil ook even alleen zijn.
Op mijn kamer probeer ik te volgen wat er beneden gebeurt. Zo te horen heeft Tom de tv aan staan. Ik vang een paar woorden op, ik denk dat het over de jongen gaat. Zo te horen gooit Tom beneden de tv uit. Ineens hoor ik hem praten. Heeft hij iemand aan de telefoon? Zijn voetstappen gaan de trap op en de gang door. Hij klopt bij mij op de deur. Ik sta op en doe open. ‘Ik heb Georg aan de lijn, hij wil weer wat met zijn drien doen.’ Zegt Tom. ‘Met zijn drien?’ Vraag ik onbegrijpend. ‘Ja, op de geplande dag is Gustav naar een trouwdag. Maar heb jij wel zin?’ Vraagt hij. ‘Maar overdag kan ik niet naar buiten, en ’s nachts is het gevaarlijk voor jullie.’ Zeg ik. ‘Maar is het ook gevaarlijk als je ligt te slapen? Nee toch?’ Vraagt Tom. ‘Ik weet het niet.’ Zeg ik. ‘Maar wil je wel of niet?’ Vraagt hij nog eens. ‘Ik wil wel.’ Zeg ik. ‘Is het goed als hij dan hier komt?’ Vraagt Tom. Ik knik ja. Tom gaat weer verder met het gesprek. Ik kijk nog even hoe hij loopt te ijsberen. Hij denkt alleen maar aan het gesprek en let niet op wat er om hem heen gebeurt. Nu kan ik hem makkelijk pakken. Nee! Het is mijn broer, die mag ik niet bijten! Snel doe ik de deur dicht en op slot. Daar gaat mijn lekkere tussendoortje. Het is geen tussendoortje, het is verdomme je eigen broer! Maar het is zo lekker. Niet aan denken. Niet aan denken. Niet aan denken.
Ik kijk op de klok. Over een paar uurtjes komt de zon weer op, dat betekend dat ik dan weer moet slapen. Het is niet niks om zo te leven, alles wordt omver gegooid. ‘Ik heb voor morgen avond afgesproken, is dat goed Bill?’ Vraagt Tom aan de andere kant van de deur. ‘Ja, is goed hoor.’ Zeg ik. ‘Gaat het wel met je?’ Vraagt hij. ‘Niet zo.’ Zeg ik. ‘Moet ik komen.’ Vraagt hij. ‘Nee, nee, asjeblieft niet zeg.’ Zeg ik snel. ‘Oh. Ik weet al wat je probleem was. Ik zal niet meer storen.’ Zegt hij. ‘Ok. De zon komt zo weer op, dus ik ga slapen ok?’ Zeg ik tegen de deur waar Tom waarschijnlijk nog steeds achter staat. ‘Is goed.’ Zegt hij. Ik ga in bed liggen en Tom gaat weer naar beneden. Een eenzaam gevoel sluipt door mijn lichaam. “Ik ben niet alleen, ik heb Tom, Gustav en Georg ook nog. Niet zeuren.” Denk ik in mezelf. Al snel val ik in slaap. De avond daarop maakt Tom me vroeg wakker omdat Georg komt, en die weet niet dat ik vampier ben. Ik kleed me snel om en ga naar beneden. Tom en ik bespreken nog even wat het plan is. ‘Dus vannacht slapen we ook gewoon, zoals het eigenlijk hoort, en morgen ochtend dan doen we eigenlijk zoals het normaal hoort.’ Zeg ik. Hij knikt. ‘Is dat niet gevaarlijk met de zon enzo?’ Vraag ik. ‘We houden de gordijnen dicht. Als het normaal zo ook goed gaat, dan moet het nu ook zo lukken.’ Zegt Tom. ‘Ok.’ Zeg ik. Dan wordt er aangebeld. ‘Dat zal Georg vast zijn, ik doe wel open.’ Zegt Tom. En inderdaad, het is Georg. ‘Hey Tom.’ Zegt hij vrolijk. ‘Hey. Hoe is het ermee?’ Vraagt hij. ‘Goed hoor, en hoe staat het leven er bij jullie voor?’ Vraagt hij. Ik moet lachen in mezelf, want praktisch ben ik eigenlijk een soort van dood. ‘Wat sta jij nou te lachen?’ Vraagt Georg. ‘Niets, het gaat goed hoor.’ Zeg ik met een schijnheilig glimlachje. Waarschijnlijk weet Tom wel wat er is. ‘Zullen we dan maar de film gaan kijken.’ Zegt Tom uiteindelijk. We stemmen beiden in, dus de film wordt aangezet. Het is de film “Van Helsing”. Shit, met bloed en vampiers en alles erop en eraan. ‘Ik… eh… Ik ga even wat te drinken halen.’ Zeg ik. ‘Sorry Bill, ik dacht dat jij deze film ook wel wat zou vinden.’ Zegt Georg. ‘Maakt niet uit.’ Zeg ik snel en verdwijn de keuken in. De deur doe ik dicht. ‘Ok, even niet aan dat bloed denken uit die film. Het is daar toch allemaal fake.’ Zeg ik tegen mezelf. Ik schenk wat drinken in voor Tom en Georg, zelf hoef ik niet. Ik wil wel wat drinken, maar dat vinden zij niet zo prettig denk ik. Met trillende handen zet ik het glas voor ze neer. Tom kijkt me aan. ‘Gaat het?’ Vraagt hij zonder geluid. Ik schud nee. ‘Ik ga naar boven.’ Zeg ik snel en ga weg.

Georg’s pov:
‘Wat is er met Bill aan de hand?’ Vraag ik aan Tom. ‘Hij slaapt de laatste tijd erg slecht, dus hij is nogal moe.’ Zegt hij. ‘Oh, vandaar.’ Zeg ik. Ik heb het idee dat de tweeling iets verzwijgt voor me, maar ik denk dat er wel een goeie reden is om het niet te zeggen.
Als de film afgelopen is gaan Tom en ik ook naar boven. Zo te zien heeft Bill het logeerbed al klaar gezet. Tom gaat naar Bill’s kamer om hem te bedanken. Al snel is hij terug. ‘Bill slaapt nu, dus ik ga hem niet wakker maken.’ Zegt hij. ‘Ok, dat heeft hij wel nodig.’ Zeg ik. We kleden ons om en gaan liggen. ‘Weet je zeker dat er niets aan de hand is met Bill?’ Vraag ik voor de zekerheid. ‘Het gaat prima met hem, behalve zoals ik daarnet al zij; hij slaapt erg slecht.’ Zegt Tom. ‘Ok. Ik dacht dat er misschien meer aan de hand was.’ Zeg ik.
Het is even stil. Ik hoor ineens een hoop gerommel uit de kamer van Bill. ‘Weet je echt zeker dat het gaat?’ Vraag ik aan Tom. ‘Ik ga wel even kijken. Blijf jij hier?’ Vraagt hij. ‘Is goed.’ Zeg ik. Tom gaat naar Bill’s kamer. ‘Gaat het?’ Vraagt hij. ‘Prima, great, beter kon bijna niet.’ Hoor ik Bill op een sarcastische manier zeggen. Tom zegt nog iets, maar dat versta ik niet door Bill’s gerommel in zijn kamer, of wat hij ook aan het doen is. ‘Dat licht moet uit!’ Schreeuwt Bill ineens. Huh? Kan hij het lichtknopje niet vinden wanneer het aan is? Ik hoor een klik en een deur die weer dicht gaat. Tom komt weer hier heen. ‘Wat was er nou weer met Bill aan de hand?’ Vraag ik. ‘Hij had een lamp aangedaan, maar die scheen zo fel in zijn gezicht dat hij het aan-uit knopje niet meer kon vinden.’ Lacht Tom. ‘Dat hoor ik!’ Horen we Bill zeggen. ‘Slaap lekker broertje.’ Zegt Tom terug. ‘Ik vind jou ook aardig.’ Zegt hij. Na nog wat gepraat gaan we slapen.
Als ik wakker word is het heel vroeg in de ochtend. Een uurtje of drie ofzo. Tom ligt nog te maffen. Bij Bill hoor ik wel geluid vandaan komen. Is hij al zo vroeg wakker? Ik ga naar hem toe. Voorzichtig open ik de deur. Er schiet iets weg. Bill is niet in zijn bed, dus hij moet wel wakker zijn. ‘Bill? Waar ben je?’ Vraag ik. Ik stap wat meer naar binnen. De deur valt achter me dicht. Als ik me omdraai schiet er weer iets weg. Wat is dat toch? ‘Bill?’ Zeg ik voorzichtig. Ik zie nog maar weinig omdat het licht uit is. Ik voel een paar ijskoude handen op mijn schouders.

Bill’s pov:
Georg is mijn kamer binnengekomen. Waarom net nu? Net nu het zo moeilijk is. Hij roept mijn naam. Net voordat hij me ziet schiet ik een andere hoek in. Heeft hij me misschien toch gezien? Als hij mijn kamer wat meer binnenkomt, sluit ik de deur. Hij kijkt om, ik ga snel weer ergens anders heen, of beter gezegd, ik sta nu pal achter hem. Het water loopt me in de mond. Ik leg mijn handen op zijn schouders, daardoor lijkt hij even te schrikken. Maar dat zal niet lang meer duren. Ik buig me voorover en bijt in zijn nek. Het bloed stroomt zijn slagader uit, mijn mond in. Het is heerlijk.
Wacht. Dit mag niet gebeuren. Het is te laat. Ik heb een van mijn vrienden zojuist doodgebeten. Vond ik dat nou echt belangrijker dan vriendschap? Ik zak door mijn knien. Hoe kon ik dat nou doen? Hoeveel komen er nog?
Ik heb wel meer slachtoffers gemaakt, dat moet ik eerlijk toegeven, maar ik heb het nooit aan Tom durven te vertellen. Ik staar naar mijn handen die nu vol met bloed zitten. Er lopen een paar tranen over mijn wangen. Moet ik het aan Tom vertellen? Wat zal hij wel van me denken? Het is beter als ik het wel doe. Want hoe kan het komen dat Georg hier bloedend ligt, in mijn kamer, met afdrukken die precies hetzelfde zijn als wanneer ik hem zou bijten. Dat is wel erg verdacht. Trillend van de zenuwen sta ik op. Ik moet het aan Tom vertellen, dit kan ik niet geheim houden. Van al die andere mensen lukt dat wel, maar van Georg niet.
Ondertussen ben ik al bij de kamer van Tom. Ik duw de deur open. ‘Tom?’ Zeg ik met een piepstemmetje. Hij draait zich om. ‘Wat is er?’ Vraagt hij gapend. ‘I…Ik moet iets zeggen.’ Zeg ik zacht. ‘Wat dan?’ Vraagt hij. Ik kijk naar de grond. ‘Nou… Vanmorgen… Ik was wakker… en Georg… en ik kon er niets aan doen… en toen… en… nou… Ik weet het niet! Het ging per ongeluk! Wees asjeblieft niet boos op me. Ik heb echt spijt! Ik wilde het niet doen, maar ook weer wel… en ik weet het niet… Ik ben zo in de war.’ Huil ik. ‘Wat! Heb jij Georg… Ik bedoel; Wat heb je gedaan?’ Vraagt hij geschrokken als hij de conclusie trekt dat Georg niet meer op het logeerbed ligt te slapen. Ik kijk naar mijn bleke handen die nog steeds onder het bloed zitten. Tom ziet het ook. ‘Heb jij dat echt gedaan?’ Vraagt hij voorzichtig. Er lopen nog steeds tranen over mijn wangen. ‘J-ja.’ Zeg ik zacht. ‘Ok, eerst even rustig worden, en dan vertel je het me nog eens ok?’ Zegt hij. Ik knik. Ik ga op het logeerbed zitten.
Als ik rustig ben vertel ik nog eens wat er was gebeurt. Tom schrikt wel, dat had ik ook verwacht. ‘Haat je me nu?’ Vraag ik. ‘Ik…Ik weet niet wat hier mee moet. Natuurlijk haat ik je niet, maar je laat me wel schrikken.’ Zegt hij. Hij moest eens weten van al die anderen. ‘Wat moeten we er nu mee doen? Nu ligt hij namelijk in mijn kamer vrolijk weg te rotten.’ Zeg ik. ‘We…Eh… Goeie vraag. Begraven?’ Vraagt Tom. ‘Ok.’ Zeg ik. We doen het lijf van Georg in een vacum zak. Wanneer het donker is en niemand meer op straat te bekennen is gaan wij op pad. Op een stil plekje in het bos begraven we hem. Ik vind het best griezelig, ook al heb ik het al eerder moeten doen. Maar doordat Tom daar niets van weet hoef ik me maar weinig zorgen te maken, wie merkt er nou dat er af en toe iemand verdwijnt die niemand kent? Maar nu ligt het anders, nu weet Tom ervan. Ik weet niet wat hij denkt. Het zal me niets verbazen als hij me voortaan ontloopt en negeert. En vooral zo veel mogelijk uit mijn buurt blijft. Hij legt een hand op mijn schouder. ‘Kom, we gaan naar huis.’ Zegt Tom. We gaan weer naar huis. Tom zegt weinig. Niet dat ik dat raar vind, ik vind dat hij er nog redelijk mee omgaat.
De volgende avond wanneer ik weer wakker wordt is het al wat later dan normaal. Ik merk dat de tijden die ik wakker word steeds beperkter zijn. Tom is nog aan het slapen. Ik doe mij raam wijd open en ga op de vensterbank zitten. Zal ik nu even weg gaan? Wie weet wat ik anders mis. Ik ga door het raam naar buiten, en al snel sta ik beneden. Ik loop alleen in de heel donkere stukken van de straten om te voorkomen dat iemand me kan zien. Verderop zie ik mijn prooi. Het is een meisje, bloedmooi, maar zo hulpeloos en alleen. Dat is niet handig om ’s nachts alleen de straat op te gaan. Stil maar snel ga ik naar haar toe. Ze ziet me niet. Veel hersenen zal ze waarschijnlijk niet hebben, ze is waarschijnlijk zo iemand die altijd iedereen beledigd en iedereen achter zich aan heeft. Daar heb ik een hekel aan, maar nu gaat het daar niet om. Als het bloed maar smaakt. Ik lik mijn lippen af. Nog even kijk ik of er niemand in de buurt is. Daar gaat ‘ie. Ik pak haar bij haar schouders en zet mijn tanden in haar vel. Ze heeft niet eens de tijd om oorverdovend te gillen. De kracht verdwijnt langzaam uit haar benen en ze zakt neer. Ik houd haar overeind. Het bloed smaakt heerlijk, ik kan er geen genoeg van krijgen. Jammer genoeg moet ik zo weer terug naar huis. Snel ga ik ergens heen waar ik haar veilig kan begraven. ‘Dit blijft iets tussen jou en mij.’ Zeg ik tegen het dode lichaam. Ik begraaf het en ga snel weer naar huis. Er is niemand die hiervan weet, en er is niemand die het ooit gaat weten.
Eenmaal bij het huis aangekomen ga ik snel via het raam mijn kamer in. Als ik net op de vensterbank zit komt Tom binnen. ‘Hey Bill. Lekker geslapen?’ Vraagt hij. ‘Ja, best hoor. En jij?’ Vraag ik. ‘Ja, gaat wel.’ Zegt hij. ‘Kom je zo beneden, dan gaan we ontbijten.’ Zegt hij. ‘Ik heb niet zo’n trek.’ Zeg ik. ‘Ok, wat jij wilt.’ Zegt Tom en gaat weer weg. Als ik een paar seconden later binnen was gekomen was ik erbij geweest. Ik kijk naar buiten. Zou dat meisje van daarnet eigenlijk nog thuis wonen? Vast niet, daar leek ze me te oud voor, maar je weet maar nooit. Ik ga maar naar beneden, even een gesprek aanknopen met Tom. In de keuken brand het licht zwakjes, daar kan ik namelijk ook niet meer tegen. Dat heb ik gisteren wel gemerkt. Ik drukte per ongeluk het licht aan in mijn kamer. Dat brandde echt heel erg.
‘Je bent nogal stil.’ Zeg ik tegen Tom. Het duurt even voordat ik antwoord krijg. ‘Praten gaat ook zo lekker als ik aan het eten ben.’ Zegt hij. ‘Dat is waar.’ Zeg ik. Tom eet gewoon verder alsof het hele gebeuren van vannacht niet gebeurt is. ‘Wat is er aan de hand?’ Vraagt hij als hij klaar is. ‘Niets, hoezo?’ Vraag ik. ‘Weet ik niet, ik dacht dat je ergens mee zat ofzo. Je bent zo stil.’ Zegt hij. ‘Oh, dat heb ik zelf niet eens door.’ Zeg ik lachend. ‘Heb je zin om vanavond een dvd’tje te huren, eentje die jij wel leuk vind.’ Vraagt Tom. ‘Ok, is goed.’ Zeg ik instemmend.
We gaan naar de videotheek. Daar staat een hele rits met allemaal films. ‘Hee Bill en Tom.’ Zegt Ronald, de jongen achter de balie. We komen hier best vaak, vandaar dat Ronald ons kent. ‘Hey Ro, heb je nog wat nieuwe dvd’s die Bill en ik leuk vinden?’ Vraagt Tom. ‘Natuurlijk. Ik dacht wel dat jullie snel weer zouden komen, dus ik heb er een paar voor jullie apart gelegd.’ Zegt hij en laat een stapeltje dvd’s zien. We lezen de achterkant. ‘Klinkt goed. Allemaal maar doen? Dan hebben we weer wat te doen in het weekend.’ Zegt Tom lachend. ‘Hebben jullie nou echt nooit iets anders te doen dan films kijken?’ Vraagt hij. ‘Jawel, songteksten schrijven en slapen. En in Tom’s geval heel veel eten.’ Zeg ik lachend. Ik krijg een por in mijn zij van Tom. ‘Dat mag maar weer duidelijk zijn.’ Lacht Ronald. We rekenen af en gaan weer naar buiten. In de verte zie ik Gustav staan. ‘Hey Guusti!’ Roep ik. Hij draait zich om. ‘Hey jongens, hoe is het?’ Vraagt hij als hij wat dichter bij is. ‘Goed hoor, en met jou?’ Vraagt Tom. ‘Mwah, het gaat. Hebben jullie nou alweer dvd’s gehuurd, gisteren hebben jullie toch ook al een film zitten kijken.’ Zegt hij. ‘Ja, is daar wat mis mee?’ Vraag ik. ‘Jullie kunnen best eens iets anders doen dan alleen maar aan de tv te plakken.’ Zegt hij. ‘We hebben vrij hoor, dat is om even te relaxen.’ Zeg ik. ‘Het zal wel. Maar jullie hebben zeker niet het nieuws gevolgd door alle films.’ Zegt hij. ‘Wat maakt dat nou uit?’ Vraag ik. ‘Er zijn hier een paar mensen vermist en vervolgens dood terug gevonden.’ Zegt Gustav. ‘Wat hebben wij daar mee te maken?’ Vraag ik. ‘Ze denken dat er hier een vampier bezig is. En omdat jullie zo laat nog over straat lopen, lopen jullie grote kans ook gebeten te worden.’ Zegt Gustav. ‘Hoe weet jij dat nou weer. Ben jij soms iemand die alles weet? Nee toch? Hoe kan jij dan weten wat er in het hoofd van een ander omgaat?’ Zeg ik. ‘Bill, rustig nou.’ Zegt Tom. ‘Nee! Ik wil dit gewoon even duidelijk hebben.’ Zeg ik. ‘Ik kan niet in andermans hoofd kijken. Maar een ding weet ik zeker; Vampiers zijn gevaarlijk. Je moet uit hun buurt blijven.’ Zegt Gustav. ‘Hoe kan jij dat nou weten? Stel dat je met mensen omgaat die er een kennen, dan waren die toch volgens jou al lang dood?’ Zeg ik. Ik word echt pissig van hem. ‘Je moet eens luisteren Bill.’ Zegt hij. ‘Niets luisteren, ik doe gewoon wat ik wil.’ Zeg ik en keer hem mijn rug toe. Hij draait me om. Ik vat het verkeert op en in een reflex bijt ik hem. Snel maak ik me los van zijn greep. Ik sta als versteent naar Gustav te staren. ‘Bill…Wat…Wat heb je gedaan?’ Zegt Tom geschrokken. ‘Het…Ik weet niet…Het gebeurde weer…Ineens.’ Zeg ik. Mijn ogen vullen zich met tranen. Wat heb je nou aan zo iemand als ik. Ik kan alleen maar mensen pijn doen of vermoorden. Ik ren weg, naar huis. Daar sluit ik me even op in mijn kamer.
Na een paar uurtjes daar gezeten te hebben kom ik eindelijk van mijn plek af, en ga naar beneden. ‘Ik ga even weg.’ Zeg ik tegen Tom. ‘Moet ik mee?’ Vraagt hij. ‘Nee, ik wil even alleen zijn.’ Zeg ik. Zonder op verder antwoord te wachten sluit ik de deur achter me. Ik ga naar het bos. Even helemaal alleen daar rondslenteren. Ik hoor dat er hier meer mensen zijn. Ze lachen, maar op een gemene toon. Ik kijk om me heen, het komt overal vandaan. Wat doen ze? Ik ren een stukje verder, maar daar zitten ze ook. Als ik weer voor me kijk staat er een brede jongen voor me. Hij komt langzaam op me af. Ik wil me omdraaien en weglopen, maar daar staat ook al zo’n kleerkast. Al snel staat er een hele groep mensen om me heen. Samen met de brede jongen sta ik in het midden. Wat moet ik nu doen? Ik kan niets tegen hem beginnen. Nog steeds zoek ik angstig om me heen naar een uitweg. De jongen komt dichter naar me toe en geeft een harde dreun tegen mijn hoofd. Ik tol nog een tijdje na, waardoor hij de kans heeft om nog ergens raak te slaan. Dat doet hij ook, maar anders dan ik had verwacht. Hij schopt tegen mijn schenen, zodat ik wegglijd en op mijn handen beland. Alle mensen om me heen lachen op de gemene toon. Het maakt me nerveus. Telkens komen ze iets dichter bij zodat er steeds minder uitwegen zijn. Ik ben bang, als Tom hier was geweest was het misschien wel heel anders afgelopen. Nu kan ik niemand bijten, dat valt te veel op. Ik ben niet snel genoeg om ze allemaal te pakken voordat ze weg zijn. Nog een schop tegen mijn hoofd. Iedereen die nog dichter bij komt. Het gelach van alle mensen om me heen. En dan nog het ergste…Waar ieder mens mee moet leven, en waar ik van moet leven. Hun bloed. Zo veel bij elkaar. Ik word hier tot waanzin gedreven. In de verte hoor ik de torenklok 12 uur slaan. Dit zal ik dus niet lang meer op deze manier volhouden. Ik graai naar voren, wanneer ik iets tussen mijn vingers voel trek ik het hard achteruit. Een “bonk” volgt als teken dat de jongen nu ook op de grond ligt. Snel krabbelt hij overeind, hetzelfde geldt voor mij. We hebben nu nog maar weinig ruimte om ons te verplaatsen. Ik kan nog net op zijn rug springen en bijt hem vol in zijn nek. Het gelach is nu omgeslagen in allemaal verbaasde kreten. Het kan me niets meer schelen wat ze doen. En het kan me al helemaal niets schelen wat ze denken. De hele groep rent weg, zonder de jongen want die zal nu niet meer kunnen rennen. Hij is dood.
Snel ga ik naar huis. Ik sta nog te trillen op mijn benen. ‘Bill, waar was je?’ Vraagt Tom. ‘Nu niet Tom, ik zeg het later wel.’ Zeg ik en ren naar boven. Het maakt me amper wat uit wie mijn slachtoffers zijn, maar van diegene die nog over zijn, mag Tom geen slachtoffer worden. Die nacht laat Tom me alleen, omdat hij weet dat dat nu nodig is. Tenzij hij natuurlijk ook dood wil bloeden, maar daar hebben we beiden geen zin in. Als het weer ochtend word gaan Tom en ik zoals altijd weer slapen, en ’s avonds worden we weer wakker.
Er wordt op de deur geklopt en Tom doet open. ‘Goeden dag, er gaan verhalen rond dat er bij u in huis een vampier zit.’ Hoor ik een mannenstem zeggen. ‘Ik denk dat die verhalen zich vergissen, ik loop gewoon door het hele huis en er is geen vampier te bekennen.’ Zegt Tom. ‘We willen toch even rondkijken. Ze komen namelijk pas in actie, wanneer jij slaapt, en dus een makkelijke prooi bent.’ Zegt de mannenstem. Pff… Die mensen hoeven helemaal niet te slapen, raar mannetje. ‘Maar ik zeg u, er zit hier niets, ze zijn in de war.’ Zegt Tom. ‘We gaan toch even kijken. Kom mannen, we beginnen beneden.’ Zegt hij. ‘Ik ga dan alvast boven kijken.’ Zegt Tom. ‘Je zult hem niet vinden, je ziet ze slecht in het donker, en tegen licht kunnen ze niet.’ Roept de man hem na. ‘Maar ik zie goed.’ Roept Tom terug en rent de trap op. Voorzichtig maakt hij mijn deur open. ‘Bill? Zit je hier?’ Vraagt hij. ‘Ja, hierzo, bij het bed.’ Zeg ik zacht. Hij sluit de deur weer en komt naar me toe. ‘Die mensen zijn op zoek naar je.’ Zegt hij geschrokken. De angst is in zijn ogen af te lezen. ‘Ik weet het. Ik heb jullie gesprek gevolgd.’ Zeg ik.
Tom en ik zitten nu beiden in mijn kamer. Het is donker omdat ik natuurlijk niet tegen fel licht kan. We horen beneden gerommel van de mensen die daarnet binnen zijn gekomen. ‘Wat moeten we doen als ze ons te pakken krijgen?’ Vraag ik met angst in mijn stem. ‘Geen idee, dat verzinnen we wel terplekken.’ Zegt Tom die zich duidelijk ook geen houding kan geven. De voetstappen gaan snel de trap op. Binnen mum van tijd staan er twee mensen in de deuropening. Tom en ik houden ons schuil in het donkerste plekje van de kamer. Een van de mannen doet een fel UV licht aan dat de hele kamer verlicht. Ik bal mijn vuisten, het doet zo’n pijn op mijn huid, en mijn ogen doen zo’n zeer. ‘Wat is er?’ Vraagt Tom geluidloos. ‘Die lamp, ik kan niet tegen het licht.’ Zeg ik zachtjes. Een van de mannen komt onze kant op. ‘Hier zitten ze!’ Roept hij. Ik geef hem een stomp tegen zijn kaak. Gelijk grijpt hij naar de plek waar ik hem raakte. Ik kan niets zien door het licht en sla om me heen in de hoop iemand te pakken te krijgen. Ik voel wat tussen mijn handen. Het stribbelt heel erg tegen. Ik geef een harde trap tegen iets wat een knieholte schijnt te zijn. De lamp word feller gezet, ik word razend van de pijn die ik voel. Ik graai alle kanten op totdat ik weer iemand heb. Ik probeer raak te slaan, zo te voelen tegen het hoofd. De persoon stribbelt wild tegen, waardoor ik nog nijdiger word. Hardhandig pak ik de persoon bij de schouders en bijt in zijn nek. Hij probeert nog weg te komen maar verslapt al snel en zakt onder me vandaan. Nog een paar te gaan. Ik voel ineens een paar armen om mijn nek sluiten. Ik bijt hard in de armen en hoor een harde pijnkreet. Ik ben lekker op dreef met dat bijten. Snel draai ik me om een geef een harde stomp in zijn maag. Ik hoor dat hij moet hoesten, dat betekend dat ik goed zat. Gedreven door de pijn die nog steeds door mijn lichaam raast ga ik op zoek naar de volgende. Als het goed is, is er nog maar eentje over, die heeft de UV lamp. Hoe dichter bij ik kom, hoe meer ik voel hoe ik verbrand. Het heeft ongeveer hetzelfde effect als wanneer een mens in de zon verbrand, alleen dit gaat veel sneller en pijnlijker. Ik voel letterlijk hoe ik wegbrand.
Ik pak de persoon in zijn nek en knijp hard zijn luchtpijp dicht. Even verlies ik de controle over mezelf waardoor ik los laat. Hij heeft nu de kans om weer adem te halen. Lang heeft hij niet, want ik herstel mezelf al snel en bijt hem volop in zijn nek. Ik voel hoe een paar druppels bloed via mijn mond over mijn handen lopen. Hij zakt neer op de grond, en de lamp gaat uit. Het was dus een dodemansknop. Ik zak buiten adem neer op mijn knien. ‘Tom? Tom, waar ben je?’ Vraag ik. Langzaam komt mijn zicht terug. Eerst zie ik wazig, daarna wordt het pas weer scherp. Als ik om me heen kijk zie ik alle drie de mannen dood op de grond liggen. ‘Heb ik dat echt gedaan? Ben ik echt een moordenaar?’ Zeg ik zacht tegen mezelf. Ik kijk verder en zie Tom. Hij ligt op de grond, met een plasje bloed naast hem. Ik heb Tom gebeten! Hij was dus de eerste! Ik ga naar hem toe. ‘Tom, word wakker. Ik wil je nog niet kwijt.’ Zeg ik, maar ik besef dat hij niet wakker word. Hij zal niet zeggen dat er niets aan de hand is. De tranen rollen over mijn wangen. Ik heb daarnet mijn eigen broertje vermoord…
Ik hoor dat er nog een paar voetstappen de gang door lopen. Ik maak me meer zorgen om Tom, en laat de voetstappen voor wat het is. Als ik opkijk zie ik dat er iemand voor me staat. Hij heeft een of ander pistool. Een doffe klap volgt. Als ik kijk waar ik ben geraakt zie ik dat er een pijltje uit mijn arm steekt. Langzaam voel ik me suf worden. De hele kamer draait om mee heen. Ik raak zo erg gedesorinteerd dat ik op mijn rug val. De kracht om mijn ogen te openen heb ik niet.

*250 jaar later*
Ik slenter door de straten van Berlijn. Er is niemand te bekennen, alle mensen slapen nu. Het is alweer 250 jaar geleden dat ik niet alleen mijn beste vrienden verloor, maar ook mijn broer. En het is allemaal mijn eigen schuld.
Er is nu niemand meer die om me geeft, alle mensen hier zijn bang voor me, of ze willen me dood hebben. Maar dat gaat niet, vampieren zijn eigenlijk al dood. Ik blijf voor altijd hier. Eindeloos door het leven slenteren, voor zover je het nog leven kan noemen.

Plankenkoorts, nergens voor nodig

Plankenkoorts, nergens voor nodig

Natasha’s pov:
Eindelijk is het zo ver; de wedstrijden beginnen weer. Ik train hard, en kan de hele routine dromen. Nog maar een weekje, en dan ga ik voor de eerste keer mijn solo dance twirl doen. Ik ben nu bezig met trainen, sommige dingen verander ik een beetje. De routine is op de filmmuziek van Tomb Rider. De muziek gaat erg snel, en er zitten veel tricks in de show.
Naast mijn dance twirl doe ik ook nog 2-baton op verplichte muziek. Beiden heb ik ze nog nooit eerder op een wedstrijd gedaan, dat maakt het wel spannend.
Een weekje later sta ik in Den Haag op de vloer. Ik ben aan het intrainen. Ik draai no drop, en ben er dus tevreden over. Als het zo ook op de wedstrijdvloer gaat dan krijg ik vast veel punten. Ik word geroepen door mijn trainster. ‘Je moet alvast je pak aandoen, daarna doen we de routine nog eens, en dan is het tijd voor jouw show.’ Zegt ze. ‘Ok.’ Zeg ik. De zenuwen beginnen nu echt te komen. Snel trek ik mijn pak aan. Het heeft een broek en korte mouwen. Ik ga weer terug naar mijn trainster, daar doe ik nog eens de show en dan is het tijd. ‘Op line 1, Junior Intermediate, Natasha Kramer. Natasha succes.’ Wordt er omgeroepen. Nog snel krijg ik een schouderklopje. Dan loop ik op en ga in mijn beginpose staan. De muziek gaat aan, en mijn 2 baton begint. Het gaat best goed, ook al laat ik af en toe mijn baton vallen. Als je bedenkt dat dit pas de eerste keer is dat ik het op een wedstrijd doe gaat het goed.
Op het einde laat ik hem per ongeluk weer vallen. Ik ben daar best teleur gesteld over, omdat die altijd goed ging. Het zal wel door de zenuwen komen. Ik loop af en ga naar mijn trainster. Gelijk krijg ik allemaal commentaar over me heen. Als ik naar de tribune ga kom ik onderweg nog een paar meiden tegen die in hetzelfde team zitten als ik. ‘Dat ging niet echt goed h. Zorg maar dat je het in het team niet verknalt.’ Zeggen ze spottend. Ik loop snel door. Ik blijf nog even op de tribune zitten totdat ik me weer moet omkleden voor mijn dance twirl. Als ik mijn make-up doe voor mijn solo komen er weer een paar meiden van een andere vereniging langs. ‘Zag je dat meisje daarnet? Bijna zielig zo slecht was ze.’ Zegt een van hen. Ik weet zeker dat ze dat zegt omdat ik nu hier sta. Ik doe alsof ik niets gehoord heb en ga gewoon weer verder met mijn ding.
Niet veel later heb ik weer een paar keer de routine doorgenomen van de dance twirl. ‘Natas, kom je, je moet zo op.’ Roept mijn trainster. ‘Ik kom eraan.’ Zeg ik en ga naar haar toe. ‘Verknal het deze keer niet weer. Anders word je helemaal niet geplaatst.’ Zegt ze. ‘Op line 1, Natasha Kramer.’ Wordt er weer omgeroepen. Een beetje zenuwachtig loop ik de vloer op en ga in mijn beginpose staan. De muziek wordt aangezet en ik begin. Meteen gaat het al fout. Kom op, dit kan ik beter. Ik pak het al snel weer op maar het gaat niet perfect.
Als ik weer afloop zie ik mijn trainster al staan. ‘Dat ging niet echt lekker h.’ Zegt ze. Ik kijk naar de grond en schud nee. ‘We zetten wel iemand anders in het team. Anders vergooien we daar ook nog punten aan.’ Zegt ze. ‘Wat! Word ik zomaar even vervangen?’ Vraag ik. ‘Ja.’ Zegt ze en gaat naar de andere meiden van het team. Ik kleed me om en ga op de tribune zitten. Ik wil eigenlijk nu naar huis, maar de prijsuitreiking komt zo, en ik kan niet naar huis omdat mijn ouders hier niet zijn. ‘Ik hoorde dat je niet met het team mee mag doen.’ Zegt Gwen. Ik vind haar echt zo irritant. ‘Weet ik.’ Zeg ik. ‘Je hebt het er ook zelf naar gemaakt h.’ Zegt ze en gaat weer weg. Ik ga naar buiten. Ik loop nog net niet tegen iemand op en ga tegen de muur zitten.

Bill’s pov:
Er komt een meisje onze kant uit gelopen. Ik denk dat ze boos is ofzo, want ze kijkt strak naar de grond en let niet op wat er voor haar gebeurt. Ik stap maar wat opzij om te voorkomen dat we tegen elkaar aan lopen. ‘Wat heeft zij nou?’ Vraagt Tom. ‘Geen idee.’ Zeg ik. ‘Even gaan vragen?’ Vraagt Kyra, mijn nichtje. We zijn speciaal hierheen gekomen om haar te zien optreden. ‘Ok, is goed.’ Zeg ik. We volgen het meisje. Ze zit tegen een muur aan te mokken. ‘Alles ok?’ Vraag ik. ‘Ziet dat er zo uit?’ Vraagt ze met betraande ogen. ‘Niet echt nee… Hoe heet je eigenlijk? En wat is er aan de hand dat je hier alleen zit?’ Vraag ik haar. ‘Natasha . En de reden dat ik hier alleen zit is mijn solo, die ging echt slecht.’ Zegt ze. ‘Het maakt toch niet uit als je solo een keer slecht gaat? Dat heb ik ook zo vaak gehad.’ Zegt Kyra troostend. ‘Het ging bij allebei slecht. Zowel bij 2 baton als dance twirl.’ Zegt ze. ‘Maar 2 baton is best lastig. Had je er heel moeilijke tricks in zitten?’ Vraagt Kyra. ‘Sommige stukken wel ja, maar die gingen normaalgesproken goed.’ Snikt Natasha. ‘Maar waarom is het zo erg dat het een keer fout ging?’ Vraagt Tom. ‘Omdat ik gelijk niet met het team mee mag doen.’ Zegt ze zachtjes. ‘Wat! Dat vind ik echt flauw. Kom mee, dan gaan we er gelijk wat van zeggen.’ Zegt Kyra. ‘Ze zullen er toch niets aan doen. Trouwens, die meiden uit mijn team willen zo min mogelijk met me te maken hebben.’ Zegt ze. ‘Waarom?’ Vragen wij in koor. ‘Omdat ze me niet accepteren zoals ik ben. Qua muziek, style en al die dingen.’ Zegt ze. ‘Dat is helemaal flauw. Maar wat ging er precies fout?’ Vraagt Kyra. ‘Alles zo’n beetje. De rolls, spins, illusion. Alles.’ Zegt Natasha. ‘Na vandaag heb je toch meer wedstrijden?’ Vraagt Kyra. ‘Ja, maar ik laat me denk ik uitschrijven.’ Zegt ze. ‘Waarom? Als je nou extra hard traint, dan kom je er wel. Misschien is de routine iets te hoog gegrepen voor jou.’ Zegt Kyra. ‘Misschien. Maar voorlopig wil ik de show niet meer doen op een wedstrijd.’ Zegt Natas. ‘Wil je dat wij helpen? Misschien zien we iets wat anders kan.’ Stelt Kyra voor. ‘Dat is een goed idee.’ Zegt ze, ondertussen klaart ze alweer op. ‘Kom, dan gaan we nog even naar de andere kijken.’ Zegt Tom. Hij reikt haar een hand aan om haar overeind te helpen. ‘Waar woon je eigenlijk?’ Vraagt Kyra terwijl we naar de tribune lopen. ‘Eindhoven. En jullie?’ Vraagt ze. ‘Ik woon ook in Eindhoven. En Bill en Tom in Hamburg, dat is niet echt lekker in de buurt h.’ Lacht Kyra. ‘Zo ver? En dan alleen om even hier te komen kijken?’ Vraagt ze. ‘Ja, we hadden even vrij, en we wilden wel eens weten wat ons nichtje uitspookt.’ Lach ik. ‘Ze hebben het zelf ook al geprobeerd, maar dat ging niet zo erg goed. H jongens.’ Zegt Kyra op een opvallende toon. Tom trekt zijn pet recht. ‘Dat ging inderdaad ehm…. Niet zo goed.’ Zegt hij. Met zijn vieren lopen we lachend verder.
Wanneer de prijsuitreiking geweest is krijgt Natas een lift van ons naar haar huis. Het is toch niet zo veel verschil, en anders moet ze zo lang wachten. Tom rijdt en wij zitten druk te praten met zijn drien.
Als we bij haar huis zijn hebben we al nummers en mail-adressen uitgewisseld.

Natasha’s pov:
Ik vind het wel jammer dat we nu al thuis zijn, ik had nog wel heel lang met ze kunnen doorkletsen. ‘Tot morgen Kyra. En Bill en Tom tot ziens.’ Zeg ik. Ik stap de auto uit en loop richting de deur. Als ik de deur open heb blijf ik nog net zo lang zwaaien totdat ze uit het zicht zijn. ‘Mam, pap, ik ben thuis!’ Roep ik. ‘Ok lieverd.’ Hoor ik mijn moeder vanuit de woonkamer roepen. Ik hang mijn jas op en berg mijn spullen op waar ze voorlopig horen. ‘Hoe ging je wedstrijd?’ Vraagt mijn vader als ik binnen kom. ‘Nou, het ging nogal slecht.’ Zeg ik. ‘Mag ik het juryrapport eens zien? Of heb je die nog niet gekregen?’ Vraagt mijn moeder. ‘Die krijg ik de volgende training pas.’ Zeg ik. ‘Aha, maar hoeveel punten had je?’ Vraagt mijn vader. ‘Te weinig naar mijn zin.’ Zeg ik. ‘Hoe komt dat? Je hebt toch genoeg getraind?’ Vraagt hij. ‘Ja, maar, ik weet niet wat het was. Ik kwam op en al die mensen waren daar naar me aan het staren. Het is echt heel anders in vergelijking met een team. En toen er n ding fout ging, ging alles fout.’ Zeg ik sip. ‘Dat kan gebeuren, dit is pas je eerste keer met je solo’s. Weet je wat, vanavond kom ik wel even kijken hoe het gaat.’ Zegt mijn moeder troostend. Ik knik.
Die avond gaan we naar de gymzaal die we hebben afgehuurd om te trainen. Mijn moeder zet de muziek aan. De routine gaat helemaal goed, ik laat mijn baton hooguit n keer vallen.
‘Dat gaat toch hartstikke goed? Volgens mij had je gewoon even een black out. Dat kan gebeuren.’ Zegt mijn moeder. ‘Ik weet het niet. Ik kan de show zowat dromen, en dan gaat het toch fout. Het was zelfs zo erg dat ik niet met het team mee mocht doen.’ Zeg ik. ‘Wat? Dat kan je toch niet zomaar doen. Ik ga wel even met die trainster van je praten.’ Zegt ze. Zo te horen is ze aardig boos op mijn trainster. Ze gaat even naar de kleedkamer om naar haar te bellen. Ik weet zeker dat ik haar aan de andere zaal nog kan horen. Ik hoor een zoemgeluid uit mijn batontas komen, ofterwijl; ik heb een sms’je gekregen. Als ik mijn mobiel open klap zie ik dat hij van Kyra komt.

Hey Natas,
Heb je nu tijd/zin om te trainen?
K hoor je antwoord nog wel :)
xxx Kyra

Gelijk stuur ik haar een sms’je terug.

Hey Kyra,
Zoek jij zulke momenten uit ofzo? Ik ben in de gymzaal bij de basisschool.
Kan je die vinden?
Ik was al aan het trainen, maar met jou is het extra gezellig xD
Doei
Natas

Ik druk op verzenden. Niet veel later krijg ik een sms’je met de mededeling dat ze eraan komt. Ondertussen is het boze gepraat van mijn moeder opgehouden. ‘Gezellig gesprek?’ Vraag ik sarcastisch. ‘Super gezellig.’ Zegt ze. ‘Zo meteen komt Kyra hierheen, ze is echt aardig en wil me helpen met de routine.’ Vertel ik. ‘Je bedoelt toch niet Kyra Haverkamp?’ Vraagt mijn moeder. ‘Jawel.’ Zeg ik. ‘Grapje zeker, zij is al een paar keer naar het EK geweest, en jij komt haar even tegen en vraagt of ze wil komen trainen?’ Zegt ze ongelovig. ‘Ja, ze is het nichtje van Bill en Tom, die heb ik ook ontmoet op de wedstrijd.’ Zeg ik met een big smile. ‘Aha… Ok, ik vind het best. Veel plezier dan.’ Zegt mijn moeder.
Niet veel later staat Kyra ook in de zaal. ‘Ok, wil je eerst de routine even doen, dan kijk ik wel even of er wat op of aan te merken is.’ Zegt ze. ‘Ok. Het is de tweede op de cd.’ Zeg ik. Ze knikt. Als ik in de beginpose sta start ze de muziek. Weer gaat het goed. ‘Even een vraagje. Vind jij deze muziek leuk?’ Vraagt ze. ‘Mwah… Zelf heb ik liever andere muziek, maar hier heb ik nu de show op, dus ik doe het er maar mee.’ Zeg ik eerlijk. ‘Zoiets verwachtte ik al. Ik heb een cd’tje bij me, en je moet honderd procent eerlijk zeggen wat je ervan vindt.’ Zegt ze. ‘Ok.’ Zeg ik. Kyra zet de cd op. Het begint al gelijk super, hetzelfde geldt voor het einde, helemaal te gek. ‘Wauw… Meer heb ik niet te zeggen. Echt super gaaf. Helemaal dat begin. Maar was dat nou Bill’s stem die ik hoorde?’ Vraag ik. Kyra knikt. ‘Ja, dit is bers ende der Welt live. Ik vind het echt gaaf klinken. Dat hebben mijn neefjes goed gedaan, niet?’ Vraagt ze lachend. Ik knik hevig. ‘Heb je zin om ze te verrassen met je volgende optreden?’ Vraagt ze. Er verschijnt een grijns op mijn gezicht. ‘Natuurlijk heb ik daar zin in.’ Zeg ik lachend. ‘Laten we dan maar beginnen.’ Zegt ze. Ze haalt een pen en papier tevoorschijn. Ik kijk haar vragend aan. ‘Je weet maar nooit waar het goed voor is.’ Zegt ze lachend.
Een paar dagen achter elkaar spreken we met elkaar af. De show gaat steeds beter, deze routine vind ik echt veel en veel leuker dan de vorige.
Eindelijk is het zover dat ik weer een wedstrijd heb ik Arnhem. ‘Ik ben echt super zenuwachtig.’ Zeg ik tegen Kyra. ‘Op line 2, Junior Intermediate, Natasha Kramer. Natasha succes.’ Zegt de vrouwenstem. ‘Je kunt het.’ Fluisterd Kyra. ‘Ok, ga maar snel naar de tribune.’ Zeg ik nog snel voordat ik op ga. Snel loopt ze weg, en ik loop dus op.
Ik zie helemaal bovenin Bill en Tom zitten.
Ik ga in mijn beginpose staan. Als de muziek begint zie ik dat ze een big smile hebben. Ook al zitten ze ver weg, het is zo duidelijk te zien dat ze trots zijn. En Kyra zo te zien ook.
Iedereen klapt mee op de maat, en ik geniet van het geweldige gevoel. Ik groet nog even de jury en loop dan af. Snel ga ik de tribune op. Gelijk word ik omhelsd door Kyra. ‘Dat ging echt super. Zie je wel dat je het kan.’ Zegt ze vrolijk. ‘Dat was echt een gave show, goed gedaan.’ Zegt Bill. De tweeling heeft nog steeds een grijns van hier tot Tokio op hun gezicht. Ik ben echt helemaal hyper omdat het zo goed ging. Dan zie ik mijn moeder staan. Ik ren op haar af en spring op haar rug. ‘Hey, het ging goed h.’ Zegt ze. ‘Het was geweldig.’ Zeg ik vrolijk.
Mijn vrolijke gevoel wordt beloond met een tweede plaats.

Voor altijd een herinnering

Voor altijd een herinnering

Hey Cher, moet je horen.’ Zegt Dyllan vrolijk. Normaal is hij nooit zo hyper. Ik moet lachen om zijn gedrag. ‘Wat is er?’ Vraag ik nog steeds lachend. ‘Buiten adem komt hij voor me staan. ‘Moet je horen, die muiziek.’ Zegt hij nog nahijgend, en geeft me de oordopjes van zijn ipod. Een jonge kinderlijke stem galmt door mijn hoofd. ‘Schrei, bist du du selbst bist. Schrei, wenn es das letzte ist. Schrei, auch wenn es wehtut. Schrei so laut du kannst.’ Klinkt de stem. ‘Klinkt goed. Wie zijn het?’ Vraag ik. ‘Tokio Hotel. Heb je nog nooit van ze gehoord?’ Vraagt hij. Lachend schud ik van nee. ‘Dan mis je echt iets. Echt heel goede muiziek.’ Zegt hij. ‘Inderdaad, het klonk zeker niet verkeerd.’ Zeg ik.

Ik moet glimlachen als ik terug denk aan toen. Dankzij Dy ben ik nu fan van Tokio Hotel. Natuurlijk vind ik andere bandjes ook goed, maar zij zijn echt mijn nummer 1. ‘Cherrilynn, blijf je bij de les?’ Vraagt mijn docente. Ik schrik op uit mijn gedachten. ‘Ja mevrouw.’ Zeg ik snel. Ik kijk naar de lege plek naast me. Hoe zou het nu met Dy gaan? Hij is vandaag ziek, maar ik maak me echt zorgen. Hij is echt nooit ziek. Behalve nu dan. Gelukkig is dit het laatste uur, dan kan ik snel naar huis. Het kwartier gaat traag voorbij, maar uiteindelijk gaat de bel, al is het voor mijn idee veel te laat.
Als ik thuis ben bel ik gelijk naar Dy. ‘Dit is de voice mail..’ Ik hang op. Stom ding. Op msn is hij ook al niet online. Nerveus tik ik op tafel. Ineens word er gebeld, ik neem dus op. ‘Hallo, met Monique.’ Zegt een stem die ik gelijk als Dyllan’s moeder herken. Als zij belt, is het vast niet goed. ‘Hallo.’ Zeg ik. ‘Weet jij misschien waar Dyllan is? Vanmorgen was hij thuis gebleven, ik kom net uit mijn werk, maar hij is nergens.’ Zegt ze. ‘Wat? Hij is niet thuis? Maar hij nam ook niet zijn mobiel op. Ik ga wel zoeken.’ Zeg ik geschrokken. ‘Ik had gehoopt dat hij bij jou was.’ Zegt ze. ‘Niet dus. Maar ik zal wel naar hem op zoek gaan, ik heb toch geen huiswerk.’ Zeg ik. We beindigen het gesprek. Snel schiet ik in mijn schoenen en ren naar buiten. Ik doorzoek alle straten. Waar zit hij toch. Hij is nooit zomaar weg. Maar dat zei ik ook over het ziek zijn.
Hopeloos ga ik op een bankje zitten.

‘Cher! Cher, waar zit je?’ Hoor ik. Na een paar minuten heeft hij me toch gevonden, ook al wilde ik dat niet. ‘Wat is er aan de hand?’ Vraagt hij. ‘Niets.’ Zeg ik. Natuurlijk is er wel wat, maar ik wl het niet zeggen. ‘Jawel, vertel het maar.’ Zegt hij. ‘Laat me nou.’ Ik ruk me los uit zijn troostende greep en wil weglopen. Hij pakt mijn pols vast. Een steek gaat door mijn arm heen waardoor ik snel mijn hand terug trek. ‘Weet je zeker dat je me niet iets moet vertellen?’ Vraagt hij. Ik staar hem aan. ‘Ik…Ik weet het even niet meer.’ Zeg ik. Ik kan mijn verhaal niet eens beginnen of hij heeft zijn armen alweer om me heen geslagen om me te troosten. Samen gaan we naar huis. ‘Wil je zeggen wat je dwars zit?’ Vraagt hij. Ik haal mijn schouders op. ‘Het lucht er op als je erover praat.’ Probeert hij nog eens. ‘Maar ik wil jou er niet mee lastig vallen.’ Zeg ik. ‘Dat maakt mij helemaal niets uit, ik wil jou niet ongelukkig zien. Val me er maar mee lastig.’ Zegt hij. ‘Ik wil niet meer bestaan. Mijn leven is toch niets meer waard.’ Zeg ik. ‘Dat is het wel.’ ‘Iedereen, behalve jij dan, haat me.’ Zeg ik. ‘Wat maakt dat nou uit. Laat die anderen lekker lullen. Je bent een super toffe meid. Het is zonde om dit op te geven.’ Zegt hij. Ik staar naar beneden. Hij weet het allemaal wel leuk te brengen, maar ik wil gewoon niet meer door. ‘Hoe ver ben je gegaan?’ Vraagt hij. ‘Niet zo heel ver.’ Zeg ik. Hij draait voorzichtig mijn handpalm omhoog en stroopt mijn mouw op. ‘Gelukkig is het hierbij gebleven. Je moet echt stoppen voordat het niet meer kan.’ Zegt hij. ‘Ik kan heus wel stoppen wanneer ik wil.’ Zeg ik eigenwijs. Hij kijkt me doordringend aan. ‘Geloof me, dat kan je niet.’

Ik zucht. Wat zou ik zonder Dy moeten. Hij wist me er vanaf te praten. En hij had gelijk, het was moeilijk om er vanaf te komen. In het begin deed ik het bijna elke dag. Nu is het alleen als ik heel erg diep in de put zit. Ik laat mijn gedachten verder door het verleden gaan.

‘Cher, niet doen.’ Zegt Dy waarschuwend. ‘Waarom? Er is toch niemand die het verschil merkt. Dus waarom zou ik niet gaan?’ Zeg ik nors. ‘Omdat ik je dan achterna ga.’ Zegt hij. Dit liet me wel even schrikken. ‘Je mag veel van me doen, maar dat nooit.’ Zeg ik. ‘Zelfde geldt voor jou.’ Zegt hij. Ik kijk naar beneden en weer terug naar Dyllan. Laat ik mijn enige vriend in de steek? Of ga ik met hem mee? ‘Kom asjeblieft van die rand af.’ Zegt hij. Zijn ogen staan vol met angst. Voorzichtig pakt hij mijn hand. ‘Het heeft geen zin Cher.’ Zegt hij. Een traan gaat over mijn wang. Ik sla mijn armen om hem heen.

Ik zucht diep. Zo ver wil ik het niet meer laten komen. Ik had toen echt zijn hulp heel hard nodig, en die hulp kreeg ik ook van hem.
Ik zoek om me heen. Waar zit die jongen toch? Ineens zie ik zwart haar. Ik ren naar hem toe. ‘Dy, ik maakte me zorgen om je.’ Zeg ik als ik naast hem sta. Hij lijkt even te schrikken uit gedachten. ‘Je hoeft je geen zorgen te maken. Er is toch niets aan de hand?’ Zegt hij. ‘Nee, gelukkig niet.’ Zeg ik. Ik ga naast hem zitten. ‘Mooi shirt trouwens.’ Zeg ik. Er verschijnt een glimlach op zijn gezicht. ‘Vans is altijd wel goed h.’ Zegt hij. Hij legt zijn Ipod opzij. ‘Wat was je aan het luisteren?’ Vraag ik. ‘Oh, niets bijzonders.’ Zegt hij. ‘Zeg het nou.’ Zeg ik op zeurderige toon. ‘Ok, ok. Spring nicht, van Tokio Hotel. Nu je zin?’ Lacht hij. ‘Maar dat is toch een rustig nummer? Zit er zo’n belangrijke betekenis aan vast?’ Vraag ik nieuwsgierig. Normaal houdt Dy alleen van harde, stevige muziek. Er staan wel een paar rustige nummers op zijn ipod, maar die hebben meestal een heel belangrijke betekenis voor hem. ‘Mwah, valt mee hoor, die hele betekenis.’ Zegt hij luchtig. ‘Je ma is ongerust over je. Waarom was je trouwens niet op school?’ Vraag ik. ‘Is ze ongerust? Oeps… Zo lang ben ik nog niet weg. En ik had vanmorgen heel erg migraine.’ Zegt hij. Ik knik als teken dat ik het begrijp. ‘En ben je trouwens nog geslaagd voor de cd?’ Vraagt hij. Ik knik hevig ja. ‘Echt? De nieuwe van My Chemical Romance? Die waren echt helemaal uitverkocht.’ Zegt hij ongelovig. ‘En toch kon ik eraan komen.’ Zeg ik. ‘Wauw, mazzelaar.’ Zegt hij. ‘Zal ik de cd voor je op je ipod zetten, dat scheelt weer tijd, anders moet alles verzonden worden.’ Zeg ik. ‘Ok, is goed.’ Zegt hij en geeft zijn ipod. ‘En ik heb nog iets.’ Zeg ik geheimzinnig. ‘Wat dan?’ Vraagt hij. Hij weet dondersgoed wat het is, maar wil het waarschijnlijk niet geloven. ‘Doe eens een gokje.’ Zeg ik. ‘Nee toch? Het heeft toch niet met het concert te maken?’ Zegt hij. Ik knik. Zijn ogen worden groot. ‘En jij durft nog te beweren dat je nooit geluk hebt.’ Zegt hij. Ik lach breed. ‘Ja.’ We praten nog heel even bij.
‘Maar ik ga weer naar huis. Gezien m’n ma ongerust is.’ Zegt hij. ‘Ok, tot morgen dan.’ Zeg ik. Ik ga ook maar naar huis, hier heb ik niets meer te zoeken nu Dy weer gevonden is.
Eenmaal thuis ben ik weer alleen. Ik ga naar boven om de nummers van mijn cd op Dy’s ipod te zetten. Als ik klaar ben zet ik msn aan, nu is hij er wel. ‘Hee!!’ Stuurt hij gelijk. ‘Haaii, je ipod is weer op de hoogte van wat je allemaal luisterd ;)’ Typ ik. ‘Yee! Dankuu :)’ Zegt hij. ‘En? Was je ma blij dat je weer thuis bent?’ Vraag ik. ‘Nogal, ik ben gelijk half gewurgd xD’ Typt hij terug. Ik moet lachen. ‘Maar wat was er nou zo bijzonder aan Spring nicht???’ Vraag ik. ‘Hoezo??? Helemaal niets.’ Typt hij. ‘Ojee, je liegt man. Als jij van die langzame nummers erop hebt staan betekend dat iets… en die tekst brengt me niet echt op goeie ideen.’ Typ ik terug. ‘Er is echt helemaal niets mee, het is gewoon een mooi nummer.’ Typt hij nog eens. ‘Jaja, en nu de waarheid ^^’ ‘Dat was de waarheid suffie… Maar k ga weer…M’n ma roept.’ Typt hij snel en gaat offline. Ik rommel nog wat op internet en dan ga ik ook weg.
De volgende dag is Dy er weer niet. Hoe kan dat nou? In de pauze stuur ik een sms’je naar hem. Al snel heb ik antwoord. ‘Migraine.’ Luidt het. Alweer. De rest van de dag breng ik alleen door. Hoewel het niet helemaal alleen is, want Issabella heeft weer de pik op me.
Die middag vind ik Dy weer op dezelfde plek in het park als gisteren, alleen dan zonder ipod, want die heb ik nog steeds. Oeps, die ligt nu dus thuis. ‘Hey Dy.’ Zeg ik verrast. ‘Sorry, ik ga weer.’ Zegt hij en loopt ineens weg. Wat heeft hij nou? Hij is in ieder geval niet de hypere, vrolijke Dy. Er zal wel iets aan de hand zijn. ‘Dy, wat is er?’ Vraag ik terwijl ik naast hem loop. ‘Niets. Ik wil gewoon even alleen zijn.’ Zegt hij en duwt me een beetje weg. Verbaast blijf ik staan. Het gaat echt niet goed met hem, of hij heeft ineens een hekel aan me, maar ik zou niet weten waarom. Ik slenter nog wat rond, maar eigenlijk heb ik hier nog weinig te zoeken.
Hoewel ik me de hele tijd verveeld heb, heb ik het toch volgehouden om tot ’s avonds laat rond te dwalen. Ik ga maar weer, het heeft geen nut om op Dy te wachten als ik zeker weet dat hij niet komt.
Op de terugweg zie ik hem ineens bij het meertje zitten. Ik ga naar hem toe. Hoe dichter bij ik kom, hoe meer ik hoor dat hij zacht zit te snikken. ‘Zeker weten dat er niets aan de hand is?’ Vraag ik zacht. Hij schrikt even. ‘Ik wil gewoon even met rust gelaten worden.’ Zegt hij. Ik veeg de zwarte strepen van zijn gezicht af. ‘Ok, als je het niet wil zeggen doe je het niet. Maar dan kan ik ook niet helpen.’ Zeg ik zacht. ‘Weet ik, weet ik.’ Zegt hij. Enerzijds wil ik nu naar huis, het wordt namelijk al aardig fris. Anderzijds wil ik hier blijven omdat ik Dy niet alleen wil laten. ‘Zullen we maar weer gaan?’ Stel ik voor. Hij schudt nee. ‘Ik blijf nog even hier.’ Zegt hij. ‘Maar het word al fris, straks ben je weer ziek, dan zit ik nog een dag in m’n uppie opgescheept met Isabella.’ Zeg ik. Hij lacht even. ‘Sorry, maar als ik kotsent door de school loop is het ook geen pretje.’ Zegt hij. ‘Wel als je over haar heen kotst.’ ‘En wie ruimt het dan op?’ Vraagt hij. ‘Ik niet, jij niet…Zij wel.’ Zeg ik. ‘Jaja, je hebt leuke praatjes Cher.’ Zegt hij. ‘Ga je nou nog naar huis, of blijf je hier eeuwig zitten?’ Vraag ik ongeduldig. De wind zet steeds meer op, en de wolken worden ook alsmaar dreigender. ‘Ok, ik kom al.’ ‘Laat al maar weg.’ Zeg ik. Hij staat op, en we gaan samen naar huis.
Als ik net thuis ben barst de hemel. Ik hoop maar voor Dy dat hij door is gelopen, anders is hij nu doorweekt.
De volgende ochtend kom ik Dy weer tegen als we naar school gaan. ‘Gezellig dat je toch bent gekomen.’ Zeg ik. ‘Grappig hoor.’ Zegt hij. We praten niet zo veel onderweg. Normaal heeft Dy eindeloos lange verhalen, en als hij ze niet heeft, dan heb ik ze wel. Maar nu niet. Het lijkt alsof hij iets achter houdt. Eenmaal op school dumpen we onze spullen. We zitten best ver uit elkaar, maar dat maakt niet uit. Ik hoor na een tijdje een deur dichtslaan en gedempte stemmen. Ik doe mijn kluisje dicht en luister beter naar het geluid. Het komt uit de jongens wc. Ze mogen nu niet meer over meiden zeggen dat ze altijd tegelijk moeten. Als ik wat beter luister hoor ik Dy’s stem. Oh, shit. Kan er dan ook niet n dag zijn dat ze ons met rust laten? Ik ga naar de wc’s. Er komen een paar gasten uit die ons altijd dwars zitten. De voorste duwt mij opzij. ‘Uit de weg emo.’ Zegt hij. Verder gunnen ze me geen blik. Het zal wel. Ik ga de wc’s binnen. ‘Dy? Waar ben je?’ Vraag ik. Geen antwoord. Voorzichtig doe ik de deuren n voor n open. Niets, niets, nog een keer niets. Waar zit die jongen als je hem zoekt. Ineens valt mijn oog op een raam dat open staat. Nee toch? Getver, dat is vies. Hij moet wel erg wanhopig geweest zijn wil hij daar doorheen klimmen. Ik ga naar de plek waar hij zou moeten zijn, als hij tenminste het raam gebruikt heeft. Er zitten donkerrode strepen op de muur, in het zand staan voetstappen die door de struiken heen gaan. Ik volg het maar. De struiken zijn nog nat van gisteren avond, en de dorens prikken door mijn broek heen. Lekker dan, daar gaat mijn nieuwe broek. Als ik door de struiken heen ben gaan de voetstappen over in rode druppeltjes op het voetpad. Ik loop het hele einde af. Ik ga over zandpaadjes waar ik nog nooit geweest ben, door struiken die scheuren maken in mijn broek en over doodnormale weggetjes. Uiteindelijk kom ik uit bij een groot parkeerterrein. Ik zie nog net iemand de trap op schieten. Als dat Dy is ben ik bang voor wat er komen gaat.
Ik ga naar de trap en ren naar boven, maar de persoon voor me is sneller.
Uiteindelijk ben ik helemaal bovenaan. De adrenaline giert rond. Ik ga naar de persoon toe die sneller was dan ik. Als ik dichtbij genoeg ben om de conclusie te trekken dat het echt Dy is stokt mijn adem even. ‘Wat hebben ze gedaan?’ Vraag ik als ik naar het bloed op zijn gezicht kijk. Hij kijkt weg. ‘Het zat er toch al dik in.’ Zegt hij. Hij hinkt moeilijk naar de rand. Het waait heel erg, dus de kans is groot dat hij zijn evenwicht verliest. ‘Dy, niet doen. Asjeblieft.’ Zeg ik smekend. Hij luistert niet en negeert het. ‘Je weet dat ik je achterna ga.’ Zeg ik. ‘Dat doe je niet.’ Zegt hij. ‘Maar jij bent alles voor mij, als jij weg bent, wil ik ook niet meer hier zijn.’ Zeg ik. Hij stapt wat dichter naar de afgrond. ‘Jij hebt mij omgepraat om het niet te doen, waarom doe jij het dan wel.’ Zeg ik. De tranen stromen ondertussen over mijn wangen, ik ben bang voor wat er straks gebeuren gaat. ‘Volg me niet. Ik wil je pas over heel veel jaren zien in de hemel.’ Zegt hij en laat zich vallen. ‘Kom terug!’ Roep ik snel. In een reflex probeer ik hem nog te pakken, maar helaas, ik ben te laat. ‘Kom terug.’ Zeg ik zachtjes. Beneden staat een groepje mensen om hem heen. Ik ren snel naar beneden, ik moet weten dat Dy nog leeft. Al heeft hij van alles gebroken, hij met nog leven.
Ik hoor de sirenes van de ambulance er al aan komen. Dyllan is steeds meer in zicht. De mensen om hem heen zorgen dat ik minder snel bij hem kom. Ik duw ze hardhandig weg. ‘Dy, Dy, zeg dat het ok is met je.’ Roep ik als ik er bijna ben. Een paar handen trekken me terug. Ik sla ze weg. Wanneer ik eindelijk bij hem ben word ik weer weggetrokken. ‘Laat me los!’ Schreeuw ik. ‘Stt… Laat die mensen hun werk doen.’ Zegt een stem zo kalm mogelijk. ‘Ze moeten van hem afblijven. Het is mijn vriend, ik wil naar hem toe.’ Schreeuw ik. De jongen drukt me zachtjes tegen zijn borst en neemt me mee uit de groep mensen. ‘Laat me terug gaan.’ Zeg ik. Er lopen nog steeds tranen over mijn wangen. ‘Het is beter als je dit niet ziet.’ Zegt hij. Ik probeer om te kijken, maar de jongen zorgt dat dat niet gaat. Ik hoor een doffe klap. ‘Wat doen ze?’ Vraag ik trillerig. ‘Hopen dat hij nog leeft.’ Zegt de jongen triest. Aan zijn gezichtsuitdrukking te zien betekend dat dat Dyllan dood is. ‘Ik wil naar huis.’ Zeg ik zacht. ‘Ik breng je wel.’ Zegt hij. Beschermend legt hij een arm over mijn schouder, samen gaan we naar huis. Ik bekijk hem eens goed. Hij doet me een beetje denken aan Dy. Beiden zwart geverfd haar, zwarte make-up. En nog meer, hoewel ik sommige dingen niet kan plaatsen. De meeste mensen vertrouw ik niet gelijk omdat ik altijd gepest ben met mijn stijl, maar hem vertrouw ik. Alsof ik hem al ken.

‘Wow, Dy, wat heb jij gedaan?’ Zeg ik ongelovig. ‘Ik vind het wel gaaf. Jij niet dan?’ Vraagt hij. In zijn uitdrukking kan zelfs een blinde nog zien dat hij apentrots is. ‘Wel gaaf? Super stoer man!’ Zeg ik. Ja, Dyllan had net een uitprobeersel gedaan bij de kapper. Zijn donkerblonde haren zijn nu zwart. Het staat hem echt super. ‘Nu jij nog.’ Zegt hij lachend. ‘Geloof me, dat komt zeker weten nog wel.’ Zeg ik met een grijns.

‘Waar denk je aan?’ Vraagt Bill nieuwsgierig. Ik was er niet zo bij met mijn gedachten terwijl hij een heel verhaal vertelde, maar dat hij Bill heette heb ik nou net wel opgevangen. ‘Niets, het was een herinnering.’ Zeg ik. Mijn grijns is spontaan verdwenen. ‘Ging het over die jongen van daarnet?’ Vraagt hij. Ik kijk naar de grond en knik ja. De tranen prikken weer achter mijn ogen. Er valt een ongemakkelijke stilte. ‘Misschien is het beter als ik even alleen ben.’ Zeg ik. Ik durf Bill niet aan te kijken, hij heeft soms dezelfde trekken als Dy, en dat kan ik even niet hebben. ‘Ok, als je me nodig hebt, dan moet je gewoon even bellen, in zo’n geval maak ik gewoon tijd.’ Zegt hij en drukt snel een papiertje in mijn hand. Hij gaat weg en ik staar nog even in het niets voor me uit.
Wacht eens… Bill? Tweeling? Gott, het dringt nou pas tot me door dat hij niet zomaar Bill is, maar d Bill is. Ik sla mezelf voor mijn hoofd. Hoe kon ik zo dom zijn? Was Dy hier nog maar… Als hij dit zou horen zou hij me eerst raar aankijken en dan vragen of ik het niet heb gedroomd. Onlangs het feit dat ik nu eigenlijk constant zou moeten janken om de herinneringen, moet ik lachen, het zijn mooie herinneringen.
Vanaf het moment dat we elkaar tegenkwamen waren we niet meer bij elkaar weg te slaan. Bij de gedachten rollen er weer een paar tranen over mijn wangen heen. En nu? Ik ben dood op, heb ik nog veel te doen? Ik kijk in mijn agenda voor het huiswerk. ‘Duits leren. Dat kan ook wel een keertje overgeslagen worden.’ Zeg ik tegen mezelf. Ik slenter naar boven en ga op bed liggen, al snel val ik in slaap. Telkens komt Dy erin voor, en telkens zie ik hoe hij naar beneden stort.
Als ik ’s nachts weer voor de zoveelste keer wakker word ben ik het zat. De enige waar mijn hele gedachte om gaat is Dy. Ik pak een schaar van mijn bureau. Ik heb hem al een hele tijd niet meer gebruikt zoals ik nu ga doen, maar ik houd het gewoon niet meer. Ik zet de punt in mijn vel en maak een diepe snee in beide polsen. Het lucht vreselijk op. Ik weet dat het niet lang duurt voordat ik de pijn weer voel voor Dy, maar voor even is het goed zo.
Als ik de volgende ochtend op school kom komt Isabella naar me toe. ‘Wat zie jij eruit. Normaal zie je er al uit alsof je niet geslapen hebt, maar dit overtreft echt alles.’ Zegt ze spottend. Vannacht was ik nog heel vaak wakker geweest. ‘Laat me gewoon even met rust ok?’ Zeg ik lichtelijk gerriteerd. ‘Je hoeft niet te treuren meisje. We wisten al lang dat je vriendje er een einde aan zou maken. Heb je dat niet eens aan zien komen.’ Zegt ze. Ik heb niet eens zin om hier op in te gaan en duw hardhandig de sleutel in mijn kluisje om mijn spullen erin te doen. Isabella volgt me. ‘Kom op, je wist al lang dat het zo ver zou komen. Waarschijnlijk heb jij je vannacht weer zitten snijden, en maak je er binnenkort ook een einde aan. Zo is dat nou eenmaal bij jouw soort mensen.’ Zegt ze. Pissed gooi ik mijn kluisje dicht. ‘Dat jij nou zo’n huppel bent, dat kan mij geen ene fuck schelen. Mijn vrienden beledigen moet je vooral niet doen als ik in de buurt ben.’ ‘Oh, wat erg. En wat wil je dan gaan doen?’ Vraagt ze. Als antwoord krijgt ze een klap in haar gezicht. Met open mond kijkt ze me na wanneer ik weg loop.
In de pauze is het “grote nieuws” de hele klas al doorgegaan. Constant vragen ze wat er met Dy gebeurt is. ‘Dat weet ik niet.’ Zeg ik voor de miljoenste keer. ‘Maar je stond er naast.’ Zegt Mark. Weer komen er een paar commentaren. ‘Ik heb altijd al geweten dat hij er een eind aan zou maken.’ Komt Isabella ertussen. ‘Kappen nou.’ Zeg ik zacht. ‘Je bent dom geweest, je hoort niet met dat soort mensen om te gaan. Nu ben je alleen.’ Zegt ze. Ik loop weg. Ik wil hier niet meer zijn nu. Een paar voetstappen volgen me. Iemand pakt mijn schouders vast. ‘Laat me met rust.’ Zeg ik. Als ik me omdraai zie ik dat het een van onze docenten is. ‘Wat is er aan de gang?’ Vraagt hij. ‘Ze ondervragen me constant. Alsof ik weet wat er in Dy’s hoofd rond gaat.’ Zeg ik. ‘Kom maar even mee.’ Zegt hij. ‘Ik wil niet terug naar hun.’ Zeg ik. ‘We gaan niet naar hun toe, kom maar even mee naar mijn kamer.’ Zegt hij.
Niet veel later sta ik dus een beetje ongemakkelijk te doen in de docentenkamer. ‘Dus wat is er nou gisteren gebeurd?’ Vraagt hij. Ik barst weer in tranen uit. ‘Dat heb ik nou al zo vaak gezegd, ik weet het niet. Ik wil het niet weten. Het mag gewoon niet zo zijn.’ Schreeuw ik uit. ‘Rustig, rustig, ik wilde je niet aan het huilen maken. Is er iemand waar je wel goed mee kunt praten hierover?’ Vraagt hij. ‘Ja… Er is wel iemand…Ja.’ Zeg ik. ‘Misschien kan je dan beter bij hem je hart luchten.’ Zegt hij. Kennelijk weet hij ook niet wat hij met me aan moet. Ik knik. Ik bel naar Bill en niet veel later staat hij voor de deur bij school. ‘Cher, wat is er?’ Vraagt hij bezorgt. Hij slaat zijn armen om me heen. ‘Ze beginnen telkens over Dy.’ Zeg ik. Isabella komt weer aangelopen. ‘Heb je weer een nieuw zelfmoord vriendje gevonden. Die verslind je ook snel.’ Zegt ze lachend. Bill kijkt haar kwaad aan. ‘Wil je even met mij mee naar huis?’ Vraagt hij. Even twijfel ik. Zo lang ken ik hem nog niet, maar aan de andere kant, ik vertrouw hem. En dat zegt al veel. ‘Ok, als ik maar weg ben van dat wicht daar.’ Is mijn antwoord. Bill brengt me naar zijn auto. Tijdens de reis naar zijn huis worden er geen woorden meer gewisseld.
‘We zijn er.’ Zegt Bill nadat de auto tot stilstand is gekomen. Ik stap uit.
Als we het huis binnenkomen, komt er iemand naar ons toe. ‘Hey, ik ben Tom. En jij bent?’ Vraagt hij. ‘Cherrilynn,’ Zijn gezicht betrekt even, waarschijnlijk weet hij al zeker dat hij mijn naam vergeet. ‘maar zeg maar gewoon Cher.’ Voeg ik er aan toe. Ik bekijk hem even. Hij heeft ook een piercing door zijn lip.

‘Dy, waar was je?’ Roep ik vanaf een afstandje naar hem. ‘Even de stad in.’ Lachend komt hij naar me toe. ‘Wow! Die snakebite is zo gaaf!’ Roep ik uit als ik opmerk waarvoor hij werkelijk naar de stad ging. ‘Dus het is goed gekeurd?’ Vraagt hij lachend. ‘Het staat echt super sexy.’ Zeg ik. ‘Ojee, ik heb straks toch niet allemaal meisjes achter me aan?’ Zegt hij lachend. Ik woel door zijn zwarte haren. Soms…Dan is hij een beetje raar. Maar wel op een leuke manier. ‘Ik weet niet. Misschien. We zullen het zien.’ Zeg ik lachend.

‘Joehoe? Waar staar je naar?’ Vraagt Tom. Ik schrik op. ‘Oh, sorry. Ik was even weg.’ Zeg ik en sla mijn ogen neer. Tom lijkt het niet te begrijpen. ‘Je deed me nogal denken aan een heel goede vriend van me.’ Voeg ik eraan toe. ‘Oh, hoe heet hij?’ Vraagt Tom nieuwsgierig. Bill geeft hem een waarschuwende blik, maar Tom lijkt het niet te merken. ‘Dyllan.’ Zeg ik met een brok in mijn keel. ‘Is er iets met hem ge-auw, Bill! Was dat nodig?’ Vraagt Tom die zojuist een schop tegen zijn schenen heeft gekregen. Door mijn verdriet heen moet ik toch lachen om Tom die echt helemaal niets door had. ‘Wat is er nou aan de hand? Ik snap echt niets van jullie.’ Zegt Tom. ‘Dat wat ik je gisteren vertelde.’ Sist Bill. ‘Oooh… Sorry. Dat had ik niet door.’ Zegt Tom. Zijn wangen zijn een beetje rood. ‘Ik kan me hier misschien beter niet mee bemoeien.’ Zegt hij snel. ‘Maakt niet uit.’ Zeg ik.
Bill neemt me mee naar de woonkamer. We gaan op de bank zitten. Ik begin met mijn hart uit te storten. In het begin ben ik nog een beetje onzeker, maar na een tijdje vertel ik alles. Vanaf het moment dat we elkaar leerden kennen, tot aan wat er gisteren gebeurd is. Ik vertel hoe ik me voelde als hij er niet was, en als hij er wel was. Hoe we elkaar er weer bovenop kregen als we ergens mee zaten. Echt alles. Ook vertel ik hoe hij en Tom me aan Dy doen denken. Een glimlachje verschijnt op zijn gezicht.
Na een hele tijd ben ik pas klaar. ‘Dat was het.’ Zeg ik met een zucht. ‘En? Lucht het op?’ Vraagt hij. ‘Ja, helemaal met iemand die zo goed luistert.’ Zeg ik. Tijdens mijn hele verhaal heb ik wel een paar keer met een brok in mijn keel gezeten, maar ik ben blij dat ik door ben gegaan. Dan gaat mijn telefoon af. ‘Hoi.’ Zeg ik met een zacht stemmetje. ‘Hoi, is er iets aan de hand?’ Hoor ik mijn moeder vragen. Ik herstel mezelf weer. ‘Nee hoor, niets aan de hand. Maar waarvoor bel je?’ Vraag ik. ‘Of je zo naar huis komt.’ Zegt ze. ‘Ok, ik kom eraan.’ Zeg ik. We beindigen het gesprek en hangen op. ‘Dat was m’n ma om te vragen of ik zo weer naar huis kom. ‘Ok, ga dan maar gauw.’ Zegt Bill. Ik knik. Ik groet Tom nog even. ‘Nog bedankt dat ik kon praten met je.’ Zeg ik nog eens tegen Bill. ‘Het was een kleine moeite.’ Zegt hij. ‘Ik geloof nooit dat jij het makkelijk vond om je mond dicht te houden.’ Zegt Tom. ‘Houd jij je er nou maar gewoon buiten.’ Zegt Bill plagend tegen zijn broer.
Als ik thuis kom komt mijn moeder op me af. ‘Waar zat je al die tijd? Ik hoorde wat er vanmiddag is gebeurt op school.’ Zegt ze. ‘Rustig mam. Er is me niets overkomen.’ Zeg ik. ‘Ik heb anders wel andere verhalen gehoord. Wie was die jongen met wie je mee ging?’ Vraagt ze. ‘Bill.’ Zeg ik. ‘En wat heb je daar gedaan?’ Ik zucht even. Ik vind mijn moeder aardig hoor, maar op zo’n moment wil ik wel dat ze haar mond houd. ‘Mijn hart uitgestort.’ Zeg ik. ‘Over Dyllan?’ Vraagt ze. Ik knik. ‘Ok.’ Is het enige wat ze nog zegt. Yee, vrij. Ik ga naar boven. Ik graaf wat in mijn schooltas, daar vind ik de ipod van Dy. Die zou ik gisteren aan hem geven. Ik zucht weer.
Ik ga op mijn bed zitten en zet zijn ipod aan op het nummer Spring nicht. Lang houd ik het niet vol, want het doet me te veel aan Dy denken. Snel zet ik een ander nummer op. Maar bij elk nummer waar ik langs kom zit een herinnering aan vast. Met tranen in mijn ogen luister ik ernaar. Versuft staar ik naar zijn ipod. Ik laat even alles los wat er om me heen gebeurt, en laat mijn tranen de vrije loop. Als mijn moeder roept voor het eten berg ik de ipod zorgvuldig op. Ik veeg de zwarte strepen van mijn wangen en ga naar beneden. ‘Wat heb jij gedaan? Heb je gehuild?’ Vraagt ze als ze mijn rode ogen ziet. ‘Nee ik heb me kapot gelachen om wat er gisteren is gebeurd.’ Zeg ik sarcastisch. Er wordt een bord vol geschept met eten, maar ik heb helemaal geen honger. Ik zit een beetje wezeloos met de vork in mijn hand met het eten te ploeteren. ‘Ga je nog wat eten?’ Vraagt mijn moeder. ‘Ik heb geen honger.’ Zeg ik. ‘Door Dyllan?’ Vraagt ze. Ik knik. ‘Ik ga weer naar boven.’ Zeg ik en ga weg. Eenmaal in mijn kamer aangekomen ga ik in een hoekje van mijn kamer zitten. Mijn knien trek ik op. Ik merk steeds meer hoeveel ik Dy eigenlijk nodig heb. ‘Waarom ben je dan ook van het dak gedonderd? Was daar nou maar nooit heen gegaan. En wat is er gebeurd in de wc’s toen ik er niet was?’ Vraag ik aan het stukje lucht voor me waar ik Dy voorstel. Ik krijg het even heel erg koud. Ik kijk om me heen, maar er is niemand en het raam is dicht. Ik geloof niet in geesten, maar zouden ze toch bestaan? Vast niet. Een traan loopt weer over mijn wang. Ik stel me voor wat er allemaal gebeurd kan zijn. Hij is sowieso niet vrijwillig weggelopen met een bloedneus en krassen over zijn armen. Die krassen heeft hij niet zelf gemaakt, dat was duidelijk van de jongens die mij later opzij duwden. Maar eerder heeft hij wel krassen gemaakt. Je ziet duidelijk verschil tussen diegene die zelfgemaakt zijn, en diegene die per ongeluk gekomen zijn. Dat zag Dy een paar jaar geleden ook. Ik gris de schaar van mijn bureau af en zet de punt weer in mijn vel. Het bloed loopt er langzaam uit en mengt zich met de tranen die ik op mijn arm laat vallen.

‘Doe dat nooit meer, ok.’ Zegt Dy waarschuwend. Ik kan hem niet aankijken, ik drf hem niet aan te kijken. ‘Cher, beloof je het nooit meer te doen?’ Vraagt hij. Hij gaat zo voor me zitten dat ik hem wel moet aankijken. Ik was bijna te ver gegaan. Vandaag was ik alleen thuis, ik had mijn dag niet en heb diepe sneen gemaakt in mijn arm. Na een tijdje voelde ik me licht in mijn hoofd. Ik wist dat het niet lang goed zou gaan. Toen heb ik Dy gebeld, hij is gelijk hierheen gekomen. Toen heeft hij alle wonden schoongemaakt die ik daarnet opengehaald heb. Zonder hem, was ik misschien doodgebloed. ‘Ik voel me echt rot.’ Zeg ik schor. ‘Dat weet ik, maar je kunt er beter over praten dan jezelf te snijden.’ Zegt hij. ‘Praat jij er ook altijd over?’ Vraag ik. ‘Om eerlijk te zijn, in het begin niet, maar nu wel.’ Zegt hij.

Daar had ik me dus niet aan gehouden. Na een paar weken begon het weer. En ik heb zo’n idee dat hij zich er ook niet aan heeft gehouden. Ik drijf mezelf steeds meer de diepte in. Mijn schaar gaat steeds dieper in mijn arm. Uiteindelijk komt het gevoel van een hele tijd geleden weer, ik word weer duizelig in mijn hoofd. Ik moet nu stoppen. Als ik doorga, dan speel ik met mijn leven. Wil ik wel leven? Wil ik niet liever weg van hier? Kan ik Bill en Tom nu achterlaten? Wat heb ik te verliezen? Wat zouden mijn ouders doen als ze dit weten? Waarschijnlijk flippen ze. Met het laatste beetje kracht leg ik de schaar weg en ga op bed liggen. Daar val ik al snel in slaap.
Laat in de avond schrik ik wakker. ‘Hebben ze me gezien?’ Dat is het eerste wat door mijn hoofd schiet. Ik doe een vest aan met lange mouwen. Voorzichtig sluip ik naar beneden. Dat was nergens voor nodig, want ik vind een briefje waarop staat dat mijn ouders weg zijn, en pas laat thuis komen. Dat is waar ook, een of ander personeelsfeest. Daar laat je natuurlijk je kind met zelfmoordneigingen voor achter. Ik kan het ze niet kwalijk nemen, ze weten van niets. Ik gooi het papiertje in de prullenbak en ga weer naar boven. Ik ga zitten. Mijn oog valt op een foto van Dy en mij. We zijn super happy, en omhelzen elkaar. Een paar tranen vallen weer op het fotolijstje. Om de pijn van Dy te verdrijven heb ik iets nodig wat me meer doet. Maar wat. Niets helpt. Het is maar voor heel even, en dan gaan mijn gedachten weer terug naar Dy. De wonden van daarnet, die net gestopt zijn met bloeden haal ik weer open. Het prikt, maar niet genoeg. Het moet erger om mijn gedachten weg te drukken. Ik pak een of ander parfum, en spuit het erop. Ik bijt op mijn onderlip. Het doet vreselijke pijn, maar daar was ik naar opzoek. De tranen lopen over mijn wangen, niet alleen om Dy, maar ook omdat de wonden vreselijk prikken. Een koele wind waait weer langs me. Ik trek het raam dicht. Ik hoor beneden de deur dicht gaan. Shit, daar zijn ze weer! Snel ga ik in bed liggen. Ik woel een hele tijd heen en weer. Uiteindelijk huil ik mezelf in slaap.
De volgende ochtend ben ik pas laat wakker. Gelukkig is het weekend. Ik draai me nog eens om. Ik heb echt geen zin in vandaag, in morgen, in overmorgen, en de rest van mijn leven. Ik mompel wat in mijn kussen. Ineens wordt mijn deur open gedaan van mijn kamer. Ik schrik me kapot. ‘Sorry, ik wilde even weten of je al wakker was.’ Zegt mijn moeder. ‘Oh, nou. Ik ben wakker.’ Zeg ik suf. Ze lacht even. ‘Ok, ga je dan zo ontbijten?’ Zegt ze. Ik knik. ‘En trek een wat vrolijker gezicht.’ Zegt ze. ‘Waar slaat dat nou op. Als jou beste vriend van het dak springt vier jij toch ook geen feestje?’ Zeg ik. ‘Weet ik, maar als je zo doorgaat word je nog eens depressief. Trek eens wat kleurigs aan in plaats van zwart.’ Zegt ze. ‘Ik heb al met een andere kleur. Zwart met rood.’ Zeg ik. ‘Ik bedoel lichte kleuren.’ Zegt ze. ‘Wat hebben kleuren nou weer met mij te maken. Als ik elke dag zwart aan doe, dan doe ik dat toch lekker.’ Zeg ik. ‘Laat maar zitten, je wilt me niet snappen.’ Zegt ze. ‘Nee, je hangt gewoon een onzin verhaal op.’ Zeg ik, maar ze is al weg. Ik luister niet naar de “wijze raad” van mijn moeder en trek eigenwijs toch donkere kleding aan. ‘Je vader en ik gaan even weg. Tot vanavond schat.’ Roept ze naar boven. ‘Doei.’ Zeg ik op het volume dat ze beneden niet kan horen. De deur slaat dicht wat betekend dat ik nu alleen thuis ben. Ik heb echt geen zin om dit hele weekend in m’n eentje in mijn kamer te zitten. Allerlei dingen hier doen me weer verdriet doordat er allemaal herinneringen aan vast zitten. Ik ga snel mijn kamer uit.
Na een tijdje ga ik toch maar naar buiten. Als ik de deur achter me dicht trek word ik alweer overspoelt met herinneringen en gedachten die bij Dy horen. Ik slenter de straten door. Wij waren altijd buiten te vinden, bijna elke meter herinnerd me ergens aan wat we hebben meegemaakt. Als ik in mijn jaszak voel merk ik dat ik de concertkaarten nog heb. Daar heb ik nu niets meer aan, zonder Dy is het helemaal niet gezellig. Ik ga naar het huis van Bill en Tom. Zouden ze eigenlijk wel thuis zijn? Vinden ze het niet vervelend als ik telkens bij hun kom zeuren over mijn problemen? Ik duw de kaartjes door de brievenbus. Laat hun maar naar dat concert gaan.
Als ik langs het meer in het park kom breekt mijn hart echt in duizenden stukken. Altijd waren we hier. Op dit plekje. Maar nu kunnen we er nooit meer samen zijn. Met stromende tranen ren ik weg. Een paar mensen kijken me na, maar weten niet waar dit hele gedoe op slaat.

Bill’s pov:
Ik hoor Tom de trap op lopen, en niet veel later staat hij in mijn kamer. ‘Kijk eens wat er net door de brievenbus kwam. Ik wist niet dat je die had besteld.’ Zegt hij en laat een paar concertkaarten zien. ‘Die heb ik helemaal niet besteld.’ Zeg ik verbaast. ‘Grappig hoor Bill, ik zou je nog bijna gaan geloven.’ Zegt Tom lacherig. ‘Maar ik heb ze echt niet besteld. Maar welk concert is het eigenlijk?’ Vraag ik. ‘My Chemical Romance. Daarom was ik ook zo verbaast, ik wist niet dat je die band goed vond. Ik had eerder aan Nena gedacht.’ Zegt Tom. ‘Ik zeg toch net dat ik ze niet besteld heb. Maar de naam komt me bekend voor.’ Zeg ik. ‘Was het niet die band die Cher goed vond?’ Vraagt Tom. Ik verstijf even. Hij had het gelijk raak. Die had ze natuurlijk gekocht om samen met Dyllan er naartoe te gaan. Dan weet ik wat dit betekend. ‘Het is gebeurd.’ Zeg ik zacht.

Eerst beste vrienden, nu gezworen vijanden?

Eerst beste vrienden, nu gezworen vijanden?

Tom en ik zitten nog niet zo lang hier op school. Wel lang genoeg om een paar gezichten te herkennen en te weten met welke docenten je kunt opschieten, en met wie niet. Ook wel lang genoeg om een paar vreemde verhalen te horen…

Eindelijk gaat de bel. Onze geschiedenis docent houdt eindelijk zijn mond dicht. ‘Tijd voor de pauze. Wat hebben we straks?’ Vraag ik aan Tom. ‘Wiskunde en bio.’ Zegt hij, en zijn gezicht betrekt. Hij kan zegmaar niet zo goed met onze wiskunde docente overweg. Ze is nogal streng, of hij neemt haar regels niet zo nauw, dat kan ook.
We wisselen de boeken om en wachten op Bas, hij is een van onze nieuwe vrienden. Iedereen vormt een groepje waar hij of zij de pauze mee door gaat brengen. Sommige mensen gaan naar buiten. Langzaam maar zeker loopt het hier leeg. Daardoor valt mijn oog op een meisje dat helemaal alleen staat.
Ze valt niet op tussen de menigte, maar ze is bloedmooi om te zien. Haar haar is goudkleurig, en ze heeft lichte ogen, en haar huid is bleek. Alles aan haar lijkt perfect. Waarom zou ze alleen staan?
‘Wie is dat meisje?’ Vraag ik nonchalant. ‘Rowena. En voordat je denkt dat je een kans bij haar maakt, vergeet het maar.’ Zegt Bas. ‘Hoezo dat? En waarom is ze alleen?’ Vraag ik. ‘Er gaan hier een paar verhalen rond over haar.’ Begint hij. Met mijn gezichtsuitdrukking vraag ik of hij verder gaat. ‘Het was een paar maanden voordat jullie hier kwamen. Ze had ruzie met een of andere griet uit haar klas. Ze werden uit elkaar gehaald, maar zouden het na school afmaken. Na die dag is het andere meisje niet meer gezien.’ Vertelt Bas. ‘Maar wat heeft dat met haar te maken?’ Vraag ik. ‘We weten zeker dat zij diegene is die erachter zat. Ze is volgens sommige leerlingen geen mens, maar dat zou ik niet zo snel geloven.’ Zegt hij. Mijn lippen vormen een “Oh” toen ik alles nog eens herhaalde.
De bel gaat en Tom zucht diep. ‘Op naar wiskunde. Weet jij in welk lokaal we zitten?’ Vraagt Tom. Voordat ik antwoord kan geven is Bas me voor. ‘ 31 volgens mij.’ En hij heeft gelijk. We gaan met zijn drien naast elkaar zitten. Tom en Bas knopen gelijk een gesprek aan. Ik heb niet zo’n zin om me erbij te voegen, dus ik staar ongenteresseerd naar de klok. Dan komt onze docente binnen gelopen. Als ze ziet dat Tom en Bas druk in gesprek zijn worden ze er gelijk uit geknikkerd. In plaats dat ik ongenteresseerd naar de klok kijk, kijk ik nu verveeld naar wat ze allemaal op het bord krabbelt.
Het uur kruipt traag voorbij. Ik ben nieuwsgierig wat Tom en Bas nu doen. Als je die twee bij elkaar zet heb je grote kans op ongein.
Eindelijk gaat de bel.
Op de gang kom ik Tom en Bas weer tegen. ‘Dat uur duurde echt veel te lang. Zeg ik met een zucht. ‘Je hebt helemaal gelijk.’ Zegt Tom. Ondertussen zijn we weer bij het goeie lokaal aangekomen. Ik ga achterin zitten. Tom en Bas gaan voor me zitten. We kunnen hier maar met zijn tween naast elkaar zitten.
Als iedereen aan het uitpakken is merk ik pas dat Rowena met onze docent staat te praten. Ze knikt en komt mijn kant op gelopen. Nog steeds verbaas ik me over het feit dat ze zo perfect is.
Er worden een paar blikken vol afschuw naar haar geworpen. Snel, maar soepel, zit ze naast me. ‘Hoi.’ Zeg ik. Ze kijkt me even onderzoekend aan alsof ik zojuist iets vreemds heb gezegd. ‘Hoi.’ Weet ze er uiteindelijk uit te krijgen. Ze leek daarnet zo ontspannen onlangs de boze blikken. En nu is ze van top tot teen gespannen.
Ik probeer me op de les te concentreren.
Na een paar minuten zit ze nog steeds bewegingsloos op haar stoel. Ik kijk even naar haar gezichtsuitdrukking. Snel kijk ik weer vooruit.
Waren haar lichte ogen nou zwart? Dat kan niet. Mijn gedachten gaan overal heen, behalve naar de les.
Het verhaal van Bas kan toch niet waar zijn? Stel dat het waar zou zijn, wat is ze dan? Allemaal vragen vullen mijn hoofd.
Diezelfde vragen worden verstoord door de woorden huiswerk en agenda. Was het uur zo snel gegaan? Verbaast pak ik mijn agenda.
Later op de dag zie ik haar nog eens. Haar ogen staan dreigend, maar ook waarschuwend. Ze zijn nog steeds zwart, deze keer zie ik er een roodachtige gloed in. Ze loopt snel langs me. Voordat ik haar kan aanspreken is ze alweer verdwenen. ‘Wat is er Bill?’ Vraagt Tom als ik blijf staan. ‘Niets.’ Zeg ik, en we gaan weer verder
Eenmaal thuis snel ik naar mijn kamer en zet mijn computer aan. Wat het ook was, er zat meer achter Rowena. Terwijl het ding langzaam op gang komt begin ik alvast met mijn huiswerk. Als ik klaar ben zoek ik op internet naar iets wat me antwoord kan geven op mijn vragen.
Na een paar minuten zoeken heb ik iets gevonden wat met haar te maken lijkt te hebben. Voordat ik het stuk goed lees haal ik wat te drinken.
Als ik weer boven kom plof ik gelijk op mijn stoel neer en lees het stuk. Mijn mond valt open als alles erop wijst dat Rowena een jager is. Of beter gezegd, ze jaagt voor het bloed. Vampiers.
Tom komt mijn kamer binnen. ‘Snap jij die opgaven van aardrijkskunde? Bill, wat heb jij nou? Je zit te trillen als een rietje.’ Zegt hij. ‘Wat?’ Vraag ik. Ik kijk naar mijn handen. Tom heeft gelijk, it zit te trillen van de spanning. ‘Ik, eh, ga hier maar mee ophouden. Maar wat was er?’ Vraag ik. ‘Of jij wat van aardrijkskunde snapt.’ Herhaalt Tom. ‘Oh, nee. Jij ook niet?’ Vraag ik. Hij schudt zijn hoofd.
Twee dagen kruipen voorbij. Ik heb Rowena nog niet aangesproken. Wat zal ze wel denken als ik haar vraag of ze een vampier is. Ze zal me vast vierkant uitlachen.
Met mijn gedachten ergens ver weg loop ik achter Tom, Gustav en Georg aan. Bas is er vandaag niet. Hij is ziek ofzo. De dag erop is Bas weer op school. ‘Waarom was je er gisteren niet?’ Vraag ik. ‘Ik had wat andere dingen te doen.’ Zegt hij met een kille stem. Zonder verder wat te zeggen loopt hij weg. Ik kijk Tom aan. ‘Wat heeft hij nou?’ Vraag ik zonder geluid. Hij haalt zijn schouders op. ‘Slecht humeur?’ Ik moet lachen. Als ik in de richting van Rowena kijk zie ik dat ze ons scherp in de gaten houdt met die donkere blik. Weer heeft ze zwarte ogen, haar gezicht is uitdrukkingsloos. Misschien is het tijd om haar straks te vragen wat er aan de hand is. We gaan naar de les. Het lijkt alsof de klokken in het lokaal altijd veel langzamer gaan dan wanneer je buiten het lokaal bent. Ik bedenk me hoe ik het straks aan Rowena ga vragen. Op deze manier gaat de tijd veel sneller. En inderdaad, voordat ik het weet gaat de bel weer.
‘Ik ga even weg.’ Zeg ik tegen Tom. Hij knikt. Bas is nog bij zijn kluisje, dat betekend dat we buiten zijn gezichtsveld zijn.
‘Rowena, kan ik je even spreken?’ Vraag ik voorzichtig. Ze draait zich snel om. ‘Oh, gelukkig. Jij bent het. Is goed hoor.’ Zegt ze. We gaan naar buiten waar we niet gestoord worden door andere leerlingen. ‘Is er iets aan de hand?’ Vraag ik. ‘Hoezo? Niet dat ik weet nee.’ Zegt ze. ‘Ok, het kan zo zijn dat ik het me verbeeld heb hoor, maar zeker weten dat er niets is tussen jou en Bas?’ Vraag ik. Haar ogen worden groot alsof ik haar ergens op betrapt heb. ‘Waarom denk je dat?’ Vraagt ze. ‘Ik weet het niet. Je gedroeg je ineens zo anders toen Bas erbij was. En toen hij er gisteren niet was, leek je wel een heel ander persoon. Veel meer op je gemak.’ Zeg ik. Ze kijkt even naar de grond. ‘Er is inderdaad wel wat. Maar dat klinkt echt super fout als ik dat nu ga zeggen. Ik heb het er eigenlijk liever niet over in het bijzijn van andere mensen.’ Zegt ze. ‘Ok. Wil je het wel zeggen als we alleen zijn?’ Vraag ik. Ze knikt. ‘Vanmiddag bij mij thuis?’ Ze knikt weer. ‘Ok, maar… Tom.’ Zegt ze. ‘Die snapt het wel als ik hem even weg wil hebben.’ Zeg ik. Haar gezicht klaart weer op, maar die donkere ogen blijven. ‘Ok, afgesproken.’ Zegt ze. We doen allebei weer ons eigen ding. ‘Gelukt?’ Vraagt Tom als ik eraan kom. Ik knik. ‘Wat is er gelukt?’ Vraagt Bas. ‘Dat is iets tussen ons.’ Zeg ik. Wat zou er met Rowena zijn dat met hem te maken heeft? Heeft hij rare dingen met haar uitgespookt?
Zoals gezegd gaat Rowena ’s middags met ons mee. Ik heb Tom al gevraagd of hij zo lang even zichzelf kan vermaken. Hij vond het niet erg, en gaat nu dus met Georg mee. Druk pratend over allerlei onzin fietsen Rowena en ik samen naar huis. ‘Dus jij droomt er al een hele tijd van om in een rockband te zitten. Gaaf. Dan ben ik je eerste fan.’ Lacht ze. ‘Ja, soms heb ik een beetje rare fantasien, maar dat moet ook wel kunnen op zijn tijd h.’ Lachend fietsen we door. Op deze manier duurt het niet lang voordat we thuis zijn. Ik leid Rowena even rond. ‘Mooie kamer.’ Zegt ze. ‘Dank je.’ Hoe moet ik nou beginnen? Zal ik met de deur in huis vallen? Of op een subtiele manier? ‘Vraag het maar gewoon rechtstreeks.’ Zegt ze. Ik schrik op. ‘Sorry?’ Vraag ik geschrokken. ‘Gewoon, rechtstreeks vragen.’ Zegt ze. ‘Maar… Ik had nog niets gezegt… Hoe… Hoe wist jij waar ik aan dacht?’ Vraag ik. Even betrekt het gezicht van Rowena. ‘Oeps. Dat had te maken met hetgeen waar jij naar wilde vragen.’ Zegt ze. Er verschijnt een lichte blos op haar wangen. Het was duidelijk niet de bedoeling dat ze dit gezegd had. ‘Nou… Ok. Hoe komt het dat, nouja, dat jij en Bas het zegmaar niet zo lekker met elkaar kunnen vinden? En die verhalen die rondgaan over jou, hoe komt dat?’ Vraag ik. Ze denkt even na over hoe ze het moet verwoorden. ‘Dat van die verhalen, is te danken aan Bas, en dat is ook een van de redenen dat wij het niet goed met elkaar kunnen vinden.’ Zegt ze. ‘Oh, wat is er dan gebeurd? Ik bedoel het echte verhaal, niet die van Bas. En waarom veranderen jouw ogen telkens van kleur als hij erbij is.’ Ik zit echt vol met vragen, maar ik moet me nog even inhouden. Maar als ik geduld heb, dan komt het allemaal vanzelf. ‘Als ik erg boos ben, of iets in die richting, dan worden mijn ogen zwart. Als het tijd is om te jagen, dan worden ze rood.’ Ze wacht even. ‘En wat betreft het verhaal. De waarheid heb ik nooit aan iemand verteld.’ Zegt ze. ‘Waarom niet?’ Vraag ik. Ze zit er echt mee, dat kun je van haar gezicht aflezen. ‘Ze haken meestal al af als ze het verzonnen verhaal horen van Bas. Laat staan dat ze naar de mijne gaan luisteren. Wie wil er in godsnaam bevriend zijn met een vampier?’ Op het laatste woord wordt extra nadruk gelegd. ‘Ik wil dat.’ Zeg ik. ‘Daar houd het volgens mij alweer op.’ Zucht ze. ‘Maargoed. Het echte verhaal. Het was dus een paar maandjes voordat jullie op school kwamen. Ik wist dat ik weer moest jagen, dus na school ben ik meteen naar het bos gegaan. Bas is me gevolgd toen ik ging jagen. Dat was nog gevaarlijk ook, stel nou dat ik de controle over mezelf verlies en hem doodt in plaats van een dier? Het was echt dom van hem. En ik had inderdaad die dag ruzie gehad met een of ander meisje, maar die was gewoon daarna verhuisd. Dat stond al lang op de planning. Daar had ik, voor zover ik weet, niets mee te maken. Maar Bas heeft het verhaal zodanig veranderd dat het lijkt alsof ik haar vermoord heb, en een of ander wild beest ben.’ Haar ogen waren pikzwart. Even loopt er een rilling over mijn rug. Ze is dus toch een vampier. ‘Maar…Als jij een vampier bent, dan moet jij toch ook bloed drinken? Is dat niet gevaarlijk? Ik bedoel, je hebt wel allemaal mensen om je heen enzo.’ Zeg ik. ‘Het gevaarlijke valt wel mee hoor. Ik heb geleerd om het te onderdrukken. En het is niet gevaarlijk voor mensen, ik dood geen mensen. Ik jaag alleen op dieren. Maar het kan inderdaad weleens uit de hand lopen. Als ik een lange tijd niet gejaagd heb en er is iemand met heel lekker bloed. Of als er mensen zijn die t dichtbij komen. Maar over het algemeen drink ik geen bloed van mensen.’ Zegt ze. ‘Ok… Dan zit ik nu nog veilig.’ Zeg ik een beetje lacherig. ‘Niet alle vampiers doen het zo netjes als ik. Ik heb er al genoeg meegemaakt die met gemak een heel dorp uitmoorden.’ Zegt ze. Even lijkt ze in haar eigen wereldje te leven. Ik moet er niet aan denken dat zo’n heel dorp word verslonden door vampiers. ‘Weet je… Weerwolven zijn nog erger. Maar ik zal je niet lastig vallen met nog meer verhalen.’ Zegt ze. ‘Jawel, ga verder. Asjeblieft.’ Vraag ik bijna smekend. ‘Ok, vooruit. Een paar honderd jaar terug leefden hier twee stammen, nouja, wel meer, maar twee stammen die belangrijk zijn in mijn verhaal. De vampiers, mijn familie om het maar even zo te noemen, en de weerwolven, en je geloofd het misschien niet, maar zij zijn de familie van Bas. En dat is weer een reden waarom wij het niet goed met elkaar kunnen vinden. Vampiers en weerwolven zijn elkaars grootste vijanden. Wij kunnen onszelf nog onder controle houden. Maar als die weerwolven eenmaal trek hebben slopen ze alles om een mens te vermoorden. Het is al zo vaak gebeurd dat er iemand te dicht bij een weerwolf kwam. Zij zijn veel sterker dan wij, dus een fikse klap en een mens is morsdood. Wij zijn weer erg snel, dat is erg handig. Helemaal omdat weerwolven ook weleens de neiging hebben om op ons te jagen.’ Ik knik. ‘Heeft Bas dan weleens op jou gejaagd?’ Vraag ik. ‘Hij niet, maar zijn vriendjes wel. Ik haat ze echt. Ik weet zeker dat hij ernaar uitkijkt om mij te grazen te nemen.’ Zegt ze. Haar blik is kil, ijskoud. Helemaal niet zo lief en vrolijk als eerst. ‘Weet je, misschien is het beter om het even hierbij te laten.’ Zegt ze uiteindelijk. Ik knik, nog steeds ben ik verrast door haar gave. We gaan samen naar beneden. ‘En voordat ik het vergeet, ga niet naar het bos hier achter, het kan gevaarlijk zijn.’ Zegt ze net voordat ze weg gaat. Ik kijk haar vragend aan, maar ze negeert het. ‘Tot maandag.’ Zegt ze, binnen no time is ze weg. Verbijsterd sta ik in de deuropening. ‘Die is snel.’ Zeg ik tegen mezelf en sluit de deur.
Niet veel later wordt ik door Tom gebeld. ‘Hey, het wordt wat later vanavond, vind je het erg als ik niet mee eet?’ Vraagt hij. ‘Is goed hoor, een dagje alleen overleef ik wel.’ Zeg ik lachend. ‘Ok. Tot vanavond of morgen als je al op bed ligt.’ Zegt Tom. We zeggen nog even gedag en hangen op. Wanneer zou mam ook al weer thuis komen? Volgens mij over een week. Ik kijk in de agenda. Ik had gelijk, nog een week en dan komt ze terug van een of andere reis van haar werk.
Voor het gemak bestel ik wat pizza. Ik heb geen zin om vanavond iets te maken.
Na een tijdje begint mijn maag te rommelen. ‘Laat die pizza nou snel komen.’ Zeg ik in mezelf. Ik had de zin net afgemaakt, en er word aangebeld. ‘Uw pizza.’ Zegt de bezorger vrolijk. ‘Aah, mooi op tijd.’ Zeg ik blij. Ik geef hem wat geld en neem de pizza aan. Niet veel later zit ik van mijn pizza te eten. Wat een rust eigenlijk zonder Tom. Ik hoef nu helemaal niet op te letten dat mijn pizza voor mijn neus weggegrist word. Die vuilnisbak wilt altijd mijn pizza inpikken. Ik lik nog even mijn vingers af en ga weer naar boven. Daar start ik de computer op. Geen idee wat ik wil doen, maar er is altijd wel iemand op msn.
Ik kan niet eens kijken wie er online zijn of ik heb alweer een berichtje van Georg. ‘Heey Bill! Hoesset?’ Vraagt hij. ‘Gaat lekker :D En hoesset met jou?’ Vraag ik. ‘Goed :P Ga je nog wat doen in het weekend?’ Vraagt hij. ‘Niet dat ik weet nee. Eerst moet ik nog zien dat Tom weer thuis komt xD’ Typ ik terug. ‘Hoezo? Is ie verdwenen? Waar heb je hem verstopt??’ Vraagt hij, waarschijnlijk als een geintje bedoeld omdat hij weet dat ik altijd overbezorgd ben als ik niet weet waar hij uithangt. ‘Geen idee, als hij niet bij jou is zal hij wel bij Bas zijn… Hij belde vanmiddag op dat hij pas laat thuis komt.’ Typ ik. ‘Aha… Nou… Pas maar goed op je broer, straks verlies je hem nog eens uit het oog met Bas erbij ;) maar ik moet weer gaan…Doei!!’ Schrijft hij. ‘Bye.’ En hij is offline. Ik zoek nog een paar filmpjes op, op internet. Voordat ik het weet is het alweer laat in de avond. Ik zet m’n computer uit en duik mijn bed in. Even lekker uitslapen.
De volgende ochtend heb ik mijn deken van me af geschopt.
Daarom heb ik het dus zo koud. Ik trek snel wat kleren aan en doe er een warm vest overheen. Als ik de kamer van Tom in sluip ligt hij nog te slapen. Ik laat hem maar liggen, het is waarschijnlijk heel erg laat geworden, dus hij heeft zijn rust nodig. In mijn eigen kamer doe ik de gordijnen open. Buiten is het wel licht, maar het is erg mistig. Even kijk ik naar wat er op straat gebeurt, maar dat kan ik moeilijk zien door de mist.
Beneden ga ik uitgebreid aan mijn ontbijt. Nog steeds ligt Tom te slapen. En nu? Ik tik even op de tafel terwijl ik nadenk. Ik ga maar even het bos in, even een frisse neus halen. Ik trek mijn schoenen en jas aan en trek erop uit. Bijna vergeet ik mijn mobiel. Ik gris hem nog net van de tafel. Nu kan ik echt op pad.
Ik loop door de straten. De mist vormt druppeltjes op mijn gezicht. Het is erg koud, ik trek de rits van mijn jas nog wat meer dicht. Niet veel later beland ik bij het bos. Ik ben hier nog niet geweest, maar als ik gewoon het pad volg vind ik wel de weg terug. ‘En voordat ik het vergeet, ga niet naar het bos hier achter, het kan gevaarlijk zijn.’ Dat had Rowena gisteren gezegd, bedenk ik me terwijl ik door het bos loop. Ik kijk om me heen. Wat kan er hier nou gevaarlijk zijn? Hooguit een paar wortels van bomen die boven de grond uit steken. Of bladeren waar ik over uit kan glijden. Maar veel meer kan ik niet bedenken.
Uiteindelijk beland ik op een open plek. Veel zie ik er nog steeds niet van door de mist, maar het ziet er best gaaf uit. Ik hoor dat er voetstappen hierheen komen, ze lijken nog ver weg. Ze gaan erg snel. Als ik beter luister zijn de voetstappen dichtbij, heel erg dichtbij. ‘Hoe kan…’ ik kan de rest niet eens meer bedenken. Iets of iemand loopt hard tegen me aan, en sleurt me tegen de grond. Alles word even wazig voor mijn ogen. Ik hoor een laag gegrom van boven me. Ik word om mijn middel gepakt en ergens anders mee naartoe gesleurd. Wat gebeurt er hier?! Ik sluit even mijn ogen, en doe ze dan weer open. Ik probeer op te kijken. Het lijkt een redelijk normaal persoon, maar zijn ogen staan felrood en… O nee, waarschijnlijk is hij een dorstige vampier en ben ik nu niet langer meer Bill, maar een ontbijtje. Hopeloos probeer ik me los de wringen. Maar in plaats van dat ik los kom word ik alleen maar steviger vast gehouden. Hij perst alle lucht uit mijn longen. Ik word op de grond geslingerd. Ik hap naar lucht. Als de vampier weer dicht bij me komt probeer ik hem van me af te schoppen en te slaan. Helaas is mijn zelfverdediging nooit goed geweest, en nu dus ook niet. Ik voel een hand over mijn gezicht gaan, iets vloeibaars loopt over mijn wang. Ik ben bang dat ik al weet wat dat is, en het zou de situatie er niet veel makkelijker op maken. Voorzichtig voel ik aan mijn gezicht. En inderdaad, er lopen kleine straaltjes bloed over mijn wang heen. Ik kijk angstig van mijn trillende hand naar de vampier, die nu gek lijkt te worden. Een brede grijns gaat over zijn gezicht. Ik wil wegrennen, maar mijn benen werken niet mee. De vampier buigt zich over mij heen en het enige wat ik kan doen is afwachten. Dan komt er iets tussen de bomen vandaan. Het werpt zich boven op ons. Wolfachtig gegrom verlaat zijn bek. Ik gok erop dat dan het grote “vriendje” is van de vampier, de weerwolf dus. De weerwolf slaat toe. Hij bijt naar de vampier, maar in plaats van dat hij de vampier raakt met zijn bek, zetten zijn klauwen diepe krassen over mijn lichaam. Ik kan niet om hulp schreeuwen. Wie zou er in de buurt zijn die me kan helpen? En mijn stem heeft het trouwens al lang begeven onder de druk hier. Tevergeefs probeer ik mijn hoofd te beschermen tegen de klappen die er worden uitgedeeld. Maar het haalt niets uit. Langzaam verlies ik mijn bewust zijn. Eerst wordt mijn gezichtsveld wazig, maar later verdwijnt ook het gegrom en alle andere geluiden naar de achtergrond. Het laatste wat ik voel zijn een paar armen om me heen die me optillen. Zou dit mijn einde zijn? Zou dat de vampier zijn die mij als ontbijt beschouwd? Of is het de weerwolf die toevallig ook een hapje op het oog heeft naast de vampier?

Rowena’s pov:
Ik ben in het bos. Hier vind ik altijd mijn rust, je zou kunnen zeggen dat ik hier mediteer. Normaal is het hier stil, ik kan hier weer tot mezelf komen en alles onder controle houden. Maar nu hangt er een ongebruikelijke onrust. Tussen de bomen vandaan komt wat gegrom. Is het weer tijd voor de andere vampiers om te jagen? Ze hebben pas nog gedronken. Ik zal voor de zekerheid toch maar even een kijkje nemen. Terwijl ik op het geluid af ga vraag ik me steeds af wie er nou aan het jagen was.
Als ik tussen de struiken door een weerwolf en een vampier zie weet ik al genoeg. Tot mijn schrik is Bill er ook bij! Wat doet hij hier? Ik had hem nog gezegd om hier weg te blijven.
Zijn ogen zijn gesloten, en er zit bloed op zijn kleren. Hij heeft zich lelijk open gehaald. Mijn ogen schieten van de vampier naar Bill. Zou hij al gebeten zijn? Volgens mij niet.
Ik ren snel naar Bill toe. De twee anderen zijn zo erg met elkaar bezig dat ze me niet door hebben.
Voorzichtig sluit ik mijn armen om hem heen en til hem op om hem mee naar huis te nemen. Ik vind dat ik verplicht ben om hem even te verzorgen. Tot hij weer wakker wordt.
Eenmaal thuis leg ik hem voorzichtig neer op de bank. Ik haal wat spullen om de wonden schoon te maken, die lucht van zijn bloed is niet te verdragen. Zo heerlijk… Ik mag niet in de verleiding komen! Niet doen! Niet aan denken!
Ik maak de wonden schoon. Ineens gaat Bill’s mobiel af in zijn broekzak. Wat moet ik doen? Opnemen? Of laten gaan?
Ik besluit om op te nemen. Voorzichtig wurm ik zijn mobiel uit zijn broekzak. ‘Bill?’ Vraagt Tom gelijk. ‘Nee, Rowena.’ Zeg ik. ‘Oh, waarom neem jij Bill’s mobiel op?’ Vraagt hij. ‘Omdat Bill hier is.’ ‘Oh, mooi zo. Ik was al ongerust waar hij was. Maar dan nog, waarom neemt hij zelf niet op?’ Vraagt hij. ‘Ik weet niet wat er precies is gebeurd, maar hij heeft net een ongeluk gehad.’ Zeg ik. ‘Wat is er gebeurd? Is hij overreden? Hoe is het nu met hem?’ Tom raakt duidelijk in paniek. ‘Rustig Tom. Ik doe mijn best.’ Zeg ik. ‘Maar wat is er nou gebeurt?’ Vraagt hij angstig. ‘Dat zei ik net, ik weet niet wat er gebeurt is. Maar als jij zo hysterisch blijf doen kan ik natuurlijk niets voor Bill doen.’ Zeg ik. ‘Juist… Ok… Zorg je goed voor mijn broertje?’ Vraagt hij met een klein stemmetje. ‘Natuurlijk. Als er nieuws is hoor je het ok?’ Vraag ik. Het is even stil. ‘Ok.’ Zegt hij zacht. ‘Zorg jij maar dat je in de tussentijd een beetje afgeleid bent. Misschien kun je wat afspreken met je vrienden?’ Stel ik voor. ‘Ja…Dat kan… Laat je het me echt weten?’ Vraagt hij. ‘Jaahaa, natuurlijk.’ Zeg ik. ‘Ok, dan hoor ik je nog wel… Wil je Bill’s mobiel aan laten staan?’ Vraagt hij. ‘Natuurlijk. Tot snel h.’ Door die laatste zin lijkt Tom wat op te beuren. ‘Tot snel.’ Zegt hij opgelucht. Beiden hangen we op. Arme Tom, hij is zich doodgeschrokken. Maar ik moet weer verder met waar ik mee bezig was. Ik verbind de wonden om zijn arm en hoofd voor zover dat gaat. ‘En nu maar hopen dat je snel weer wakker wordt.’ Zeg ik tegen hem.
Uren lang blijf ik bij hem zitten. De enige bewegingen die ik waarneem is dat hij adem haalt. Zijn borst gaat langzaam op en neer. Ik concentreer me op de bewegingen. Ging het daarnet nou ook al zo langzaam? Ik zal het me vast verbeelden. Ik staar weer naar Bill. Ik schrik op als zijn telefoon weer gaat, deze keer ligt die op tafel. ‘Tom?’ Vraag ik. ‘Ja, hoe gaat het met Bill?’ Vraagt hij gelijk. ‘Geen idee. Ik heb hem tot mummie omgetoverd, en nu wacht ik al een paar uur af totdat hij eindelijk wakker wordt.’ Zeg ik. ‘Is het echt zo erg?’ Vraagt hij. ‘Geen idee. Hij ademt in ieder geval nog.’ Mijn blik gaat weer naar Bill. Even lijkt hij te bewegen. ‘Bill!’ Zeg ik ineens. ‘Wat is er met hem?!’ Tom is geschrokken door mijn actie. ‘Hij… Hij bewoog volgens mij. Misschien komt hij bij.’ Zeg ik. ‘Kan ik naar jullie toe komen?’ Vraagt Tom snel. ‘Natuurlijk.’ Zeg ik. Ik geef door waar hij moet wezen, en hoe hij er komt, op een veilige manier natuurlijk.
In no time staat hij voor de deur. ‘En? Is hij al wakker?’ Vraagt hij als ik open doe. ‘Nog niet, hij heeft na die ene keer niets meer gedaan.’ Zeg ik treurig. Toms gezicht betrekt. We gaan samen naar Bill toe. Hij schrikt wel een beetje bij het zien van zijn broertje. ‘Dit was niet zomaar een auto ongelukje.’ Zegt Tom. ‘Ik zeg het nog eens, ik weet niet wat er precies is gebeurd, maar het was hier in het bos.’ Zeg ik. We blijven nog even sprakeloos zitten. Het gaat buiten al schemeren. ‘Het is misschien beter als je naar huis gaat. Ik pas wel op je broertje, maak je geen zorgen.’ Ik ben de eerste die de pijnlijke stilte breekt. Hij knikt. ‘Bel je me weer als er iets is?’ Vraagt hij. Ik knik. ‘Kan je asjeblieft alles doen wat mogelijk is. Je zou je bijna niet kunnen voorstellen hoe ongerust -’ Ik kap zijn zin af. ‘Ik weet het. Ik zal mijn best doen, maar zolang hij nog niet bij bewust zijn is, kan ik nog niet zo veel doen. Als hij wakker is, kan ik hem vragen wat er is gebeurt.’ Zeg ik. Tom knikt. Nog even fluistert hij een paar woordjes tegen Bill. Woorden die voor hem bestemd zijn, niet voor mij. Ik laat ze nog even met rust.
Wanneer Tom weg is zit ik weer alleen. Ik probeer contact te krijgen met Toms gedachten. Ik sluit mijn ogen en focus me helemaal op hem. Na een tijdje hoor ik zijn gedachten. Waarschijnlijk heeft hij zijn ogen gesloten, want ik zie niets, maar ik hoor hem duidelijk treuren om zijn broertje. Ik heb medelijden met hem en laat hem weer alleen in zijn gedachten.
Soms hoor ik de gedachten van iemand, maar dan moet diegene wel duidelijk ergens aan denken. Ik ben nog niet zo ver dat ik zomaar in iemands gedachten kan inbreken, en in de kleinste hoekjes kan zoeken.
De kamer om me heen verschijnt weer. Ik kijk op de klok. Het is midden in de nacht. Ik kijk weer naar Bill. Er is nog helemaal niets veranderd na die ene beweging van vanmiddag. Helemaal niets. Bills ademhaling wordt duidelijker hoorbaar. Ik let goed op. Zou er iets gaan gebeuren? Of krijgt hij alleen maar moeilijker lucht? Zijn ademhaling gaat steeds zwaarder, en tot mijn verontrusting ook steeds langzamer. Wat moet ik nu doen? Afwachten? Actie ondernemen? Naar het ziekenhuis gaan? Maar wat moet ik daar zeggen. Ze gaan het echt niet geloven als ik zeg dat hij een ongelukje heeft gehad. Voorzichtig leg ik mijn vingers in zijn nek en tel de hartslagen een minuut lang. Het lijkt een eeuwigheid te duren, en ik wacht in spanning af. Na wat gereken trek ik de conclusie dat zijn hartslag veel te langzaam gaat. Ik moet wat doen. Paniekerig probeer ik zo goed na te denken, maar Toms stem schiet door mijn hoofd heen. ‘Kan je asjeblieft alles doen wat mogelijk is? Je zou je bijna niet kunnen voorstellen hoe ongerust ik ben.’ Galmt het door mijn hoofd. Ik kn niets doen. Er is maar n ding dat ik kan doen, maar of Bill daar nou gelukkiger van wordt…
De tijd tikt, en ik weet dat ik n moet beslissen. Tom blij maken, of teleur stellen? Bill uit zijn normale leven rukken, of het laten zoals het is? Tom blijft door mijn hoofd galmen. Ik wordt gek hier! Bill ademt heel erg traag, en verontrustend zwaar. ‘Neem een beslissing Rowena. Denk goed na, maar treuzel niet…’ Zeg ik in mezelf. Ik heb besloten. Ik hoop alleen dat het goed gaat. Met trillende vingers haal ik het verband van een van zijn polsen af. Het is nu of nooit. Gewoon doen. Je weet hoe het moet. Maar normaal moet ik niet stoppen! Doe het! Ik tel voor mezelf tot drie en zet mijn tanden tegen zijn pols aan.
Zijn bloed is heerlijk. Dit gaat hij me straks zo kwalijk nemen. ‘Het is genoeg zo!’ Denk ik bij mezelf. Maar het is zo lekker, ik wil doorgaan. ‘Dan vermoord ik hem! Dat mag ik niet doen!’ Ik moet nu stoppen. Nu!
Ik laat los. Ik mag niet het risico nemen dat ik teveel van zijn bloed drink, ook al is het zo vreselijk lekker. ‘Nu maar hopen dat het is gelukt.’ Zeg ik tegen Bill. De rest van de nacht blijf ik nog wachten.

Bill’s pov:
Langzaam krijg ik weer gevoel in mijn armen en benen. Als ik mijn ogen open wil doen draait alles om me heen. Wat is er gebeurd? Ben ik te lang in een achtbaan blijven zitten ofzo? Een warm gevoel trekt door mijn arm. Alsof mijn arm een kacheltje is. Het voelt lekker warm in vergelijking tot de rest van mijn lichaam. Langzaam wordt het warmer en warmer, en trekt het door mijn hele lichaam. Het voelt alsof ik in brand sta. Ik rol me op. Mijn arm brand zo vreselijk, net zoals mijn hele lichaam. Een kreun kan ik niet onderdrukken.
Ergens vanuit de kamer hoor ik een opgeluchte zucht. Als ik opkijk zie ik dat Rowena naar me toe komt. ‘Wat is er gebeurd? Het voelt alsof ik in brand sta.’ Krijg ik moeizaam over mijn lippen. ‘Binnen een paar dagen zal het over zijn.’ Zegt ze. Een paar dagen?! Mijn ogen worden groot. Een glimlachje gaat over haar gezicht. ‘Heb je erg last van je arm?’ Vraagt ze. Ik knik. Ze wurmt mijn vingers van mijn arm af en legt haar hand op de brandende plek. Dat voelt een stuk aangenamer. Haar handen zijn ijskoud, en koelen dus de mijne wat af.
‘Maar wat was er gebeurd?’ Vraag ik. ‘Weet je nog dat ik je waarschuwde om het bos niet in te gaan?’ Vraagt ze. Een beetje beschamend kijk ik naar de grond. ‘Ja.’ Zeg ik. ‘Dat heb je duidelijk wel gedaan.’ Zegt ze. Ik knik. ‘Er kwam een vampier op me af, ik schrok me kapot.’ Zeg ik. ‘Anders ik wel. Toen ik jou daar zag liggen. En die weerwolf en vampier vochten met elkaar. Ik heb je meteen mee hiernaartoe genomen.’ Zeg ik. ‘Oh… bedankt.’ Zeg ik. Ik zie nu pas in hoe dom het was geweest om niet naar Rowena te luisteren. ‘Er is alleen nog n klein probleempje.’ Begint Rowena. Ik kijk haar vragend aan. ‘Nou, je lag half dood te gaan, en je hartslag en ademhaling werden alsmaar langzamer…’ Begint ze. Ik huiver bij de gedachte wat er vannacht gebeurd was. ‘… Tom had gezegd dat ik alles moest doen wat ik kon. Maar ik kn niet meer doen… Behalve n ding.’ Ze slaat haar ogen neer. ‘Wat? Wat heb je gedaan?’ Ik begrijp er niets meer van. En waar is Tom nu als hij er al die tijd bij was? ‘Ik… Ik heb je jouw ziel afgenomen…’ Zegt ze schuldig. ‘Wat bedoel je?’ ‘Je bent nu een vampier, vandaar dat brandende gevoel door je lichaam. Dat is het gif wat door je aderen stroomt. Het duurt een paar dagen voordat je van dat nare gevoel af bent. En als het klaar is… Dan stroomt je bloed niet meer door je lichaam en je hart klopt niet meer.’ Ik sper mijn ogen wijd open. ‘Wat? Ben ik dan dood?’ Ik dacht dat ik het begon te begrijpen, maar ik ben de draad alweer kwijt. ‘Zo kun je het wel noemen ja.’ Zegt ze. ‘Maar waar is Tom nu?’ Vraag ik. ‘Thuis. Hij weet nog niet wat er vannacht gebeurd is.’ Zegt ze. ‘Oh.’ ‘Het is beter als je even uitrust, we hebben nog aardig wat te doen, en het is niet de bedoeling dat je Tom straks vermoord.’ Ik schrik me kapot van wat ze zegt. ‘Waarom zou ik in godsnaam Tom willen vermoorden?’ Vraag ik geschrokken. ‘Omdat hij een mens is, en jij een vampier. En omdat hij iets heeft wat z lekker is.’ Zegt ze. Het klinkt bijna alsof ze me gek probeert te krijgen. Ik ga m’n eigen broer niet leegzuigen of iets dergelijks. ‘Je bent geschrokken h.’ Zegt ze gniffelend. Ik knik. ‘Ik drink geen bloed van mensen… nouja, tot vannacht dan, maar dat was een uitzondering. Maar normaal gesproken drink ik alleen het bloed van dieren.’ Een rilling gaat over mijn rug. ‘Het is nog steeds geen prettig idee.’ Zeg ik. ‘Wen er maar aan. Of je doodt een dier, of je hongert jezelf uit, waarmee je de kans groter maakt dat een mens jouw nieuwe prooi wordt.’ Zegt ze. ‘Leven alle vampiers alleen van dieren?’ Vraag ik. Ze schudt van nee. ‘Ik heb er zelf voor gekozen. Diegene die mij zo heeft gemaakt leefde ook zo, daarom ben ik het ook gaan doen.’ Zegt ze. ‘Maar… Hoe komt het dan dat jij vampier bent? Als hij het niet deed omdat hij dorst had, waarom dan wel?’ Vraag ik. ‘Dat is een nogal ingewikkeld verhaal.’ ‘Wil je het asjeblieft vertellen?’ Vraag ik. ‘Dat is het hem nou juist, ik weet het zelf niet meer. Naarmate de tijd verstrekt, verdwijnen alle menselijke herinneringen. Het enige wat ik nog weet is dat ik echt door een hel ging toen hij had gebeten.’ Zegt ze. Ik knik. Het lijkt nog steeds alsof ik in lichterlaaie sta, maar doordat zij me afleid heb ik er minder last van. ‘En je zei dat we nog veel te doen hadden?’ Vraag ik.

Rowena’s pov:
‘Ja, maar jij bent diegene die een keuze moet maken. Wil jij zijn zoals alle andere vampiers? Dus dat houdt in dat je jaagt op mensen, maar dan ben je wel voldaan als je hebt gedronken. Of wil je leven zoals ik doe, en dat is door te jagen op dieren, alleen heb je dan weer als nadeel dat je geen voldaan gevoel hebt.’ Vraag ik. Hij weet zijn antwoord al vrij snel. ‘Ik wil alleen op dieren jagen.’ Zegt hij. Ik zucht opgelucht. ‘Dan moeten we nog wat voor elkaar krijgen, en dat is best moeilijk.’ ‘En dat is?’ Vraagt hij ongeduldig. ‘Je moet nog wel “normaal” met de mensen kunnen omgaan. Je weet wel, niet gelijk in de verleiding komen als er iemand in de buurt komt, daar kun je aan denken.’ Vertel ik. Hij knikt. ‘Laten we eerst maar zorgen dat je geen last meer hebt van het gif, daarna volgt de rest wel weer.’ Zeg ik. ‘Ok.’ Zegt Bill. De pijn is van zijn gezicht af te lezen, maar ik denk dat ik een goeie beslissing heb gemaakt. Ik ga even naar een andere kamer, ik moet echt weten hoe het nu met Tom gaat. Ik concentreer me zo goed mogelijk. De kamer vervaagt, en ik zie wat Tom ziet. Hij is bij Bas. Daar verteld hij wat er gebeurd is, ik hoop maar dat hij er verder niets achter gaat zoeken. Zijn gezicht betrekt als hij hoort dat Bill bij mij is. ‘Ik weet niet of hij daar veilig is, je weet hoe Rowena kan zijn.’ Zegt hij. Wat?! Gevaarlijk? Ik?
Gelijk is mijn concentratie weg. Hij is diegene die gevaarlijk is. Hij is diegene die snel op zijn tenen getrapt is, en je gelijk verscheurt. Ik niet! Boos stamp ik de kamer uit. ‘Wat is er aan de hand? Vraagt Bill. ‘Niks.’ Zeg ik nors. ‘Jawel. Je ogen zijn zwart. Wat is er aan de hand?’ Vraagt hij nog eens. Op deze manier kan ik natuurlijk nooit iets voor mezelf houden. ‘Ik… Tom is bij Bas.’ Zeg ik. ‘Ooh… Maar waarom ben jij daar boos over? Je wilde toch dat Tom afleiding zocht?’ ‘Ja, maar niet bij hem. Ik had in gedachten dat hij naar Gustav of Georg zou gaan.’ Zeg ik. ‘Hoe weet je eigenlijk waar hij is?’ Vraagt Bill. ‘Ik kan gedachten lezen…ongeveer.’ Zeg ik mompelend. ‘Oh, kunnen alle vampiers dat?’ Vraagt hij. ‘Nee. Voor zover ik weet alleen Edward, een goede vriend van me, en ik. Jasper kan emoties benvloeden, en Alice weet soms wat er in de toekomst gebeurd, maar dat hangt weer van de keuzes van de personen af. Je weet wel, ze krijgt dan iets door, maar als die persoon besluit om iets anders te doen klopt het niet meer.’ Vertel ik. ‘Oh, ok.’ Hij lijkt het een beetje door te krijgen. ‘Het is beter als je uitrust, binnenkort heb je veel energie nodig.’ Zeg ik lachend. Maar ik wil niet slapen, ik voel de behoefde om te slapen helemaal niet.’ Zegt hij. ‘Je zweeft nu nog een beetje tussen vampier en mens, dus pitten jij, binnenkort heb je alle tijd om 24-7 wakker te zijn.’ Zeg ik.
De dagen verstrekken langzaam. Bill verandert beetje bij beetje. Voor mensen die niet goed op zouden letten is hij niets veranderd. Het weekend is afgelopen, en het gaat best goed met Bill. Hij heeft in ieder geval niet meer zo’n last van het brandende gevoel. Nu is het maandag, en dat betekend dat we weer naar school moeten.
‘Bill, schiet op.’ Dring ik voor de miljoenste keer aan. ‘Jaahaa… Ik kom er zo aan.’ Roept hij vanuit de badkamer. ‘Je hebt de hele nacht de tijd gehad, en uitgerekend nu moet je je haar gaan doen?’ Zeg ik lichtelijk gerriteerd. ‘Kan ik er wat aan doen dat het zo lang duurt omdat ik geen spiegelbeeld meer heb?’ ‘Ja, je had naar me moeten luisteren, dan kon Tom nu zeuren dat je moest opschieten.’ Dat raakte een gevoelige snaar bij hem. Hij had Tom het hele weekend natuurlijk niet gezien of gehoord. Normaal als ze een tijdje weg waren van elkaar spraken ze elkaar elke dag via de telefoon. ‘Klaar.’ Zegt hij. Ik zucht. ‘Kom op, we moeten opschieten. Waar heb jij je schoenen liggen?’ Vraag ik. ‘Euhm… Goeie vraag.’ Zegt hij twijfelend. ‘Bill! Voortaan begin je een uur eerder!’
We komen net op tijd op school. Verderop staan Tom, Gustav en Georg al te wachten. Helaas staat Bas er ook bij. We gaan naar ze toe. Bas kijkt me strak aan, maar ik gun hem geen blik waardig. Het valt me ineens op hoe Toms uitdrukking is veranderd. Veel strakker… Strenger? Ik weet het niet.
Gustav en Georg begroeten Bill alsof er niets aan de hand is, zij hebben gelukkig niets gehoord over het verhaal dat zich afgelopen vrijdag afgespeeld heeft. De bel gaat. Gelukkig moet Bas naar een ander lokaal. Wij hebben nu engels. Als we daar zijn gaat Tom voor ons zitten met Gustav en Georg, wij gaan met zijn tween achter hun zitten. Normaal gesproken gaat Tom gelijk bij Bill zitten. Wat is er met hem aan de hand vandaag?
De rest van de dag blijft Tom afstandig doen tegen zijn broertje.
‘Kom je vanmiddag weer met mij mee?’ Vraag ik aan Bill. Ik weet zijn antwoord al, en dat is niet omdat ik kan inbreken in zijn gedachten. Ik vraag dit gewoon voor de sier, zodat de anderen er niets achter gaan zoeken. ‘Is goed.’ Zegt hij. Ik kijk even in de richting van Tom, die zijn rug naar me toe keert. Bill kijkt me vragend aan. Ik haal mijn schouders op. Wanneer de bel gaat staan Bill en ik snel op en gaan naar huis.
‘Wat was er met Tom aan de hand?’ Vraagt Bill, deze keer met woorden. ‘Geen idee, ik denk dat hij weet wat er aan de hand is, maar ik durf het niet met zekerheid te zeggen.’ Zeg ik. ‘Hoe weet hij het dan?’ Vraagt Bill weer. ‘Bas.’ Zeg ik kortaf. We zeggen niets totdat we thuis zijn. ‘Zin om wat leuks te doen?’ Vraag ik. ‘Ok, wat dan?’ Vraagt hij nieuwsgierig. ‘Ik denk dat het tijd wordt dat je kennis maakt met wat goeie vrienden van mij.’ Zeg ik glimlachend. ‘Je bedoeld die Edward, Alice en Jasper waar je het laatst over had?’ Vraagt hij. ‘Jep, en ook Emmet en Rosalie.’ Zeg ik. Bij de gedachten dat ik de Cullens weer zie vrolijk ik weer op. ‘Ok, lijkt me gezellig. Maar wat was je van plan?’ ‘Dat zie je vanzelf wel.’ Zeg ik geheimzinnig. ‘Flauw hoor.’
Ik bel Edward, en niet veel later staan alle 5 de vampiers voor de deur. Ik vlieg Edward gelijk om zijn nek. ‘Ik ben ook blij om jou te zien.’ Lacht hij. Bill wordt met open armen omvangen. Alsof hij al jaren lang een goede vriend van ze is. Ik ben blij dat het zo goed klikt tussen hen.

Bill’s pov:
Voor ik het weet staan er 5 vampiers voor de deur. Bij het woord vampier dacht ik altijd aan heel andere personen dan diegenen die hier voor me staan. Rowena is duidelijk blij dat ze haar vrienden weer ziet, en vliegt er gelijk eentje om zijn nek, later blijkt dat hij Edward is. Ik wordt met open armen ontvangen, het loopt allemaal veel soepeler dan ik had gehoopt. Ze zijn echt aardig.
We gaan naar een open veld. Het is een soort basketbal veld, maar dan veel en veel groter. De baskets hangen op een paar meter hoogte. Een normaal mens zou daar met geen mogelijkheid bij komen. Natuurlijk wel met een trap of iets dergelijks, maar niet terwijl hij het spel speelt.
‘Heb je zin om gelijk mee te doen? Of help je mij met opletten of ze zich wel gedragen?’ Zegt Rowena lacherig. ‘Ik blijf nog even toekijken.’ Zeg ik. ‘Ok.’ Ze richt zich tot de Cullens om teams te maken, ze gooit de bal op en het spel begint. ‘Waarom zijn de baskets zo hoog? En waarom is het veld zo groot?’ Vraag ik als ze naast me staat. ‘Dat zie je vanzelf wel.’ Lacht ze. En inderdaad, ik merk het snel genoeg. Ze zijn super snel, en springen veel hoger dan dat ik van mensen gewend ben. Het is wel even wennen. Het is best lastig te volgen wie er regels overtreed, maar Rowena lijkt het met gemak bij te benen.
Na een hele tijd spelen komt Esme haastig naar Rowena toe. ‘Ro, we moeten weg, nu.’ Zegt ze paniekerig. ‘Waarom? Wat is er?’ Vraagt ze. ‘Ze komen eraan.’ Zegt Esme snel. ‘Hoe lang nog?’ ‘Minder dan 3 minuten, we moeten rennen.’ Zegt ze. Rowena knikt. ‘Wie komen eraan?’ Vraag ik. ‘Vragen zijn voor later, we moeten opschieten. Jasper! Zorg jij dat we compleet blijven?’ Roept ze naar hem. Hij knikt. Als ik omkijk zie ik dat ze aanstalten maken om te gaan. ‘Kom je?’ Vraagt Rowena. ‘Jep.’ Zeg ik. We rennen met zijn allen naar een plaats waar ik nog nooit was geweest. Ik merk dat ik steeds trager loop. ‘Nog even volhouden.’ Zegt Rowena. Ik knik. ‘Ro! Ze zitten ons op de hielen. Als ik moet geloven wat ik net heb gezien…is dit ons einde.’ Het laatste zegt Esme wat zachter. ‘Gaan jullie maar verder, ik leid ze wel af.’ Zegt ze. Ineens staat ze stil. Ik voel een arm om mijn middel. ‘Je moet wel door blijven lopen, ik weet niet hoe lang Rowena dit vol kan houden, ze zet haar leven op het spel.’ Zegt Esme. ‘Wat? En jullie moeten haar niet helpen?’ Vraag ik. ‘Ze red het wel, ze is slim en snel genoeg.’ Komt Jasper tussen ons. Het is een heel eind rennen door een bos, maar uiteindelijk komen we bij een open plek met een groot wit huis. ‘Hier blijven we voorlopig, jij dus ook.’ Vertelt Edward. ‘Rowena weet waar ze ons kan vinden, en we worden niet snel gesnapt door de gewone mensen.’ Legt hij uit. ‘Ok, maar hoe lang moeten we wachten tot ze terug is?’ Vraag ik. ‘Geen idee. Misschien komt ze wel niet meer terug. Dat weten we niet.’ Zegt Rosalie. Ze krijgt gelijk een woedende blik van Edward, het is duidelijk dat hij dit liever niet gehoord had. ‘Ik ben even boven.’ Zegt hij en staat op. ‘Slimme actie Rose.’ Zegt Esme afkeurend. ‘Je wist best dat hij er zo op zou reageren.’ Rosalie laat het hier bij, ze gaat geen verdere discussie aan. Emmett volgt haar om haar te kalmeren.
‘Je hebt het waarschijnlijk wel gemerkt, maar Rowena is nogal belangrijk voor Edward. Ze hoort nou eenmaal bij de familie. En als ze niet terug komt, zou dat erg zwaar voor Edward zijn. Ze was zo’n aardige meid.’ Zegt Esme. Jasper slaat troostend een arm om haar heen. ‘Misschien kun jij gaan kijken hoe het met Edward is, het is de laatste kamer in de gang. Het wijst zich vanzelf wel.’ Zegt Jasper tegen mij. Ik knik en sta op.
Bij de muren van de trap hangen enorm veel schilderijen. Het zou bijna onmogelijk lijken om verschillende schilderijen te maken, maar toch zijn ze allemaal heel anders. Als ik boven aankom zijn er een aantal deuren. De laatste deur, dat moet deze zijn.
Voorzichtig duw ik de deur een stukje open. ‘Edward?’ Vraag ik. Ik hoor dat hij opstaat. ‘Sorry dat ik er ineens tussenuit piepte, maar momenteel ligt het nogal gevoelig dat Rowena er misschien niet meer is. Ik probeerde net contact met haar te leggen, maar het lukt niet. Aan zijn hele houding is te zien dat hij gerriteerd is.
De kamer is ingericht met lichte kleuren en veel ramen. De schuifpui staat een stukje open, er komt een heerlijk briesje naar binnen.
‘Ik wil ook heel graag weten hoe het met Rowena is. Als ik iets voor haar kon doen had ik het al lang gedaan. Het wachten werkt nu al op mijn zenuwen.’ Zeg ik. ‘We kunnen niets voor haar doen. Ik mis haar.’ Hoe zouden ze elkaar tegen het lijf gelopen zijn? Ik ben er best nieuwsgierig naar, maar het is niet het juiste moment om het te vragen. Ik wacht wel tot een beter moment. Uit het niets begint Edward te vertellen over vroeger, ik gok erop dat hij mijn gedachten binnen geslopen is. ‘Het was een aantal jaartjes geleden. Misschien 80, misschien iets meer. Ze zat op de middelbare school, zoals jullie dat nu doen. En daar was ze niet echt geliefd door de meeste mensen. Maar wij konden goed met elkaar opschieten. In het begin liep het niet zo lekker, ik wilde dat zij uit zijn buurt bleef. Maar toen zij doorhad wat ik was, gaf ik het langzaam maar zeker op. Ik wist dat zij door zou blijven gaan, dat hoorde ik haar denken. Uiteindelijk leerde zij mijn familie kennen.’ Hij stopt even. ‘Wacht, ik hoor haar weer.’ Zegt hij snel. Hij concentreert zich op iets, waarop weet ik niet. Maar hij staart in het niets. Ik wacht geduldig af. Een hele tijd gebeurt er niets.
Ik schrik door zijn plotselinge onderbreking. ‘We moeten niemand op haar af sturen. Ze heeft alles onder controle, tenminste, dat zegt ze. Dit heeft ze me al eens eerder wijs willen maken. Vervolgens gingen we er ook bijna aan, maar nu heeft ze alles meer onder controle.’ Zegt hij. ‘Dus we moeten wachten.’ Zeg ik. Hij knikt. Ineens wordt er aan de schuifpui getrokken. Ik kijk op. Daar staat Rowena. Ze is zwaar buiten adem, maar ze leeft nog! Edward gaat gelijk op haar af. ‘Roween, ik heb je zo gemist. We dachten dat we je kwijt waren. Waar was je? En hoe heb je die weerwolven weten af te schudden?’ Vraagt hij. ‘Ik was in heel veel plaatsen. Ik was van plan om ze zo ver mogelijk weg te leiden. Maar ze haalden me bijna in, daarom heb ik niet gereageerd op jou. Ik heb een poging gedaan om ze af te schrikken door te doen alsof ik ze zou verslinden, maar daar zijn ze niet in getrapt. Na een hele tijd was ik echt uitgeput. Maar ik heb het gehaald. En ze zijn weg.’ Zegt ze. ‘Trek maar eerst even andere kleren aan, deze zijn nu helemaal gescheurd. Daarna kun je de rest vertellen wat er allemaal gebeurt is.’ Zegt Edward. Hij klonk erg kalm, maar het was duidelijk dat hij blij was zijn vriendin terug te zien.
Nadat Rowena zich omgekleed heeft gaan we dus naar beneden. Rowena wordt gelijk door iedereen om de hals gevlogen. ‘Waar zat je? We hebben je gemist!’ Zegt Esme. Iedereen praat door elkaar heen, maar over het algemeen zijn het dezelfde vragen, maar dan anders geformuleerd.
Het duurt een hele tijd voordat de orkaan van vragen overgewaaid is.
‘Bill, kan ik je even alleen spreken.’ Vraagt ze, ze klinkt nogal ernstig. ‘Ok, is goed.’ Zeg ik. We gaan samen naar een kamertje, Rowena sluit de deur. ‘Wat wilde je zeggen?’ Vraag ik. Ik ben nieuwsgierig waarom ik apart genomen wordt, ze kon het toch ook zeggen waar de anderen bij waren?
‘Daarnet, bij de weerwolven…Bas was erbij, met een paar van zijn vrienden. Maar er was een nieuweling bij.’ Begint ze. Ik knik. ‘Dat was Tom.’ Ik val zowat om van verbazing. ‘Wat?! Hoe kan dat?’ Vraag ik geschrokken. ‘Geen idee. Maar ik ben bang dat je het contact moet verbreken met hem. Het is niet handig om met weerwolven om te gaan, dat geldt zowel voor vampiers als “normale” mensen.’ Zegt ze. ‘Het dringt vast nog niet goed tot me door… Je bedoelt dat ik uit de buurt moet blijven? Hij is mijn tweelingbroer, hoe kan ik dat voor elkaar krijgen? We wonen in hetzelfde huis.’ Zeg ik bijna wanhopig. ‘Weet ik, en daar heb ik al over nagedacht. Je kunt hier wonen. Dan lopen je ouders ook geen gevaar ofzo, en dan zit jij safe in verband met Tom.’ Zegt ze. ‘Dat zal wel moeten. Maar hoe zit dat dan op school?’ Vraag ik. ‘Hetzelfde als altijd, elkaar een beetje boos aankijken, beetje negeren, onaardig doen, klaar.’ Zegt ze. ‘Je doet er nogal makkelijk over.’ Zeg ik. ‘Dat komt omdat ik het al z lang moet doen, er hebben heel vaak weerwolven bij mij in de klas gezeten, en dat probleem heb jij straks ook.’ Zegt ze. ‘Daar ben ik dan lekker mee.’ Ik zucht. Nooit meer in de buurt van Tom komen klinkt onmogelijk. Hij heeft in ieder geval laten zien dat het geen probleem voor hem is. Rowena legt een arm om mijn schouder. ‘Het komt wel goed Bill, ook al klinkt het hard.’ Zegt ze. Ik knik. Even lijkt het voor mijn gevoel alsof ik verdoofd ben. Rowena laat me even alleen, ze snapt dat het even tot me door moet dringen.

We zitten met zijn allen in een grote zwarte tourbus. Hij moet wel groot zijn, want we zitten hier met zijn tienen; Rowena, Edward, Emmett, Esme, Rosalie, Jasper, Gustav, Georg, Tom en ik. Onze grote droom is uitgekomen, Gustav, Georg, Tom en ik vormen een band; Tokio Hotel. Onze muziek slaat goed aan, en we krijgen veel fanmail.
Het lijkt ook geen enkel probleem te zijn dat Tom en ik normaal gesproken elkaars vijanden moeten zijn. Natuurlijk zijn er weleens problemen, maar we gaan zonder problemen met elkaar om. ‘Bill, kom je zo, we zijn er.’

‘Bill, kom nou.’ Rowena trekt aan mijn arm. ‘Huh? Wat?’ Zeg ik. ‘Jij zat diep in gedachten. Wat was er?’ Vraagt ze. ‘Niets. Helemaal niets.’ Zeg ik een beetje teleurgesteld. Ik had zo erg gehoopt dat die ene fantasie werkelijkheid kon worden, maar dat gaat niet, en dat zal ook nooit gebeuren.

Opa (made by Morena)

Opa (made by Morena)

Bill’s pov:
Ik klemde me vast aan mijn oma. Ik huilde hard. Ik kon er niet meer tegen. Mijn opa. Mijn lieve opa die er altijd voor me is geweest, waarmee ik van alles mee deed. Mijn oma legde haar hand op mijn achterhoofd en probeerde me te troosten. Eigenlijk zou ik haar moeten troosten, het was haar eigen man. ‘Ik geloof het niet!’ Gilde ik hard. ‘Jongen, ik ook niet.. Maar we moeten door gaan, dit hoort bij het leven. Het hoort zo.’ Zei mijn oma zachtjes in mijn linkeroor. Ik veegde mijn tranen van mijn wangen af en keek voor me. Ik zag mijn broer staan. Zijn hoofdje naar beneden en zijn armen naar beneden bungelend. Hij snikte hard van het huilen en had zijn ogen hard dichtgeknepen. ‘Tom.’ Zei ik zachtjes. ‘Niet huilen.’ Mijn oma liet me los en ik gaf haar een kus op haar wang. Ik liep snel naar Tom en sloeg mijn armen om hem heen. ‘Ssssshhhhtt.’ Suste ik. ‘Ik mis opa!’ Huilde hij en sloeg ook zijn armen om mij heen. ‘Ik weet het, ik ook.’ Zei ik zachtjes in zijn oor, verstopte mijn hoofd in zijn nek, t-shirt en haren en begon weer te huilen.
Ik liep over het begraafplaats, alleen. Ik liet voetstappen achter in het koude sneeuw die vandaag was gevallen. Ik mog even naar buiten van mijn moeder, als ik maar dichtbij bleef. Het begraafplaats was best wel dicht bij huis. Zo 5 minuten fietsen. Elke keer als ik keek naar een grafsteen leek het net alsof mijn hart in tween werd verscheurd. Ik keek op naar een mooie grafsteen. “Ter herinnering van mijn lieve vrouw, moeder, tante en oma. Lucy van Kolisten.” Sneeuwvlokken vielen op mijn neus, smolten en baanden een weg naar beneden zodat ze op de grond konden rusten. Ik sloot mijn ogen, die gevuld waren met tranen, zuchtte en liep verder terwijl ik bleef kijken naar de sneeuw. Toen ik stond waar ik naartoe wou keek ik pas op om op het grafsteen te kijken. “Hier ligt mijn man, vader, oom en opa, Anthonius Jacob Kaulitz.” Tranen stroomde over mijn wangen. Mijn tranen waren warm. Zo warm dat het zachtjes mijn wangen, die rood waren van de kou, verwarmde. Toen mijn betraande ogen over de laatste zin ging rende ik keihard weg. Het enige wat ik wou was naar huis toe rennen. Ik pakte mijn fiets bij de ingang, veegde de sneeuw weg, ging erop zitten en fietste zo snel mogelijk richting huis. Ik lette niet op het verkeer en had bijna een botsing met een auto. Ik stopte en keek de bestuurder aan. Het was een vrouw van ongeveer dezelfde leeftijd als mijn moeder. Toen ze mijn betraande gezicht en mijn ogen die boosheid samengevoegd met verdrietigheid liet zien zag schok ze. Ik keek weer naar voren en fietste weer verder. Toen ik thuis aankwam zette ik mijn fiets in de berging, liep ik de gang in en hing ik mijn jas op. ‘Wie is daar?’ Vroeg mijn broer bang. Hij was alleen thuis, zo te horen. Sinds opa was overleden, was hij bang voor iedereen die binnenkwam of als er aan werd gebeld. ‘I.. Ik ben het.’ Zei ik zo goed mogelijk omdat mijn verdriet mijn stem had gebroken. Ik slikte en liet een trillerige zucht mijn lichaam verlaten. Ik veegde mijn tranen, die kouder waren geworden, weg en deed mijn schoenen uit. Ik liep naar boven en ging naar rechts, zodat ik naar mijn kamer toe kon. ‘Gaat het wel Bill?’ Vroeg Tom voorzichtig toen hij me zag aanlopen. Ik keek hem aan. ‘Nee Tom, het gaat slecht met me.’ ‘Door opa?’ Vroeg hij zachtjes en ik knikte. Ik opende mijn deur en ging mijn kamer binnen. Ik deed de deur zachtjes achter me dicht, plofte op mijn bed en verstopte mijn hoofd in mijn kussen. Ik hoorde dat Tom mijn kamer binnenkwam en bij me op bed ging zitten. Hij pakte me bij mijn schouders en liet me rechtop zitten. Hij sloeg zijn armen om me heen. Met zijn rechterhand duwde Tom mijn hoofd op zijn schouder en ging weer terug waar zijn hand daarnet zat. Hij wreef zachtjes over mijn rug en liet mij langzaam uithuilen.
Het is alweer 3 maanden geleden dat opa overleed en ik ben er nog steeds niet over heen. De anderen lijken het soms wel vergeten te zijn, maar praten er wel vaak over. Ik ga soms bij hem langs en ga ik met hem “praten”. Ik ben diegene die het meeste verdriet heb over hem. Vandaag ben ik ook langs geweest. Ik vond het na een kwartier weer tijd om naar huis te gaan. Toen ik, zoals gewoonlijk, weer op mijn fiets stapte fietste ik naar huis. Ik ging een bruggetje over en stak over. Tot mijn spijt had ik perrongeluk niet gelet op het verkeer. Ik werd geschept door een auto en lag er snel onder. Ik voelde niks. Het werd wit om me heen en ik sloot mijn ogen.

Tom’s pov:
Ik hoorde de ambulance door de straten rijden. Is het zo dichtbij? Ik liep naar Bill zijn kamer, opende de deur en ging voor het raam staan zodat ik naar buiten kon kijken. Bill was zoals gewoonlijk naar opa. Ik keek eerst naar rechts en zag de ambulance aankomen. Met harde snelheid raasde het langs het huis en ging het richting het bruggetje dat richting het begraafplaats ging. Ik schrok toen het bij de oversteekplaats voor het bruggetje stopte. Ik schrok me kapot. Ik rende naar beneden en deed zo snel als ik kon mijn schoenen en jas aan. Met mijn jas nog half open rende ik naar buiten en met een harde klap gooide ik de deur dicht. Ik stopte de sleutels van het huis snel in mijn zak en sloot mijn jas verder dicht. Toen ik bij de oversteekplaats was zag ik een paar mensen om het slachtoffer heen staan. Ik zag ook drie gehurkte mannen bij het slachtoffer staan en ze waren ‘m aan het reanimeren. Ik voelde de angst door mijn lichaam razen toen ik het slachtoffer zag tot aan de knien. Die schoenen ken ik. Ik wou naar ‘m lopen, maar ik werd snel door een agent tegengehouden. ‘En wat wil jij doen jongeman?’ Vroeg hij en keek me dringend aan. ‘I.. ik de-enk dat ik de persoon op de g-grond k.. ken.’ Zei ik verdrietig, angstig en moe. Ik zag nog net dat ze ‘m op een brancard legde en dat ze ‘m naar de ambulance brachten. ‘Mag ik alstublieft kijken?’ Vroeg ik en mocht er langs. Ik liep angstig naar de achterzijde van de ambulance en zag er een schim in. Ik voelde mijn hart steeds harder en sneller kloppen. Van binnen bad ik dat het niet diegene was wie ik dacht dat het was. Ik keek naar de persoon in de ambulance. Ik hoorde een lange piep van zo’n hartslag apparaat. Ik keek beter naar de schim en ik wist gelijk wie het was.
Het was Bill.

“Bill,
Je wou zo snel bij opa zijn.
Ik weet het, maar waarom?
Het doet me zo veel pijn.
Ik wou liever dat je later zou overlijden door ouderdom,
Niet door deze gebeurtenis.
Je had nog een heel leven voor je,
Er kon nog zo veel dingen gebeuren.
Om me heen is er alleen maar duisternis.
Gelukkig ben je nu bij opa.
Ik hou van je en zal je vreselijk missen.
Rust in vrede.
Je broer, Tom.”

(R.I.P opa Alfonso Mares Guzmn [overleden in 1997] en Wim van Beek [in 2003 overleden])

Welcome to the Black Parade

Welcome to the Black Parade

We hebben afgesproken dat we vandaag iets met zijn drien gaan doen, Tom, Jerry en ik. Er draait een goede horrorfilm in de bios, dus dat was gisteren al snel afgesproken.
Nu staan Tom en ik dus voor de ingang, te wachten op Jerry die zoals gewoonlijk weer precies 5 minuten te laat komt. Gelukkig hadden we daar al rekening mee gehouden. ‘Daar komt ‘ie.’ Zegt Tom. ‘Klopt, hoe krijgt hij het elke keer voor elkaar?’ ‘Geen idee.’ Zegt hij. Ondertussen is Jerry er. ‘Wat is er?’ Vraagt hij, omdat hij natuurlijk het gesprek niet kon volgen. ‘Niets. Kom nou maar.’ Zegt Tom. We gaan naar binnen en zoeken onze plaatsen. We zitten lekker hoog, in het midden. We zitten nog maar net, en de reclamefilmpjes beginnen al. ‘Dit krijg je ervan als je te laat bent h?’ Zegt Tom plagerig tegen Jerry. ‘Hoezo? Wil jij die reclame dan zo graag zien?’ Vraagt hij. ‘Ik weet niet of je het door hebt, maar de reclame is voorbij, en de film is begonnen.’ Onderbreek ik ze. Er word geen woord meer gewisseld totdat de film is afgelopen.
Tom rekt zich uit. ‘Bedankt, ik kreeg bijna een hele hand in m’n oog.’ Zeg ik. ‘Sorry. Maar dan had je maar niet daar moeten zitten.’ Zegt hij plagerig. ‘Wat ben jij vandaag toch weer aardig.’ We gaan weer weg. Hier is toch niets meer te beleven. ‘Jullie willen zeker niet nog even de stad in?’ Zeg ik. ‘Klopt.’ Zeggen ze in koor. ‘Flauw hoor. Dan gaan we wel weer thuis saai op de bank hangen.’ Zeg ik. We zeggen Jerry nog even gedag, en gaan weer op pad naar huis. Ondertussen is het al laat in de middag.
Eenmaal thuis schop in mijn schoenen uit. ‘En nu?’ Vraag ik. Ik kan nu echt niet zelf bedenken waar ik zin in heb, maar meestal heeft Tom wel goede ideen op dat soort momenten. ‘Playstation!’ Roept hij. ‘Maar dat hebben we afgelopen week al heel vaak in de tourbus gedaan.’ Zeg ik zeurderig. ‘Maakt dat uit dan?’ ‘Nee, eigenlijk niet. Welk spel?’ Kan mij het schelen, ik doe gewoon lekker mee. Tom zoekt een spel uit, en we kunnen dus aan de gang gaan.
Terwijl Tom en ik aandachtig bezig zijn wordt er gebeld. ‘Neem jij op?’ Vraagt Tom. ‘Maar dan ga jij zeker weer verder spelen, dan ben ik dood.’ Zeg ik. ‘Daarom vraag ik het aan jou, anders is de mijne dood.’ Ik sla op zijn pet. ‘Wat heb ik toch weer een aardige broer hoor.’ Zeg ik. ‘Vind ik ook.’ Ik steek mijn tong uit.
‘Hey, Bill hier.’ Zeg ik. ‘Hey, even over morgen.’ Begint Jerry. ‘Ja?’ ‘Ik voel me niet goed, dus misschien kan ik dan niet mee.’ Zegt hij. ‘Maar daarnet had je nog nergens last van.’ Ik ben verbaasd. Zo veel tijd zat er niet tussen. ‘Ik weet ook niet hoe het komt, maar dan weten jullie het in ieder geval.’ Zegt hij. ‘Ok, beterschap h.’ Zeg ik. ‘Dank je.’ Zegt hij en hangt op.
‘Wat is er?’ Vraagt Tom. ‘Jerry voelt zich niet goed. Dus hij belde om te zeggen dat hij morgen misschien niet mee kan.’ Zeg ik. ‘Kunnen we het niet gewoon even verzetten? Dan kan hij alsnog mee.’ Zegt Tom. ‘Goed idee.’ We gaan weer verder met het spel tot laat in de avond.
‘Ik ga slapen. Doei.’ Zeg ik gapend. ‘Ok, ik ga ook zo. Truste.’ Zegt Tom. Ik slof de kamer uit. En voor ik het weet ben ik in mijn bed beland.
De volgende ochtend word ik eigenlijk pas tegen de middag wakker. Maar ik noem het voor mijn gemak nog even ochtend. Ik slof naar de badkamer om me om te kleden. Onderweg kijk ik even of Tom nog slaapt, en inderdaad, die ligt nog in zijn bed. Al scheelt het niet veel meer voordat hij ernaast ligt.
Terwijl ik me omkleed hoor ik ineens een bonk. Dt was Tom dus. Na nog een “Auw” te horen met gevloek erachteraan weet ik het zeker. Wanneer ik weer klaar ben ga ik weer even langs. ‘Lekker geslapen Tom? Of ben je nog steeds in shock van die val van daarnet?’ Vraag ik plagend. ‘Sta daar niet zo te grijnzen. Ik viel hard hoor.’ Zegt hij en trekt een sip gezicht. ‘Agossie. Wat heb ik nu een medelijden. Kleed je even aan, dan gaan we zo naar Jerry.’ Zeg ik. ‘Ik ga al, ik ga al.’ Zegt hij en raapt wat kleren bij elkaar. Ik ga alvast naar beneden om een ontbijt te maken. Halverwege komt Tom ook naar beneden. In stilte eten we wat. ‘Zullen we zo nog even bij Jerry langs gaan?’ Vraagt Tom als hij klaar is. ‘Ok.’
Het huis van Jerry is aan te lopen, dus in no time staan we bij hem voor de deur. Ik bel aan, en na een tijdje doet hij open. We begroeten elkaar. ‘Leuk dat jullie toch nog langs komen. Ik had gedacht dat jullie met zijn tween naar dat attractiepark zouden gaan, ik kan ook een andere keer mee hoor.’ Zegt hij. ‘Het was de bedoeling dat we met zijn drien gingen, dus we gaan ook met zijn drien. Dan word het maar een beetje verschoven.’ Zeg ik. Er galmt muziek uit de boxen van zijn radio, ik heb het nummer volgens mij nog nooit gehoord.

And if your heart stops beating
I'll be here wondering
Did you get what you deserve?
The ending of your life

And if you get to Heaven
I'll be here waiting, babe
Did you get what you deserve?
The end and if your life won't wait
Then your heart can't take this

Have you heard the news that you're dead
No one ever had much nice to say
I think they never liked you anyway
ohhh take
me from the hospital bed
Wouldn't it be grand
it ain't exactly what you planned
And wouldn't it be great if
We were dead

‘Wat is dat voor nummer?’ Vraag ik. ‘Dead van My Chemical Romance. Ik had laatst een nieuwe cd gekocht, deze dus. Hoe vind je hem?’ Vraagt hij trots. ‘Vrolijke muziek.’ Zegt Tom sarcastisch. ‘Ik vind het wel gaan. Het is wel even wennen, maar zeker niet slecht.’ Zeg ik. ‘Zal ik even wat te drinken voor jullie halen?’ Vraagt hij. Tom en ik knikken. Jerry gaat naar de keuken. Het valt me ineens op hoe moeilijk hij eigenlijk loopt. Hij zoekt overal steun, zou dat de reden zijn dat hij niet mee wilde? ‘Ik ga Jerry even helpen.’ Zeg ik. Het was Tom ook al opgevallen, hij knikt.
Als ik in de keuken kom staat Jerry onhandig te doen. Ik pak wat glazen van hem aan. ‘Is het niet beter als jij voorlopig alleen maar op je luie reet zit?’ Vraag ik. ‘Hoe kan dat als ik op mezelf woon, en in mijn eentje? Trouwens, het gaat best.’ Zegt hij. ‘Ik merk het.’ Zeg ik. Als hij zich staande probeert te houden. ‘Ik heb er waarschijnlijk maar heel even last van, morgen is het wel weer over.’ Zegt hij. Ik ben er niet zo zeker van, volgens mij verbergt hij een hoop dingen om het minder erg te laten lijken. Ik breng de drie glazen naar de woonkamer. Daarna hijs ik zijn arm over mijn schouder. ‘Straks kruip jij je bed in, en doe jij de rest van de dag helemaal niets.’ Zeg ik als we in de woonkamer zijn. ‘Je hoeft niet zo over bezorgt te zijn, het gaat best.’ Zegt hij.
De dag erop bel ik nog even. Het duurt een hele tijd voordat er wordt opgenomen. ‘Eindelijk, was je je mobiel weer kwijt?’ Vraag ik. ‘Nee, ik kon er gewoon even niet bij. Ik heb zowaar een keer naar je geluisterd, en ik doe al de hele tijd niets anders dan op de bank liggen en tv kijken, maar het gaat niet over. Het lijkt of het alleen maar erger wordt.’ Zegt hij. Jerry klinkt ook heel erg ziek. ‘Waar heb je dan last van?’ Vraag ik. ‘Adem halen.’ Zegt hij. ‘Doet het pijn? Of krijg je moeilijk lucht?’ Nu wordt ik echt wel bezorgd, als het een geintje is krijgt hij echt een klap. ‘Het doet pijn… Heel erg.’ Zegt hij. ‘Tom en ik komen eraan, moeten we een dokter bellen?’ Vraag ik. ‘Ok.’ Als hij iets haat dan is het wel de dokter, dus het is serieus.
‘Tom, we moeten n weg.’ Zeg ik en trek hem mee van achter de tv. ‘Wat is er aan de hand?’ Vraagt hij. ‘Geen idee, maar het is ernstig.’ Zeg ik. We haasten ons naar Jerry. Eenmaal daar bellen we het ziekenhuis, en al snel staat er een ambulance voor de deur. Met zwaaiende sirenes rijden we de straat uit. De zenuwen gieren door mijn lijf. Wat is er aan de hand met Jerry? Dat is de grote vraag die nu speelt.
Eenmaal in het ziekenhuis wordt Jerry gelijk weggereden. Ze gaan hem onderzoeken.
Tom en ik wachten. De minuten kruipen traag voorbij. We zijn al een paar keer de gangen doorgelopen. Al een aantal keren hebben we gevraagd of er nieuws is, maar niemand weet iets.
Ik ben net “genteresseerd” naar de muur aan het staren als er een dokter naar ons toe komt. ‘Weet u misschien iets over Jerry?’ Vraag ik meteen. ‘Jazeker.’ Zegt hij. Hij kijkt ernstig, dat maakt me onrustig. ‘Wat is er met hem aan de hand.’ Vraagt Tom. ‘Hij heeft een ernstige vorm van longkanker.’ Zegt de arts. Mijn mond valt open. ‘Hoe ernstig is een ernstige vorm?’ Vraagt Tom. ‘Zodanig dat hij nog maar een paar weken te leven heeft, ook met een chemotherapie. Natuurlijk houden we hem zo lang mogelijk in leven.’ Zegt de arts. Ik kan het niet geloven.
Er worden nog een paar onderzoeken gedaan, en hij krijgt pijnstillers. Wanneer ze klaar zijn komt diezelfde arts als daarnet ons vertellen dat we bij hem mogen komen. ‘Hij is al op de hoogte van wat er aan de hand is.’ Zegt hij voordat we de deur weer dicht doen. Jerry ziet er nu nog slechter uit dan een paar minuten geleden. ‘Hoe voel je je?’ Vraag ik. ‘Beroert.’ Zijn stem klinkt zwak en gebroken. ‘Hoe lang moet je hier blijven? Of hebben ze dat nog niet gezegd?’ Vraagt Tom. ‘Voorlopig, totdat het weer wat beter gaat. Ze hebben geen datum ofzo gezegd.’ Hij gaat steeds zachter praten. Er is een gespannen stilte. ‘Had je hier al lang last van?’ Vraag ik. ‘Ik had soms dat ik even last had van m’n ademhaling, maar nooit zo erg als gisteren en nu.’ Zegt hij. ‘Het was altijd binnen een paar minuten weer weg.’ We blijven nog lang bij hem, totdat het bezoekuur om is.
De dag erop willen we weer naar hem toe, maar we worden tegen gehouden. ‘Sorry jongens, maar hij mag even geen bezoek. Morgen misschien.’ Zegt een van de zusters. ‘Waarom?’ Vraagt Tom. ‘Omdat het erg slecht met hem gaat. Als jullie naar binnen gaan nemen jullie misschien infecties mee zonder dat jullie het weten.’ Zegt ze. We moeten dus weer rechtsomkeer naar huis maken.
De volgende dag zit ik ongeduldig op Tom te wachten. ‘Schiet eens op, straks is het bezoekuur voorbij voordat we in het ziekenhuis zijn.’ Zeg ik. ‘Jij wilt graag.’ Zegt hij als hij eindelijk klaar is. ‘Natuurlijk, hij is onze vriend, en het is niet niets wat er met hem aan de hand is.’ Zeg ik. We gaan dus weer naar het ziekenhuis, ik hoop dat we nu wel naar binnen kunnen. Nu mogen we wel bij Jerry. Ik herken hem bijna niet, waarschijnlijk heeft hij pas een chemo achter de rug, hij is helemaal kaal, terwijl hij normaalgesproken een kop vol haar had. Hij wordt net wakker en gaapt even. ‘Hey jongens.’ Zegt hij. ‘Hoi.’ Ik weet niet goed wat ik moet zeggen. ‘Man, ik verveel me hier. Het enige wat ik doe is dagen aftellen. Dat is toch ook geen fijne manier om door het leven te gaan.’ Zegt hij chagrijnig. ‘Wat had je je er dan van voorgesteld? Een groot feest? Denk het niet.’ Zegt Tom. ‘Weet ik.’ Zegt hij. Hij zakt onderuit, hij is ergens ver weg in een diepe gedachten. Na een hele tijd gaat hij pas overeind zitten. ‘Weet je waar ik net aan dacht?’ Begint hij. ‘Nee, dat weet ik niet.’ ‘Welcome To The Black Parade. Die clip van My Chemical Romance.’ Zegt hij. ‘Waarom dat nou weer?’ Vraag ik. ‘Gewoon, ik dacht er even aan.’ Zegt hij. Rare jongen. Hij gaapt weer. ‘Ga maar slapen, wij zijn al weg, volgens mij heb je toch niet veel aan ons.’ Zegt Tom. ‘Ok, komen jullie morgen weer?’ Vraagt hij. ‘Als we naar binnen mogen, ja.’ Zegt Tom.
We gaan elke keer trouw langs. We mogen niet altijd naar binnen, en de ene keer blijven we langer dan de andere keer. Helaas gaat het steeds slechter.
We gaan weer bij hem langs. Hij ziet er nog slechter uit dan eerst. Ik hoor duidelijk dat hij veel moeite heeft met adem halen. ‘Bill… Tom… Ik…Ik kan niet meer.’ Zegt hij zwak. ‘Wat? Niet opgeven! Niet nu.’ Toms stem klinkt erg hard in vergelijking met die van Jerry, terwijl hij toch zachter praat dan normaal. ‘Ik kan het niet.’ ‘Jawel, je hebt er al lang tegen gevochten. Je kunt het wel.’ Probeert Tom. Maar het is al te laat. We hadden dit zien aankomen, maar niet dat het vandaag al zou gebeuren, niet nu. Ik voel de tranen over mijn wangen lopen. Dit zou een vakantie worden waarin we weer even met een van onze beste vrienden zouden optrekken, en dit krijgen we ervoor terug? Ik sla mijn armen om Tom heen en hij slaat de zijne om mij heen. Ik kan mijn ogen niet van Jerry af houden. Hij heeft zijn ogen gesloten, en het is net alsof hij slaapt.
In een rap tempo komen er doktoren binnen, maar wat ze doen is tevergeefs. Het is al gedaan met hem.
Zou hij nu ook bij de Black Parade horen?

Turn away,
If you could get me a drink
Of water 'cause my lips are chapped and faded
Call my Aunt Marie
Help her gather all my things
And burry me in all my favourite colours
My sisters and my brothers still
I will not kiss you
Cause the hardest part of this is leaving you

Now turn away
Cause im awful just to see
Cause all my hair's abandoned all my body
Oh my agony
Know that I will never marry
Baby im just soggy from the chemo
But counting down the days to go
This just ain't living
And I just hope you know

That if you say
Goodbye today
I'd ask you to be true
Cause the hardest part of this is leaving you
Cause the hardest part of this is leaving you

30 Seconds to Mars? [non-TH]

30 Seconds to Mars? [non-TH]

Steffie’s pov:
Het is op school nogal rumoerig, ik heb geen idee waarom. ‘Wat is er aan de hand? De docenten zijn de hele dag al raar bezig. Ze doen zo anders dan normaal. En hoe kan het dat we geen huiswerk voor morgen hebben? We hebben altijd wel iets, niet dat ik het erg vind.’ Zeg ik tegen Esme. ‘Geen idee, maar het was mij ook al opgevallen.’ Zegt ze. De hele dag gaan de lessen al rommelig, en nu ook. De hele tijd lopen er docenten naar binnen, ze overleggen iets met onze docent, en zijn weer weg. De een is nog net de gang uit en de volgende komt weer binnen stormen. Op deze manier kan er natuurlijk geen les geen worden. Veel kinderen hebben dat ook door en zitten achterstevoren om te praten, of ze schreeuwen het simpelweg door de klas.
De bel gaat en in een razend tempo is iedereen weg. Ze willen natuurlijk maar al te graag naar huis, en zij zijn niet de enige. Ik ga snel naar mijn kluisje. Als ik klaar ben wacht ik buiten op Inge. Samen fietsen we naar huis.
De volgende ochtend heb ik het 2e uur pas les, en Inge heeft het 1e uur les. Ik rij dus alleen naar school. Als ik daar aankom staan Dominique en Inge buiten. Wat hebben zij nou aan? Ze zijn helemaal in het wit gekleed. Wanneer ik dichter bij kom ize ik dat er in het rood het Chinese teken van 30 Seconds To Mars op het shirt staat. En ze hebben een masker in hun hand. ‘Waarom hebben jullie hetzelfde aan?’ Vraag ik. ‘Dat geloof je nooit. 30 Seconds To Mars is hier en we hebben net een fotoshoot met de afdeling en de band gedaan voor het volgende album!’Zegt Dominique hyper. ‘Dat is echt gaaf! Jammer dat ik gewoon les heb, maar ik moet gaan. Doei, tot in de pauze ofzo.’ Zeg ik. Ik ben echt blij voor ze, maar stiekem ben ik ook wel een beetje jaloers. Toch gun ik het ze wel.
Als ik de klas in kom staat onze mentor zenuwachtig op zijn bureau te tikken. De bel gaat, en hij probeert iedereen stil te krijgen.Na een paar minuten heeft hij zijn doel bereikt.
‘Voor vandaag hebben we een speciale uitnodiging gekregen. Jullie hebben gisteren vast wel gemerkt dat het wat aan de onrustige kant was.’ Een instemmend geluid komt uit de klas. Onze mentor sust de boel. ‘Jullie willen vast weten waarom het zo druk was. We zijn door de band 30 Seconds To Mars uitgenodigd… Stil eens, ik probeer wat te vertellen… We zijn dus door hen uitgenodigd voor een fotoshoot met de band. Dat is voor het nieuwe album.’ Tamara zit naast me te stuiteren. ‘Weet je hoe gaaf dat is?! Dan zie ik Shannon eindelijk in het echt!’ ‘Droom maar weer verder over hem. Ik denkniet dat we de kans krijgen om zo dicht bij te komen.’ Zeg ik. ‘We gaan nu met zijn allen naar de aula, daar wordt alles uitgelegd.’ Vervolgt onze mentor. De hele klas staat op en we gaan naar de aula. Iedereen praat druk door elkaar.
Als iedereen een beetje rustig is word het hele verhaal nog eens opgehangen. We gaan met de bus naar een of andere locatie, en daar zou de band ook zijn. Wanneer we daar zijn krijgen we allemaal kleding die we voor de shoot aan moeten. Er zijn een paar kleedkamers, dus het is even dringen en wachten voordat iedereen zich heeft omgekleed. Ik ga alvast een beetje rondkijken samen met Tamara en Esme. ‘En nu?’ Vraag ik. ‘I don’t no. Ik ga terug.’ Zegt Esme. Tamara gaat met haar mee. ‘Ik blijf hier. Ik heb geen zin om in de drukte te wachten. Tegen de tijd dat we weer moeten verzamelen hoor ik het vanzelf wel.’ Zeg ik. ‘Ok, tot zo.’ Tamara en Esme gaan er vandoor. Ik zet mijn mp3 op, dat helpt altijd tegen de verveling. Ik ga helemaal op in de muziek van My Chemical Romance als er iemand op mijn schouder tikt. Ik trek een van de oordopjes uit mijn oren. ‘Hey, weet jij waar we zo moeten wezen voor die fotoshoot?’ Vraagt een wel erg bekende stem. ‘Ja dat is…’ Ik stop midden in mijn zin als ik doorheb dat Jared voor mijn neus staat. ‘Dat is daarzo.’ Vervolg ik en wijs naar de kant waar ik zojuist vandaan ben gekomen. ‘Ok, thanks. We hadden het namelijk nog niet te horen gekregen en onze manager was ineens pleite.’ Zegt hij. ‘Aha… Maar jullie hadden vanochtend toch ook een shoot?’ Vraag ik. ‘Jep, maar dat was weer een andere locatie.’ Zegt hij. ‘Aha…’ Ik weet niet goed wat ik moet zeggen. Ik bedoel, hij is ook maar een mens, maar hij is wl Jared Leto…D Jared Leto. ‘Dus… Waarom ben jij eigenlijk niet bij je vrienden? Ik neem aan dat je niet voor niets in je eentje rondloopt.’ ‘Nou, ik wilde gewoon een beetje rondkijken. En ik had geen zin om in de drukte mijn tijd te verdrijven, dus dan doe ik het hier maar met m’n mp3.’ Leg ik uit. ‘Ok. Wat luister je?’ ‘Dat is verschillend, maar nu staat My Chemical Romance aan.’ Zeg ik. ‘Dat is toch de band van Gerard Way? Ik heb hem al een paar keer gezien met de EMA’s enzo. Aardige gast.’ Zegt hij. ‘Geluksvogel. De enige keer dat ik ze zag was met een concert… maar dat was maar een keer. Maar het was erg gaaf.’ Zeg ik. Jared en ik praten nog wat totdat Shannon komt. ‘H, ik was je kwijt. We moeten zo weer gaan. De fotograaf wordt een beetje ongeduldig.’ Zegt hij. ‘Oeps… Tot ziens Steffie.’ Zegt Jared nog snel. ‘Doei.’ Ik moet eerst nog even de andere kant op. Eigenlijk heb ik wel geluk…Er zijn niet veel mensen die “zomaar even” een gesprekje met hem aanknopen.
Als ik Tamara en Esme in de mensenmenigte gevonden heb vragen ze gelijk waar ik heb rondgehangen. ‘Dat geloof je nooit. Ik stond gewoon even naar m’n mp3 te luisteren, en ineens stond Jared voor mijn neus.’ Zeg ik. ‘Natuurlijk… Wij hebben daarnet ook even met Bill geshopt en daarna met Tom gitaar gespeeld.’ Zegt Esme. ‘Je kunt niet eens gitaar spelen.’ Zeg ik. ‘Goh, je meent het.’ Zegt Esme sarcastisch. We worden allemaal weer bij elkaar geroepen, de fotograaf is er duidelijk klaar voor.
Die middag ben ik echt doodmoe van alle opwinding. Thuis ga ik vroeg slapen.

De volgende ochtend op school kom ik Tamara en Esme weer tegen. ‘Hey, lekker geslapen na gisteren?’ Zeg ik, ik weet dat Tamara echt een extreem lange slaper is, maar vandaag hebben we gewoon het eerste uur les. ‘Ja hoor, maar hoezo na gisteren? Is er iets bijzonders gebeurd?’ Vraagt ze. Huh? Heb ik het gedroomd? ‘Euhm, laat maar.’ Zeg ik snel. ‘Even wat boeken dumpen in mijn kluisje. Als ‘m open doe ligt daar een signeert t-shirt in en een foto van de hele band en mij die ik zelf heb gemaakt met mijn camera. Huh? Hoe kan dat? Waarom weten Esme en Tamara er dan niets meer van?

Demolition Lovers

Demolition Lovers

Het is ijskoud buiten. Toch is het binnen redelijk warm. De school heeft alle kachels belachelijk hoog gezet zodat het hier uit te houden is. Onze economiedocent hangt een saai verhaal op. Het is allemaal stof die we herhalen omdat er binnenkort een proefwerk aankomt. Zo te zien ben ik niet de enige die zich verveelt, Tom zit naast me kleine tekeningetjes in zijn schrift te maken. Voor ons zit Liza. Ik weet niet wat er met haar aan de hand is, maar ze lijkt de laatste tijd zo ongelukkig. Zou er iets aan de hand zijn? “Kaulitz! Let op de les, dit is belangrijk voor het proefwerk.” Dendert de stem van onze docent door de klas heen. Ik schrik me kapot. Als ik naast me kijk zie ik dat Tom nu doet alsof hij genteresseerd is, maar ik weet dat het allemaal fake is. Buiten is het weer omgeslagen, daarnet sneeuwde het, nu giet het keihard. De bel gaat en we hebben nu geschiedenis. Nog zo’n saai vak. We gaan naar het andere lokaal. Als de les na een tijdje weer bezig is horen we geschuif van tafels en stoelen uit de andere lokalen komen. “De les moet ook altijd op een of andere manier verstoord worden.” Zucht onze docent. Een paar mensen lopen door de gang. De lagere klassen gaan zeker weer een uitstapje maken ofzo. Voor ons zie ik dat Liza erg onrustig is. “Liza, wat is er?” Vraag ik zacht. “Ze komen eraan. We moeten wegwezen.” Zegt ze. “Wie komen eraan? De lagere klassen hebben waarschijnlijk gewoon een uitstapje.” Zeg ik. Op dat moment gaat het alarm van de school af. “Iedereen moet rustig de klas verlaten. Geen geduw of getrek. En niet in paniek raken.” Zegt onze docent. Voordat hij is uitgepraat zijn er al een paar leerlingen opgestaan. Binnen no time staat er een andere docent in het lokaal. “Iedereen moet zo snel mogelijk naar buiten. Zorg dat je veilig thuis komt, maar schiet wel op.” Ik dacht dat dit een oefening was, maar dat kan niet. Normaal gesproken wordt je niet naar huis gestuurd. Iedereen staat te dringen om naar huis te gaan. Tom en ik mengen ons tussen de menigte. Alle lokalen stromen leeg en voegen zich bij de sliert die naar buiten leidt. Ik ben Tom al snel kwijt, maar ik weet dat ik hem buiten weer tegen kom. Dan zie ik Liza, zij moet dezelfde kant op als Tom en ik. ‘Heb jij Tom gezien?’ Vraag ik aan haar. “Nee, daarnet wel, toen hij nog bij jou was, maar het is te druk. Het is het beste als we proberen om bij elkaar te blijven.” Zegt ze. “Op deze manier gaat dat ons nooit lukken.” “We kunnen het allicht proberen.” Zegt ze. Ze pakt mijn hand vast en samen gaan we verder. We worstelen ons door de menigte heen, een paar keer worden we zelf bijna omver geduwd, maar we zijn er bijna. Nog steeds hebben we Tom niet gezien.

Hand in mine, into your icy blues
And then I'd say to you
we could take to the highway
With this trunk of ammunition too
I'd end my days with you in a hail of bullets

Ineens voel ik dat mijn arm ergens naartoe wordt meegetrokken, dat zal Tom vast zijn. Als ik omkijk is het heel iemand anders, iemand die ik niet ken. Iemand die ik zo te zien niet wl kennen. Hij trekt me mee, uit de sliert die naar buiten loopt. Mijn hand glipt uit die van Liza. Ik probeer me uit zijn greep te krijgen, maar het lukt niet. Bruut word ik een lokaal in geduwd. Ik kom hard met mijn hoofd op een van de tafels, en alles wordt zwart.
“Bill? Bill? Zeg nou iets.” Een koude hand gaat zacht over mijn achterhoofd. Ik kreun, mijn hoofd bonkt van de pijn. Maar er mist iets dat er daarnet nog wel was. Het alarm? Dat is het. Zou het over zijn? Ik open mijn ogen. Alles is nog een beetje wazig, maar het herstelt al snel. “Is het over? Wat was er daarnet aan de hand?” Vraag ik aan Liza. Ze heeft een paar schrammen, maar het lijkt haar niets te doen. “Ik ben bang dat het nog lang niet over is. Er zijn een paar gijzelaars in de school.” Zegt ze. “Wat?!” Zeg ik iets te luid. “Stt… Zo lang wij doen wat ze willen, doen zij ons niets. Ze houden ons alleen maar vast om er en hele bak geld voor te krijgen.” Legt ze uit. “Maar we waren er bijna.” Zeg ik. “Waar is Tom?” Ik verschiet ineens. “Die is hier ook. In dit lokaal.” Zegt ze. Ze probeert rustig te klinken, maar het is duidelijk dat zij ook weet dat dit niet van korte duur is. Ik ga rechtop zitten. Als ik om me heen kijk zie ik Tom aan de andere kant van het lokaal zitten. Hij houdt zijn arm krampachtig vast. “Tom, wat is er met je arm?” Vraag ik. “Geen idee, maar het doet enorm veel pijn.” Zegt hij. Liza komt aan de andere kant naast Tom zitten. “Laat eens zien.” Zegt ze. Voorzichtig pakt ze zijn arm. “Jij moet het zeggen op welke plaats het zeer doet, ok?” Zegt ze. Hij knikt. Voorzichtig tast ze zijn arm af. Ineens trekt hij zijn arm terug. “Daar was het dus. Misschien is het gebroken. We kunnen beter zorgen dat het dan recht blijft. Dan zouden we een spalk moeten zetten.” Zegt ze. “Hoe wil je dat doen? We hebben hier niets.” Zegt Tom. Ze kijkt om zich heen. “Je moet een beetje creatief zijn met sommige dingen.” Zegt ze en staat op. In haar tas rommelt ze wat. Uiteindelijk haalt ze haar gymshirt en een liniaal eruit. “Het helpt misschien niet genoeg, maar het is beter dan niets.” Zegt ze. Het shirt scheurt ze in tween zodat de armen en de hals eraf zijn. “Dit gaat pijn doen. Of in ieder geval, is het geen pretje.” Zegt ze. Ze probeert het bot op de juiste manier op elkaar te krijgen. Tom wil het uitschreeuwen maar houd zich met veel moeite in. Ze zet een lineaal ertegenaan en windt haar shirt eromheen. “Je kan weer ademhalen.” Zegt ze als ze klaar is. “Man, dat deed pijn. Volgende keer wil ik gewoon naar een ziekenhuis.” Zegt hij. “Als ik jou was zou ik hier maar blij mee wezen. Stel dat het snel aan elkaar groeit, dan groeit het beter aan elkaar dan hoe het daarnet zat.” Zegt ze. “Maar wat moeten we nu doen?” Vraag ik. “Geen idee. Ik denk gewoon niets doen, en afwachten.” Zegt ze.
Er valt een stilte. Mijn gedachten dwalen af naar thuis. Wat zou mam aan het doen zijn? Zou ze denken dat we gewoon nog op school zitten? Of weet ze al wat er gebeurt is? Maakt ze zich zorgen? Is er iemand om haar te helpen? Een heel andere vraag; Is er iemand om ons te helpen? Een paar uren gaan voorbij. Het begint op mijn zenuwen te werken. Het is donker in het lokaal, we hebben daarnet namelijk de ‘fijne’ ontdekking gedaan dat de elektriciteit is afgesloten. Dat betekend ook dat het hier binnen ijskoud is. “Ik heb dorst.” Begint Tom. “Ik ook, maar we hebben hier niets, weet je nog.” Zegt Liza. “Ik ga kijken of ik wat kan vinden.” Zeg ik. Ik sta op en wil het lokaal uit lopen. “Wacht. Je weet niet waar die mensen toe in staat zijn.” Zegt Liza. “Wil je hier blijven zitten en niets doen, of wil je dat ik probeer wat te halen. Ik denk toch het laatste.” Zeg ik. Ze geeft geen antwoord. Voorzichtig doe ik de deur open. Niemand te zien. Zo stil als maar kan sluip in naar de kantine. Halverwegen blijf ik versteend staan. Er is daar iemand. Na een tijdje loopt de persoon een andere kant op. Snel, maar stil, ga ik verder. Ik hoor snelle voetstappen achter me. Shit! Gesnapt. Ik krijg een harde dreun tegen mijn kaak en laat me op de grond vallen. Ik hoor hoe de persoon om me heen loopt, maar ik geef geen kik. Na een tijdje gaat hij weg. Om er zeker van te zijn dat hij echt weg is blijf ik ongeroerd liggen. Ik weet niet voor hoe lang, maar tegen de tijd dat ik me weer beweeg zijn mijn spieren stijf geworden van de koude vloer. Voorzichtig kijk ik om me heen. Er is niemand te zien. Ik ga verder, op pad naar de kantine. Eenmaal in de kantine aangekomen pak ik zoveel bij elkaar als ik maar pakken kan. Ik weet niet wat het allemaal is, maar het is tenminste iets. Mijn kaak doet nog heel erg pijn, dus ik neem ook wat ijszakjes mee, dan kan Tom ook wat op zijn arm leggen. Ik ga weer terug. Als ik in het lokaal terug kom zitten Liza en Tom achter in het lokaal. Ze kijken me verbaasd aan als ik binnen kom. Voorzichtig sluit ik de deur. “We dachten dat je er was geweest.” Zegt Tom stil. Hij slaat zijn armen om me heen. “Waarom duurde het zo lang?” Vraagt Liza. “Onderweg kwam ik een van die mensen tegen. Hij sloeg tegen mijn kaak, en toen ben ik op de grond stil blijven liggen totdat die man weg was.” Zeg ik. Ik pak een van de ijszakjes en geef het aan Tom. Een andere houd ik tegen mijn eigen kaak. “Wow, wat heb je allemaal meegenomen?” Vraagt Tom als hij alle flessen ziet. “Geen idee, dat kon ik niet zien. Het is in de kantine donkerder dan hier.” Zeg ik. “Nouja, het is tenminste iets.” Zegt Tom. We breken een fles aan. “Zo, dit is sterk spul.” Zegt Tom als hij een slok heeft genomen. “Wat? Is het alcohol?” Vraagt Liza. “Jep. En sterk ook.” Zegt hij. “En die andere flessen?” Vraagt ze. “Hetzelfde.” Zeg ik. “Waarom hebben ze dat in godsnaam in de kantine staan?” Vraagt ze. “Ik denk voor als de docenten wat te vieren hebben ofzo.” Zegt Tom en grist de fles weer uit mijn handen. “Hee, wie weet hoe lang we hier nog mee moeten doen.” Zeg ik. “Jullie nemen toch niet, ik wil niet omkomen van de dorst.” Zegt hij. Het is duidelijk dat het al naar zijn hoofd is gestegen. “Maar je wilt wel omkomen door een alcoholvergiftiging?” Vraagt Liza. “Nee, maar dat krijg je toch niet zo snel.” Mompelt Tom. “Weet je zeker dat er niets anders was?” Vraagt Liza. “Nee, dat weet ik niet. Ik kon het niet zien.” Zeg ik. Ze denkt even na. “We zouden het hier dan maar voorlopig mee moeten doen.” Zegt ze uiteindelijk. “Volgens mij heeft mijn broer daar geen problemen mee.” Zeg ik als ik naar Tom kijk. Hij is al in slaap gevallen. “Morgen kijken we wel of er iets anders is. Voor nu doen we het hier maar even mee.” Zegt ze. We drinken wat. Het is echt niet te zuipen, maar het is beter dan niets. Na een tijdje vallen we in slaap.

I'm trying, I'm trying
To let you know just how much you mean to me
And after all the things we put each other through and

I would drive on to the end with you
A liquor store or two keeps the gas tank full
And I feel like there's nothing left to do
But prove myself to you and we'll keep it running

De volgende ochtend wordt ik met een knallende koppijn wakker. En zo te horen ben ik niet de enige. “Aauw… Als iemand de behoefde voelt om wat water en een aspirine te halen, kan diegene dat dan voor mij ook halen.” Kreunt Liza. Het is duidelijk dat ze geen alcohol gewent is. “Dan mag je voor mij ook wat halen.” Zegt Tom. Ik kijk om me heen. Er staan een paar lege flessen. “Ik zal wel even kijken of ik ergens kan komen.” Zeg ik. “Maar nu zien ze je beter dan gister avond.” Zegt Liza. “Kan me niets schelen. Ik heb knallende koppijn, en ik wil er nu vanaf.” Zeg ik. “Ik ga wel met je mee.” Zegt Tom. Hij hijst zich op aan een van de tafels. “Ik denk niet dat dat iets gaat worden. Je kunt beter hier blijven.” Zeg ik. Voordat ze er iets tegenin kunnen brengen ben ik al weg. De gangen zien er nu nog leeg uit. Als ik bij een paar lokalen naar binnen kijk zie ik dat alles over hoop is gegooid. Ik ga een van de lokalen in en zoek naar aspirines of iets in die richting. “Bill.” Ik schrik me kapot en draai me in een ruk om. Daar staat Liza. “Wat kom je doen?” Vraag ik. “Helpen zoeken.” Zegt ze. Ze begint te rommelen in de lades van het bureau. “Gevonden.” Zegt ze. “Zullen we maar gelijk water gaan halen.” Zeg ik. We gaan op weg naar de kantine om water te halen. We vinden een paar lege flesjes en vullen ze met water. Ik hoor voetstappen onze richting op komen. “Daar komt iemand.” Zeg ik. “Wat moeten we doen?” Liza raakt een beetje in paniek. “Ik ga hem afleiden. Ga jij weer naar Tom toe.” Zeg ik. “Maar wie weet wat hij doet.” Zegt ze. “Maakt niet uit.” Ik ga de gang op. Ik zie een brede man staan, hij heeft mij ook gezien en komt op me af. “Verstop je.” Zeg ik zonder geluid. Ik ren weg met de man op mijn hielen. Na een tijdje krijgt hij mijn arm te pakken. “Jij komt hier niet zomaar weg.” Zegt hij. Hij draait mijn polsen op mijn rug. “Waarom houden jullie ons vast? We hebben niets gedaan.” Piep ik. Ik verga van de pijn in mijn armen. “Wij willen ook wat poen verdienen, en daarom moeten we dan maar gaan babysitten op een paar tieners.” Zegt hij. Ik probeer los te komen, maar in plaats daarvan doe ik mezelf alleen maar meer pijn. Hij duwt met zijn voet in mijn knieholten en ik beland op de grond. Ik probeer weer op de vlucht te slaan maar hij heeft me al snel weer te pakken en slaat me een bloedneus. “Niet zo voortvluchtig.” Waarom heb ik mezelf omgetoverd tot lokaas? Stom. Ik hoop dat ze Liza niet te pakken krijgen. Ik probeer de man te slaan. Hij hijst me aan een arm omhoog. Wild haal ik met mijn andere arm naar hem uit, maar het helpt niet. Ik heb nergens energie meer voor. En hiermee bereik ik toch niets. Hij neemt me ergens mee naartoe. Ik kan niets doen, hij is te sterk, en ik heb geen energie meer.

But this time, I mean it
I'll let you know just how much you mean to me
As snow falls on desert sky
Until the end of everything
I'm trying, I'm trying
To let you know how much you mean
As days fade, and nights grow
And we go cold

Until the end, until this pool of blood
Until this, I mean this, I mean this
Until the end of...

Ik wordt wakker in een andere ruimte dan waar ik daarnet was. Hoe kom ik hier? Oja, die brede man heeft me hier mee naartoe gesleept. Mijn lijf voelt alsof hij me ook een paar keer expres heeft laten vallen. Mijn polsen zitten op mijn rug gebonden. Daar ben ik weer lekker mee. Verderop ligt een stanleymes. Ik schuif ernaartoe. Voorzichtig probeer ik het te pakken. Ik kan niet zien waar het ligt, want nu zit ik er met mijn rug naartoe. “Auw… Sukkel, hij was al een beetje open.” Mompel ik zacht tegen mezelf. Ik voel dat het bloed langs mijn vingers loopt terwijl ik probeer mijn polsen los te krijgen. Mijn handen worden glad, en telkens glijd het mesje uit mijn handen waardoor ik meer krassen zet in mijn handen.
Na een hele tijd krijg ik eindelijk het touw los. Mijn handen liggen helemaal open, maar het belangrijkste is dat Tom en Liza veilig zijn.
Ik sluip de gang op. Niemand te zien… Voorlopig dan. Snel ga ik weer terug naar het lokaal waar Tom en Liza zitten. Als ik daar aankom is er niemand. Zouden ze misschien achter in het lokaal zitten? Ik ga naar achteren. Alle tafels en stoelen zijn overhoop gehaald, maar Tom en Liza zijn nergens te bekennen. “Tom? Liza? Waar zijn jullie?” Fluister ik zacht. Geen antwoord.
Misschien zijn ze naar me op zoek. Ik was best lang weg volgens mij. Ik besluit om nog even te wachten.
Als het donker wordt zit ik nog steeds alleen. Ik maak me heel erg zorgen. Ik ga ze zoeken.
Ik slenter over de gangen. Het is angstaanjagend stil, maar van binnen gieren de zenuwen door mijn lijf. Elk moment kan er iemand voor mijn neus staan. Ik kijk een lokaal binnen. Daar zit iemand, zouden ze dat zijn? Het is zo donker dat ik het niet goed kan onderscheiden. Ik zet mijn verstand op nul en ga het lokaal binnen. “Bill?” Wordt er voorzichtig gevraagd. Ik zucht opgelucht. “Ja, ik ben er.” Zeg ik en ga naar ze toe. “Waarom bleef je zo lang weg? Ik dacht dat je dood was. Die man had je te pakken.” Jammert Liza. Ze slaat haar armen om me heen en begraaft haar gezicht in mijn nek.

I'm trying, I'm trying
To let you know how much you mean
As days fade, and nights grow
And we go cold

But this time, we'll show them
We'll show them all how much we mean
As snow falls on desert sky
Until the end of every...

Vannacht is het ijskoud. We zitten met zijn drien tegen elkaar aan. Het enige wat we hebben om ons warm te houden is de drank. Ondertussen zijn we de alcohol al vergeten, en drinken we het gewoon. Het is onze enige optie.
Al snel zijn we allemaal stom dronken en vallen we in slaap. Nog steeds zitten we tegen elkaar aan.
De volgende ochtend is er, behalve wij drien, iemand anders in het lokaal. Hij staat bij de deur, en lijkt me niet al te vriendelijk. Langzaam wordt Tom ook wakker uit zijn roes, en al snel volgt Liza ook. “Wat doet u hier?” Vraagt Liza beverig als ze de man ziet. “Zorgen dat jullie niet weer ronddwalen.” Zegt hij. In zijn hand zie ik een pistol blinken. Er loopt een rilling over mijn rug. “Wilde je er nog iets tegenin brengen?” Snauwt hij en richt het pistol op mij. Ik schud heftig van nee.
De hele dag worden we gevolgt door de brede man met het pistol. Bij elk dingetje wat wij fout doen in zijn ogen richt hij gelijk zijn pistol en dreigt hij te schieten.

All we are, all we are
Is bullets I mean this
All we are, all we are
Is bullets I mean this
All we are, all we are
Is bullets I mean this
All we are, all we are
Is bullets I mean this

De flessen alcohol lijken enorm snel op te gaan. Eten krijgen we niet, we hebben het ook niet kunnen vinden. En met die gast in het lokaal kunnen we ook niet gaan zoeken naar voedsel. Er komt iemand anders het lokaal binnen. Hij is iets minder opgepompt dan diegene die al in het lokaal was, maar nog steeds zou hij niet snel tot mijn vriendenkring behoren. Een groot litteken loopt over zijn wang heen. Hij roept de man met de pistol even de gang op. Daar wordt het een en ander overlegd. “Wat zou er aan de hand zijn?” Fluisterd Liza angstig. “Geen idee.” Zeg ik. Mijn stem klinkt niet echt overtuigend, maar toch probeer ik zo rustig mogelijk te blijven. De man van het pistol komt terug met een brede grijns. “We hadden wat eurootjes voor jullie gevraagd, er zijn 2 van de 3 die willen betalen. Dat betekend, dat eentje een koppie kleiner wordt.” Hij grijnst nog breder en houdt zijn pistol nog demonstratiever voor ons neus dan hij al deed. “Jullie zoeken zelf maar uit wie eraan gaat. Dat kan nog leuk worden.” Dat laatste was vooral tegen zichzelf. Hij loopt even het lokaal uit. Liza barst gelijk in tranen uit. Ik wil haar troosten, maar ik zou niet weten hoe ik haar moet opfleuren. “We kunnen proberen om de beslissing zo lang mogelijk uit te stellen. Misschien komt de politie ons dan halen.” Probeer ik. Ze houd niet op. Het gaat aan een stuk door. “I-ik weet al dat mijn ouders d-diegene waren die niet betaald hebben. W-we hebben n-niet eens genoeg geld om goed rond te ko-omen, laat staan d-dat ze dit betalen.” Haar schouders schokken heel erg. Haar hele lijf trilt. “H-het is mijn schuld. I-ik vind dat ik eraan moet gaan. H-het is anders niehiet eerlijk tegen over jullie.” Gaat ze verder. Ik veeg haar tranen weg. “Het is niet jouw schuld. We gaan proberen om hier op een of andere manier onderuit te komen.” Zeg ik. Tom doet niets. Hij lijkt versteend. Hij is heel erg geschrokken van het nieuws van de man.
Als ik Liza uiteindelijk heb gekalmeerd zitten we met nog n probleem; Hoe komen we onder beslissing uit?
Ze laten ons twee dagen met rust, waarschijnlijk wachten ze tot we elkaar in de haren vliegen wie er mag blijven. De keuze is erg moeilijk, we willen elkaar allemaal niet kwijt. En ondertussen begin ik steeds meer te voelen voor Liza. Ik weet dat dit absoluut niet het geschikte moment is. En ik had me ook iets heel anders voorgesteld bij de ware liefde, maar het gebeurt.
Uiteindelijk hebben de gijzelaars het geduld niet meer om te wachten. Er komt weer iemand binnen. “Jullie moeten n een beslissing nemen, anders doen wij het.” Zegt hij. Alledrie kijken we elkaar aan. De angst is van ieders gezicht af te lezen. “Neem n een beslissing.” Zegt de man dreigend. Hij maakt zijn pistol vast klaar. De tranen staan bij Liza in haar ogen. Tom houd het ook niet meer lang vol, hij zit te beven als een rietje. Het hele stoere imago van Tom is de afgelopen dagen verdwenen.
“Nu!” Buldert de stem van de man. “Ik doe het.” Zeg ik en sta op. “Niet doen!” Gilt Liza, haar stem slaat over. De man grijnst breed, hij geniet er duidelijk van dat het haar pijn doet. “Ik doe het wel. Tom moet naar het ziekenhuis voor zijn arm, en jij zorgt dat je later een goeie baan krijgt. Als jullie wat van het leven maken, dan heb ik mijn leven er wel voor over.” Zeg ik. Tom breekt nu ook. “Bill, je mag het niet doen. Jij hebt ook nog een hele toekomst voor je.” Zegt hij.
De man richt zijn wapen op mij. Liza zoekt angstig bescherming bij Tom. Even kijk ik diep in haar ogen. Het was misschien een fractie van een seconde, maar het was het moment waard. Allerlei emoties schieten door haar heen. ‘Ik doe het voor hun, zij moeten verder, niet ik.’ Gaat er door me heen. Er klinkt een harde knal en alles lijkt over te zijn.

As lead rains, will pass on through our phantoms
Forever, forever
Like scarecrows that fuel this flame we're burning
Forever, and ever
Know how much I want to show you you're the only one
Like a bed of roses there's a dozen reasons in this gun

And as we're falling down, and in this pool of blood
And as we're touching hands, and as we're falling down
And in this pool of blood, and as we're falling down
I'll see your eyes, and in this pool of blood
I'll meet your eyes, I mean this forever

Teenagers

Teenagers

Vandaag is het eindelijk zo ver, mijn nichtje komt langs. Ze woont een paar uurtjes bij ons vandaan, en we hebben haar al een hele tijd niet gezien. De laatste keer was ze nog in de fase van een of ander popgroepje waar je na n nummer niets meer van hoort. Maar dat was zo’n 4 jaar geleden. Ze komt bij ons logeren voor zo lang haar ouders nog moeten werken in de zomervakantie. Over een half uurtje halen we haar op van het station. Wacht eens… Over een half uurtje? ‘Tom! We moeten opschieten! Over een half uur moeten we al op het station zijn!’ Schreeuw ik naar boven. ‘Zo snel al? Ik kom eraan.’ Zegt hij en komt de trap af stormen. Dat klinkt ongeveer hetzelfde als wanneer er een olifant de trap af loopt. Het is mooi weer, dus we nemen geen jassen mee. ‘Rij jij of rij ik?’ Vraagt Tom. ‘Rij jij maar.’ Zeg ik. We stappen in de auto en gaan er vandoor.
We hebben geen files, dus we zijn redelijk snel op het goede parron. ‘Hoe laat zou Melissa hier aankomen?’ Vraagt Tom. Ik kijk op mijn horloge. ‘Ze kan elk moment hier zijn.’ Zeg ik. ‘En we hadden hier afgesproken? Dus we zijn er zeker van dat we elkaar vinden.’ ‘Jep. Beetje zenuwachtig?’ Vraag ik. ‘Een beetje.’ Geeft hij toe. ‘Stel nou dat ze het hier niet naar haar zin heeft.’ Daar begint hij weer. ‘Waarom zou ze het niet naar haar zin hebben?’ Vraag ik. ‘Geen idee, maar ik wil gewoon dat ze zich niet verveelt.’ Zegt hij. ‘Geloof me, na die verrassing is verveelt ze zich echt niet meer.’ Zeg ik. ‘Oja, die concertkaarten. Hoe wist je eigenlijk waar ze van hield?’ Vraagt hij. ‘Misschien omdat we opgebeld zijn door haar moeder, en misschien heb ik toen wel gevraagd van wat voor soort muziek ze houdt. En misschien heb ik wel backstage pasjes kunnen regelen.’ Zeg ik aan een ruk door. ‘Oja.’ Soms is het hoofd van Tom echt net een zeef, er gaat van alles in, maar het is er ook zo weer uit.
‘Daar komt de trein!’ Zegt Tom hyper. ‘Rustig joh, ik zie dat de trein eraan komt.’ Zeg ik. De trein komt tot stilstand. Er komen allemaal mensen uit, maar geen van hen herken ik. Langzaam maar zeker loopt het perron leeg. Dan zie ik nog een meisje rond lopen met haar koffers, ze krijgt ons ook in het oog en krijgt gelijk een big smile van oor tot oor. ‘Tom, wakker worden uit je trance.’ Zeg ik. ‘Huh, wat? Oja.’ ‘Ook een goeie morgen.’ Zeg ik.
Bill, Tom! Ik ben echt zo blij om jullie te zien!’ Zegt Melissa vrolijk en komt op ons af gerent. ‘Hee Melis! Dat is een tijd geleden. Hoe heb je ons eruit kunnen pikken?’ Vraagt Tom. ‘Heel simpel; Je zoekt 2 gasten die het meeste afsteken in vergelijking met de rest van de menigte. Grote kans dat je goed zit.’ Zegt ze. ‘Daar zit wat in. Maar zullen we gaan? Ik vind het thuis een stuk gezelliger dan hier.’ Stel ik voor. ‘Is goed, ik wil wel weten waar jullie nu wonen. Wisten jullie trouwens dat heel veel fans nog denken dat jullie in Loitsche wonen?’ Lacht ze. ‘Echt? Dan lopen ze wel heel erg ver achter.’ Zegt Tom. Op de terugreis naar huis wordt Melis constant ondervraagt door ons, maar zij wil ook een paar dingen over ons en de band weten.
Al snel zijn we thuis. Tom helpt Melissa met haar koffers naar boven te brengen. ‘Hoe krijg je dat voor elkaar? Bij mij doet ‘ie dat nooit.’ Zeg ik tegen haar. ‘Je weet toch dat ik het kan verstaan?’ Zegt Tom die boven aan de trap staat. ‘Maakt mij dat wat uit dan?’ Vraag ik.
Morgen avond is het de avond van het concert, ik ben benieuwd wat ze ervan vind. Ze is in de afgelopen 4 jaar behoorlijk veranderd. Maar dat kun je wel verwachten als je een 10-jarige met een 14-jarige vergelijkt.
Tom en ik zijn van plan om haar er morgen mee te verrassen. Vanavond zetten we de wekker, en morgen vroeg vertrekken we.
Nog half slapend sla ik mijn wekker uit. Het liefste blijf ik nog even liggen. Dan realiseer ik me weer waarom de wekker stond, het concert. Snel kleed ik me om, als ik klaar ben gaat Tom de badkamer in om zich om te kleden. Hij gaat naar beneden om het ontbijt klaar te zetten. Ik sluip de kamer van Melissa in. In haar kas t vind ik als snel een shirt van MCR. Die leg ik bij haar andere kleding die ze als had klaargelegd, en haar gewone shirt leg ik weer in de kast.
‘Melis, wakker worden.’ Zeg ik, maar het haalt niets uit. ‘Melis, wake up..’ Niets. Ok, dan op de manier die altijd bij Tom lukt. Ik trek haar dekens weg. ‘Houd… Bill, waarom heb jij die dekens vast?’ Vraagt ze. ‘Zodat je wakker wordt. Ga je je omkleden, Tom is beneden met het ontbijt bezig. ‘Hoe laat is het?’ Vraagt ze terwijl ze in haar ogen wrijft. ‘Veel te vroeg.’ Ik geef haar haar kleren. ‘Gisteren had ik toch een ander shirt neergelegd?’ ‘Kleed je nou maar om.’ Zeg ik een beetje aandringend. Ik ga naar beneden om te kijken hoe het met Tom gaat. Hij is al aardig op weg. Ik help hem. Wanneer we net klaar zijn komt Melissa naar beneden. ‘Ik dacht dat jullie altijd uitsliepen.’ Zegt ze. ‘Dat doen we normaal ook.’ Zegt Tom. ‘Waarom nu dan niet?’ Ik kijk op mijn horloge. ‘We moeten opschieten.’ Onderbreek ik haar. We eten snel het ontbijt op en gaan dan met Toms auto naar het concert. Onderweg hebben we best vaak files, dat was ook de reden dat we zo vroeg weg moesten. ‘Waarom willen jullie me niet zeggen waar we heen gaan?’ Vraagt Melissa. ‘Omdat… Het dan niet meer leuk is.’ Zeg ik. ‘Flauw.’ Zegt ze. ‘Wat vind je van deze band?’ Vraagt Melissa na een tijdje. Ze geeft me een oordopje van haar ipod aan. Dit nummer heb ik gehoord toen ik ging opzoeken wat My Chemical Romance voor band was. ‘Ik vind het wel klinken.’ Zeg ik. ‘Maar het is wel heel anders dan de muziek die jullie maken.’ Zegt ze. ‘Hoezo?’ Ik probeer maar even een gesprek aan te knopen. ‘Hmm… Het is sowieso wat harder. En ik weet niet hoe ik het moet uitleggen, maar het is gewoon een wereld van verschil. Het enige wat jullie band en die van hen met elkaar gemeen hebben is dat de leadzangers zwart haar hebben en zich soms opmaken.’ Lacht ze. ‘Ik vind het ook raar staan bij Bill hoor.’ Plaagt Tom. ‘Jij moet op de weg letten.’ Zeg ik spottend. ‘Hoeft niet, we staan toch stil.’ Zegt hij. ‘En waarom rijd die auto voor ons dan?’ Vraag ik. ‘Oh, ik zat niet helemaal met mijn gedachten daarbij.’ Mompelt Tom. Eindelijk kunnen we weer wat verder rijden.
Na nog een paar keer opgehouden te zijn, komen we eindelijk in de buurt van de concerthal. ‘Wow. Hier zou My Chem een concert geven.’ Zegt Melissa. ‘Wie?’ Vraag ik. ‘My Chemical Romance.’ Herhaalt ze. ‘Aha.’ Tom moet nogal ver weg parkeren, de parkeerplaats staat helemaal vol voor het concert. ‘Kom je?’ Vraag ik. ‘Jaja… Ik kom al. Ik was even aan het raam geplakt om te zien of de band ergens te bekennen was. Maar die zie je meestal niet. Een vriend van mij heeft ze weleens gezien. Toen heeft hij ze aangesproken en speciaal voor mij om handtekeningen gevraagd. Dat vond ik echt zo aardig van hem.’ Vertelt ze. We gaan naar de achterkant van het gebouw, naar de backstage ingang. Melissa staan met open mond te kijken als we gewoon binnen worden gelaten. Een of andere brede man leid ons door allemaal gangen. Uiteindelijk komen we uit in de concertzaal, maar dan helemaal vooraan.
Het licht wordt gedempt en achter ons begint iedereen te schreeuwen. Melissa kan nog steeds niet geloven wat haar overkomt, maar als Bob Bryar, de drummer, begint met afslaan staat ze ineens heel druk mee te doen. Melis gaat helemaal op in de muziek. Tom en ik zijn echt blij dat het goed bevallen is.
‘Dit was echt zo’n gaaf concert,’ Zegt ze vrolijk als het afgelopen is. ‘Het is zo jammer dat het zo snel voorbij is.’ ‘Dat vinden wij ook als we optreden, maar denk je echt dat je nu al van ons af bent? Mooi niet.’ Zegt Tom. We lopen weer door allerlei gangen. ‘Daarnet liepen we hier niet, weet je zeker dat we goed lopen?’ Vraagt ze. ‘Nee, maar we hopen het wel.’ Lach ik. Uiteindelijk komen we precies waar we zijn willen, en dat is niet de uitgang. ‘Jongens, volgens mij lopen we echt verkeert. Dit klopt niet.’ Zegt ze. Toch gaan we naar binnen. Daar zit de hele band te wachten op mijn nichtje. ‘Hey. We zijn er.’ Zegt Tom. Als Melissa haar neus om het hoekje steekt worden haar ogen groot. ‘Kom maar verder hoor.’ Lacht Gerard, de zanger van My Chem. Nog steeds weet ze niet wat ze moet doen, maar ze doet maar wat hij zegt. ‘Hee, jij bent vast Melissa.’ Zegt Frank vrolijk en komt op ons af. ‘J-ja, dat klopt.’ Stottert ze. We moeten allemaal lachen omdat ze zo zenuwachtig is. Na een paar minuten komen Mikey, Bob en Ray ook binnen. Hoe meer te tijd verstrekt, hoe meer Melissa zich op haar gemak voelt. We maken een paar foto’s van haar en praten wat. Volgens mij heeft ze het heel erg naar haar zin.
Na een half uurtje komen een paar brede mannen ons vertellen dat het voorbij is. De band moet weer verder. En wij worden dus naar huis gebonjourd.
‘Dat was echt een geweldige verrassing!’ Roept Melis vrolijk als we buiten staan. Ze vliegt ons om de nek. ‘En je weet nog niet eens wat we de rest van de vakantie gaan doen.’ Zeg ik. ‘Maakt niet uit, het word vast geweldig.’ Zegt ze.

Wake me up when September ends

Wake me up when September ends

1 september, onze verjaardag is vandaag. ‘Bill! Wakker worden!’ Roept Tom hyperend. ‘Jaja, ik was al wakker voordat je riep hoor.’ Zeg ik lachend tegen mijn stuiterende broer. Ondertussen 20 jaar, maar kan zich nog steeds gedragen als een klein kind. Hoewel ik toe moet geven dat het wel tot rg leuke situaties kan leiden.
We kleden ons om. ‘Ehm… Bill, je weet toch wel dat de badkamer de andere kant op is? Tenzij je je wilt omkleden in de kamer van Georg.’ Zegt Tom. ‘Oja, we zitten in de studio.’ Zeg ik lachend. ‘En dan zeg jij dat je al wakker was. Ik merk het.’ Zegt Tom. We kleden ons om. Door ons gerommel worden Gustav en Georg ook wakker. ‘Wat maken jullie veel kabaal voor zo’n vroege morgen.’ Zegt Georg met een slaperig hoofd. ‘Nou en… Vandaag mag dat.’ Zegt Tom. ‘En over een week weer.’ Zegt Gustav. ‘Jep, maar vandaag zijn wij aan de beurt.’ Zeg ik trots. ‘Laten we dan maar opschieten, voordat de dag om is.’ Zegt Georg. Terwijl Gustav en Georg zich ook klaarmaken gaan Tom en ik alvast de tafel dekken.
Als ze beneden komen zijn wij al klaar. Gustav heeft een grote cadeaus in zijn handen, en Georg heeft iets wat op een doos lijkt. Op onze gezichten verschijnt een big smile terwijl Gustav en Georg voor ons zingen. Het is super vals, maar we hebben er heel erg lol in, dus het maakt niets uit. ‘Asjeblieft Tom, aan jou de eer om het eerste cadeau open te maken.’ Zegt Gustav. Enthousiast scheurt Tom het papier eraf. ‘Wow! De gitaar die ik altijd al wilde hebben!’ Zegt hij blij. Hij bewondert zijn nieuwe gitaar terwijl Gustav het andere cadeau aan mij geeft. ‘En voor jouw hebben we een nuttig cadeau.’ Zegt Georg lachend. ‘Ik scheur het open. ‘Een laptop!’ Mijn stem slaat bijna over. ‘Jep, dan hoef je niet te vragen of je op die van iemand anders mag.’ Lacht Gustav. ‘Bedankt jongens.’ Zeg ik blij. David komt binnen. ‘Hebben jullie al naar buiten gekeken?’ Vraagt hij. ‘Euhm.. nee, hoezo?’ Vraag ik. ‘Ga maar kijken.’ Zegt hij. Met zijn vieren gluren we door de gordijnen. Een orkaan van gekrijs barst er los. ‘Wow! Zijn al die fans hierheen gekomen, alleen voor onze verjaardagen?’ Vraagt Tom. ‘Kennelijk wel.’ Zeg ik. Een paar fans hebben spandoeken gemaakt met foto’s en teksten. We gaan naar buiten. Dan begint iedereen ineens voor ons te zingen. Wij moeten lachen. Als ze klaar zijn bedanken we ze. ‘Bedankt dat jullie ons zo verrassen, dat waarderen we echt.’ Zeg ik lachend. Een van de fans piept tussen de menigte uit en rent naar ons toe, de straat op, zonder uit te kijken. We horen getoeter van een auto. Ik zie Tom naast me in actie komen. Hij rent op de fan af, om haar van de straat weg te duwen, maar daarbij wordt hij zelf aangereden.
Iedereen is geschrokken. Voor een paar tellen is het muisstil. Al het vrolijke gevoel van onze verjaardag is weg. Langzaam beginnen er een paar mensen te mompelen, anderen beginnen te schreeuwen om hetgeen dat ze daarnet hebben gezien. Ik sta aan de grond genageld. Ik wil naar Tom rennen, maar kan me niet bewegen. Ik wil het uitschreeuwen, maar er komt geen geluid uit mijn keel. Het enige wat ik doe is zien hoe Tom daar onder de auto ligt zonder te bewegen. Ik voel een hand op mijn schouder die me naar binnen trekt. Ik scheur mijn blik van Tom los, en loop mee.
Na een paar minuten is de ambulance er, maar ze waren zoals verwacht te laat bij.
Nu dringt het pas tot me door wat er echt is gebeurd. Tom wilde voorkomen dat een fan werd aangereden, maar in plaats daarvan was hij diegene die werd aangereden. De bestuurder van de auto biedt wel duizend keer zijn excuses aan, maar het blijft een feit dat hij veel te hard reed.
‘Bill… Het spijt me echt dat ik jullie verjaardag heb verziekt.’ Zegt de man. Ik kan niets zeggen. Er lopen tranen over mijn wangen. Na een tijdje geeft de man het op.
Ik ga naar mijn kamer in de studio en sluit mezelf op.
Tegen de avond kom ik weer beneden. ‘Hoe is het nu met je?’ Vraagt Gustav. ‘Slecht.’ Zeg ik.
‘Ik weet dat het geen leuk onderwerp is, maar we zouden nu een begrafenis of iets dergelijks moeten gaan regelen.’ Zegt Georg. Ik knik. ‘Weet jij wat hij het liefste wilde?’ Vraagt Georg. ‘Ik denk een crematie. En dat we hem dan uitstrooien. Niet te groot allemaal.’ Zeg ik. ‘Ok.’ Zegt Georg. ‘Ik ga wel proberen om iets te regelen ok? Wil je het zo snel mogelijk, of nog even uitstellen?’ Vraagt hij. ‘Doe maar zo snel mogelijk. En ik vind het echt tof dat je dat wilt doen.’ Zeg ik met een waterig glimlachje. Georg gaat weg met de telefoon. ‘Als we wat voor je kunnen doen dan moet je het zeggen hoor, wij snappen ook wel dat je dit niet makkelijk verwerkt.’ Zegt Gustav. ‘Ja, zal ik doen. Bedankt.’ Zeg ik. Het is even stil. ‘Ik ga naar boven.’ Zeg ik. ‘Ok.’ Eenmaal boven ga ik mijn bed in. Mijn hoofd voelt zwaar, en ik heb knallende koppijn. Als ik mijn ogen sluit zie ik weer voor me hoe Tom werd aangereden. Ik schrik, en ga rechtop zitten. Er loopt een rilling over mijn rug. Ik ga weer liggen. Na een tijdje draaien val ik in slaap.
’s Nachts wordt ik weer wakker. Het is helemaal donker. En stil. Een drukkende stilte. Zo’n stilte waar ik echt niet tegen kan. Ik mis het gemurmel wat uit de kamer van Tom komt.
Stil ga ik naar zijn kamer toe. Hier is het nog alsof hij zo weer naar binnen zou kunnen stappen. Ik stap in zijn bed en snuif zijn geur op. Ik sluit mijn ogen.
We waren een jaar of 4. Als twee brave kindjes zaten we tegenover elkaar met een wit vel papier voor ons. ‘Wat ga jij tekenen?’ Vraagt Tom. ‘Zeg ik lekker niet. En jij?’ Vraag ik aan hem. ‘Dan ga ik het ook niet zeggen.’ Zegt Tom, en gaat ijverig verder met tekenen.
‘Klaar!’ Roep ik blij. Tom gaat nog even door. ‘Ik ben ook klaar!’ Zegt hij. ‘Wat heb jij getekend?’ Vraag ik. ‘Jou! En jij?’ Vraagt Tom. ‘Huh, ik heb jou getekend.’ Zeg ik lachend. Onze moeder komt de kamer in. ‘Wauw, dat hebben jullie mooi gedaan.’ Zegt ze.

Het zonlicht verlicht de kamer een beetje. Daardoor word ik wakker. Die tekeningen van toen heeft onze moeder nog bewaard. Volgens mij heeft ze ze nu nog ergens liggen.
Ik kleed me om, en kom Georg onderweg tegen. ‘Lekker geslapen?’ Vraagt hij. ‘Kon beter, maar goed genoeg.’ Zeg ik. ‘Mooi zo.’ Zegt Georg. ‘Was het gisteren trouwens nog gelukt?’ Vraag ik. ‘Ja, binnen 5 dagen was het snelste wat we konden regelen. Gustav heeft je moeder al genformeerd, dus dat hoef jij niet meer te doen.’ Zegt Georg. ‘Ok, maar ik ga haar vanmiddag nog wel bellen.’ Zeg ik. ‘Ok.’ Zegt Georg.
Na zo’n 2 uur zit ik te klooien met mijn mobiel. Moet ik haar nu bellen? Of zal ik nog wachten. Ik klap mijn mobiel open en dicht. Dan trilt hij ineens. “Inkomende oproep: Mamma” staat er. ‘Hoi mam.’ Zeg ik. ‘Hoi Bill. Hoe is het met je?’ Vraagt ze gelijk. ‘Het had beter gekund.’ Zeg ik. ‘Ja, dat snap ik. Gisteren heeft Gustav gebeld.’ Zegt ze. ‘Ja, dat hoorde ik net.’ ‘Hoe kan het dat… je weet wel.’ Zeg ze. ‘Er waren allemaal fans, speciaal voor onze verjaardagen. En wij waren echt verrast. Opeens rent er een van die meisjes de straat op, zonder op te letten. Tom rende op haar af om haar voor de auto vandaar te duwen, maar daardoor kwam hij er zelf onder.’ Zeg ik. ‘Oh… Wat erg…’ Zegt mam. Ik hoor dat ze een brok in haar keel heeft, en daar begin ik zelf ook weer last van te krijgen. ‘Ik moet weer ophangen.’ Zegt ze. ‘Ok, tot gauw.’ Zeg ik. ‘Dag Bill.’ Zegt ze, en verbreekt de verbinding.
Ik zucht.
‘Tom! Kom nou! We gaan in de achtbaan!’ Zegt Gordon. ‘Maar hij gaat over de kop.’ Zegt Tom. ‘Dat is helemaal niet eng.’ Zeg ik. Ik pak de hand van mijn amper 10-jarige broer vast. ‘Maar wat als we eruit vallen?’ Vraagt hij. ‘We vallen er niet uit.’ Zeg ik. ‘Hoe kan dat dan?’ Vraagt hij. ‘Als je een emmer met water vult, en hem heel snel draait, dan valt er ook geen water uit. Zo werkt dat met de achtbaan ook.’ Vertelt Gordon. ‘Ok. Ik ga mee.’ Zegt Tom. Met zijn tween rennen we naar de achtbaan.
Als we er weer uit komen springt Tom druk op en neer. ‘Ik wil nog een keer! Bill, wil jij mee?’ Vraagt hij. ‘Ja!’ Zeg ik blij. ‘Mogen we nog een keer?’ Vragen we. ‘Natuurlijk, ga maar.’ Zegt mam.
Er verschijnt een glimlach op mijn gezicht. Mijn grote stoere broer drufde niet eens in een achtbaan. Maar we konden hem toch nog overhalen. ‘Waarom lach je?’ Vraagt Gustav. ‘Niets, ik was even in gedachten verzonken.’ Zeg ik.
De dagen verstrijken, en de crematie van Tom komt steeds meer in zicht.
Met knikkende knien stap ik de auto uit. Ik vind het best griezelig hier. Het idee dat mijn broer hier straks verbrand wordt is heel erg raar. Troostend wrijft mijn moeder over mijn rug. We gaan naar binnen. Daar wordt gevraagd of we iets willen eten of drinken, maar ik wijs het af. Ik wil hier zo snel mogelijk weer weg.
Iedereen doet zijn zegje voor Tom. Als laatste ben ik aan de beurt. Met een brok in mijn keel van alle lieve dingen die er gezegd zijn sta ik daar. Ik kan amper wat uitbrengen. Het begin verloopt moeizaam, maar na een tijdje gaat het beter. Ik vertel hoe trots we waren bij de doorbraak van Durch den Monsun, hoe we elkaar zenuwachtig hebben gemaakt voor de MTV awards, hoe erg we elkaar dwars konden zitten, maar tegelijkertijd elkaars beste vrienden konden zijn. Het is helemaal stil, en ik houd het niet meer. Na nog een paar zinnen te hebben gezegd, ga ik weer terug.
‘Tommi? Tommi, ben je wakker?’ Vraag ik voorzichtig. ‘Ja…Ik ben wakker.’ Een flits verlicht de kamer en ik kijk recht in de ogen van mijn 5-jarige broertje. ‘Ik ben bang voor de bliksem.’ Zeg ik. ‘Ik vind het ook niet leuk.’ Zegt hij met een klein stemmetje. ‘Mag ik bij jou komen?’ Vraag ik. ‘Ja hoor, kom maar.’ Zegt hij. Ik slof naar hem toe. We kruipen tegen elkaar aan, en wachten samen tot de gevaarlijke onweer weg is.
‘Bill, we zijn er weer.’ Zegt Gustav. ‘Huh? Wat? Waar zijn we weer?’ Vraag ik. ‘Bij de studio. Jij zat echt diep in gedachten.’ Zegt hij. ‘Oh, ja… Sorry.’ Zeg ik en stap uit.
Ik ga naar de kamer van Tom. Dat is ondertussen zo’n beetje een gewoonte geworden. Maar het is een van de weinige plekjes waar zijn lucht hangt. Daar voel ik me op mijn gemak. In mijn eigen kamer voel ik me alleen, omdat ik weet dat Tom niet meer terug komt.
‘Bill? Waar ben je?’ Ik loop snel door. Nog even en Tom heeft me gevonden. Maar ik wil niet dat hij me vind. Ik ben weggelopen van huis, en dan moet hij niet naar me op zoek gaan. ‘Bill?’ Klinkt Tom’s stem weer tussen de bomen door. Het begind zachtjes te regenen. ‘Oh, hier zit je.’ Zegt hij als hij me gevonden heeft. ‘Waarom was je weggelopen?’ Vraagt hij. ‘Ik vind het niet leuk als pappa en mamma ruzie hebben.’ Zeg ik zacht. Dat was vlak voordat onze ouders gingen scheiden. Elke dag hoorden we ze ruzin, maar we zeiden er nooit wat van. En deze dag was ik weggelopen van huis. Het begint harder te regenen. ‘Kom, we gaan naar huis.’ Zegt Tom. We rennen samen door de plassen naar huis. Als we thuis aankomen zijn we helemaal vies, maar onze ouders zijn blij dat we terug zijn.
Ik schrik op. Als ik om me heen kijk is het helemaal donker. Ik heb het T-shirt van Tom in mijn armen geklemd.
Zo ga ik mijn dagen door. In een soort roes van herinneringen. Bij alles wat we doen moet ik aan Tom denken. Hoe ons eerste optreden was, toen we met Devillish onze eerste cd in de winkel zagen liggen… We waren nog van plan om ‘m eens te gaan kopen, maar dat hebben we nooit gedaan. Telkens als ik in de kamer van Tom ben komt alles weer naar boven, elke dag weer.
Het is nu eind september, maar ik ben de eerste dag echt nog niet vergeten.
Ik ga naar de plek toe waar we Tom hebben uitgestrooid. ‘Gustav, Georg, ik ga even weg!’ Roep ik door de studio. ‘Ok!’ Krijg ik tweestemmig terug.
Ik trek mijn jas aan, en ga naar buiten.
Onze moeder had nog zo gezegd; Niet op de muren tekenen. Maar wij waren te eigenwijs. De straat voor onze deur was vol gekalkt met stoepkrijt. ‘Kom, we gaan onze handen overtrekken.’ Zegt Tom. ‘Waar?’ Vraag ik. ‘Hierzo.’ Zegt hij en wijst op de muur. ‘Maar dat mocht toch niet?’ Vraag ik. ‘Nou en, het gaat er heel makkelijk vanaf.’ Zegt hij. ‘Ok.’ Zeg ik. We trekken allebei onze handen over en zetten onze namen erbij.
Het snerpende geluid van piepende banden dringt mijn oren binnen. Ik schrik, en zie nog in een flits een auto razendsnel op me afkomen.
Niet veel later ben ik bij Tom, mijn mooiste herinnering.

Felt in love with theVampires

Felt in love with theVampires

‘s Ochtends word ik laat wakker. Ik heb echt raar gedroomd. Hoe kom ik eigenlijk thuis? Ik ging gisteren toch uit? Ik probeer me te herinneren wat er was gebeurd.
Laat in de avond was ik met de bus weg gegaan naar een of ander feest. Daar heb ik nog een praatje gemaakt met een jongen… Bill. En zijn broer, maar die was meer met andere meiden bezig. En toen… Kom op… Denk na…. Ik ben in de vroege uurtjes weggegaan. En… Er was een steegje. En iemand wachtte daar op mij… Wat deed die persoon daar? Dat had ik me toen ook afgevraagd. Langzaam liep hij in mijn richting. Zijn ogen waren licht blauw, bijna zo licht dat het wit leek. Ik wilde eerst nog weg lopen, maar ik stond aan de grond genageld. Ik denk diep na, maar ik weet niets meer. Het is een grote zwarte vlek. Ik wrijf over mijn slapen. Niets. Helemaal niets weet ik verder. Dan valt mijn oog op een doodshoofd dat op mijn pols staat. Dat heb ik toch niet gedaan? Ik ga naar de badkamer om het er vanaf te wassen, wat zullen mijn ouders wel denken als ze dit ineens zien. Hoe hard ik ook schrob met water en zeep, het gaat er niet vanaf. Mijn huid is rood van de irritatie, maar de doodshoofd staat er nog steeds op alsof er niets mee gebeurd is. Ik zucht. ‘Wat moet ik hier nou mee?’ Denk ik bij mezelf. ‘Yalena, kom je eten?’ Roept mijn moeder. Ze had waarschijnlijk het water horen lopen. ‘Ik kom eraan.’ Ik ga naar beneden. Halverwege de trap blijf ik staan. Ik kan natuurlijk niet met dit ding op mijn pols beneden komen. Ik ren weer naar boven en doe er een zweetbandje omheen, en trek mijn vest aan. ‘Nu ziet niemand er wat van.’ Zeg ik tegen mezelf. ‘Daar ben je eindelijk.’ Zegt mijn moeder als ik beneden kom. Ze zet de mokken op tafel en gaat naast mij, tegenover mijn vader zitten. Ik hoor dat mijn broertje van de trap af komt denderen. ‘Mike, moet je altijd zo luidruchtig doen?’ Vraag ik lachend. ‘Jep.’ Zegt hij. Ik bedoelde het als grapje, maar zo te zien vinden m’n ouders het niet zo’n goed plan als Mike van de trap stampt. Mike is niet veel jonger dan ik, we schelen maar een jaartje. Eigenlijk is het Michael, maar dat is zijn volledige naam, Mike is zijn roepnaam. En als ik hem wil plagen noem ik hem Mikey. Hij doet alsof hij dat “erg” vind, maar hij vind het helemaal niet zo erg. We kunnen het echt super met elkaar vinden. ‘Ga jij vanmiddag nog wat doen?’ Vraagt Mike. ‘Hmm… Nee, jij?’ Vraag ik. ‘Ik wel. Ik weet niet hoe het met jou zit, maar ik ga concertkaarten halen.’ Zegt hij met een grijns van oor tot oor. ‘Is dat vandaag al? Hoe lang hebben we nog voor de kaartverkoop?’ Vraag ik. ‘Euhm… 5 Minuten?’ Zegt hij. ‘En nu de echte tijd.’ Zeg ik. ‘Anderhalf uur.’ ‘Wow… Ik moet opschieten.’ Ik smeer snel mijn brood. ‘Ik kan ze ook wel alleen halen.’ Stelt hij voor. ‘Neuh, ik ga wel mee.’ Zeg ik. ‘Jij wilt zeker naar een bepaalde winkel.’ Hij heeft me door. ‘Wat? Daar hebben ze van die riemen met studs, en kettingen met doodshoofden, en…’ ‘Jaja, het is al duidelijk. Jij gaat mee.’ Lacht hij. Hij moet niet zeuren, want zelf houd hij ook van dat soort stuff.
Anderhalf uur later staan we in de rij voor de kaarten. Er lopen mensen met een grote boog om de rij met mensen heen. Waarschijnlijk vinden ze onze stijl maar niets. Ik moet lachen in mezelf. ‘Wat sta jij nou weer stom te grijnzen?’ Vraagt Mike. ‘Dat er zo veel mensen met een overdreven grote boog om ons heen lopen.’ Zeg ik. ‘Hahaha… Zo afschrikwekkend zijn we toch niet?’ Zegt hij. ‘Ik niet… Maar jij…’ Hij poort me in mijn zij. ‘Wat wilde je zeggen?’ Vraagt Mike. ‘Dat Mikey mijn super schattige kleine broertje is die naar huppelmuziek luistert.’ Zeg ik lief. Nog een por. ‘Was dat ook al niet goed?’ Vraag ik. ‘Nope.’ Hij lacht. ‘We kunnen weer n hele halve stap naar voren.’ Zeg ik over enthousiast. ‘Yee.’ Zo staan we nog heel lang te klooien. We lachen wat mensen uit die angstig snel doorlopen, we kraken een hele zooi groepjes jongens en meiden af, en een beetje van dat soort dingen. Je kunt bij sommige mensen heel duidelijk onderscheiden wie voor welke band is. De ene is over duidelijk voor The Misfits, een ander weer voor Leathermouth, er zijn ook een hele hoop mensen die voor My Chemical Romance gaan, en bijna even veel mensen komen voor The Used. We hadden eigenlijk niet verwacht dat die bands samen een concert zouden doen. Wel van The Used en My Chemical Romance, maar deze combi is nog onbekend. De kaarten zijn best prijzig, maar we hebben het er voor over. We vinden alle vier de bands gaaf, en het duurt de hele dag. Na een hele tijd hebben we eindelijk de kaarten. ‘Frank gaat het druk krijgen met 2 bands, en n concert.’ Grijns ik. ‘Hij heeft er zelf voor gekozen om in Leathermouth en in My Chem te spelen.’ Zegt Mike. ‘Die is vast kapot na het optreden.’ Zeg ik. ‘Ah… Dat ga jij hem toch even troosten.’ Plaagt Mike. ‘Als het zou kunnen zou ik het zo doen.’ Grijns ik. Jammer voor hem, maar ik speel zijn spelletje gewoon mee. We gaan nog even zo’n alternatief winkeltje in waar echt van alles te koop is. Als we daar klaar zijn gaan we naar huis. ‘Zo, dat duurde wel even. Stonden jullie helemaal achteraan in de rij?’ Vraagt mijn moeder als we thuis komen. ‘Nee, maar Yelena moest zo nodig weer dat zogenaamde “schreeuwwinkeltje” in.’ Lacht Mike. ‘En natrlijk heeft Mikey daar geen problemen mee. Die gaat maar al te graag mee.’ Zeg ik. ‘Ik heb niet gezegd dat ik het erg vind.’ Zegt hij. ‘En? Hebben jullie veel gekocht?’ Vraagt mijn moeder. Ze is misschien niet weg van onze stijl, maar ze vind het wel leuk voor ons dat we een stijl hebben waar wij ons goed bij voelen. Mijn vader echter maakt het echt niets uit wat we aan trekken, het interesseert hem niet. We laten zien wat we allemaal bij elkaar gegraaid hebben. Als mijn moeder uitgekeken is, gaan we naar boven. Ik zet mijn mp3 op en berg mijn spullen op. In de kamer naarst me wordt de muziek keihard aangezet, waardoor dat door mijn muziek gaat. Ik ga naar Mike toe. ‘Je zit jouw goeie muziek door mijn goeie muziek af te spelen.’ Zeg ik als ik zijn deur open trek. ‘En? Klonk het een beetje?’ Vraagt hij. Hij zit op bed met zijn laptop op schoot. ‘Niet echt nee, het paste niet zo mooi in elkaar.’ Lach ik. ‘, Trouwens, moet jij niet wat gaan opruimen?’ ‘Geen idee, wat moet ik dan opruimen?’ Vraagt hij. Ik gebaar naar de tas met spullen naast hem. ‘Oh, dat doe ik zo.’ Zegt hij. ‘Ja ja… Wat ben je eigenlijk aan het doen?’ Vraag ik. ‘Niet bijzonders. Gewoon mijn site aan het aan het bijwerken.’ Zegt hij. Ik laat hem zijn gang gaan en ga weer terug naar m’n kamer. Daar zet ik mijn laptop aan.
Als het ding na een hele tijd reutelen opgestart is meld ik me aan bij msn. Gelijk komt er een melding omhoog dat Bill wat zegt. ‘Heey! Bijgekomen van het feest?’ Vraagt hij. ‘Jep, jij ??’ Vraag ik. ‘Ja hoor, beetje koppijn, maar het gaat. =)’ Typt hij. ‘Moooooi zo =P’ Typ ik terug. ‘Nog wat gedaan? Of heb je alleen nog maar op bed gelegen?’ Vraagt hij. ‘Ik heb concertkaarten gehaald. =D Kan niet wachten tot het concert!!’ Typ ik. ‘Oh, van welke band?’ ‘Leathermouth, My Chemical Romance, The Used en The Misfits.’ Typ ik terug. ‘Past dat allemaal in n concert?? ;) Ik heb er wel een paar mensen over gehoord. Wat voor muziek maken ze?’ Vraagt hij. Ik stuur een paar links van clips en live optredens. ‘En? Wat vind je ervan?’ Vraag ik. ‘Klinkt goed! Waar heb je die kaarten gehaald??? Ik zie het ook wel zitten om te gaan xD’ Schrijft hij. We voeren nog een kort gesprekje, maar hij gaat al snel weg om ook kaartjes te halen.
De dagen vliegen voorbij, en Mike en ik tellen af totdat het concert eindelijk is.
Ik word wakker door de wekker die naast me staat te piepen. Vandaag is het concert! We moeten vroeg daar zijn! Ik spring uit bed en ren de kamer naast me in. Ik neem een aanloop en spring op Mike’s bed. ‘Wakker worden!’ Schreeuw ik. ‘Heb ik een nieuwe wekker ofzo?’ Vraagt hij slaapdronken. ‘Vandaag wel. Sta op!’ Zeg ik en schud hem door elkaar. ‘ja, ja, ik ben wakker, en het is een wonder, maar ik leef ook nog.’ Zegt hij. ‘We moeten opschieten! Straks zijn we te laat.’ Zeg ik hysterisch. ‘Yelena, we komen echt wel op tijd. Ga jij je eerst omkleden?’ Vraagt hij. ‘Ok, ik ben al weg.’ Zeg ik en race naar de badkamer. Ik vergeet nog bijna om mijn kleren mee te nemen. Snel kleed ik me om. Als ik de deur open doe komt Mike alweer de badkamer in. Hij heeft duidelijk weer door wat opschieten is. Snel ga ik naar beneden en maak voor ons beiden brood klaar en pak de tassen in. We hebben afgesproken dat Bill ons komt ophalen. Hij scheen hier in de buurt te wonen. ‘Mike! Ben je bijna zo ver?’ Vraag ik. ‘Ben onderweg!’ Zegt hij en stormt van de trap af. Dan wordt er aangebeld. Ik sta naast de deur, en doe meteen open. ‘Bill!’ Roep ik blij. ‘Zo, jij doet snel open.’ Zegt hij verrast. ‘Ik stond naast de deur.’ Lach ik. Mike pakt de tas en we gaan met Bill mee. ‘En hebben jullie er zin in?’ Vraagt Bill. ‘Natrlijk.’ Zeg ik over enthousiast. ‘Dat klonk echt vaag.’ Lacht Mike. ‘Dat is waar, maar toch handig om te weten.’ Bill richt zich weer op de weg. ‘We zijn er bijna!’ Zeg ik hysterisch als we de rij zien. ‘Wow! Dat is nog erger dan bij onze concerten.’ Zegt Bill. ‘Huh? Jullie concerten?’ Vraagt Mike. ‘Oh, wisten jullie dat niet? Ik zing in Tokio Hotel.’ Zegt hij. Mijn mond valt open. ‘Dr kende ik je dus van.’ Zeg ik. ‘Luister jij Tokio Hotel?’ Vraagt Mike. ‘Ik niet, maar Larissa wel.’ Zeg ik. ‘Oja, jij wilde haar eerst laten luisteren naar Leathermouth toch?’ Lacht Mike. ‘Jep, maar dat was iets t hard.’ Mike en ik moeten lachen. ‘Hebben jullie al door dat ik geparkeerd sta? Je kunt uitstappen.’ Zegt Bill. We stappen uit en racen naar de rij die al behoorlijk lang is. ‘Dat wordt erg lang wachten.’ Zegt Bill. ‘Maakt niet uit.’ Zeggen Mike en ik tegelijk. ‘Trek in je ontbijt?’ Vraag ik aan hem. ‘Lekker.’ Zegt hij. ‘Hebben jullie nog niet ontbeten?’ Bill kijkt ons vragend aan. ‘Geen tijd voor gehad, maar hier hebben we alle tijd. Broodje?’ Vraag ik. Hij schud van nee. We herkennen een paar mensen die ook in de rij stonden bij de kaartverkoop. Na een paar uur wachten gaan de deuren open. ‘Yaaaa! We gaan naar binnen.’ Zeg ik zenuwachtig. ‘Even ter info, normaal is het niet z erg.’ Zegt Mike tegen Bill. ‘Maakt niet uit. Mijn broer kan ook een behoorlijke stuiterbal zijn, dus ik ben het gewend.’ Zegt hij. We gaan naar binnen. We moeten een paar trappen op en gangen door. Dan komen we aan in een enorme zaal, waar we nog wat trappen op moeten. Daar blijkt al snel dat we erg goed zitten, en prima zicht hebben op het podium. ‘Ik heb gehoord dat dit concert ook opgenomen wordt.’ Zegt Mike. ‘Echt? Waar heb je dat vandaan?’ Vraag ik. ‘Dat soort dingen gaan allemaal via via. Ik heb geen idee of het echt klopt.’ Zegt hij. ‘Aha…’
Het concert begint, en het gegil barst los. De bands treden omstebeurt op. Af en toe worden er snippers of vuurwerk gebruikt.
My Chemical Romance heeft een paar nummers gedaan, en is nu bezig met The Sharpest Lives. Tegen het eind komt er rook het podium op, en er wordt er vuurwerk afgestoken. De rook wordt steeds meer. ‘Hoort dit wel bij de show?’ Vraag ik. ‘Volgens mij niet.’ Zegt Mike. Er komen allemaal mensen van de beveiliging het podium op en de band wordt weggehaald. ‘Attentie! Dit is een noodgeval. Iedereen moet zo spoedig mogelijk de zaal verlaten. Geen paniek alstublieft.’ Klinkt een stem. Iedereen om ons heen begint te duwen en te trekken. Allemaal willen ze zo snel mogelijk weg. We lopen achter elkaar aan, het smalle trappetje af. Door de menigte ben ik Bill al snel uit het oog verloren. Ik kan hem nergens meer zien doordat er een of andere kleerkast voor me staat. ‘Waar is Bill?’ Vraag ik aan Mike. Ik krijg geen antwoord terug. Waar is hij? Ik zoek om me heen, maar vind hem niet. De mensen duwen om me heen, schelden op me omdat ik stil sta, maar ik wil weten waar Mike is. Zonder hem ga ik hier niet weg. Ineens word ik heel hard geduwd en val ik bijna van het trappetje af. ‘H, kijk eens uit joh!’ Roep ik. Die gast mag dan wel groter en breder zijn, maar ik kan best voor mezelf opkomen. ‘Had je maar moeten doorlopen.’ Snauwt hij. De zaal loopt langzaam leeg, en ondertussen is het al aardig gevuld met rook. Nog steeds zoek ik naar Mike. Misschien is hij ook op zoek naar me, en is hij uit de menigte gegaan. Ik ga ook uit de menigte en zoek hem. Ik zie niets. ‘Mike! Mikey, waar ben je!’ Roep ik. Ik hoest piepend door de rook. ‘Mike!’ Geen antwoord. Ik ga wat lager naar de grond. Mensen zeggen dat je daar meer ziet dan op ooghoogte. Mooi dat ik hier nog steeds niets zie. De zenuwen gieren door mijn lijf. Ineens kleurt het oranje voor me. ‘Whaa!’ Een gil kan ik niet onderdrukken. Ik ren ergens heen en val. ‘Mike… Waar ben je?’ Het is bijna onhoorbaar. Ik voel ineens een paar armen om mijn middel. ‘Mike?’ Vraag ik. ‘Bijna.’ Ik herken de stem van Mikey erin. ‘Oh, verkeerde Mikey. Ik zoek mijn broer.’ Zeg ik. ‘Ik denk dat hij er niet meer is.’ Dat was Frank. ‘Oh… Zeker weten?’ Vraag ik. ‘Ja, je kunt beter naar buiten gaan.’ Zegt Mikey. Ineens komt het vuur een heel stuk naar ons toe. Ik verstijf van de schrik. ‘Kom mee.’ Zegt Frank. Ze helpen me hier weg, maar erg snel gaat dat niet, omdat we geen van allen iets zien. ‘Mikey!’ Horen we ineens. ‘Gerard! Jij zou buiten blijven!’ Mikey klinkt gerriteerd. ‘Weet ik, maar jullie waren zo lang weg.’ Zegt hij. Dat vind ik nou schattig, broers die zo veel om elkaar geven. ‘En daarom kom jij hierheen? Hoe wil je hier uit komen zonder iets te zien? Die rook is veel te dik, en de zaal is enorm.’ Zegt Mikey. ‘Niet praten, doorlopen.’ Kom ik tussen beiden. Nu lopen we met zijn vieren, maar nog steeds geen Mike. ‘Hier is de deur.’ Zegt Frank. Hij maakt hem open. Net als we er doorheen willen lopen komt er een vlammenzee de hoek om. ‘Andere deur! Roep ik. We rennen in het wilde weg ergens heen. ‘Hier is ook een deur. Nu maar hopen dat we er door kunnen.’ Zegt Gerard. We maken hem open. Hier is nog geen vuur. Achter elkaar lopen we door de gang. Langs iets wat waarschijnlijk een kleedkamer was. De laatste deur komt in “zicht” en we rennen als gekken naar buiten. Ik zoek als een gek door de menigte. ‘Mike! MIKE WAAR ZIT JE?’ Roep ik. Ik zie Bill een eind verderop ook zoeken. ‘Bill!’ Roep ik. Hij kijkt op. ‘Yelena! Ik was jullie kwijt geraakt. Waar is je broertje?’ Vraagt hij. ‘Ik weet het niet. Ik dacht dat hij misschien wel bij jou was, of hier ergens, maar ik kan hem niet vinden.’ Zeg ik. Ik voel dat ik mijn emoties niet veel langer voor mezelf kan houden. ‘Ik heb hem ook niet gezien.’ Zegt Bill. Ik ga naar een van de beveiligers. ‘Mag ik u wat vragen? Is iedereen buiten?’ Vraag ik. ‘Nog niet iedereen. We missen er nog een paar.’ Zegt hij. ‘Wat!?’ Ik schrik me kapot. Ik ren naar dezelfde deur als waar ik net uit gekomen ben. ‘Wat ga je doen?’ Frank komt achter me aan. ‘Ik moet mijn broertje vinden!’ Zeg ik. ‘Dan wordt je levend verbrand.’ Zegt hij. ‘Heb ik er wel voor over.’ ‘Nee, dat heb je niet, waarschijnlijk zit hij hier ergens tussen de mensen.’ Zegt Frank en houd me stevig bij mijn armen vast zodat ik niet weg kan. De tranen lopen over mijn wangen bij de gedachten dat Mike misschien wel vast zit tussen de vlammen. ‘Ik moet hem gaan zoeken. Ik kan echt niet zonder hem.’ Zeg ik snikkend. ‘Je gaat niet -’ Hij kan zijn zin niet afmaken, ik ben al weg. Ik hoor dat hij achter me aan komt. ‘Blijf jij buiten! Jij moet nog tientallen concerten geven, veel fans zullen je missen, mij maakt het niet uit als ik met een paar brandwonden thuis kom.’ Zeg ik tegen hem. ‘Nee, ik laat je niet alleen gaan.’ Zegt hij. We gaan samen door de gangen. ‘MIKE!’ Roep ik door de zaal die nu een beetje verlicht wordt door de vlammen. ‘WAAR BEN JE?’ Schreeuw ik nog harder. ‘MIKE’ Frank’s stem galmt door de ruimte. ‘Yelena?’ Horen we gedempt. ‘Waar ben je?’ Vraag ik. ‘Hier… bij de tribune. Pas op voor losliggende stukken.’ Waarschuwt hij. Frank en ik gaan naar de richting waar zijn stem vandaan komt. Na een hele tijd zien we hem wazig, nog steeds door de rook. ‘Ik zit klem tussen de tribune. Het brak af en..’ ‘Rustig, we halen je eruit.’ Zeg ik. Ik pak hem bij zijn armen, maar krijg hem niet omhoog. ‘We moeten eerst wat stukken van de tribune weghalen, anders haalt hij zich aan scherpe stukken open.’ Zegt Frank. We maken stukken van de tribune los, terwijl het vuur steeds meer op ons af komt. ‘Schiet op.’ Piept Mike. Het zweet druipt over onze gezichten. ‘Bijna.’ Zeg ik. ‘Nu kunnen we hem omhoog hijsen.’ Zegt Frank. Samen halen we Mike tussen de tribune vandaan. ‘Kun je staan?’ Vraagt Frank. Hij heeft duidelijk al gezien dat Mike’s been helemaal open ligt. ‘Nee, en dat gaat een hoop problemen opleveren.’ Zegt hij. Frank en ik ondersteunen hem. ‘Waar moeten we heen? Het vuur is overal.’ Vraagt Mike na een tijdje. ‘Geen idee, ik weet niet meer waar de deur is.’ Zegt Frank. De kalmte die eens in zijn stem klonk is verdwenen, het is duidelijk dat deze situatie flink op zijn zenuwen werkt. ‘Ik ben bang dat we dr het vuur moeten.’ Zeg ik. ‘Wat?! Ben je gek geworden ofzo?’ Vraagt Mike. ‘Heb jij dan een betere oplossing?’ Vraag ik. Hij schudt zijn hoofd. ‘Ok, ik vind het ook een krankzinnig plan, maar we hebben niet veel keuze. Op drie gaan we. n… Twee… DRIE!’ We rennen door het vuur heen, met Mike die nog vol op onze schouders leunt. Het is heel raar, we lopen midden door het vuur heen, maar ik voel er niets van. Het lijkt alsof we er geen last van hebben. ‘Daar is de deur!’ Schreeuw ik. Frank duwt hem open en we rennen door de gangen, naar de deur, om vervolgens buiten te komen. Als we buiten zijn wordt Mike gelijk meegenomen om zijn opengehaalde been na te laten kijken. Ik barst in tranen uit van de schok. Frank probeert me te troosten, maar hij is zelf ook erg geschrokken. ‘Gekken! Waarom gaan jullie naar binnen? Jullie zien toch dat het gebouw in de fik staat?’ Zegt Gerard hysterisch. ‘We wilden even een adrenalinekick meemaken.’ Zegt Frank trillend. Ik glimlach. Soms is hij best wel raar.
Als Frank en ik na een tijdje weer wat rustiger zijn gaan we naar Mike toe. Bill is bij hem. ‘Je ziet een beetje wit.’ Zeg ik tegen hem. ‘Vind je het gek? Jullie zaten daar binnen. En ik stond buiten, en wist niet wat ik moest doen. En als ik jullie was gevolgd dan waren jullie al veel verder en had ik jullie met geen mogelijkheid kunnen vinden. Ik maakte me echt zorgen.’ Zegt Bill. Dan gaat zijn mobiel. ‘Hoi’ ‘…’ ‘Ja, we zijn nog heel.’ ‘…’ ‘Echt? Was het op het nieuws?’ ‘…’ ‘Ja, we zijn er redelijk heel uitgekomen.’ ‘…’ ‘Natuurlijk zijn we geschrokken.’ ‘…’ ‘Ja, we komen er zo snel mogelijk aan. Bye’ Zegt Bill en hangt op. ‘Dat was Tom.’ Zegt hij. ‘Sorry, maar ik ga even weg uit de drukte. Ben even wat verderop.’ Zeg ik. Ik loop naar een grasveldje verderop en ga zitten. Dan denk ik weer aan het doodshoofd op mijn pols. Nog steeds weet ik niet waar het vandaan komt. Ik wrijf erover. Het is er op gekomen, dus dan moet het er ook op een of andere manier vanaf kunnen. Ik wrijf eroverheen, maar het gaat er niet af. ‘Wat doe je?’ Vraagt Frank achter me. ‘Euhm… Niets.’ Zeg ik. ‘Jawel, dat zie ik toch.’ Zegt hij. Ik zucht. ‘Ik weet niet hoe ik hieraan kom, en ik weet ook niet hoe ik er vanaf kom.’ Zeg ik en laat het doodshoofd zien. Franks ogen worden groot. ‘Sinds wanneer heb je dat?’ Vraagt hij. ‘Geen idee, maar vanochtend kwam ik erachter. Het stomme is dat ik cht niet weet hoe ik eraan kom.’ Zeg ik. ‘Ik denk dat ik het wel weet.’ Zegt hij. Ik kijk hem vragend aan. Frank laat zien dat hij hetzelfde doodshoofd heeft als ik heb. ‘De fans denken dat het gewoon maar een tatoeage is, maar ze weten niet wat het echt is.’ Zegt hij. ‘Maar wat is het dan, als het geen tatoeage is?’ Vraag ik. ‘Dat weet niemand precies, maar je zou er een paar eeuwen terug voor moeten gaan. Toen was er een soort vampiers. De mensen waren bang voor ze, anderen wilden ze uitroeien. Er waren een paar mensen die een groep vormden. Samen hadden ze een van de vampiers te pakken gekregen. Ze deden allemaal experimenten met de vampier, maar niets doodde hem. Uiteindelijk was de zoveelste poging mislukt, en de vampier ontsnapte. Na een tijdje kreeg hij trek, en beet een mens. Normaal gesproken zou die ook vampier worden, nu ook, maar de vampier liet ook een teken achter. En dat is zo’n soort doodshoofd. En elk mens, die door zo’n soort vampier wordt gebeten, krijgt er dus een. Hoe het verder in elkaar steekt weet ik ook niet precies.’ Vertelt Frank. ‘Maar… Als jij er dan ook een bent… Is dat dan niet gevaarlijk voor de rest van de band?’ Vraag ik. Hij schudt van nee. ‘Zij hebben precies hetzelfde meegemaakt. Maar het is zo slim gedaan, dat we geen van allen zeker weten hoe het is gebeurd.’ Zegt Frank. ‘Dat heb ik ook. Ik weet alleen nog dat ik weg ging van het feest, en toen zag ik iemand staan, hij had hl lichte ogen, bijna wit. En hij kwam op me af, maar ik kende hem niet. Meer weet ik niet.’ Zeg ik. ‘Dat was hem inderdaad.’ Frank knikt. ‘Hoe weet jij dat zo zeker?’ Vraag ik. ‘Deze soort vampiers hebben allemaal van die heel lichte blauwe ogen.’ Zegt Frank. ‘Maar jij dan? En eigenlijk de hele band. En ikzelf heb ook nog gewoon m’n eigen kleur.’ Ik snap er weinig van. ‘Bij jou kom dat heel snel, misschien vandaag nog, misschien morgen al. En wij gebruiken kleurlenzen, anders valt het te veel op.’ Zegt hij. ‘Oh…Ok..’ Zeg ik. Ik begin het te snappen. Tegen de avond zijn we nog steeds in dezelfde stad. ‘Yelena, kom je? We gaan naar huis.’ Zegt Mike, terwijl hij, steunend op Bill, onhandig naar ons toe komt. ‘Ik kom eraan.’ Zeg ik. ‘Zien we elkaar nog eens?’ Vraag ik zacht aan Frank. ‘Vast wel. Het is niet moeilijk om elkaar te vinden.’ Zegt hij lachend. Ik snap niet waar hij het over heeft, maar Mike sleurt me mee de auto in.
Onderweg valt Mike al snel in slaap. Ik zie dat Bill ook moeite heeft om zijn ogen op de weg te houden. ‘Moet ik rijden?’ Vraag ik. ‘Weet je zeker dat je niet wilt slapen?’ Vraagt hij. ‘Ja, ga hier maar aan de kant staan, dan wisselen we om.’ Zeg ik. Hij stopt en we wisselen van plaats. Als we weer rijden valt Bill ook al snel in slaap. Ik concentreer me op de weg, maar tegelijk dwalen mijn gedachten af naar Frank. Zou hij zomaar een verhaaltje hebben opgehangen? Of is het cht waar? We zijn bijna bij Bill’s huis, hij heeft me eerder al verteld waar hij woont, het is maar goed dat ik het heb onthouden. ‘Bill, Mikey, we zijn er.’ Zeg ik terwijl ik ze wakker maak. ‘Huh? Wat? Oh, ok.’ Zegt Bill die moeizaam wakker wordt. Mike zit uitgebreid te gapen. ‘Wij lopen wel verder naar huis.’ Zeg ik tegen Bill. ‘Ok. Ik ga Tom gerust stellen, daar heb ik de rest van mijn leven voor nodig.’ Zegt hij.
Als Mikey en ik thuis komen komt mijn moeder gelijk op ons af. ‘We hebben ons zo’n zorgen gemaakt. Het was op het nieuws dat er een concertzaal in de brand stond. En we hebben jullie geprobeerd te bellen, maar jullie namen niet op.’ Zegt ze. ‘Mike! Wat is er met je been gebeurd?’ Vraagt ze. ‘Ik ben tussen de tribune terecht gekomen, maar Yelena heeft me eruit geholpen.’ Zegt hij. ‘Oh, ik ben echt blij dat jullie er zijn.’ Zegt ze. Mijn vader komt ook onze kant op. ‘We hebben ons echt zorgen gemaakt, waarom hebben jullie niet gebeld?’ Vraagt hij. ‘Dat is niet echt het eerste waar we aan dachten op dat moment, pap.’ Zeg ik. ‘Tja, dat is waar. Ga maar gauw naar bed, jullie zien er nogal moe uit.’ Zegt hij. Wij verdwijnen naar boven. Al snel is het stil in de kamer naast de mijne, dat betekend dat Mike slaapt. Gek genoeg heb ik helemaal geen slaap. Ik hoor voetstappen op de trap; mijn ouders gaan ook naar bed.
Na een kwartiertje is het helemaal stil in huis, het enige wat geluid maakt is het tikken van de wekker. Ineens hoor ik gerommel. Het komt bij mijn raam vandaan. Snel schuif ik de gordijnen open. Daar zit Frank? Ik doe het raam open. ‘Frank, wat doe jij hier? En hoe heb je me gevonden?’ Vraag ik. ‘Wat doe ik hier… Goeie vraag… Even kijken hoe het met jou gaat. Dus, gaat het goed met jou?’ Vraagt hij. ‘Ja hoor. Maar dan blijft er nog een vraag over; Hoe heb je me gevonden?’ Vraag ik. ‘Door je broertje.’ Zegt hij. Ik kijk hem vragend aan. ‘Ik ben de geur van zijn bloed gevolgd. Ik wist zeker, dat wanneer ik hem vond, ik jou vond. En dat is ook zo.’ Zegt hij. ‘Ok. Heel vaag, maar daar zit wel wat in.’ Zeg ik. ‘En ik hoop voor je dat je al weet dat jouw ogen al verdacht licht zijn in vergelijking met een paar uurtjes geleden.’ Zegt Frank. ‘Shit! Is dat nu al? Wat als mijn ouders er iets achter zoeken? Ik bedoel… Normaal gebeurt dat niet van de een op de andere dag.’ Zeg ik lichtelijk in paniek. ‘Rustig joh, weleens gehoord van kleurlenzen. Bijna elke vampier gebruikt ze. Want als je zwarte, rode of heel lichtblauwe ogen hebt, dan valt dat nogal op.’ Zegt hij. ‘Juist… Maar nu zijn alle winkels dicht.’ Zeg ik. ‘Niet lle winkels.’ Zegt Frank. ‘Huh? Voor zover ik weet zijn ze allemaal dicht.’ Zeg ik. ‘Ja, de winkels waar mensen werken wel, maar vampiers hebben geen slaap nodig, en in dit soort gevallen is het altijd handig wil er zo iets open zijn.’ Zegt Frank. ‘Maar komen er dan geen mensen die zaak binnen?’ Vraag ik. ‘Tja, af en toe, en dan hebben ze misschien een groot probleem, hadden ze maar moeten opletten waar ze heen gingen. Zullen we gaan?’ Zegt hij. ‘Euhm… Ok.’ Zeg ik.
Voor ik het weet zijn we al bij een van de zaken die open zijn. Het is een typisch zaakje, niet eentje waar de meeste mensen naar binnen gaan. Frank zoekt de goede kleur uit. Ik heb echt geen idee wat voor kleur het precies zou moeten zijn, maar hij heeft er kennelijk verstand van.
Al snel staan we weer buiten. ‘Viel best mee toch?’ Zegt hij. ‘Ja, waarom niet?’ Vraag ik. ‘Geen idee, ik wilde gewoon een vraag stellen.’ Zegt Frank terwijl hij zijn schouders ophaalt. ‘Ok dan.’ Ik hoor dat mijn ouders wakker worden. ‘Ik denk dat je weer moet gaan, anders schrikken m’n pa en ma zich dood als ze jou hier ineens zien.’ Zeg ik lachend. ‘Ok. Tot snel dan?’ Vraagt hij. ‘Ok.’ Hij gaat er weer vandoor. Snel kruip ik mijn bed in, net voordat mijn moeder mijn kamer binnen komt. Ik doe alsof ik slaap, en al snel is ze weg. De laatste paar uurtjes verveel ik me. Ik heb nog een paar keer naar buiten gekeken, maar Frank is niet in de buurt. Zuchtend laat ik me op mijn bed vallen.
Gelukkig is Mike ook al vroeg wakker, dan heb ik weer wat aanspraak. ‘Ik dacht dat ik vannacht iemand in jouw kamer hoorde.’ Zegt hij. ‘Hahaha… Dat heb je vast gedroomd. Ik heb alleen maar liggen slapen.’ Zeg ik. ‘Oh, ik dacht echt dat ik jou had horen praten met iemand anders.’ Zegt hij. Onze moeder roept of we komen eten. We gaan naar beneden voor het ontbijt. ‘En? Wat gaan jullie doen in de vakantie? Of weten jullie het nog niet?’ Vraagt pa. ‘Euhm… We gaan niets doen?’ Zeg ik. ‘Klinkt goed.’ Zegt Mike. Ik ga met Mike naar de bios, er is een of andere horrorfilm die hij graag wilde zien. Het is best een goeie film, maar het kon beter.
De rest van de dag brengen we buiten door. Een beetje rondhangen en niets doen.
’s Avonds verheug ik me alweer op de nacht. Zou Frank weer komen?
Iets over twaalven wordt er op mijn raam getikt. ‘Hey!’ Zeg ik vrolijk. ‘Zin in een uitstapje.’ Vraagt Frank. ‘Natuurlijk.’ Ik klim uit het raam. Beneden staan Gerard, Mikey, Ray en Bob te wachten. ‘Waar wilden jullie dan heen?’ Vraag ik. ‘Iets wat iedereen moet doen.’ Zegt Ray. ‘Wat dan?’ ‘Jagen.’ Zegt Bob. ‘En … Waarop?’ Gerard moet lachen. Alsof ik iets verkeerds heb gezegd. ‘Kom op, ze kan er niets aan doen.’ Zegt Frank. ‘Ok, ok… Je kunt zelf kiezen, jagen op mensen, of naar het mortuarium gaan. Het klinkt nogal hard, maar die mensen zijn toch al dood.’ Zegt Gerard. ‘Juist ja… Nouja, ik heb hier verder geen ervaring ofzo mee, neem me maar ergens mee naartoe, ik laat het wel op me af komen.’ Zeg ik. ‘Ok.’ Zegt Frank. In een razendsnel tempo gaan we de stad uit, ik heb geen idee waar we zijn, ik ken het niet.

Mike’s pov:
Ik word wakker. Wanneer ik op de klok kijk zie ik dat het net kwart over 12 is geweest. H, hoor ik nu weer geluiden uit de kamer van Yelena komen? Dat kan niet, zij is –net zoals iedereen- aan het slapen. Ik draai me om, met mijn gezicht richting het raam. Huh? Ik weet zeker dat er iets voorbij schoot! Ik weet niet wat het was, want ik zag alleen de omtrek door het gordijn, maar er was iets of iemand die langs schoot.
Ik ga kijken bij Yelena in haar kamer. Niets te zien… Zelfs geen Yelena…. Zelfs geen… Waar is ze? Morgen ga ik het haar eens vragen. Ik wil wel weten waar dat uitstapje naartoe gaat. Maar wat nou als dat gene wat ik langs had zien komen iemand was die haar mee heeft genomen? Nee, dat kan niet. Daar ging het veel te snel voor. Ik doe het licht aan. Er is niets overhoop gehaald, dus een inbreker was het niet. Ik hoor gerommel. ‘Ok, tot dan.’ Yelena? Inderdaad, ze stapt naar binnen. Ik kijk recht in twee heel lichtblauwe ogen. ‘Mike! Wat doe jij hier?’ Vraagt ze een beetje geschrokken. ‘Kan ik ook aan jou vragen, wat deed jij daar?’ Vraag ik. ‘Ik vroeg het eerst.’ Ze zet haar handen in haar zij. ‘Ik hoorde dat je wakker was, en je was met iemand aan het praten. Vervolgens schoot er iets langs het raam, en ik wilde weten wie of wat het was. Dus; Wat deed je daar?’ Vraag ik. ‘Ik ging gewoon ergens heen.’ Zegt ze. ‘Waarheen? En met wie?’ Dring ik aan. ‘Dat kan ik niet zeggen.’ Wat een smoes! ‘Waarom niet? Wij houden toch niets voor elkaar achter? Als ik het niet tegen pa en ma mag zeggen, ok. Maar ga geen dingen voor me achterhouden.’ Zeg ik. ‘Je gaat denken dat ik gek ben.’ ‘Maakt niet uit.’ Ze zucht. Vervolgens hangt ze een of ander verhaal op over vampieren. Ze zou er ook een zijn ofzo, en ze is met Frank en de rest mee geweest naar een … Mortuarium? Dit gaat echt te ver. ‘Klinkt allemaal erg gezellig, maar nu wil ik het echte verhaal weten.’ Zeg ik. ‘Dat ws het echte verhaal.’ Zegt ze. ‘Dus jij beweert dat jij met een beroemde band omgaat, en dat zij stuk voor stuk vampier zijn?’ Zeg ik. ‘Ja.’ ‘Je had gelijk, ik zou bijna gaan denken dat je gek bent. Maar ik ken je al langer, zo ben jij niet.’ Zeg ik. ‘Dan geloof je me toch niet.’ Zegt ze. Ik ga haar kamer uit, naar beneden.
Tijdens het ontbijt kijken we elkaar nijdig aan, maar zeggen we niets. ‘Wat is er met jullie twee? Last van een ochtendhumeur?’ Vraagt onze vader, hij probeert grappig te zijn, maar dat komt even niet goed uit. We geven geen reactie. Stilzwijgend gaan we verder met eten, en ruimen daarna af. ‘Ik ga vandaag weg, ok?’ Vraagt Yelena aan mam. ‘Ok, ben je vanavond voor het eten thuis?’ Vraagt ze. ‘Geen idee, het kan ook wat later worden.’ Zegt ze. ‘Ok. Veel plezier.’ Zegt ze. Als ik naar buiten kijk zie ik Frank staan. Een steek van jaloezie gaat door me heen. Zou ze cht omgaan met de band? Yelena gaat naar hem toe, en samen gaan ze ergens heen. Nadat ze de straat uit zijn kan ik ze niet meer zien.
De tijd tikt voorbij, en ik heb geen zin om iets te doen. ‘Waarom ga je niet lekker naar buiten?’ Vraagt onze moeder. ‘Neh… Niet zo’n zin in.’ Zeg ik. ‘Hoe komt dat? Omdat Yelena er nu niet meer is?’ Vraagt ze. ‘Zo ongeveer.’ Zeg ik. ‘Ze mag toch wel met iemand anders omgaan?’ ‘Ja, maar ik weet niet in hoeverre ik het kan vertrouwen. Ze gaat gewoon met Frank mee, Frank Iero!’ Zeg ik. ‘Van die band?’ Vraagt ze. ‘Ja, die!’ Zeg ik. ‘Ik denk dat je gewoon iemand anders aanziet voor hem. En dan nog, als hij maar niets uithaalt met haar. En ze is oud genoeg om zelf te beslissen.’ Zegt ze. ‘Maar dan nog… Het is toch raar? Hoeveel fans gaan er vriendschappelijk om met hun favoriete band? Echt als vrienden bedoel ik.’ Zeg ik. ‘Dat zijn er niet veel, maar zij is een uitzondering, en ik denk dat ze daar wel gelukkig mee is.’ Zegt ze. Ik geef het op. ‘Laat ook maar.’ Zeg ik, en ga weg.
Tegen de avond is Yelena nog niet thuis. Waar hangt ze uit? Op haar mobiel is ze niet te bereiken, die heeft ze thuis laten liggen. Ik wacht de hele tijd op mijn kamer tot ze thuis is, terwijl mijn ouders denken dat ik al slaap. Dan hoor ik de deur van het slot draaien. Na een paar tellen gaat de deur van haar kamer open. Ik hoorde haar helemaal niet de trap op komen!
‘Waar heb jij gezeten?’ Vraag ik. ‘Geloof je toch niet.’ Zegt ze. ‘Maakt het uit. Zeg het gewoon.’ Ik ben vastbesloten om erachter te komen. ‘We zijn zegmaar… Uit eten geweest. Nou, ga nu m’n kamer uit, ik heb even geen zin in gezeur aan mijn hoofd.’ Zegt ze. Ik ga haar kamer uit. De volgende ochtend komt ze naar beneden. ‘Mam, pap, kan ik iets met jullie bespreken?’ Vraagt ze. ‘Ja hoor.’ Zegt mam. ‘Ok, ik zit erover te denken om het huis uit te gaan. Ik vind dat jullie het recht hebben om het te weten.’ Zegt ze. ‘Wat? Is dat niet een beetje vroeg?’ Vraag ik. ‘Natuurlijk niet. Yelena is slim genoeg om dat soort dingen te beslissen.’ Zegt onze vader. ‘Bedankt pap. Maar… Het is wel al heel snel dat ik weg ga.’ Zegt ze. ‘Wanneer dan?’ Vraagt hij. ‘Vanmiddag.’ Zeg ik. ‘Zo snel?’ Vraag ik. ‘Zoals ik al zei, ik denk er al een hele tijd over, en ik weet het ondertussen al zeker.’ Zegt ze. Er zit een rare klank in haar stem, anders dan diegene die ik ken. Onze ouders merken het niet. ‘En… Waar verhuis je heen?’ Vraagt mam. ‘De stad uit, in een studio.’ Zegt ze.
Zoals ik al had verwacht staat Frank met zijn maatjes al snel voor de deur. En even snel als ze gekomen zijn, zijn ze ook weer weg… Met Yelena.
Een paar dagen gaan voorbij. Ik heb nog niets van haar gehoord. Af en toe komt ze nog even langs. Ik heb er nog n keer betrapt met… Nou.. Iets heel ranzigs wat ik liever uit mijn gedachten wil zetten. Ze waren net bezig met een tussendoortje.
Na dat gezien te hebben, hoef ik niets meer met haar te maken te hebben.

even tussendoor

even tussendoor

Voor de mensen die nog op deze site kijken:
Ik ben een hele tijd geleden verder gegaan op fanfic.nl (onder de naam mcrx30stm)
(zoals wel meer mensen hier op startspot, zo ben ik ook achter de site gekomen..)
daar heb ik ondertussen al veel meer nieuwe SA's & verhalen ;)
maar ik zet ze er niet meer van andere mensen op.
maybe tot ziens op fanfic =]
byee

Door Simone i.s.m tokio-hotel-sa.startspot.nl
Hosting en scripting door: MPlay.nl
Er staan 62 links op deze pagina.
Opmerkingen of suggesties?